Navigation path

Left navigation

Additional tools

Other available languages: EN FR DE DA ES IT SV PT FI EL

C/02/333

Brussel, 5 november 2002 13490/02 (Presse 333)

2460e zitting van de Raad - ECONOMISCHE EN FINANCIËLE ZAKEN - Brussel, 5 november 2002

Voorzitter: de heer Thor PEDERSEN, Minister van Financiën van het Koninkrijk Denemarken

INHOUD (1)

DEELNEMERS 5

BESPROKEN PUNTEN 7

FINANCIËLE DIENSTEN 7

     Richtlijn betreffende het prospectus 7

     Actieplan voor risicokapitaal - benchmarking-verslag 9

     Ondernemingsbestuur 10

TOEPASSING VAN DE PROCEDURE BIJ BUITENSPORIGE TEKORTEN TEN AANZIEN VAN PORTUGAL 10

BELASTINGVRAAGSTUKKEN 11

     Belasting op rente van spaargelden 11

     Energiebelasting 11

VOORBEREIDING VAN DE MINISTERIËLE DIALOOG MET DE KANDIDAAT-LIDSTATEN 12

RATIONALISERING VAN DE JAARLIJKSE CYCLI BIJ DE COÖRDINATIE VAN HET ECONOMISCH EN HET WERKGELEGENHEIDSBELEID 12

EIB-BESTUUR MET HET OOG OP DE UITBREIDING - Conclusies 13

EUROPESE CENTRALE BANK (ECB) - Conclusies 15

DIVERSEN 16

     Economische en financiële situatie in Libanon 16

ACTIVITEITEN IN DE MARGE VAN DE RAAD 16

     Trojka met het Europees Parlement 16

     Ministeriële dialoog met de kandidaat-lidstaten - gemeenschappelijke conclusies van de ministers van Economische en Financiële Zaken van de EU en de kandidaat-lidstaten 17

ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN I

ECOFIN

  • Omzetbelasting - Machtiging voor Oostenrijk, Duitsland en Frankrijk om afwijkende maatregelen toe te passen inzake omzetbelasting VI

  • BTW - voortgangsverslagen VI

EXTERNE BETREKKINGEN

  • Bestrijding van handvuurwapens en lichte wapens - Tweede jaarverslag VI

  • Israël - Onderhandelingen over een overeenkomst betreffende wetenschappelijke en technische samenwerking VIII

  • Associatie met Cyprus/Malta VIII

HANDEL

  • Antidumping/Antisubsidie - wijziging van de basisbesluiten VIII

  • Brazilië - Overeenkomst inzake textielproducten VIII

VERVOER

  • Markttoegang tot havendiensten IX

  • Cabotage in het zeevervoer - Conclusies van de Raad IX

ONDERZOEK

  • Zesde kaderprogramma voor onderzoek - Regels inzake de deelneming (EG-programma) IX

TRANSPARANTIE

  • Toegang van het publiek tot documenten X

BESLUITEN DIE ZIJN GENOMEN IN HET KADER VAN DE BEMIDDELINGSPROCEDURE XI

sociale vraagstukken

  • Blootstelling van werknemers aan lawaai XI

vervoer

  • Burgerluchtvaart - Akkoord inzake versterkte beveiligingsmaatregelen XII

via de schriftelijke procedure aangenomen besluiten XIII

ecofin

  • Solidariteitsfonds van de Europese Unie - Interinstitutioneel Akkoord XIII

DEELNEMERS

De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd:

België:

de heer Didier REYNDERSminister van Financiën
Denemarken:
de heer Thor PEDERSEN

de heer Henrik FUGMANN 

minister van Financiën

staatssecretaris, Ministerie van Financiën

Duitsland:
de heer Hans EICHELminister van Financiën
Griekenland:
de heer Nicos CHRISTODOULAKIS minister van Economische Zaken en Financiën 
Spanje:
de heer Luis de GUINDOS

de heer COSTA CLIMENT

staatssecretaris van Economische Zaken

staatssecretaris van Handel en Toerisme

Frankrijk:
de heer Francis MER minister van Economische Zaken, Financiën en Industrie 
Ierland:
de heer Charlie McCREEVYminister van Financiën
Italië:
de heer Giulio TREMONTI minister van Economische Zaken en Financiën 
Luxemburg:
de heer Jean-Claude JUNCKER

de heer Henri GRETHEN  

minister-president, minister van Financiën 

minister van Economische Zaken 

Nederland:
de heer Hans HOOGERVORST minister van Financiën 
Oostenrijk:
de heer Karl-Heinz GRASSERminister van Financiën 
Portugal:
mevrouw Manuela FERREIRA LEITE minister van Staat, minister van Financiën
Finland:
de heer Sauli NIINISTÖ minister van Financiën 
Zweden:
de heer Bosse RINGHOLMminister van Financiën
Verenigd Koninkrijk:
de heer Gordon BROWN minister van Financiën (Chancellor of the Exchequer) 
* * *
Commissie:
de heer Frits BOLKESTEIN

de heer Pedro SOLBES 

lid

lid

* * *
Overige deelnemers:
de heer Philippe MAYSTADT

de heer Jan Willem OOSTERWIJK

de heer Johnny ÅKERHOLM

de heer Otmar ISSING

de heer Jaap WINTER

president van de Europese Investeringsbank

voorzitter van het Comité voor economische politiek

voorzitter van het Economisch en Financieel Comité  

lid van de directie van de Europese Centrale Bank

voorzitter van de Groep op hoog niveau deskundigen inzake vennootschapsrecht

* * *

Deelnemers van de kandidaat-lidstaten aan de ministeriële dialoog:

Bulgarije:
De heer Milen VELTCHEVminister van Financiën

Cyprus:

de heer Takis KLERIDES

minister van Financiën

Tsjechië
de heer Bohuslav SOBOTKA

de heer Zdenek HRUBY

minister van Financiën

onderminister van Financiën

Estland:
de heer Madis ÜÜRIKEadviseur, ministerie van Financiën

Hongarije:

de heer Csaba LASZLOminister van Financiën

Letland:

mevrouw Valentina ANDREJEVA

staatssecretaris, ministerie van Financiën

Litouwen:
mevrouw Dalia GRYBAUSKAITE

minister van Financiën

Malta:

de heer John DALLI

minister van Financiën

Polen:
de heer Grzegorz W. KOLODKO

minister van Financiën

Roemenië:

de heer Enache JIRUstaatssecretaris van Financiën

Slowakije:

de heer Vladimir TVAROSKA

staatssecretaris van Financiën

Slovenië:
de heer Anton ROP

minister van Financiën

Turkije:
de heer Sûmer ORALminister van Financiën
BESPROKEN PUNTEN

FINANCIËLE DIENSTEN

  • Richtlijn betreffende het prospectus

De Raad heeft met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een politiek akkoord bereikt over een gemeenschappelijk standpunt over een ontwerp-richtlijn betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten.

Wat betreft de definitie van de lidstaat van herkomst van uit de EU afkomstige emittenten van effecten is de Raad overeengekomen dat voor obligaties met een nominale waarde van minder dan 5000 euro en voor aandelen de lidstaat van herkomst is waar de emittent is gevestigd; voor obligaties met een hogere nominale waarde en voor een aantal andere typen waardepapieren die geen gewone aandelen zijn, mag de emittent als lidstaat van herkomst kiezen de lidstaat waar hij gevestigd is dan wel de lidstaat waar de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten of aan het publiek worden aangeboden.

Wat betreft de mogelijkheid voor een bevoegde autoriteit om bepaalde specifieke taken te delegeren of te externaliseren, heeft de Raad besloten dat de lidstaten hun bevoegde autoriteit mogen toestaan taken te delegeren maar dat dit op specifieke wijze moet geschieden, waarbij melding wordt gemaakt van de te vervullen taken en de voorwaarden waaronder deze taken dienen te worden uitgevoerd. Iedere overdracht van taken met betrekking tot de verplichtingen moet vijf jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn zijn beëindigd, uitgezonderd voor het delegeren van de publicatie van prospectussen op internet.

Volgens de richtlijn brengt het openbaar aanbieden van effecten of het tot de handel toelaten daarvan op een gereglementeerde markt de verplichting tot opstelling van een prospectus met zich mee om te waarborgen dat het publiek naar behoren wordt geïnformeerd. Hoofddoel van deze richtlijn is een echt Europees paspoort voor emittenten in te voeren, door het door de toezichthouder van de lidstaat van herkomst van de emittent goedgekeurde prospectus in de gehele Gemeenschap geldig te verklaren.

De richtlijn zal voorschriften omvatten betreffende de opstelling van het prospectus, betreffende regelingen voor de goedkeuring en de publicatie van het prospectus, betreffende multinationale aanbiedingen en toelating tot de handel, betreffende emittenten met statutaire zetel in een derde land alsmede betreffende de bevoegde autoriteiten en hun bevoegdheden.

De Raad heeft het Comité van permanente vertegenwoordigers verzocht de bespreking van de preambule van de richtlijn af te ronden en kwam overeen het gemeenschappelijk standpunt in een van zijn volgende zittingen vast te stellen nadat het door de juristen/vertalers is bijgewerkt.

  • Actieplan voor risicokapitaal - benchmarking-verslag

Na een presentatie door de Commissieleden BOLKESTEIN en SOLBES heeft de Raad nota genomen van het vierde voortgangsverslag van de Commissie betreffende de tenuitvoerlegging van het Actieplan voor risicokapitaal.

Zoals bekend heeft dit actieplan betrekking op de evolutie van de markt, het regelgevingskader, fiscale punten, ondernemerschap en openbare financiering; deze gebieden behoren, op het regelgevingskader na, in hoofdzaak tot de bevoegdheid van de lidstaten. De onderdelen betreffende het regelgevingskader worden voor een groot gedeelte bestreken door het Actieplan Financiële Diensten, waarover de Commissie op 3 december 2002 een afzonderlijk voortgangsverslag aan de Raad ECOFIN zal voorleggen.

Het verslag wijst uit dat het bedrag aan risicokapitaal dat in 2001 in de EU is geïnvesteerd met 35% is gedaald ten opzichte van 2000, maar nog altijd boven dat van eerdere jaren ligt. Ondanks een nog scherpere daling vorig jaar in Amerika, hebben de VS toch nog drie keer zoveel risicokapitaal geïnvesteerd dan de EU. Het verslag constateert dat er het afgelopen jaar substantiële vooruitgang is geboekt bij de modernisering van het regelgevingskader voor risicokapitaal, met name de geslaagde introductie van de eurobiljetten en -muntstukken, alsmede belangrijke stappen bij de voltooiing van de uitvoering van het Actieplan Financiële Diensten van de EU. Toch wordt in het verslag opgeroepen tot grotere inspanningen op het gebied van het pan-Europees octrooi en het wegwerken van ongewenste fiscale belemmeringen. Het verslag erkent dat zowel in de huidige als in de toekomstige EU-lidstaten ongunstige marktvoorwaarden en gebrek aan integratie van de nationale markten nog steeds belemmeringen voor risicokapitaalverstrekkers vormen. Ook vraagt het verslag om verbeteringen in de werking en de reglementering van in snelgroeiende ondernemingen gespecialiseerde effectenbeurzen teneinde het herstel daarvan te bevorderen, zodat ze hun beoogde rol als markt voor risicokapitaalinvesteringen en als etalage voor succesvolle en innovatieve ondernemingen kunnen vervullen.

  • Ondernemingsbestuur

De Raad heeft geluisterd naar een mondelinge presentatie van de heer Jaap WINTER, voorzitter van de Groep op hoog niveau deskundigen inzake vennootschapsrecht, over het door zijn groep op 4 november 2002 aangenomen eindverslag over ondernemingsbestuur.

De Raad heeft het Economisch en Financieel Comité (EFC) opgedragen dit verslag verder te bestuderen en hem tijdens een van zijn volgende zittingen verslag uit te brengen.

TOEPASSING VAN DE PROCEDURE BIJ BUITENSPORIGE TEKORTEN TEN AANZIEN VAN PORTUGAL

De Raad heeft een beschikking aangenomen betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Portugal, alsmede een aanbeveling aan Portugal om het buitensporige overheidstekort te verhelpen.

Portugal heeft besloten deze aanbeveling openbaar te maken. Dienovereenkomstig is de Raad overeengekomen de tekst beschikbaar te stellen op de website van de Raad (http://consilium.europa.eu).

BELASTINGVRAAGSTUKKEN

  • Belasting op rente van spaargelden

De Raad heeft de stand van zaken opgemaakt in verband met de onderhandelingen met derde landen, met name met Zwitserland, over de belasting op rente van spaargelden, alsmede in verband met de besprekingen hierover met zekere van lidstaten afhankelijke of daarmee geassocieerde gebieden.

  • Energiebelasting

De Raad heeft een debat gehouden over de belangrijkste opgeloste vraagstukken van de ontwerp-richtlijn tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten.

Het gaat hierbij om:

    - de mogelijkheid nationale niveaus vast te stellen die lager zijn dan de nieuwe minimumbelastingniveaus;

    - de regelingen voor het gebruik van als motorbrandstof gebruikte gasolie, de duur van de overgangsperioden voor elektriciteit en andere energieproducten dan gasolie; en

    - het verband tussen de in de richtlijn vastgelegde belastingvrijstellingen en -verlagingen enerzijds en de regels inzake staatssteun anderzijds.

De Raad heeft besloten de desbetreffende Raadsinstanties op te dragen de besprekingen over deze resterende vraagstukken voort te zetten, zodat in een volgende zitting van de Raad overeenstemming over de richtlijn kan worden bereikt.

VOORBEREIDING VAN DE MINISTERIËLE DIALOOG MET DE KANDIDAAT-LIDSTATEN

De Raad heeft voorbereidingen getroffen voor de dialoog die in de namiddag op ministerieel niveau met de kandidaat-lidstaten zou worden gehouden. (zie blz. 17: Activiteiten in de marge van de Raad).

RATIONALISERING VAN DE JAARLIJKSE CYCLI BIJ DE COÖRDINATIE VAN HET ECONOMISCH EN HET WERKGELEGENHEIDSBELEID

De Raad heeft een tussentijds verslag over het stroomlijnen van de beleidscoördinatieprocessen aangenomen, en het Comité voor economische politiek (EPC) en het Economisch en Financieel Comité (EFC) verzocht in samenwerking met de overige relevante groepen de werkzaamheden voort te zetten, zodat in de Raadszitting in december een eindverslag kan worden aangenomen.

Zoals bekend, heeft de Europese Raad van Barcelona de Raad en de Commissie verzocht de beleidscoördinatieprocessen te stroomlijnen. De Europese Raad bepaalde meer in het bijzonder dat de aandacht meer moet uitgaan naar uitvoeringsmaatregelen dan naar de jaarlijkse opstelling van richtsnoeren. Aangezien de Europese Raad de belangrijkste politieke impuls moet geven aan de acties die cruciaal zijn voor de verwezenlijking van de langetermijndoelstellingen van de Unie, heeft hij besloten dat de tijdschema's voor de aanneming van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en van het jaarlijks werkgelegenheidspakket zo snel mogelijk op elkaar afgestemd dienen te worden.

EIB-BESTUUR MET HET OOG OP DE UITBREIDING - Conclusies

De Raad heeft overeenstemming bereikt over de volgende punten waarop de statuten van de EIB in het kader van de uitbreiding gewijzigd zullen worden:

     Besluiten van de Raad van bewind worden aangenomen met ten minste één derde van de stemgerechtigde leden. Deze meerderheid moet ten minste 50% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen.

     De kapitaalparticipatie van Spanje wordt selectief verhoogd tot het stemgewicht van 60% van de grote landen, hetgeen een verhoging tot 10,24% (2) inhoudt van zijn aandeel in het kader van de EU-15 en van 1,03 miljard euro van zijn bij de Bank geplaatste kapitaal. Deze verhoging wordt geacht geen precedent te scheppen voor andere lidstaten of verdere uitbreidingen, en heeft ook geen consequenties voor andere regelingen in verband met het bestuur.

     Om in de Raad van bewind een ruim scala aan professionele deskundigheid te handhaven zullen drie deskundigen zonder stemrecht in de Raad worden gekozen, waardoor het aantal bewindvoerders van 26 tot 29 stijgt. Daarnaast moeten er drie niet-stemgerechtigde deskundigen als plaatsvervangende leden in de Raad van bewind worden gekozen, waardoor het aantal plaatsvervangers zal stijgen tot 19. Tegelijkertijd moeten op het punt van het spreekrecht van de plaatsvervangende leden de procedures worden aangepast om de Raad van bewind werkbaar te houden.

     Verhoging van het aantal leden van de directie met één tot negen (inclusief de volgende uitbreiding).

Voorts is de Raad overeengekomen dat de Raad van Gouverneurs onmiddellijk na de inwerkingtreding van de toetredingsverdragen de samenstelling van de negen kiesgroepen in de directie opnieuw moet bezien. De Raad van Gouverneurs dient deze exercitie tijdig voor te bereiden. Tenzij en totdat de Raad van Gouverneurs met eenparigheid van stemmen anders beslist, wordt het ene bijkomende lid toegewezen aan een kiesgroep van de tien nieuwe lidstaten.

De Raad heeft tevens besloten de volgende verklaring in zijn notulen op te nemen:

"De Raad neemt er nota van dat de samenstelling van de negen kiesgroepen van de directie van de EIB moet worden herzien teneinde te komen tot een beter evenwicht tussen de negen kiesgroepen.

Onder verwijzing naar de landengroepen in artikel 11, lid 2, van het EIB-statuut (plaatsvervangende leden van de Raad van bewind), brengt de Raad, teneinde tot een evenwichtigere samenstelling van de kiesgroepen te komen, de bepaling van het Verdrag van Nice in herinnering die de mogelijkheid biedt de Statuten van de EIB te wijzigen.".

EUROPESE CENTRALE BANK (ECB) - Conclusies

De Raad heeft de volgende conclusies aangenomen:

"De Raad is het erover eens dat het geplaatste kapitaal van de ECB en het plafond voor de deviezenreserves in het kader van de uitbreiding moeten worden verhoogd. Dienovereenkomstig moet er een nieuw artikel 49, lid 3, worden opgenomen in het Verdragsprotocol (nr. 18, ex nr. 3) betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank:

"Zodra één of meer landen lidstaat worden en hun respectieve nationale centrale banken deel gaan uitmaken van het ESCB, worden het geplaatste kapitaal van de ECB en het plafond voor de externe reserves die aan de ECB mogen worden overgedragen, automatisch verhoogd. De verhoging wordt bepaald door de respectieve bedragen die dan zullen gelden, te vermenigvuldigen met de verhouding tussen de weging, in het kader van de uitgebreide verdeelsleutel voor de inschrijving op het kapitaal, van de toetredende nationale centrale banken in kwestie enerzijds en die van de nationale centrale banken die reeds deel uitmaken van het ESCB anderzijds. De weging van elke nationale centrale bank in de kapitaalsleutel wordt berekend naar analogie van artikel 29, lid 1, en in overeenstemming met artikel 29, lid 2. De referentieperiodes voor de statistische gegevens moeten gelijk zijn aan die welke zijn toegepast voor de laatste vijfjaarlijkse aanpassing van de wegingen uit hoofde van artikel 29, lid 3."".

DIVERSEN

  • Economische en financiële situatie in Libanon

Op verzoek van de Franse delegatie heeft de Raad nota genomen van de bijeenkomst die op 23 november 2002 in Parijs heeft plaatsgevonden met Libanon en zijn voornaamste partners, met als doel om de mogelijkheden voor financiële ondersteuning van dit land te verkennen, gelet op de moeilijke economische situatie waarin het verkeert.

ACTIVITEITEN IN DE MARGE VAN DE RAAD

  • Trojka met het Europees Parlement

De trojka van ministers van Financiën (de heer Thor PEDERSEN, minister van Financiën van Denemarken en voorzitter van de Raad, de heer Nicos CHRISTODOULAKIS, minister van Economische Zaken en Financiën van Griekenland en de heer Giulio TREMONTI, minister van Economische Zaken en van Financiën van Italië), de Commissieleden BOLKESTEIN en SOLBES en de voorzitter van de Economische en Monetaire Commissie van het Europees Parlement, mevrouw RANDZIO-PLATH, hebben van gedachten gewisseld over het verslag over financiële regelgeving, financieel toezicht en financiële stabiliteit.

Tevens werd van de gelegenheid gebruik gemaakt om een toelichting te geven bij de lopende werkzaamheden ter voorbereiding van de volgende voorjaarszitting van de Europese Raad, met name met het oog op het stroomlijnen van de procedures.

  • Ministeriële dialoog met de kandidaat-lidstaten - gemeenschappelijke conclusies van de ministers van Economische en Financiële Zaken van de EU en de kandidaat-lidstaten

Op 5 november 2002 zijn de ministers van Economische en Financiële Zaken van de EU en de kandidaat-lidstaten met vertegenwoordigers van de Commissie en de ECB bijeengekomen voor hun vierde dialoogvergadering over het economisch beleid. Zij waren zeer verheugd over de door de Europese Raad van Brussel genomen historische besluiten over de uitbreiding, alsook over het vooruitzicht dat de uitbreidingsonderhandelingen tijdens de Europese Raad in december dit jaar afgerond zullen worden. Zij kijken uit naar het moment waarop het lidmaatschap van de voor toetreding in aanmerking komende landen in 2004 een feit zal worden.

De economische pretoetredingsprogramma's voor 2002

Over het algemeen beschrijven de programma's voor 2002 een geloofwaardig macro-economisch en begrotingskader voor de middellange termijn dat bevorderlijk is voor een sterke en duurzame economische groei. De kandidaat-lidstaten hebben in 2001 verdere vorderingen gemaakt met macro-economische stabilisatie en structurele hervormingen.

De kloof, uitgedrukt in gemiddeld BBP per hoofd van de bevolking, tussen de meeste toetredingslanden en de huidige lidstaten, neemt weliswaar af, maar is nog altijd aanzienlijk. Ofschoon de gemiddelde groei over de afgelopen jaren altijd hoger was dan in de EU, hebben vele toetredingslanden slechts matige vooruitgang geboekt naar reële convergentie. Van 38,5% in 2000 steeg in 2001 het BBP per hoofd van de bevolking in de tien toetredende landen volgens koopkrachtnormen tot gemiddeld 39,3% van het EU-gemiddelde. De economische pretoetredingsprogramma's (EPP's) voor 2002 gaan uit van een groeipercentage voor de middellange termijn van 4 à 6 procent. Sommige landen benutten nog altijd niet hun volledige groeipotentieel.

In een aantal kandidaat-lidstaten heeft de overheid aanzienlijke vorderingen gemaakt met het consolideren van de overheidsfinanciën en liggen er plannen voor een gezond begrotingsbeleid op de middellange termijn. In verschillende landen is het begrotingstekort echter nog zeer hoog, waaruit de noodzaak blijkt van ambitieuze streefcijfers voor de begrotingsconsolidatie en van een koersvast begrotingsbeleid op de middellange termijn. Met name in Tsjechië, Hongarije, Malta en Polen zijn er op dit vlak nog grote inspanningen vereist. Aanhoudende begrotingsconsolidatie zal de voorwaarden scheppen voor economische groei.

Prijsstabiliteit en grotere wisselkoersstabiliteit zijn een positieve ontwikkeling in de toetredingslanden, maar sommige landen moeten nog meer vorderingen maken. In de pretoetredingsfase moeten de wisselkoersstrategieën consistent blijven met andere macro-economische beleidsinitiatieven en convergentie. Het steeds meer afstemmen van de wisselkoers op de euro als belangrijkste referentievaluta strookt met verdere economische integratie, maar de snelheid waarmee dat gebeurt hangt af van de specifieke omstandigheden van de afzonderlijke landen. Het verslag dat de Ecofin-ministers op 8 november 2000 aan de Europese Raad van Nice hebben voorgelegd over de wisselkoersaspecten van de uitbreiding, zal de basis vormen voor de bespreking van de volgende stappen op weg naar de invoering van de euro.

In tal van kandidaat-lidstaten heeft het vooruitzicht van de toetreding als katalysator gediend voor grootschalige structurele en institutionele hervormingen. De vorderingen zijn echter niet overal even groot, en blijven vooral achter op een aantal prioritaire gebieden, zoals werkgelegenheid, producten en financiële markten en de landbouwsector. Met name de hoge werkloosheid en de lage arbeidsparticipatie in verschillende landen duiden op de dringende noodzaak van verdere structurele hervormingen.

In een wereld van geliberaliseerde kapitaalstromen is een gezond macro-economisch raamwerk een essentiële voorwaarde om voldoende financiële stabiliteit te kunnen garanderen, juist tijdens de inhaalfase bij de directe confrontatie met omvangrijke en potentieel vluchtige kapitaalstromen. Macro-economische instabiliteit en excessieve kapitaalstroomfluctuaties kunnen de financiële sector in ernstige moeilijkheden brengen. Een gezonde financiële sector is dan weer een essentiële voorwaarde voor macro-economische stabiliteit, zoals blijkt uit eerdere ervaringen die ernstige gevolgen hadden voor de begroting. De financiële sector moet in vele kandidaat-lidstaten zowel in de breedte als in de diepte nog flink groeien.

Conclusies:

De ministers van de lidstaten van de EU en van de kandidaat-landen, concluderen het volgende:

    - de tweede EPP's geven over het algemeen een verdere vooruitgang te zien op het gebied van capaciteitsontwikkeling in de richting van deelname aan het multilaterale toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid van de EU. Over het algemeen weerspiegelen ze de voornaamste economische beleidsuitdagingen die deze landen op hun weg naar de toetreding zullen tegenkomen en die gemeenschappelijk moeten worden aangepakt.

    - het bereiken van een hoog en duurzaam niveau van reële groei is belangrijk om een snelle economische convergentie met de EU te bewerkstelligen. Voor het dichten van de reële inkomenskloof op langere termijn is aanzienlijke verdere vooruitgang vereist op het gebied van de huidige structurele hervormingsplannen, die ondersteund moeten worden met een krachtdadig uitvoeringsbeleid. Er moet met volle inzet worden gewerkt aan een gunstiger klimaat voor investeringen en ondernemerschap en aan het vereenvoudigen en verbeteren van de regelgeving.

    - voortdurende waakzaamheid voor potentiële externe risico's is essentieel, aangezien de toetredingslanden gekenmerkt worden door grote openheid, afhankelijkheid van invoer en gevoeligheid voor uitvoer naar de EU en voor internationale groei. Instellingen voor financiële regulering, toezicht en risicomanagement moeten verder worden uitgebouwd, zoals benadrukt werd in het geactualiseerde verslag van de Commissie over macro-economische en financiële stabiliteit.

    een gezond en geloofwaardig begrotingsbeleid is van cruciaal belang, niet alleen om moeilijke economische beleidskeuzen te kunnen maken, maar ook om het vertrouwen in de stabiliteit van het macro-economische beleidskader te vergroten. De zwakke begrotingssituatie van verschillende toetredingslanden is een sterk argument voor beslissende stappen naar duurzame begrotingsconsolidatie die stroken met de begrotingstoezichtprocedures van de EU, zodat er onder meer ruimte ontstaat voor particuliere investeringen. Een doeltreffend beheer van de overheidsuitgaven en een efficiënte belastinginning zouden de hoekstenen van elk consolidatieprogramma moeten zijn. Problemen op de lange termijn als gevolg van een vergrijzende bevolking moeten ook ingecalculeerd worden.

De ministers benadrukken dat zij met de steun van het Economisch en Financieel Comité (EFC), het Comité economisch beleid (EPC) en de Commissie binnen de bestaande processen voor de coördinatie van het economisch en begrotingsbeleid zullen blijven toezien op de vooruitgang in het economische, budgettaire en structurele beleid in de toetredingslanden, waaronder ook de landen die niet met de eerste golf tot de EU zullen toetreden. Een en ander zou de toetredingslanden moeten helpen strategieën voor geleidelijke economische integratie op te zetten. In de EPP's voor 2003 moeten de aanbevelingen met grote prioriteit worden opgevolgd om bij te dragen tot groei en werkgelegenheid in een uitgebreide EU.

Het EFC, het EPC en de Commissie wordt verzocht om, mede op basis van de resultaten van de huidige inspanningen om de processen te stroomlijnen, aan de bijeenkomst op hoog niveau in het voorjaar van 2003 voorstellen te doen over de wijze waarop de toetredingslanden zo spoedig mogelijk kunnen worden geïntegreerd in de communautaire procedures voor de coördinatie van het economisch beleid en voor het begrotingstoezicht. De Commissie wordt voorts verzocht om aan deze bijeenkomst een actieplan betreffende de meest dringende statistische vereisten en een verslag over tekort- en schuldrapportage ter goedkeuring voor te leggen.

De ministers van de kandidaat-lidstaten stemmen ermee in om in de actualiseringen van hun EPP's voor 2003 bijsturingstrajecten aan te geven die gebaseerd zijn op realistische aannamen over de economische vooruitzichten en op gedetailleerd uitgewerkte onderliggende hervormingsmaatregelen. De ministers zullen in de tweede helft van 2003 opnieuw bijeenkomen om hun dialoog voort te zetten. De dialoog op het niveau van het Economisch en Financieel Comité en hun tegenhangers zal in mei 2003 worden voortgezet.

ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN

ECOFIN

Richtlijn betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening *

De Raad heeft een gemeenschappelijk standpunt vastgesteld met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, waarbij België zich van stemming onthield (11212/02).

De Raad is tevens overeengekomen verklaringen van België, Nederland en de Commissie in zijn notulen op te nemen (12868/02).

Bij deze ontwerp-richtlijn worden voorschriften vastgesteld inzake de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. De tekst, waarover de Raad in zijn zitting van 20 juni 2002 een politiek akkoord heeft bereikt, zal in het kader van de medebeslissingsprocedure voor een tweede lezing aan het Europees Parlement worden toegezonden.

Macrofinanciële bijstand aan de Federale Republiek Joegoslavië en aan Bosnië en Herzegovina

De Raad heeft een tweetal besluiten aangenomen tot toekenning van aanvullende macrofinanciële bijstand aan respectievelijk de Federale Republiek Joegoslavië (13294/02) en Bosnië en Herzegovina (13295/02).

Aan de Federale Republiek Joegoslavië (FRJ) stelt de Gemeenschap aanvullende macrofinanciële bijstand beschikbaar in de vorm van een lening op lange termijn en een zuivere gift, teneinde bij te dragen tot een houdbare betalingsbalanspositie en tot de versterking van de reservepositie van het land. Voor de leningcomponent van de bijstand geldt een hoofdsom van ten hoogste 55 miljoen euro met een maximale looptijd van 15 jaar. Hiertoe wordt de Commissie gemachtigd namens de Europese Gemeenschap de nodige middelen op te nemen, die in de vorm van een lening ter beschikking van de FRJ worden gesteld. De in het kader van deze bijstand toegekende gift bedraagt ten hoogste 75 miljoen euro.

Het besluit ten aanzien van Bosnië en Herzegovina heeft ten doel de externe financiële problemen te verlichten, de betalingsbalans te ondersteunen en de reservepositie van het land te versterken.

Voor de leningcomponent van deze bijstand geldt een hoofdsom van ten hoogste 20 miljoen euro met een maximale looptijd van 15 jaar. Hiertoe wordt de Commissie gemachtigd namens de Europese Gemeenschap de nodige middelen op te nemen, die in de vorm van een lening ter beschikking van Bosnië en Herzegovina worden gesteld. De giftcomponent van deze bijstand bedraagt ten hoogste 40 miljoen euro.

Tegenmaatregelen tegen Nigeria en Oekraïne - Conclusies van de Raad

De Raad heeft de volgende conclusies aangenomen:

"1. De Raad bevestigt opnieuw zijn steun aan de internationale bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, met inbegrip van de werkzaamheden van de FATF (Financial Action Task Force).

2. De Raad herinnert aan de conclusies van de gecombineerde ECOFIN/JBZ-Raadszittingen van 17 oktober 2000 en 16 oktober 2001. Bij die gelegenheden bekrachtigde de Raad de aanbeveling van de FATF dat de financiële instellingen van de lidstaten bijzondere aandacht moeten schenken aan zaken en transacties met personen, inclusief bedrijven en financiële instellingen, uit de landen en gebieden (NCCT) die niet meewerken aan de uitvoering van de FATF-aanbevelingen tegen het witwassen van geld. De NCCT-lijst is op 11 oktober 2002 bijgewerkt en omvat thans: de Cook-eilanden, Egypte, Grenada, Guatemala, Indonesië, Myanmar, Nauru, Nigeria, de Filippijnen, St. Vincent en de Grenadines, en Oekraïne.

3. De Raad memoreert dat de lidstaten zich tijdens de gecombineerde ECOFIN/JBZ-zitting van 17 oktober 2000 ertoe hebben verbonden om in onderling overleg en gelijktijdig onverwijld de door FATF tegen bepaalde NCCT vastgestelde tegenmaatregelen uit te voeren.

4. Tijdens de plenaire vergadering van de FATF van 9 t/m 11 oktober 2002 heeft de FATF een harde maatregel genomen door zijn leden aan te bevelen tegenmaatregelen tegen Nigeria en Oekraïne in te stellen. De tegenmaatregelen zullen derhalve met ingang van 15 december 2002 op Nigeria van toepassing zijn, tenzij Nigeria wetgeving aanneemt die de reikwijdte van de wet inzake het witwassen van geld van 1995 aanzienlijk uitbreidt en die aan de door de FATF gestelde eisen voldoet. Voorts zullen met ingang van 15 december 2002 tegenmaatregelen op Oekraïne van toepassing zijn, tenzij alomvattende wetgeving wordt aangenomen die aan de internationale normen en aan de door de FATF gestelde eisen voldoet.

5. De lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, hebben derhalve besloten om, in onderling overleg en gelijktijdig, op de hierboven genoemde voorwaarden tegenmaatregelen tegen Nigeria en Oekraïne toe te passen.".

Follow-up van de wereldtop inzake duurzame ontwikkeling - Bijdrage van de Raad

De Raad heeft met betrekking tot de follow-up van de wereldtop inzake duurzame ontwikkeling (WSSD) de volgende conclusies aangenomen:

"Elementen, doelstellingen en streefcijfers van het WSSD-uitvoeringsplan die betrekking hebben op economische en financiële vraagstukken en follow-up daarvan door de Raad (ECOFIN)

De volgende gebieden in het uitvoeringsplan zijn van bijzonder belang voor de Raad ECOFIN:

    - duurzame ontwikkeling in een door groeiende mondialisering gekenmerkte wereld (Hoofdstuk V);

    - middelen ter uitvoering, met inbegrip van financiering en schuldverlichting (Hoofdstuk IX);

    - institutioneel raamwerk voor duurzame ontwikkeling (Hoofdstuk X).

Daarnaast stelt de Raad ECOFIN er belang in het volgende punt te volgen:

    - ombuiging van niet-duurzame consumptie- en productiepatronen (Hoofdstuk III).

De Raad ECOFIN is bereid bij te dragen tot de follow-up van de WSSD, waarbij hij zich vooral richt op de volgende punten:

Wat duurzame ontwikkeling in een door groeiende mondialisering gekenmerkte wereld betreft (met inbegrip van punt 45), kunnen de leden van de Raad ECOFIN bijdragen tot het bevorderen van open en transparante besluitvormingsprocessen en institutionele structuren in de internationale financiële instellingen (IFI's). Via de IFI's kunnen zij er voorts toe bijdragen dat de ontwikkelingslanden de door de mondialisering geboden kansen gemakkelijker volledig kunnen benutten, bijvoorbeeld door structurele hervormingen om directe buitenlandse investeringen aan te trekken en door het opheffen van interne exportbelemmeringen. Tot slot kunnen de leden van de Raad ECOFIN, conform de gemeenschappelijke inzichten van de Raad ECOFIN van 4 juni 2002, ertoe bijdragen het misbruik van het internationale financiële stelsel, onder meer voor de financiering van terrorisme en het witwassen van geld, te bestrijden en de rol van de IFI's in het mondiale stelsel te versterken teneinde de risico's van de financiële mondialisering te beperken en duurzame ontwikkeling in de hand te werken.

Wat de handel betreft (met inbegrip van de punten 45, 75, 85, 86 en 88), wordt de WTO-agenda van Doha bevestigd. De Raad ECOFIN is verheugd dat het uitvoeringsplan strookt met zijn standpunt ter zake van 4 juni 2002. In de gemeenschappelijke inzichten van de Raad ECOFIN wordt een open en billijk multilateraal handels- en financieel systeem aangemerkt als voorwaarde voor duurzame groei en armoedebestrijding, wordt de steun voor de "ontwikkelingsagenda" van Doha bevestigd en herhaalt de EU dat zij gehecht is aan multilaterale regels, vrijhandelsbeginselen en -praktijken en bereid is het voortouw te nemen tijdens de nieuwe handelsronde.

Wat de financiële kant betreft (met inbegrip van de punten 79 en 82), hebben - overeenkomstig de conclusies van de Europese Raden van Göteborg en Barcelona - de lidstaten die het 0,7%-streefcijfer niet hebben gehaald, individueel de toezegging gedaan - als eerste belangrijke stap - dat zij in het kader van hun respectieve begrotingsprocedures hun officiële ontwikkelingsbijstand (ODA) in de komende vier jaar zullen verhogen, terwijl de andere lidstaten voortgaan met hun inspanningen om op of boven het streefcijfer van 0,7% voor ODA te blijven, zodat in 2006 collectief een EU-gemiddelde van 0,39% wordt bereikt. Met dit doel voor ogen zullen alle lidstaten van de Europese Unie er in elk geval naar streven in het kader van hun respectieve begrotingsprocedures in 2006 ten minste 0,33% van het BNI voor ODA te bereiken. Overeenkomstig de gemeenschappelijke inzichten van de Raad ECOFIN van 4 juni 2002 moet, naast een substantiële uitbreiding van de totale ontwikkelingsbijstand, de effectiviteit van de ODA worden vergroot, onder andere door de aanbevelingen van de DAC over de ontbinding van hulp voor de minst ontwikkelde landen uit te voeren. Conform het ECOFIN-standpunt ter zake van 4 juni 2002 strookt het uitvoeringsplan, dat die doelstellingen bevestigt, bijgevolg met de consensus van Monterrey.

De Raad ECOFIN is in zijn zitting van 7 mei 2002 overeengekomen jaarlijks bij te dragen tot de follow-up van de naleving door de lidstaten van de in Monterrey aangegane verbintenissen. De leden van de Raad ECOFIN kunnen voorts via de IFI's een bijdrage leveren om na te gaan hoe nieuwe innoverende openbare en particuliere bronnen voor ontwikkelingsfinanciering kunnen worden aangeboord.

Wat de schuldverlichting betreft (met inbegrip van punt 83), kunnen de leden van de Raad ECOFIN via de IFI's bijdragen tot de bevordering van schuldverlichting en -kwijtschelding, onder meer in het kader van het HIPC-initiatief, conform de consensus van Monterrey en de gemeenschappelijke inzichten van de Raad ECOFIN van 4 juni 2002.

Wat het institutioneel raamwerk voor duurzame ontwikkeling betreft (met inbegrip van de punten 121, 122, 133, 136 en 140), kunnen de leden van de Raad ECOFIN via de IFI's en binnen hun bevoegdheidssfeer bijdragen tot de versterking van de integratie van duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen in de werkprogramma's en de operationele richtsnoeren van de IFI's, conform de gemeenschappelijke inzichten van de Raad ECOFIN van 4 juni 2002 waarin de bilaterale en multilaterale ontwikkelingsinstanties worden aangemoedigd om de sociale en de milieuaspecten beter in hun beleid en beleidspraktijken te integreren. Voorts kunnen de leden van de Raad ECOFIN via de IFI's bijdragen tot de versterking van de medewerking en samenwerking tussen het VN-systeem en de IFI's op het gebied van duurzame ontwikkeling.".

Munten voor verzamelaars - Conclusies van de Raad

De Raad heeft de volgende herziene versie van de conclusies van 31 januari 2000 betreffende euromunten voor verzamelaars aangenomen:

"Om ervoor te zorgen dat euromunten voor verzamelaars snel kunnen worden onderscheiden van voor circulatie bestemde euromunten:

     moet de nominale waarde van munten voor verzamelaars verschillen van die van de voor circulatie bestemde munten (d.w.z. euromunten voor verzamelaars mogen niet dezelfde nominale waarde hebben als de acht denominaties: 1, 2, 5, 10, 20, 50 eurocent en 1 en 2 euro);

     mogen op munten voor verzamelaars geen afbeeldingen voorkomen die lijken op de gemeenschappelijke zijden van de voor circulatie bestemde euromunten. Bovendien moeten de ontwerpen, voorzover mogelijk, tenminste enigszins afwijken van die van de nationale zijden van de voor circulatie bestemde munten;

     moeten euromunten voor verzamelaars in ten minste twee van de drie kenmerken kleur, diameter en gewicht significant verschillen van de voor circulatie bestemde munten. Het verschil wordt als significant beschouwd indien de waarden met inbegrip van de toleranties de tolerantiemarges voor de voor circulatie bestemde euromunten overschrijden;

     mogen munten voor verzamelaars niet getand zijn of de "Spanish flower"-vorm hebben;

 moet de identiteit van de lidstaat van uitgifte duidelijk en gemakkelijk herkenbaar zijn.

Voorts:

 mogen euromunten voor verzamelaars tegen of boven de nominale waarde worden verkocht;

     moet voor de omvang van de uitgifte van verzamelaarsmunten voor meerdere uitgiftes tegelijk om goedkeuring worden verzocht, in plaats van voor elke uitgifte apart;

     lijkt er, wat betreft de denominaties van de verzamelaarsmunten die met de lage denominaties van de eurobiljetten kunnen samenvallen, geen reëel gevaar van verwisseling te bestaan. De lidstaten moeten echter bereid zijn eventuele verzoeken van de ECB in dezen in overweging te nemen;

     moeten, wanneer euromunten voor verzamelaars in de lidstaat van uitgifte de status van wettig betaalmiddel krijgen, de bevoegde autoriteiten (de NCB's, de Munten of andere instellingen) tijdelijke regelingen instellen op grond waarvan eigenaars van voor verzamelaars bestemde euromunten die in andere aan de eurozone deelnemende lidstaten zijn uitgegeven, tegen betaling van de transactiekosten de nominale waarde van die munten kunnen ontvangen.".

Omzetbelasting - Machtiging voor Oostenrijk, Duitsland en Frankrijk om afwijkende maatregelen toe te passen inzake omzetbelasting

De Raad heeft een beschikking aangenomen waarbij Oostenrijk wordt gemachtigd een maatregel toe te passen in afwijking van artikel 21 van Richtlijn 77/388/EEG betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (11750/02). Deze beschikking strekt ertoe Oostenrijk in staat te stellen de persoon aan wie de dienst wordt verleend in de volgende gevallen aan te merken als de belastingplichtige: wanneer bouwwerkzaamheden worden verricht of personeel wordt uitgeleend door een onderaannemer aan ofwel een bouwondernemer, een ondernemer die zelf bouwwerkzaamheden verricht, of een andere onderaannemer.

De Raad nam tevens een beschikking aan waarbij Duitsland en Frankrijk worden gemachtigd tot toepassing van een maatregel die afwijkt van artikel 3 van dezelfde richtlijn (13006/02). Doel van deze afwijking is de territoriale grens tussen Duitsland en Frankrijk vast te stellen op het midden van bepaalde grensbruggen, teneinde de inning van de BTW op de bouw en het onderhoud van deze bruggen te vereenvoudigen.

BTW - voortgangsverslagen

De Raad heeft nota genomen van een voortgangsverslag betreffende het recht op BTW-aftrek (inclusief het grensoverschrijdende recht daarop) en van een Commissieverslag over de herziening van artikel 9 van de zesde BTW-richtlijn (13347/1/02 REV 1 en 13634/02).

De Raad heeft tevens het Comité van permanente vertegenwoordigers verzocht in een komende Raadszitting verslag uit te brengen over het voorstel tot herziening van de zesde BTW-richtlijn voor wat betreft de regeling voor het recht op aftrek, en de Commissie verzocht haar werkzaamheden van artikel 9 van de zesde BTW-richtlijn voort te zetten.

EXTERNE BETREKKINGEN

Bestrijding van handvuurwapens en lichte wapens - Tweede jaarverslag

De Raad heeft nota genomen van het tweede jaarverslag over de uitvoering van het gemeenschappelijk optreden van de EU van 12 juli 2002 inzake de bijdrage van de Europese Unie aan de bestrijding van de destabiliserende accumulatie en verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens (2002/589/GBVB) en tot intrekking van Gemeenschappelijk Optreden 1999/34/GBVB, en het EU-programma van juni 1997 betreffende de illegale handel in conventionele wapens. Zowel het gemeenschappelijk optreden als het EU-programma voorzien in een jaarlijkse evaluatie van de genomen maatregelen.

Het verslag is in beginsel beperkt tot het jaar 2001 en bestaat uit drie delen. Deel I gaat over de nationale inspanningen van de lidstaten om de problemen inzake handvuurwapens aan te pakken, zoals samenwerking tussen bevoegde instanties, nieuwe wetgeving en steun voor relevant onderzoek. Deel II heeft betrekking op internationale maatregelen, zoals bijstand voor projecten van internationale of regionale organisaties of van NGO's, bijstand aan de betrokken landen, samenwerking van de EU met andere landen, alsmede het organiseren van internationale conferenties. In deel III worden de prioriteiten besproken voor een meer systematische aanpak van de EU-bijstand op het gebied van handvuurwapens en lichte wapens en wordt nagegaan welke lering kan worden getrokken uit de ervaring die de EU en haar lidstaten tot nu toe op dit gebied hebben opgedaan. Het verslag zal bekend worden gemaakt in het Publicatieblad.

EU-SADC-ministeriële conferentie in Maputo (7/8 november 2002)

De Raad heeft er, na een uitnodiging van SADC-zijde, mee ingestemd dat op 7/8 november 2002 in Maputo, Mozambique, de vijfde SADC-EU-ministeriële conferentie zal worden gehouden. Hij heeft de EU-delegatie gemachtigd in Maputo de laatste hand te leggen aan een communiqué waarin de besprekingen van de conferentie zullen worden verwerkt. De EU en de SADC zijn het eens geworden over de volgende twee agendapunten: democratie, vrede en veiligheid; samenwerking bij de uitbanning van de armoede.

De Raad heeft tevens nota genomen van een verslag over de evaluatie van het Initiatief van Berlijn, dat zal worden voorgelegd aan de ministeriële conferentie. Dit verslag maakt deel uit van de follow-up van de jongste EU-SADC-ministeriële conferentie in Gaborone, Botswana (29/30 november 2000). Tijdens die conferentie is besloten om zes jaar nadat op 6 september 1994 in Berlijn door de EU en de SADC een "Verklaring" was ondertekend, dit initiatief te toetsen met het oog op de verdere verbetering van zowel de dialoog als het partnerschap tussen de SADC en de EU in zijn geheel.

De doelstelling van het Initiatief van Berlijn was bij te dragen tot vrede, democratie en duurzame ontwikkeling in Zuidelijk Afrika, terwijl met de verklaring werd beoogd de ontwikkeling van de betrekkingen tussen de twee regio's te bevorderen, en een brede dialoog in te stellen. De twee partijen werden het eens over samenwerking op een groot aantal gebieden (van politieke dialoog tot handel, ontwikkelingssamenwerking, volksgezondheid, energie, vervoer, toerisme en cultuur).

Deze aan de ministeriële conferentie van Maputo voorgelegde evaluatie bestrijkt een aantal specifieke activiteiten, vooral seminars, die op deze gebieden sinds 1994 hebben plaatsgevonden, en waarvan sommige hebben geleid tot de uitvoering van specifieke programma's (bijvoorbeeld het programma voor investeringsbevordering SADC/EU, initiatieven inzake HIV/AIDS en het vredesproces in de DRC), terwijl op andere terreinen de activiteiten beperkt bleven. Derhalve worden in het verslag een aantal concrete voorstellen gedaan om ook rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen, met name de herstructurering van de SADC. Aanbevolen wordt de lange lijst van samenwerkingsgebieden te herzien, zodat duidelijker wordt welke de prioriteiten zijn en welke beperkte middelen daarvoor beschikbaar zijn. Het verslag stelt tevens voor hogere prioriteit te geven aan kwesties als uitbanning van armoede en bestrijding van HIV/AIDS. Als middel om de dialoog op een kostenefficiënte manier te verdiepen werd tevens voorgesteld in meerdere mate een beroep te doen op de Hoofden van missie van de EU en de SADC.

EER - Deelname aan het 6e kaderprogramma voor onderzoek

De Raad heeft namens de Gemeenschap zijn goedkeuring gehecht aan een ontwerp-besluit van het Gemengd Comité van de EER tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-Overeenkomst inzake de samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden (12701/02). Het besluit strekt tot uitbreiding van de samenwerking op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling. Het voorziet in een kader voor samenwerking betreffende, en in de voorwaarden voor een volwaardige deelneming door de EER/EVA-Staten aan, de communautaire programma's en acties op dit gebied, met name voor wat betreft het zesde kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling voor 2002-2006 (Besluit 1513/2002/EG van 27 juni 2002, PB L 232 van 29.8.2002, blz. 1).

Israël - Onderhandelingen over een overeenkomst betreffende wetenschappelijke en technische samenwerking

De Raad heeft een besluit aangenomen waarbij de Commissie wordt gemachtigd te onderhandelen over de verlenging van de overeenkomst inzake wetenschappelijke en technische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Staat Israël.

Associatie met Cyprus/Malta

De Raad heeft een mandaat aangenomen waarbij de Commissie wordt gemachtigd met Cyprus en Malta te onderhandelen over verdere wederzijdse handelsconcessies op het gebied van verwerkte landbouwproducten.

HANDEL

Antidumping/Antisubsidie - wijziging van de basisbesluiten

De Raad heeft de volgende verordeningen aangenomen:

    - Een verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 384/1996 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (11508/02). De nieuwe verordening brengt verduidelijkingen aan in de basisverordening (nr. 384/96) in het licht van de ervaringen met de bestaande antidumpingregeling. Voorts wordt voorgesteld de Russische Federatie de status van volledige markteconomie toe te kennen in verband met de aanmerkelijke vorderingen die de Russische Federatie heeft gemaakt met het omschakelen naar een markteconomie, zoals erkend in de conclusies van de top Rusland - Europese Unie van 29 mei 2002.

    - Een verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2026/1997 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (11511/02). De nieuwe verordening houdt intrekking of wijziging in van bepaalde voorschriften in de basisantisubsidieverordening (nr. 2026/1997), omdat de toepassing van sommige bepalingen van de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen wat betreft subsidies waartegen geen actie kan worden ingesteld, op 31 december 1999 geëindigd is.

Brazilië - Overeenkomst inzake textielproducten

De Raad heeft een besluit aangenomen betreffende de ondertekening, namens de Europese Gemeenschap, van een Overeenkomst in de vorm van een Memorandum van Overeenstemming tussen de Europese Gemeenschap en Brazilië inzake het handelsverkeer in textielproducten (11949/02). Het voorziet in een verbeterde markttoegang voor textiel- en kledingproducten tot de respectieve markten.

Na de aanneming van het onderhandelingsmandaat door de Raad op 9 november 2000 heeft de Europese Commissie namens de Gemeenschap onderhandeld over deze overeenkomst, die op 8 augustus 2002 is geparafeerd. De overeenkomst ligt thans klaar ter ondertekening. In afwachting van de voltooiing van de procedures voor de formele sluiting, zal zij vanaf het moment van ondertekening voorlopig van toepassing zijn.

VERVOER

Markttoegang tot havendiensten

De Raad heeft met gekwalificeerde meerderheid (de Zweedse delegatie stemde tegen) een politiek akkoord bereikt over het voorstel voor een richtlijn ter waarborging van de vrijheid tot het verrichten van havendiensten, teneinde de kwaliteit van deze diensten te verbeteren en de kosten ervan terug te dringen. Deze tekst, waarover de Raad in zijn zitting van 17 juni een politiek akkoord heeft bereikt, zal in het kader van de medebeslissingsprocedure voor een tweede lezing worden toegezonden aan het Europees Parlement. (11146/02)

Met het voorstel wordt beoogd een evenwicht te vinden tussen de uitvoering van de algemene beginselen van het Verdrag en de complexiteit van de havensector, met beperking van het aantal dienstverleners en rekening houdend met de specifieke kenmerken van iedere haven. In het voorstel worden regels vastgesteld waarmee de duidelijkheid en de doorzichtigheid van de procedures voor de selectie van de dienstverleners in de havens met handelsverkeer worden gewaarborgd.

Cabotage in het zeevervoer - Conclusies van de Raad

"De Raad

  • neemt kennis van het vierde verslag over de tenuitvoerlegging van Verordening nr. 3577/92 van de Raad houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten in het zeevervoer (cabotage in het zeevervoer) (1999-2000);

  • is ingenomen met de conclusies van het verslag inzake het positieve effect van de liberalisatie van de cabotagediensten;

  • neemt nota van de mening van de Commissie (verslag, punt 4.2) dat beter gewacht kan worden totdat de Griekse cabotagemarkt helemaal geliberaliseerd is om het effect van een volledig geliberaliseerde cabotagemarkt in de Unie te analyseren, en dat het vijfde verslag over de tenuitvoerlegging van Verordening nr. 3577/92 van de Raad houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten in het zeevervoer (cabotage in het zeevervoer), dat overeenkomstig artikel 10 van Verordening nr. 3577/92 moet worden voorgelegd, bijgevolg betrekking dient te hebben op de jaren 2001 tot en met 2004 en vóór eind 2005 dient te worden voorgelegd."

ONDERZOEK

Zesde kaderprogramma voor onderzoek - Regels inzake de deelneming (EG-programma)

De Raad heeft de verordening aangenomen van het Europees Parlement en de Raad betreffende de regels inzake de deelneming van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan het zesde kaderprogramma van de Europese Gemeenschap (2002-2006), en inzake de verspreiding van de desbetreffende onderzoeksresultaten, en daarbij alle amendementen die het Europees Parlement in eerste lezing had aangenomen, goedgekeurd. Het besluit werd bij gekwalificeerde meerderheid genomen, waarbij de Portugese delegatie zich onthield.

(3647/02)

Door aanneming van deze verordening en van de regels inzake de deelneming aan het Euratom-onderzoekprogramma kunnen de twee nieuwe kaderprogramma's, zoals de Europese Raad wenst, tijdig ten uitvoer worden gelegd, zodat de instelling van een Europese onderzoekruimte wordt bevorderd en de innovatie in de Europese Unie wordt versterkt. De specifieke onderzoekprogramma's zijn op 30 september door de Raad aangenomen.

De totale begroting waarin de EG- en de Euratom-kaderprogramma's voorzien, beloopt 17.500 miljoen euro, waarvan er 16.270 miljoen euro bestemd zijn voor het EG-programma.

6e kaderprogramma - Regels inzake de deelneming (Euratom-programma)

De Raad heeft de verordening aangenomen betreffende de regels inzake de deelneming van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan het zesde kaderprogramma voor onderzoek (2002-2006) van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom). (11549/02)

Door de aanneming van deze verordening en van de regels inzake de deelneming van het EG-onderzoekprogramma kunnen de twee nieuwe kaderprogramma's, zoals de Europese Raad wenst, tijdig ten uitvoer worden gelegd, zodat de instelling van een Europese onderzoekruimte wordt bevorderd en de innovatie in de Europese Unie wordt versterkt. De specifieke onderzoekprogramma's zijn op 30 september door de Raad aangenomen.

De totale begroting waarin de EG- en de Euratom-kaderprogramma's voorzien, beloopt 17.500 miljoen euro, waarvan er 1230 miljoen euro bestemd zijn voor het Euratom-programma.

TRANSPARANTIE

Toegang van het publiek tot documenten

De Raad heeft een antwoord aangenomen:

    - op het confirmatief verzoek van mevrouw Claudia VIPSANIA om toegang tot documenten van de Raad (de Deense, de Finse, de Griekse, de Nederlandse en de Zweedse delegatie hebben tegengestemd)

     (doc. 12850/02)

    - op het confirmatief verzoek van mevrouw Evelien BROUWER om toegang tot documenten van de Raad (de Finse, de Nederlandse en de Zweedse delegatie hebben tegengestemd)

     (doc. 13032/02)

BESLUITEN DIE ZIJN GENOMEN IN HET KADER VAN DE BEMIDDELINGSPROCEDURE

(23 oktober - 30 oktober)

sociale vraagstukken

Blootstelling van werknemers aan lawaai

De Raad en het Europees Parlement hebben op 23 oktober 2002 via een briefwisseling een akkoord bereikt over een voorstel voor een richtlijn betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van lawaai. Opdat de richtlijn formeel kan worden aangenomen moet dit akkoord worden bevestigd door het Parlement (meerderheid van uitgebrachte stemmen) en door de Raad (gekwalificeerde meerderheid).

Deze richtlijn komt in de plaats van Richtlijn 86/188/EEG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling van lawaai op het werk, en verlaagt het maximumniveau van de blootstelling van 90 decibel tot 87 decibel.

Het bereikte compromis betreft met name de gebieden muziek en amusement. Beide sectoren zullen onder de richtlijn vallen, maar de lidstaten moeten met het oog op de vereenvoudiging van de uitvoering daarvan in overleg met de sociale partners of met de vertegenwoordigers van de werkgevers en werknemers in deze sectoren op nationaal niveau een specifieke gedragscode opstellen.

Gememoreerd zij dat de Commissie haar oorspronkelijke voorstel heeft ingediend in 1992, en dat dit voorschriften bevatte betreffende de blootstelling van werknemers aan risico's van vier verschillende fysieke agentia: lawaai, mechanische trillingen, optische straling en elektromagnetische velden en golven. Aangezien het technisch te complex bleek alle fysieke agentia in één besluit onder te brengen, werd in 1999 besloten de richtlijn op te splitsen en elk fysiek agens afzonderlijk te behandelen.

vervoer

Burgerluchtvaart - Akkoord inzake versterkte beveiligingsmaatregelen

De Raad en het Europees Parlement hebben op 30 oktober 2002 via een briefwisseling een akkoord bereikt over de ontwerp-verordening tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart in Europa. Overeenkomstig de medebeslissingsprocedure dient dit akkoord opdat de verordening kan worden aangenomen, thans te worden bevestigd door het Parlement (meerderheid van uitgebrachte stemmen) en door de Raad (gekwalificeerde meerderheid).

Deze verordening past in het kader van het plan ter bestrijding van het terrorisme dat de Europese Raad heeft vastgesteld tijdens zijn buitengewone bijeenkomst na de terroristische aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten.

Het compromis dat tijdens de bemiddeling tussen de Raad en het Parlement is bereikt, heeft met name betrekking op de twee volgende aspecten:

    €? Beveiligingsonderzoek voor de beperkt toegankelijke zones op vliegvelden. Alle personeelsleden, ook die tot de bemanning behoren, moeten een veiligheidsonderzoek ondergaan. Wanneer dit niet uitvoerbaar is, worden zij, evenals alle voorwerpen die aan boord van vliegtuigen worden gebracht, aan steekproeven onderworpen. Een jaar na de inwerkingtreding van de verordening moeten alle personeelsleden en alle voorwerpen aan beveiligingsonderzoeken worden onderworpen alvorens in de meest kritieke luchthavenzones te kunnen worden toegelaten. De Commissie zal voor 1 juli 2004 uitvoeringsmaatregelen aannemen die uiterlijk vijf jaar na die datum integraal van toepassing zullen zijn;

    €? Financiering van de beveiligingsmaatregelen. In een verklaring merken het Parlement, de Raad en de Commissie op dat de situaties in de lidstaten sterk uiteenlopen, en dat de concurrentiedistorsies die hieruit kunnen voortvloeien, moeten worden voorkomen. Zij houden er hierbij rekening mee dat de Commissie overheidsfinanciering van bijkomende beveiligingsmaatregelen positief zal bezien. De Commissie zal een studie uitvoeren, waarbij met name de aandacht zal uitgaan naar de verdeling van de financiering tussen de overheid en het bedrijfsleven, met volledige inachtneming van de verdeling van de bevoegdheden tussen de lidstaten en de Europese Unie, en zal zo nodig voorstellen voorleggen aan het Parlement en de Raad.

Volgens de verordening moet elke lidstaat een nationaal programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart aannemen, en één instantie aanwijzen die de uitvoering hiervan coördineert en controleert.

via de schriftelijke procedure aangenomen besluiten

ecofin

Solidariteitsfonds van de Europese Unie - Interinstitutioneel Akkoord

De Raad heeft op 31 oktober 2002 via de schriftelijke procedure een akkoord bereikt over het interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de financiering van het solidariteitsfonds van de Europese Unie. (1319/02)

Het fonds heeft als doel snelle financiële bijstand mogelijk te maken wanneer zich een grote ramp voordoet op het grondgebied van een lidstaat of een kandidaat-lidstaat waarmee over toetreding tot de Europese Unie wordt onderhandeld.

De drie instellingen werden het erover eens dat voor de uitgaven van het fonds jaarlijks maximaal 1 miljard euro beschikbaar is. Op 1 oktober van elk jaar moet ten minste een vierde van het jaarlijkse bedrag nog aanwezig zijn om de behoeften te dekken die tot het einde van het jaar ontstaan.

________________

(1) ?Wanneer de Raad verklaringen, conclusies of resoluties heeft aangenomen, wordt dat in de titel van het betrokken punt vermeld. De aangenomen teksten staan tussen aanhalingstekens.?De documenten waarvan het nummer in de tekst wordt genoemd, staan op de internetsite van de Raad HYPERLINK "http://register.consilium.europa.eu/scripts/utfregisterDir/WebDriver.exe?MIval=advanced&MIlang=EN&fc=REGAISEN&srm=5&ssf=&mt=128&md=100"http://consilium.europa.eu.?Besluiten ten aanzien waarvan verklaringen voor de Raadsnotulen zijn afgelegd die beschikbaar zijn voor het publiek, zijn aangegeven met een asterisk; de tekst van de verklaringen staat op de bovengenoemde internetsite van de Raad en is ook verkrijgbaar bij de Persdienst.

(2) Vertaald naar de EU-25: 9,77%. De EIB merkt op dat het exacte percentage en het absolute kapitaalbedrag in dit stadium indicatief zijn.


Side Bar