Printbare versie | Juridische mededeling | Wat is er nieuw ? | Zoek | Contact | Index | Glossarium | Over deze site
Een Grondwet voor Europa Sla taalkeuze over en ga direct naar lijst met samenvattingen (toegangstoets=1)
EUROPA > Samenvattingen van de wetgeving > De grondbeginselen van de Unie

DE OPBOUW VAN EUROPA AAN DE HAND VAN DE VERDRAGEN >

De grondbeginselen van de Unie


De rechtshandelingen


Inleiding
Typologie van de rechtshandelingen
Delegatie van wetgevingsbevoegdheid en uitvoeringshandelingen
Bijzondere bepalingen
Overzichtstabel

INLEIDING

De vereenvoudiging van de beleidsinstrumenten waarover de Unie beschikt, vormde een der belangrijkste punten in de Verklaring van Laken over de toekomst van de Unie waarin onder meer het mandaat van de Conventie werd vastgesteld.
Met de arbeid van deze Conventie, overgenomen door de Intergouvernementele Conferentie (IGC), kon aan deze verwachtingen worden voldaan door het bestaande stelsel te verhelderen. De handelingen worden voortaan beperkt tot zes instrumenten (wet, kaderwet, verordening, besluit, aanbeveling en advies). De grondwet maakt dus een einde aan de woekering van handelingen die intussen tot zo'n vijftiental ervan hadden geleid, de vijf basishandelingen van het EG-Verdrag en talrijke "atypische handelingen" zoals resoluties, richtsnoeren, richtlijnen en dergelijke.

In artikel I-33 worden de zes nieuwe rechtshandelingen vermeld en er wordt onderscheid gemaakt tussen wetgeving en niet-wetgeving, wat in de huidige verdragen nooit het geval is geweest.

Bovendien, en in afwijking van de huidige verdragen, geeft voortaan elke rechtsgrondslag in de Grondwet het soort handeling aan dat voor de uitvoering ervan is vereist. Deze nieuwe aanpak zal aarzelingen voorkomen wanneer het soort te gebruiken handeling moet worden gekozen.

Wat de uitvoeringshandelingen betreft wordt de rol van de Commissie versterkt in die zin dat aan haar de uitvoeringsbevoegdheden zijn toegekend. Toch blijft de goedkeuring door de Raad van uitvoeringsbesluiten mogelijk op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en "in naar behoren gemotiveerde specifieke gevallen". Bovendien zijn het voortaan de lidstaten en niet meer de Raad die de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden van de Commissie zullen controleren. In de Grondwet wordt onderscheid gemaakt tussen de juridisch bindende handelingen van de Unie (artikel I-37) en de delegatie aan de Commissie van de bevoegdheid om "gedelegeerde verordeningen" vast te stellen ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-wezenlijke onderdelen van wetgevingshandelingen, onder controle van de wetgever (artikel I-36).

De bepalingen over de ondertekening, de bekendmaking en de inwerkingtreding van de handelingen van de Unie komen overeen met die van het EG-Verdrag (artikel I-39). Hetzelfde geldt voor artikel I-38: de bestaande Verdragen worden gevolgd waar het gaat om de motivering van handelingen en de vrijheid van de instellingen om te bepalen welke soort handeling moet worden vastgesteld wanneer zulks in de teksten niet specifiek is bepaald.

Ten slotte kan worden vermeld dat de handelingen die onder de tweede en derde pijler vallen, tezamen met de pijlerstructuur waaraan deze handelingen hun bestaansrecht ontlenen, verdwijnen,. Daarom kan ook op deze specifieke gebieden slechts van de zes bovengenoemde soorten handelingen gebruik worden gemaakt.

[ Begin pagina ]

TYPOLOGIE VAN DE RECHTSHANDELINGEN

In artikel I-33 wordt onderscheid gemaakt tussen wetgevingshandelingen en handelingen, niet zijnde wetgevingshandelingen. Beide categorieŽn worden in een apart artikel besproken: wetgevingshandelingen in artikel I-34 en handelingen, niet zijnde wetgevingshandelingen, in artikel I-35.

Er zijn twee soorten wetgevingshandelingen, namelijk de wet en de kaderwet.

In artikel 249 van het EG-Verdrag worden de vijf bestaande basishandelingen (richtlijn, verordening, beschikking, aanbeveling en advies) en de effecten ervan genoemd. Er zijn bepaalde overeenkomsten tussen de oude en de nieuwe handelingen op te merken.
Zo is de omschrijving van de Europese wet gelijk aan die van de verordening zoals wij die nu kennen. Net als de verordening is de Europese wet rechtstreeks in alle lidstaten zonder omzetting in nationaal recht toepasselijk. De omschrijving van de Europese kaderwet komt overeen met die van de richtlijn. Daarin worden de te bereiken doelen vastgelegd, maar de lidstaten mogen zelf beslissen welke maatregelen zij treffen om deze doelstellingen binnen een bepaalde termijn te verwezenlijken.
In artikel I-34 wordt de vaststelling van wetten en kaderwetten behandeld. Deze vaststelling vindt meestal volgens de gewone wetgevingsprocedure plaats.

Er zijn (artikel I-35) vier soorten handelingen die niet tot de wetgevingshandeling behoren, namelijk Europese verordeningen, Europese besluiten, aanbevelingen en adviezen.
Volgens de Grondwet is de Europese verordening een handeling van algemene strekking, niet zijnde een wetgevingshandeling, ter uitvoering van een wetgevingshandeling of van bijzondere bepalingen van de Grondwet. Deze verordeningen kunnen ook de vorm krijgen van gedelegeerde Europese verordeningen of van uitvoeringsverordeningen.
Zij zijn ofwel verbindend in al hun onderdelen ofwel alleen ten aanzien van het te bereiken resultaat.

Verder omvat het Europees besluit in zijn nieuwe definitie zowel de besluiten vermeldend tot wie zij zijn gericht alsook de algemene besluiten, hetgeen niet het geval was voor beschikkingen in de zin van artikel 249 van het EG-Verdrag omdat deze slechts degenen aangaan tot wie zij zijn gericht.
Ten slotte maken van de niet-wetgevingshandelingen ook de aanbevelingen en de adviezen deel uit die op zichzelf geen bindende kracht hebben .
In artikel I-35 wordt in het laatste lid de algemene bevoegdheid van de Commissie bevestigd om aanbevelingen te doen zoals die thans is vastgelegd in artikel 211 van het EG-Verdrag en wordt deze bevoegdheid veralgemeend tot de Raad (artikel I-35).

[ Begin pagina ]

DELEGATIE VAN WETGEVINGSBEVOEGDHEID EN UITVOERINGSHANDELINGEN

In het Verdrag voor een Grondwet worden de uitvoeringsbevoegdheden die thans in artikel 202 van het EG-Verdrag zijn omschreven, opgesplitst in gedelegeerde Europese verordeningen (artikel I-36) en de eigenlijke uitvoeringshandelingen (artikel I-37).

De Commissie wordt als enige belast met de vaststelling van gedelegeerde Europese verordeningen die als doel hebben bepaalde niet-wezenlijke onderdelen van een wet of kaderwet aan te vullen of te wijzigen (in artikel I-36 staat: "Wezenlijke onderdelen van een gebied kunnen niet het voorwerp zijn van bevoegdheidsdelegatie"). Zo kan de omschrijving van meer technische aspecten aan de Commissie worden gedelegeerd, met inachtneming van de toepassingsvoorwaarden die in de wetten of kaderwetten worden gesteld (inhoud, strekking en duur van de delegatie). Bovendien kan deze delegatie slechts plaatsvinden onder toezicht van de beide organen van de wetgevende macht. Het Parlement of de Raad kan besluiten de delegatie in te trekken en de delegatie kan worden geschorst wanneer de medewetgevers daarmee stilzwijgend akkoord gaan. Deze nieuwe bepalingen vormen een belangrijke innovatie in het besluitvormingsproces van de Unie, zelfs al is het waar dat de Commissie in de praktijk al zulke bevoegdheden had verworven op gebieden zoals die van de interne markt of het milieu. Bovendien vormen zij een versterking van de rol van het Parlement dat voortaan op gelijke titel als de Raad toeziet op de uitoefening van de delegatie.

In artikel I-37, dat over de eigenlijke uitvoeringshandelingen gaat, wordt erop gewezen dat de lidstaten normaal gesproken verantwoordelijk zijn voor de concrete toepassing van de communautaire normen. Wanneer het optreden van de Unie zijn rechtvaardiging vindt in de noodzaak van een eenvormige tenuitvoerlegging, kunnen in beginsel uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie of de Raad worden toegekend op het gebied van het GBVB en in naar behoren gemotiveerde specifieke gevallen. De uitvoeringshandelingen van de Unie hebben de vorm van een Europese uitvoeringsverordening of een Europees uitvoeringsbesluit.
Voorzover de Commissie een bevoegdheid uitoefent die in principe bij de lidstaten ligt, lijkt het logisch dat zij wordt begeleid door comitťs van vertegenwoordigers van de lidstaten. Het gaat om comitťs die een advies moeten uitbrengen over de door de Commissie opgestelde ontwerp-uitvoeringsmaatregelen. Dit controlesysteem staat bekend als "comitologie".
In artikel I-37 wordt bepaald dat de algemene comitologievoorschriften bij een Europese wet worden vastgesteld volgens de gebruikelijke wetgevingsprocedure en dus niet langer, zoals thans nog, uitsluitend door de Raad. Overigens gaat het hier in de bewoordingen van ditzelfde artikel om de wijze waarop "de lidstaten" toezicht uitoefenen, en dus niet langer de Raad.

[ Begin pagina ]

BIJZONDERE BEPALINGEN (GBVB, GVDB EN JBZ)

Op grond van de huidige verdragen kunnen niet-communautaire rechtshandelingen worden verricht als het gaat om het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), het veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) en vrijheid, veiligheid en recht (JBZ). Deze gebieden vallen onder de tweede en derde pijler die gekenmerkt worden door samenwerking tussen regeringen en niet door communautaire integratie. Zo wordt op het gebied van het GBVB in artikel 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (EU-Verdrag) vermeld dat de Raad de Europese Raad aanbevelingen doet voor gemeenschappelijke strategieŽn en deze uitvoert, met name door het aannemen van gemeenschappelijke optredens en gemeenschappelijke standpunten. Artikel 34 van het EU-Verdrag bevat een opsomming van de handelingen die de Raad op het gebied van JBZ kan vaststellen. Het betreft gemeenschappelijke standpunten, besluiten en kaderbesluiten en overeenkomsten.

Nu de pijlerstructuur in de Grondwet niet meer voorkomt, zullen deze verschillende handelingen verdwijnen. Als het gaat om het GBVB , het GVDB en JBZ wordt voortaan gebruikgemaakt van handelingen die met de nieuwe typologie moeten overeenkomen (artikel I-33).
In artikel I-40 wordt aangegeven dat op het terrein van het GBVB alleen de Europese besluiten worden gebruikt en dat "er geen Europese wetten of kaderwetten kunnen worden vastgesteld". Ook voor het GVDB kunnen alleen Europese besluiten worden vastgesteld (artikel I-41). Ten slotte geldt voor JBZ dat de oude handelingen worden vervangen door wetten en kaderwetten (artikel I-42).

[ Begin pagina ]

OVERZICHTSTABEL


Artikelen
Onderwerp Opmerkingen
I-33 De rechtshandelingen van de Unie (nieuwe typologie) Nieuwe bepalingen
I-34 De wetgevingshandelingen Belangrijke wijzigingen
I-35 Handelingen, niet zijnde wetgevingshandelingen
I-36 Gedelegeerde Europese verordeningen Belangrijke wijzigingen
I-37 De uitvoeringshandelingen
I-40 Bijzondere bepalingen voor het GBVB Belangrijke wijzigingen
I-41 Bijzondere bepalingen voor het GVDB
I-42 Bijzondere bepalingen voor JBZ

[ Begin pagina ] [ Vorige tekst ] [ Volgende ] [ Inhoudsopgave ]


De informatiebladen zijn voor de Europese Commissie juridisch niet bindend, beogen geen volledigheid en hebben geen interpretatieve waarde wat de tekst van de Grondwet betreft.


Printbare versie | Juridische mededeling | Wat is er nieuw ? | Zoek | Contact | Index | Glossarium | Over deze site | Bovenkant pagina