Navigation path

Left navigation

Additional tools

Other available languages: EN FR DE DA ES IT PT EL

IP/97/211

Brussel, 12 maart 1997

DE COMMISSIE STELT EEN GEMEENSCHAPPELIJK BELASTINGSTELSEL VOOR ENERGIEPRODUCTEN VOOR

De Europese Commissie heeft haar goedkeuring gehecht aan een voorstel voor een richtlijn om in de interne markt een minimum-belastingniveau voor alle energieproducten verplicht te stellen. Dit voorstel omvat een samenhangend kader voor de belasting van de energiesector, terwijl tegelijkertijd de Lid-Staten de nodige flexibiliteit wordt gelaten om de minimum-belastingtarieven te overschrijden. Voor de eerste maal zet de Commissie de fiscale strategie die zij in oktober 1996 had uiteengezet, in een wetgevingsvoorstel om. Deze strategie werd door de Europese Raad van Dublin goedgekeurd en vormt een integrerend deel van het Vertrouwenspakt voor de werkgelegenheid. Het gaat erom de fiscale beleidsmaatregelen te richten op de bestrijding van de werkloosheid en ze tegelijkertijd beter verenigbaar te maken met de interne markt, die een essentiële factor voor het concurrentievermogen van de Unie vormt. Aldus worden de Lid-Staten in artikel 1 van het voorstel uitgenodigd voorrang te geven aan de doelstelling van belastingneutraliteit door tegelijkertijd met de invoering van het nieuwe gemeenschappelijke belastingstelsel voor energieproducten de verplichte afdrachten voor arbeid te verlagen. Dank zij de flexibiliteit waardoor het voorstel voor een richtlijn wordt gekenmerkt, zullen de Lid-Staten voorts de doelstellingen op het gebied van het milieubeleid en het vervoerbeleid kunnen nastreven.

De context

Met het heden goedgekeurde voorstel wordt in de eerste plaats ingegaan op het verzoek van de Raad Ecofin van maart 1996 om nieuwe voorstellen op het gebied van de belasting van energieproducten in te dienen. Het voorstel gaat echter veel verder. Zonder dat een nieuwe belasting wordt ingevoerd, worden immers tegelijkertijd drie andere doelstellingen gediend, namelijk de interne markt, de zorg voor het milieu en de bestrijding van de werkloosheid, doordat een communautair kader voor de belasting van energieproducten wordt ingesteld dat de herstructurering van de nationale belastingstelsels mogelijk maakt.

Met betrekking tot de interne markt geldt momenteel uitsluitend voor de accijnzen op minerale oliën een communautair stelsel voor een minimumbelasting, waarvan de tarieven overigens sinds 1992 niet meer zijn herzien. Dit leidt a priori tot verstoringen van de mededinging tussen de verschillende energievormen en de verschillende Lid-Staten. Daarom stelt de Commissie voor alle energieproducten te belasten en de tarieven voor de koolwaterstoffen aan te passen. Naar haar mening zal dit de Lid-Staten in staat stellen de belastinghervormingen voort te zetten die nodig zijn om de concurrentieverstoringen in de interne markt voor energie te verminderen. Bovendien laat het voorstel de Lid-Staten een zekere flexibiliteit om de belastingtarieven te diferentiëren volgens milieucriteria, met dien verstande dat de toegepaste tarieven niet lager mogen zijn dan de minimumtarieven. Zij biedt hen aldus de mogelijkheid zich bij de belasting van energieproducten meer te laten leiden door milieudoelstellingen. Verscheidene Lid-Staten zijn momenteel geïnteresseerd in de wijze waarop de algemene structuur van hun belastingstelsel kan worden hervormd: de aanwezigheid van een samenhangend kader op communautair niveau zal deze bezinning zeker vergemakkelijken.

Het voorstel biedt de Lid-Staten ook manoeuvreerruimte voor de herstructurering van hun nationale belastingstelsel ten gunste van de factor arbeid. Het grootste probleem waarmee de Europese economie thans wordt geconfronteerd, is ongetwijfeld de werkloosheid. Hier ligt in de eerste plaats een taak voor de Lid-Staten, maar de Commissie is niettemin van mening - en dat is de hele filosofie achter het Vertrouwenspact voor de werkgelegenheid - dat zij de dubbele verantwoordelijkheid heeft de Lid-Staten een samenhangend kader te bieden, dat hen ertoe aanzet geschikte maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid te treffen, en bij de politieke keuzen die onder de communautaire bevoegdheid blijven vallen, zoals bijvoorbeeld op het gebied van de indirecte belastingen, altijd de werkgelegenheid voor ogen te houden. Deze aanpak ligt ten grondslag aan het werkprogramma betreffende de belastingheffing dat door de Commissie in oktober 1996 werd goedgekeurd en door de Europese Raad van Dublin werd gesteund. Een van de doelstellingen ervan is het ombuigen van de huidige tendens om de last van de verplichte afdrachten steeds verder te verleggen naar de factor arbeid, zoals wordt gevraagd in het Vertrouwenspact voor de werkgelegenheid.

Het heden goedgekeurde voorstel voor een richtlijn past ook in deze context. In artikel 1 ervan wordt bepaald dat de Lid-Staten ernaar streven een toename van hun belastingdruk via de belasting van energieproducten te voorkomen. Hieraan wordt toegevoegd dat de Lid-Staten, ten einde deze doelstelling te verwezenlijken, er in het bijzonder naar streven tegelijkertijd de verplichte afdrachten voor arbeid te verlagen. In het voorstel worden de Lid-Staten derhalve uitgenodigd bij hun politieke keuzen voorrang te geven aan de doelstelling van belastingneutraliteit.

In het voorstel wordt ook de concurrentiepositie van de Europese ondernemingen ten opzichte van derde landen in aanmerking genomen. Daarom wordt voorzien in maatregelen ter verlichting van de belastingdruk voor ondernemingen met een hoog energieverbruik, dat zijn trouwens de ondernemingen die zich de grootste inspanning hebben getroost om hun verbruik te verminderen. Tenslotte wordt bepaald dat de Lid-Staten de belastingen gedeeltelijk kunnen terugbetalen aan ondernemingen die in energie-efficiëntie hebben geïnvesteerd.

De voorgestelde nieuwe maatregelen

a) Werkingssfeer

Onder het voorstel voor een richtlijn vallen alle energieproducten: naast de minerale oliën waarop reeds accijnzen worden geheven, zijn dit hoofdzakelijk steenkool, aardgas en elektriciteit. Voor al deze producten met uitzondering van elektriciteit wordt uitsluitend het gebruik als motor- of verwarmingsbrandstof belast. Producten die worden gebruikt als grondstof, voor chemische reductie en voor elektrolyse, vallen niet binnen de werkingssfeer van de belasting. Voor elektriciteit voorziet het voorstel voor een richtlijn in de belasting van de output in het stadium van het eindverbruik. Wanneer de Lid-Staten het gebruik van hernieuwbare energiebronnen wensen te bevorderen, mag de door de consument betaalde belasting aan de producent worden terugbetaald.

b) Minimumtarieven

In de bijlage vindt men een tabel met de voorgestelde tarieven waarbij de nationale belastingtarieven in drie etappes van twee jaar nader tot elkaar worden gebracht. Voor de laatste etappe (2002) worden de minimumniveaus voorgesteld als streeftarieven die later in een verslag en een voorstel van de Commissie een dwingend karakter moeten krijgen. In haar verslag zal de Commissie bijzondere aandacht besteden aan de maatregelen die door de Lid-Staten zijn getroffen om een algemene verhoging van hun belastingdruk te voorkomen. Er zijn minimumniveaus vastgesteld voor de volgende drie categorieën:

* energieproducten die worden gebruikt als motorbrandstof,

* energieproducten die worden gebruikt als motorbrandstof voor bepaalde industriële en commerciële doeleinden,

* energieproducten die worden gebruikt als verwarmingsbrandstof.

Met betrekking tot de structuur van de tarieven dient het volgende te worden vermeld:

* het verschil in belasting tussen benzine en gasolie wordt geleidelijk verminderd,

* in 1998 wordt een zeer laag niveau vastgesteld voor voor het eerst belaste producten,

* verwarmingsbrandstoffen en motorbrandstoffen die worden gebruikt voor bepaalde industriële en commerciële doeleinden, krijgen een gunstiger behandeling,

* in 2002 is de energiewaarde het basiscriterium voor de belastingheffing.

c) Differentiëring van de tarieven

De Lid-Staten krijgen de mogelijkheid op eenzelfde product verschillende tarieven toe te passen, mits deze hoger zijn dan de minimumtarieven. Deze fiscale techniek wordt door de Lid-Staten reeds veel gebruikt om de consumenten te laten kiezen voor milieuvriendelijkere producten.

d) Vrijstellingen en verlaagde tarieven

De Lid-Staten zijn verplicht vrijstelling te verlenen voor energieproducten die worden gebruikt voor de luchtvaart (totdat zij deze op grond van hun internationale verplichtingen mogen belasten) en voor energieprodukten die worden gebruikt voor de zeevaart. Bovendien mogen de Lid-Staten hernieuwbare energiebronnen, biobrandstoffen, energieproducten die worden gebruikt in het kader van modelprojecten, het vervoer per spoor en de binnenvaart vrijstellen (of daarop verlaagde tarieven toepassen).

e) Bepalingen ten gunste van ondernemingen

Om te voorkomen dat de vaststelling van nieuwe communautaire minima het concurrentievermogen van de ondernemingen ten opzichte van derde landen schaadt stelt de Commissie voor:

- dat de Lid-Staten ondernemingen waarvan de energiekosten tussen 10 en 20% van de productiekosten liggen, een totale of gedeeltelijke belastingverlaging kunnen toekennen voor het deel van hun energiekosten dat 10% van hun totale productiekosten overschrijdt;

- dat de Lid-Staten ondernemingen waarvan de energiekosten meer dan 20% van de productiekosten bedragen, een totale belastingverlaging moeten toekennen voor het deel van hun energiekosten dat 10% van hun totale productiekosten overschrijdt.

f) Gevolgen van het voorstel voor de consumptieprijzen

Voor twee producten waarvan het verbruik hoog ligt, namelijk loodvrije benzine en gasolie, zal het voorstel slechts tot een zeer beperkte stijging van de consumptieprijzen leiden in een gering aantal Lid-Staten. Dit is een onvermijdelijk gevolg van de onderlinge aanpassing van de nationale tarieven die nodig is om een einde te maken aan de huidige verstoringen van de goede werking van de interne markt. De voordelen die van de verbetering van het tarievenstelsel worden verwacht voor het milieu en het vervoer, kunnen daarentegen niet worden gekwantificeerd.

Relatief effect op de prijzen aan de pomp in %

Lid-Staat   Loodvrije benzine  Gasolie

Duitsland      0   0

Oostenrijk      0   1

België       0   1

Denemarken     0   0

Spanje       6   7

Finland       0   3

Frankrijk       0   0

Griekenland     9   11

Ierland       0   0

Italië        0   0

Luxemburg      8   9

Nederland      0   0

Portugal       0   7

Verenigd Koninkrijk   0   0

Zweden       0   0

Bijlage I. Minimumbelastingniveaus op 1 januari 1998, 1 januari 2000 en 1 januari 2002

I. Minimumbelastingniveaus voor motorbrandstoffen

Minimum-belastingniveau op 1.1.1998

Minimum-belastingniveau op 1.1.2000Minimum-streefniveau voor de belasting vanaf 1.1.2002
Benzine

(ecu per 1000 liter)

417450500
Gasolie

(ecu per 1000 liter)

310343393
Kerosine

(ecu per 1000 liter)

310343393
LPG

(ecu per 1000 kg)

141174224
Aardgas

(ecu per gigajoule)

2,93,54,5
  • II. Minimumbelastingniveaus voor motorbrandstoffen die worden gebruikt voor de in artikel 7, lid 2, vermelde doeleinden

    Minimum-belastingniveau op 1.1.1998

    Minimum-belastingniveau op 1.1.2000Minimum-streefniveau voor de belasting vanaf 1.1.2002
    Gasolie

    (ecu per 1000 liter)

    323741
    Kerosine

    (ecu per 1000 liter)

    303539
    LPG

    (ecu per 1000 kg)

    414853
    Aardgas

    (ecu per gigajoule)

    0,30,61,1
    • III. Minimumbelastingniveaus voor verwarmingsbrandstoffen en elektriciteit

      Minimum-belastingniveau op 1.1.1998

      Minimum-belastingniveau op 1.1.2000Minimum-streefniveau voor de belasting vanaf 1.1.2002
      Huisbrandolie

      (ecu per 1000 liter)

      212326
      Zware stookolie GN-code 27100074

      (ecu per 1000 kg)

      182328
      Andere zware stookolie GN-code 2710222834
      Kerosine

      (ecu per 1000 liter)

      71625
      LPG

      (ecu per 1000 kg)

      102234
      Aardgas

      (ecu per gigajoule)

      0,20,450,7
      Vaste energieproducten

      (ecu per gigajoule)

      0,20,450,7
      Elektriciteit

      (ecu per mw/h)

      123

Side Bar