DE OPBOUW VAN EUROPA AAN DE HAND VAN DE VERDRAGEN >
Archief Archief Archief Archief
De instellingen van de Unie
De Europese Commissie
Om een doeltreffende werking te waarborgen, is in het Verdrag van Nice bepaald dat vanaf 2005 elke lidstaat slechts door één lid in de Commissie vertegenwoordigd zal zijn. Wanneer de Unie eenmaal 27 lidstaten heeft, zal er een bovengrens aan het aantal Commissarissen worden gesteld en een toerbeurtsysteem op basis van gelijkheid worden ingevoerd volgens voorwaarden die met eenparigheid van stemmen door de Raad worden vastgesteld. Op grond van het toetredingsverdrag dat in april 2003 is ondertekend gelden die bepalingen vanaf het aantreden van de volgende Commissie in november 2004.
In artikel I-25 van de ontwerp-Grondwet vermeldt de Conventie nogmaals de kernfuncties van de Commissie, namelijk: het initiatiefrecht (in het bijzonder wat betreft de jaarlijkse en meerjarige programmering), het toezicht op de toepassing van het Gemeenschapsrecht, de uitvoering van de begroting, het beheer van de programma's en de externe vertegenwoordiging van de Unie, met uitzondering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. De Conventie wijst er nog op dat de Commissie als college optreedt en verantwoording verschuldigd is aan het Parlement.
In de artikelen I-25, I-26 en I-27 komen de belangrijkste vernieuwingen aan bod die de Conventie heeft aangebracht in de samenstelling van de Commissie (art. I-25), de benoeming en de rol van de voorzitter (art. I-26) en de verschillende functies van de toekomstige minister van Buitenlandse Zaken (art. I-27).
In de artikelen III-250 tot en met III-257 hebben de leden van de Conventie de procedures voor benoeming, vervanging en schorsing opgenomen, alsmede andere bepalingen over de interne organisatie van het college, die ongewijzigd zijn gebleven ten opzichte van de overeenkomstige artikelen in het EG-Verdrag.
Tijdens de besprekingen van de Conventie speelden de volgende algemene uitgangspunten een voorname rol:
- het evenwicht tussen de instellingen moet behouden blijven, wat betekent dat de werking van de Commissie niet mag worden verzwakt;
- de verschillende mogelijkheden om tot een sterke Commissie te komen: ofwel een college van beperkte omvang (een toerbeurtsysteem op basis van gelijkheid), ofwel juist een college waarin elke lidstaat vertegenwoordigd is;
- de vraag of een Commissaris in principe zijn lidstaat vertegenwoordigt of niet;
- het beginsel dat het college van Commissarissen zo moet zijn samengesteld dat de geografische en demografische verscheidenheid van alle landen van de Unie adequaat weerspiegeld wordt.
[ Begin pagina ]
Vanaf 1 november 2009 zal het college bestaan uit 15 leden: de voorzitter van de Commissie, de minister van Buitenlandse Zaken (met de titel vice-voorzitter) en dertien Europese Commissarissen (met stemrecht).
Behalve de dertien Europese Commissarissen zullen er nog Commissarissen zonder
stemrecht worden benoemd. Iedere lidstaat zal worden vertegenwoordigd door een onderdaan
die ofwel een Europees Commissaris is (binnen de grens van de 13 posten), ofwel een
Commissaris zonder stemrecht.
De toerbeurt op basis van gelijkheid (voor de volgorde en de ambtstermijn) tussen
de twee groepen Commissarissen zal worden toegepast volgens een systeem dat gebaseerd
is op een besluit van de
Europese Raad
overeenkomstig de beginselen in het Protocol betreffende de uitbreiding bij het
Verdrag van Nice.
De leden van de Conventie hebben een nieuwe functie gecreëerd, namelijk die van minister van Buitenlandse Zaken, waarin de functies worden gecombineerd van de huidige hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid ("monsieur PESC") en van de huidige Commissaris voor externe betrekkingen. Vanwege die combinatie maakt de minister van Buitenlandse Zaken tegelijk deel uit van de Commissie en van de Raad .
De minister wordt met instemming van de voorzitter van de Commissie benoemd door de Europese Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen beslist. De minister voert het buitenlands beleid (GBVB) en het veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) als mandataris van de Raad. In die hoedanigheid zit de minister de Raadsformatie Buitenlandse Zaken van de Raad van Ministers voor. Tevens verzorgt de minister de externe vertegenwoordiging van de Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid.
De Conventie heeft geen veranderingen voorgesteld in de wijze waarop de voorzitter wordt benoemd, maar geeft wel duidelijk aan dat de Europese Raad rekening moet houden met de uitslag van de Europese parlementsverkiezingen wanneer hij een kandidaat voor het ambt van voorzitter bij het Europees Parlement voordraagt. Door deze wijziging legt het Parlement indirect meer gewicht in de schaal en staat er politiek meer op het spel bij de Europese verkiezingen.
De ontwerp-Grondwet verruimt de benoemingsbevoegdheden van de voorzitter. Deze kiest namelijk de Europese Commissarissen uit een lijst van telkens drie personen (onder wie minstens één vrouw), opgesteld door iedere lidstaat die aan de beurt is. Daarnaast benoemt de voorzitter Commissarissen zonder stemrecht.
| Artikel | Onderwerp | Opmerkingen |
|---|---|---|
| I-25 | Rol en samenstelling, Commissie als college en verantwoording aan het Parlement. | Belangrijke wijzigingen
|
| I-26 | Rol en benoemingsbevoegdheid van de voorzitter. | |
| I-27 | Rol van de minister van Buitenlandse Zaken. | Nieuwe bepalingen |
| III-250 t/m III-257 | Procedure voor de benoeming van de Commissarissen, vervangingsprocedure, reglement van orde en andere bepalingen. | - |
[ Begin pagina ] [ Vorige tekst ] [ Volgende ] [ Inhoudsopgave ]
De informatiebladen zijn alleen ter informatie van het publiek bedoeld. Zij zijn voor de Europese Commissie juridisch niet bindend, beogen geen volledigheid en hebben geen interpretatieve waarde wat de tekst van de Conventie betreft.
