Printbare versie | Juridische mededeling | Wat is er nieuw ? | Zoek | Contact | Index | Glossarium | Over deze site
Een Grondwet voor Europa Sla taalkeuze over en ga direct naar lijst met samenvattingen (toegangstoets=1)
EUROPA > Samenvattingen van de wetgeving > De instellingen van de Unie

DE OPBOUW VAN EUROPA AAN DE HAND VAN DE VERDRAGEN >

De instellingen van de Unie


De Europese Commissie


Inleiding
Samenstelling
Voorzitterschap
Overzichtstabel

INLEIDING

De Grondwet bevestigt de taken van de Commissie en vult de bestaande regels in verband met het aantal en de herkomst van de leden aan.

De samenstelling van de Commissie, wat een van de neteligste kwesties was waarover de Conventie en de Intergouvernementele Conferentie (IGC ) zich moesten buigen, is uiteindelijk gebaseerd op het model dat in het Verdrag van Nice werd voorgesteld , met enkele verbeteringen.

Voor het overige zijn er geen belangrijke wijzigingen, met uitzondering natuurlijk van de invoering van de post van minister van Buitenlandse Zaken, die tevens een van de vice-voorzitters van de Commissie zal zijn.

In artikel I-26 van de Grondwet worden de kerntaken van de Commissie bevestigd, namelijk het initiatiefrecht (dat de algemene regel wordt voor de vaststelling van wetgevingshandelingen, uitzonderingen hierop - minder talrijk dan vandaag de dag - moeten uitdrukkelijk zijn bepaald), de uitvoerende functie, het toezicht op de toepassing van het Gemeenschapsrecht, de uitvoering van de begroting en het beheer van de programma's. Voorts is in dit artikel vastgelegd dat de Commissie zorgt voor de externe vertegenwoordiging, behalve wat betreft het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, en dat zij de initiatieven tot de jaarlijkse en meerjarige programmering neemt. De Grondwet bevestigt tevens het beginsel dat de Commissie als college optreedt en verantwoording aflegt aan het Parlement.

Ten slotte is in artikel I-26 vastgelegd dat de ambtstermijn van de Commissie nog steeds vijf jaar bedraagt, en dat zij haar verantwoordelijkheden volledig onafhankelijk uitoefent.

In de artikelen I-26, I-27 en I-28 komen de belangrijkste vernieuwingen aan bod die de Grondwet heeft aangebracht aan de samenstelling van de Commissie (artikel I-26), de benoeming en de rol van de voorzitter (artikel I-27) en de verschillende taken van de toekomstige minister van Buitenlandse Zaken (artikel I-28).

In de artikelen III-347 tot en met III-352 (deel III, titel VI over de werking van de Unie) zijn de procedures voor benoeming, vervanging en schorsing opgenomen, alsmede andere bepalingen over de interne organisatie van het college, die ongewijzigd zijn gebleven ten opzichte van de overeenkomstige artikelen in het EG-Verdrag.

[ Begin pagina ]

SAMENSTELLING

De Grondwet is afgestapt van de oorspronkelijke formule die door de leden van de Conventie werd voorgesteld , namelijk de benoeming van Europese commissarissen met stemrecht en Europese commissarissen zonder stemrecht.

De Grondwet heeft geopteerd voor een oplossing die lijkt op die van Nice: behoud van één commissaris per lidstaat totdat de Commissie een bepaalde omvang bereikt, vervolgens begrenzing van de omvang van het college volgens een toerbeurtsysteem op basis van gelijkheid tussen de lidstaten.

De Grondwet bepaalt dat de eerste Commissie die wordt benoemd krachtens de Grondwet, dat wil zeggen die van 2009, zal bestaan uit één onderdaan van iedere lidstaat, met inbegrip van de voorzitter en de minister van Buitenlandse Zaken.

Vanaf 2014 zal de Commissie in omvang worden beperkt en bestaan uit een aantal leden dat overeenstemt met tweederde van het aantal lidstaten. De Europese Raad kan evenwel met eenparigheid van stemmen besluiten dit aantal te wijzigen.

In de formule met een beperkte Commissie zullen de commissarissen worden gekozen volgens een toerbeurtsysteem op basis van gelijkheid tussen de lidstaten. Dit systeem zal door de Europese Raad met eenparigheid van stemmen worden vastgesteld bij een Europees besluit dat op de volgende beginselen dient te worden gebaseerd:

Voor de thans in functie zijnde Commissie gelden de bepalingen van het EG-Verdrag, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Nice en de Toetredingsakte van de tien nieuwe lidstaten, dat wil zeggen één commissaris per lidstaat.

Naast de nieuwe bepalingen in verband met de vertegenwoordiging van de lidstaten in de uitgebreide Commissie is de invoering van de post van minister van Buitenlandse Zaken een belangrijke vernieuwing van de Grondwet. De minister van Buitenlandse Zaken zal de taken combineren van de huidige hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid („monsieur PESC") en van de huidige commissaris voor buitenlandse betrekkingen. Ook zal hij bepaalde taken uitvoeren van het voorzitterschap van de Raad op het gebied van buitenlandse betrekkingen. Vanwege die combinatie zal hij tegelijkertijd deel uitmaken van de Commissie en van de Raad.

De minister van Buitenlandse Zaken wordt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen benoemd door de Europese Raad, met instemming van de voorzitter van de Commissie. Hij voert het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) uit als mandataris van de Raad. In die hoedanigheid zit hij de Raad Buitenlandse Zaken van de Raad van Ministers voor. Tevens verzorgt hij de externe vertegenwoordiging van de Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid.

[ Begin pagina ]

DE VOORZITTER VAN DE COMMISSIE

De Grondwet omvat geen belangrijke wijzigingen in de manier waarop de voorzitter wordt benoemd, maar geeft wel duidelijk aan dat de Europese Raad rekening moet houden met de uitslag van de Europese parlementsverkiezingen wanneer hij een kandidaat voor het ambt van voorzitter bij het Europees Parlement voordraagt. Door deze wijziging legt het Parlement indirect meer gewicht in de schaal en staat er politiek meer op het spel bij de Europese verkiezingen.

De andere bepalingen in verband met de voorzitter van de Commissie zijn zo goed als volledig overgenomen uit het EG-Verdrag.

De Raad stelt in onderlinge overeenstemming met de verkozen voorzitter de lijst vast van de overige personen die hij voorstelt tot lid van de Commissie te benoemen. Zij worden gekozen op basis van de voordrachten van de lidstaten. De leden van de Commissie worden op grond van hun algemene bekwaamheid, onafhankelijkheid en Europese inzet gekozen (dit laatste criterium is nieuw).

Ten slotte beslist de voorzitter van de Commissie over de interne organisatie van de Commissie. Hij kan de bevoegdheden herschikken in de loop van de ambtstermijn. Hij benoemt de vice-voorzitters, anders dan de minister van Buitenlandse Zaken, uit de leden van de Commissie. Hij kan een lid van de Commissie verzoeken ontslag te nemen, zonder dat het college dit verzoek dient goed te keuren, zoals momenteel het geval is.

[ Begin pagina ]

OVERZICHTSTABEL

Artikel Onderwerp Opmerkingen
I-26 Rol en samenstelling, Commissie als college en verantwoording aan het Parlement Belangrijke wijzigingen
I-27 Rol en benoemingsbevoegdheid van de voorzitter
I-28 Rol van de minister van Buitenlandse Zaken Nieuwe bepalingen
III-347 t/m III-352 Procedure voor de benoeming van de commissarissen, vervangingsprocedure, reglement van orde en andere bepalingen -

[ Begin pagina ] [ Vorige tekst ] [ Volgende ] [ Inhoudsopgave ]


Deze informatiebladen zijn alleen ter informatie van het publiek bedoeld. Zij zijn voor de Europese Commissie juridisch niet bindend, beogen geen volledigheid en hebben geen interpretatieve waarde wat de tekst van de Grondwet betreft.


Printbare versie | Juridische mededeling | Wat is er nieuw ? | Zoek | Contact | Index | Glossarium | Over deze site | Bovenkant pagina