Printbare versie | Juridische mededeling | Wat is er nieuw ? | Zoek | Contact | Index | Glossarium | Over deze site
Een Grondwet voor Europa Sla taalkeuze over en ga direct naar lijst met samenvattingen (toegangstoets=1)
EUROPA > Samenvattingen van de wetgeving > De instellingen van de Unie

DE OPBOUW VAN EUROPA AAN DE HAND VAN DE VERDRAGEN >

De instellingen van de Unie


De minister van Buitenlandse Zaken


Inleiding
Benoemingsprocedure
Bevoegdheden
Europese dienst voor extern optreden
Overzichtstabel

INLEIDING

De functie van minister van Buitenlandse Zaken is een van de belangrijkste vernieuwingen in de Grondwet. Dankzij deze functie zal het externe optreden van de Europese Unie (EU) een efficiŽnter en coherenter karakter krijgen omdat de betreffende minister de stem van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) van de Unie wordt.

Over de oprichting van de functie van minister van Buitenlandse Zaken is lang gediscussieerd, zowel in de Conventie als in de Intergouvernementele Conferentie (IGC ).

Deze institutionele vernieuwing is het resultaat van de samenvoeging van de functies van de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB en de Commissaris voor externe betrekkingen. Artikel I-28 van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voorziet in de invoering van de functie van minister van Buitenlandse Zaken. De taak van deze minister bestaat erin het GBVB en het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB) te voeren met gebruikmaking van alle ter beschikking staande instrumenten.

Toch is de minister van Buitenlandse Zaken niet de enige die zorgt voor de externe vertegenwoordiging van de Unie. De Grondwet kent de taak van de vertegenwoordiging van de Unie namelijk uitdrukkelijk aan de Commissie toe, behalve voor wat het GBVB betreft. Voorts wordt, voor de aangelegenheden die onder het GBVB vallen, in artikel I-22 bepaald dat de voorzitter van de Europese Raad niet alleen de werkzaamheden van de Europese Raad voorbereidt en leidt, maar op zijn niveau ook zorgt voor de externe vertegenwoordiging van de Unie, onverminderd de bevoegdheden van de minister van Buitenlandse Zaken. In de Grondwet is echter niet vastgelegd hoe de werkzaamheden moeten worden verdeeld tussen de voorzitter van de Europese Raad en de minister van Buitenlandse Zaken. Hun respectieve rol zal derhalve in de institutionele praktijk duidelijker worden afgebakend.

[ Begin pagina ]

BENOEMINGSPROCEDURE

De minister van Buitenlandse Zaken wordt door de Europese Raad met gekwalificeerde meerderheid benoemd, met instemming van de voorzitter van de Commissie . De Europese Raad kan zijn ambtstermijn beŽindigen volgens dezelfde procedure als die welke voor zijn benoeming is gevolgd.

De minister van Buitenlandse Zaken is tegelijkertijd vice-voorzitter van de Commissie . Als zodanig maakt hij deel uit van de Commissie, die als college de goedkeuring van het Europees Parlement moet krijgen voordat zij haar functies kan opnemen. Alleen bij de uitoefening van zijn verantwoordelijkheden binnen de Commissie moet hij zich aan de werkmethoden van de Commissie houden. Als gevolg van de besprekingen in de IGC is nu in het grondwettelijk verdrag bepaald dat de minister, in geval van een motie van afkeuring door het Europees Parlement tegen het college, een bijzondere behandeling zal genieten omdat hij "ontslag uit zijn functie binnen de Commissie" zal moeten nemen, wat inhoudt dat hij in de Raad zal kunnen aanblijven in afwachting van de vorming van een nieuwe Commissie.

[ Begin pagina ]

BEVOEGDHEDEN

De minister van Buitenlandse Zaken draagt wat men tijdens de werkzaamheden van de Conventie en van de Intergouvernementele Conferentie een "dubbele pet" is gaan noemen: tegelijkertijd zal hij mandataris van de Raad van Ministers voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en een van de vice-voorzitters van de Commissie zijn.

Enerzijds leidt de minister van Buitenlandse Zaken het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie. Hij beschikt hiervoor over het initiatiefrecht op het gebied van het buitenlands beleid en hij voert dit beleid uit als mandataris van de Raad van Ministers. Hetzelfde geldt voor het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid. Zolang de minister binnen dit mandaat handelt, is het beginsel van gezamenlijk bestuur dat voor de Commissie geldt op hem niet van toepassing.

In het grondwettelijk verdrag is bepaald dat de minister van Buitenlandse Zaken niet alleen de Raadsformatie Buitenlandse Zaken voorzit, maar ook via voorstellen een bijdrage levert aan de uitwerking van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Daarnaast zorgt hij ervoor dat de Europese besluiten van de Europese Raad en de Raad van Ministers ten uitvoer worden gelegd. Met de Raad van Ministers ziet hij erop toe dat de beginselen van het GBVB in acht worden genomen (artikel III-294).

Hij vertegenwoordigt de EU voor kwesties inzake het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, voert namens de Unie de politieke dialoog en zet het standpunt van de Unie uiteen in internationale organisaties en op internationale conferenties. Ook coŲrdineert hij het optreden van de lidstaten van de Unie binnen internationale organisaties (artikel III-305). Wanneer de Unie een standpunt over een thema op de agenda van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft bepaald, kunnen de lidstaten die in die raad zitting hebben, hem verzoeken daar het standpunt van de Unie uiteen te zetten (artikel III-305).

Bovendien kunnen speciale vertegenwoordigers van de Unie, die voor specifieke beleidsvraagstukken door de Raad van Ministers worden benoemd en gemandateerd, hun mandaat uitvoeren onder het gezag van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie (artikel III-302).

Anderzijds is de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie ook een van de vice-voorzitters van de Europese Commissie. Binnen deze instelling is hij belast met externe betrekkingen en de coŲrdinatie van andere aspecten van het externe optreden van de Unie. De EU moet namelijk toezien op de samenhang tussen de diverse onderdelen van haar externe optreden en tussen het externe optreden en het beleid van de Unie op andere terreinen. De Raad van Ministers en de Commissie, hierin bijgestaan door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, zorgen voor deze samenhang en werken daartoe samen (artikel III-292).

[ Begin pagina ]

EUROPESE DIENST VOOR EXTERN OPTREDEN

Ook zal de minister van Buitenlandse Zaken een diplomatieke dienst leiden die bestaat uit delegaties in bijna 125 landen. De Grondwet voorziet in de oprichting van een Europese dienst voor extern optreden die de minister bij de uitoefening van zijn taken zal ondersteunen (artikel III-296).

Deze dienst zal worden opgericht bij een besluit van de Raad van Ministers, na raadpleging van het Europees Parlement en goedkeuring door de Commissie, en zal onder de autoriteit van de minister van Buitenlandse Zaken worden geplaatst. De dienst zal bestaan uit ambtenaren van de bevoegde diensten van het Secretariaat-generaal van de Raad van Ministers en van de Commissie en uit gedetacheerde nationale diplomaten. Deze dienst zal samenwerken met de diplomatieke diensten van de lidstaten.

Het personeel van de delegaties van de EU in derde landen en bij internationale organisaties zal uit deze dienst afkomstig zijn.

Volgens de aan de slotakte van de IGC gehechte verklaring zullen de bepalingen die nodig zijn voor de oprichting van een Europese dienst voor extern optreden, worden vastgesteld zodra het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa wordt ondertekend.

[ Begin pagina ]

OVERZICHTSTABEL

Artikel Onderwerp Opmerkingen
I-28 Benoeming, rol en verantwoordelijkheid van de minister van Buitenlandse Zaken Nieuwe bepalingen
I-22 Rol van de voorzitter van de Europese Raad Nieuwe bepalingen
III-292 t/m III-328 (titel V) Het externe optreden van de Unie Belangrijke wijzigingen
III-296 Oprichting van een Europese dienst voor extern optreden -
Verklaring inzake de oprichting van een Europese dienst voor extern optreden Europese dienst voor extern optreden Nieuwe bepalingen

[ Begin pagina ] [ Vorige tekst ] [ Volgende ] [ Inhoudsopgave ]


Deze informatiebladen zijn voor de Europese Commissie juridisch niet bindend, beogen geen volledigheid en hebben geen interpretatieve waarde wat de tekst van de Grondwet betreft.


Printbare versie | Juridische mededeling | Wat is er nieuw ? | Zoek | Contact | Index | Glossarium | Over deze site | Bovenkant pagina