Navigation path

Left navigation

Additional tools

Over Europa – Bespiegelingen over heden en toekomst van de Europese Unie

European Commission - SPEECH/14/355   08/05/2014

Other available languages: EN FR DE DA ES IT SV PT FI EL CS ET HU LT LV MT PL SK SL BG RO GA HR

Europese Commissie

[Alleen het gesproken woord geldt.]

José Manuel Durão Barroso

Voorzitter van de Europese Commissie

Over Europa – Bespiegelingen over heden en toekomst van de Europese Unie

Een toespraak van José Manuel Durão Barroso, voorzitter van de Europese Commissie

Humboldt-universiteit, Berlijn, 8 mei 2014

“Nós estamos na Europa e é na Europa que nós nos salvamos ou nos perdemos todos.”1

Eduardo Lourenço

In de eerste plaats wil ik u hartelijk danken voor uw vriendelijke uitnodiging. Aanwezig te mogen zijn in dit eerbiedwaardige Duitse en Europese instituut, de Humboldt-universiteit – de universiteit van Hegel, van Max Planck, van Albert Einstein –vervult me met emotie. Ook wil ik u bedanken omdat u mij de kans biedt deze Humboldt-lezing over Europa te houden. Ik heb dat niet eerder gedaan, enerzijds omdat het me passend leek mijn tien jaar ervaring bij de Europese Commissie daarmee, bij wijze van erfenis, af te sluiten, en anderzijds omdat mij is verteld dat de studenten aan deze universiteit gewend zijn aan colleges van anderhalf uur. Ik zal mijn best doen om het iets korter te houden. Dit is mijns inziens het ideale moment en de ideale plaats voor mij om onomwonden in te gaan op mijn ervaring en op mijn voorstellen voor de toekomst van Europa.

Geachte dames, geachte heren,

De afgelopen dertig jaar heb ik actief deelgenomen aan het Europese integratieproces. De laatste tien jaar als voorzitter van de Europese Commissie, maar ook daarvóór, onder meer als minister van Buitenlandse Zaken en premier van mijn land Portugal. Uit hoofde van die functies beschouw ik het als mijn plicht om, alvorens mijn ambt als voorzitter van de Europese Commissie neer te leggen, de ervaring die ik heb opgedaan, te delen en uiteen te zetten hoe wij mijns inziens moeten voortbouwen op wat al verwezenlijkt is, en hoe wij in de toekomst te werk moeten gaan.

Ik beschouw het als een verantwoordelijkheid, maar het is ook mijn passie, een passie voor de Europese zaak. En ik denk dat dit het moment is om na te denken over de toekomst van ons continent en beslissingen te nemen.

De afgelopen tien jaar, met zowel goede als slechte ontwikkelingen, zijn op zijn minst veelbewogen te noemen.

Het laatste decennium van het Europese integratieproces is een aaneenschakeling van historische gebeurtenissen geweest – te beginnen met, vanaf 2004, de uitbreiding van de EU met landen uit Midden- en Oost-Europa en het Middellandse Zeegebied – maar ook van crises die hun gelijke in het verleden niet kenden. De eerste begon in 2005 omdat het Grondwettelijk Verdrag niet werd geratificeerd, en kon pas worden bezworen toen in 2009 het Verdrag van Lissabon in werking trad. In 2008 raasde de storm van de financiële crisis over ons heen en deze is inmiddels nog niet gaan liggen. Deze crisis – een combinatie van een staatsschulden-, een economische en een sociale crisis – heeft de soliditeit van de Europese Unie en van de eenheidsmunt, de euro, in het bijzonder, uitermate zwaar op de proef gesteld. Om ze het hoofd te bieden, waren uitzonderlijke maatregelen onvermijdelijk en moesten zelfs volledig nieuwe instrumenten worden gecreëerd.

Daarbovenop krijgen wij sinds kort af te rekenen met nieuwe uitdagingen als gevolg van de ontwikkelingen in Oekraïne en in Rusland. Sinds de val van het IJzeren Gordijn en van de Berlijnse muur zijn de veiligheid en de vrede in Europa waarschijnlijk nog nooit zo in het gedrang gekomen.

De lering die uit de afgelopen tien jaar wordt getrokken, zal het debat over de toekomst van de Unie in een scherp afgelijnd perspectief plaatsen. Staat u mij daarom toe dit debat te stimuleren met de volgende overdenkingen over heden en toekomst van de Europese Unie. Het is mijn vaste overtuiging dat de Europese Unie zich verder moet ontwikkelen en dat deze ontwikkeling organisch, en niet abrupt, haar beslag moet krijgen.

Via hervorming, niet via revolutie.

Via evolutie, niet via contrarevolutie.

Geachte dames, geachte heren,

De geschiedenis voltrekt zich niet in een rechte, vloeiende lijn. Ze draait en keert. En af en toe, onverwacht, versnelt ze. Momenteel leven wij een tijd van elkaar alsmaar sneller opvolgende ontwikkelingen die landen en andere partijen zowel in als buiten Europa moeizaam in goede banen proberen te leiden.

Van bij het begin is het Europese integratieproces een instrument geweest om dergelijke veranderingen op te vangen en om landen te helpen zich aan historische uitdagingen aan te passen die hun individuele vermogen te boven gaan.

Eens te meer bewijzen de gebeurtenissen van de laatste tien jaar hoe uitermate veerkrachtig en flexibel de instellingen van de Europese Unie zijn. Men zou het de “plasticiteit” van de instellingen kunnen noemen: de vorm verandert, maar de inhoud blijft dezelfde.

Waarbij de vraag rijst: wat is dan die inhoud, wat is de essentie van het Europese project?

In de eerste fase – laten we die Europa 1.0 noemen – draaide het Europese project, dat na de Tweede Wereldoorlog werd bedacht, om het vrijwaren van vrede en welvaart in het vrije deel van Europa via economische integratie en op basis van verzoening tussen Frankrijk en Duitsland.

Die versie kreeg na de val van het IJzeren Gordijn en de Berlijnse muur een nieuw ontwerp, “Europa 2.0” zeg maar, met als doel de voordelen van open markten en de open samenleving open te trekken naar een uitgebreid, hereengemaakt Europa.

De financiële en economische crisis, met alle gevolgen van dien, en de opkomst van de multipolaire, geglobaliseerde wereld luidden de derde fase van de Europese integratie in – die nu een update naar “Europa 3.0” vergt.

De Europese Unie is na elke stap in dit proces interactiever, complexer en invloedrijker geworden, omdat de uitdagingen groter en moeilijker te doorgronden waren en meer uitvoerige methoden van samenwerking vereisten.

Nu we de derde fase hebben bereikt, gaat het vooral – of zou het vooral moeten gaan - om de macht en de invloed die nodig zijn om de vrede en welvaart in Europa te vrijwaren volgens de voorwaarden die de mondialisering stelt. Als de economische en financiële crisis één ding duidelijk heeft gemaakt, is het wel dat het absoluut noodzakelijk was om omwille van de houdbaarheid van de eenheidsmunt op de lange termijn de governance in de eurozone te verbeteren. Wellicht zullen verdere institutionele stappen van meer politieke aard onvermijdelijk zijn. De hamvraag is natuurlijk hoe de integriteit van de interne markt en van onze Unie in haar geheel daarbij kan worden gevrijwaard. Versterkte samenwerking met variabele snelheid kan een noodzaak worden, maar een Europa met verschillende klassen moet – zoals tot dusverre is gelukt – tot elke prijs worden vermeden. En daarom: flexibiliteit, ja; stratificatie, nee.

Alvorens dieper in te gaan op deze institutionele uitdagingen en met name op de kwestie van Europa’s macht en invloed in de wereld, wil ik eraan herinneren dat de belangrijkste doelstellingen die sinds de oprichting van Europese Gemeenschappen worden nagestreefd – vrede en welvaart – vandaag nog even actueel en essentieel voor ons zijn. Zoals wordt bevestigd door de recente ontwikkelingen.

Zo zijn de vrede en de stabiliteit onder druk komen te staan van zeer reële gevaren voor de economische fundamenten van Europa. Deze dreigingen hebben gaandeweg ons zelfvertrouwen ondermijnd en hebben tot een bijna surrealistische paniekstemming geleid die, eenmaal verwoord, zo bleef rondgalmen dat de paniek om zich heen sloeg en het weefsel van de Europese eenheid tot in de diepste vezels in gevaar bracht. De mogelijkheid dat de euro zou verbrokkelen werd gezien als het begin van de verbrokkeling van Europa. Het lijdt geen twijfel dat Europa als gevolg daarvan weer zou zijn uiteengevallen in eerste- en tweederangseconomieën en dus ook dito samenlevingen. Eveneens buiten kijf staat dat hiermee een einde zou komen aan de visie van een continent van gelijken, samengebracht in een steeds hechtere unie.

Inmiddels valt niet te ontkennen dat er inderdaad wrijvingen zijn ontstaan tussen noord en zuid, tussen rijk en arm, tussen schulden- en schuldeiserlanden, tussen centrum en periferie. Maar wij hebben verhinderd dat die wrijvingen een fragmentatie van Europa teweegbrachten. Meer zelfs: meer dan ooit in de recente geschiedenis evolueren wij naar een verdieping van de Economische en Monetaire Unie en blijven wij daarbij de beginselen die de integriteit van de Europese Unie in haar geheel waarborgen, hoog in het vaandel dragen. Een bewijs hiervan is de versterking van de bevoegdheden en de macht van de instellingen van de Europese Unie – van de Europese Commissie tot de Europese Centrale Bank. Sommige van deze bevoegdheden zouden enige jaren terug, vóór de crisis, ondenkbaar zijn geweest. De relevantie van het Europese niveau is er alleen maar op vooruitgegaan. Wat de economische dimensie betreft, heeft de Unie recent de grootste institutionele transformatie doorgemaakt sinds de invoering van de euro.

Voor wie het vredesargument ten gunste van de Europese integratie als voorbijgestreefd beschouwt, zou één blik op Oekraïne moeten volstaan. Vrede is nooit vanzelfsprekend, is nooit een absolute zekerheid. Vrede moet telkens weer veroverd worden, generatie na generatie, door middel van Europese eenheid, door middel van gezamenlijke Europese acties op het bredere regionale en op het internationale vlak. Die vredesgedachte heeft nog niets aan kracht en geldigheid voor de Europese integratie ingeboet.

Ook de welvaart, die de Europese Unie sinds het begin van het Europese integratieproces zo aantrekkelijk heeft gemaakt, is in het gedrang gekomen tijdens de financiële en economische crisis; die een crisis van groeimodellen was, de ontmaskering van pogingen om de economische groei kunstmatig op te schroeven met financiële kunstgrepen en om de groei op peil te houden met openbare of particuliere schulden – zoals gebeurde in respectievelijk de Amerikaanse en de Europese economie.

Inmiddels kiezen wij weer voor de moeilijke weg en worden innovatie en structurele hervormingen ingezet om de concurrentie op wereldvlak aan te gaan. De zwaarst door de crisis getroffen landen geven blijk van een aanzienlijke strijdlust. De vooruitgang die Ierland, Spanje en Portugal boeken, is opmerkelijk. Uitgerekend deze week heeft mijn land, Portugal, aangekondigd dat het uit het programma stapt zonder verdere bijstand van de Europese Unie te vragen. En ondanks alle moeilijkheden zijn ook Griekenland en Cyprus op de goede weg. Bovendien is – talrijke voorspellingen ten spijt – niemand uit de eurozone gestapt. Wel integendeel: deze is zelfs uitgebreid, met Letland, dat daartoe indrukwekkende inspanningen heeft geleverd. De Europese landen passen de lering toe die op het gebied van schuld en macro-economische onevenwichtigheden uit de crisis is getrokken. De economieën worden hervormd, al moeten sommige, ook grote, sneller met resultaten komen. Deze inspanningen worden trouwens niet meer geïsoleerd geleverd, maar worden steeds meer afgestemd op de beleidslijnen en -effecten over de grenzen heen.

Europa heeft resultaten nodig om zijn legitimiteit kracht bij te zetten en deze resultaten komen er alleen als men blijft hameren op de noodzaak van innovatie en hervormingen: hervorming van onze economische structuren, van de overheid, van de arbeidsmarkt, van de interne markt, van het energie- en het klimaatbeleid, om er maar enkele te noemen. Onder meer daarom is gemeenschappelijkheid voor ons een noodzaak: om deze resultaten op tafel te leggen.

Sommige van die aanpassingen waren uiteraard bijzonder pijnlijk. En in sommige lidstaten hebben zich sociale drama's voorgedaan. Maar het moet ook worden onderstreept dat met of zonder de euro, met of zonder de Europese Unie, die aanpassingen hoe dan ook onvermijdelijk zouden zijn. En dat de euro of de Europese Unie niet de oorzaak van de moeilijkheden was. Europa is niet de oorzaak van het probleem, Europa is een deel van de oplossing.

De Europese sociale markteconomie is gebaseerd op een uniek sociaal model. Zelfs met nationale varianten onderscheidt onze welvaartsstaat ons van alle andere grote economieën en samenlevingen, gaande van ontwikkelde tot opkomende economieën. Onze burgers hechten veel waarde aan dit model. Een model dat de waarden van onze burgers belichaamt – een unieke combinatie van eigen verantwoordelijkheid enerzijds en maatschappelijke en generatie-overschrijdende solidariteit. Een model dat de doelen waarmaakt die zij nastreven – zoals zekerheid in hun oude dag en in slechte tijden. Alleen door middel van samenwerking en aanpassing zullen wij onze sociale markteconomie veilig kunnen stellen.

Staat u mij toe om terug te komen op wat in de derde fase van het Europese integratieproces centraal moet staan, namelijk invloed en macht: wij kunnen er niet omheen dat de vrede en de welvaart in Europa alleen maar kunnen worden gevrijwaard als de Europese Unie meer bereidheid aan de dag legt om die invloed en macht ook daadwerkelijk aan de wereld te tonen. Tijdens de crisis heeft het vertrouwen van de wereld in Europa’s invloed internationaal een flinke deuk gekregen. De aantrekkingskracht die het Europese economische model op de rest van wereld uitoefent, heeft tijdelijk aan kracht moeten inboeten. Als gevolg daarvan werden ook onze waarden en onze autoriteit als mondiale speler in twijfel getrokken. Het is nu zaak terug op te staan en onze rol en invloed te herwinnen. Mondialisering behelst zoveel meer dan louter economie. Onze diplomatieke aanpak moet op de schop. Onze defensiecapaciteiten moeten worden gebundeld. Onze waarden moeten meer dan ooit in ere worden gehouden.

Het mondiale systeem past zichzelf eveneens aan, door een nieuwe wereldorde tot stand te brengen. Dit verplicht ons om belangrijke knopen door te hakken. Of wij dragen bij tot het vormgeven van het nieuwe systeem, of wij missen de aansluiting met de toekomst. Ook in dit verband tonen de ontwikkelingen in verband met Oekraïne ons dat waakzaamheid geboden is, en eensgezindheid. Of Europa treedt meer als één blok op en toont zijn macht en invloed, of Europa zal in irrelevantie wegzakken.

Tegen deze achtergrond is het onze plicht de interne stabiliteit van de Europese Unie te versterken.

De Unie heeft op drie gebieden af te rekenen met een kloof die moet worden gedicht. Er is een kloof op het gebied van governance, omdat de lidstaten afzonderlijk niet meer in staat zijn de verwachtingen van hun burgers in te lossen en de Europese instellingen nog steeds een deel van het instrumentarium missen om die situatie te compenseren. Er is een kloof op het gebied van legitimiteit, omdat burgers de indruk hebben dat de besluitvorming zich afspeelt op een niveau dat te ver van hen af staat. Voorts is er een kloof op het gebied van verwachtingen, omdat de mensen meer verwachten dan het politieke bestel kan leveren. De lidstaten zijn niet automatisch verplicht om instrumenten goed te keuren die deze kloven op Europees niveau kunnen dichten. Daarom is het zaak helder aan te geven welke gemeenschappelijkheid wij wensen, niet het minst omdat dit bepalend is voor onze rol in de wereld.

Stabiliteit zal er alleen komen als een nieuw evenwicht op een hoger niveau van gemeenschappelijkheid wordt bereikt.

Geachte dames, geachte heren,

Aanpassingen zijn geen sinecure, en niemand heeft dat ooit beweerd. Maar ze zijn absoluut noodzakelijk.

Ingrijpende veranderingen stellen Europese landen voor een bijzonder grote uitdaging. Als democratieën moeten zij zich immers niet alleen bezinnen op wát er moet gebeuren, maar ook op hoe zij daarbij te werk gaan. We moeten ons niet alleen schikken naar de nieuwe omstandigheden – we moeten ze zelfverzekerd tegemoet treden en iedereen van de voordelen ervan overtuigen. Ik herinner me hoe premiers tijdens bijeenkomsten van de Europese Raad zeiden: “We weten best wat ons te doen staat. Het punt is dat als we dat doen, we de volgende verkiezingen verliezen.”

Dit mag geen excuus zijn om de noodzakelijke maatregelen achterwege te laten en de zware taak te schuwen om de bevolking te overtuigen. Verantwoordelijk bestuur bestaat erin mogelijk maken wat nodig is, rendre possible ce qui est nécessaire”.

De Europese Unie wordt niet als enige op de proef gesteld. Wereldwijd staan regeringen, elk op hun eigen wijze, voor een soortgelijke opgave. Democratie blijkt eens te meer het beste en meest duurzame antwoord. Meer dan enig ander systeem vergt democratie echter werkelijk staatsmanschap en moedig leiderschap.

De aanzet tot eerdere fasen van de Europese integratie kwam – anders dan men in sommige kringen meent – steeds zowel van onder als van boven.

Denk aan de verzetsbewegingen, vakbonden en ondernemers die na de gruwel van de oorlog de koppen bij elkaar staken. Aan de jonge generatie Duitsers en Fransen in de jaren ‘50, verlangend om mentale en geografische grenzen achter zich te laten. Aan de Grieken, Portugezen en Spanjaarden die zich in de jaren ‘70 ontworstelden aan dictaturen, omdat zij bij Europa wilden horen en hadden gezien dat de regimes waaronder zij leefden, zich niet wilden en konden aanpassen aan een wereld die zonder hen vooruitging. En ook aan de Midden- en Oost-Europeanen in de jaren ‘80 en ‘90, of het nu gaat om Solidarność in Polen, de Fluwelen Revolutie in Praag, de Baltische onafhankelijkheidsbewegingen of de Hongaren, die als eersten het IJzeren Gordijn opengooiden. De herwonnen democratie hing voor hen sterk samen met het verlangen deel uit te maken van de Europese Unie. Zo keek mijn generatie er in Portugal tegenaan, en zo keken latere generaties in Midden- en Oost-Europa er tegenaan. Zij herkenden zich in de woorden van Václav Havel, die “Europa het vaderland der vaderlanden” noemde.

Konrad Adenauer legde in 1951 in Londen uit hoe een dergelijk breed besef van wat er op het spel stond, Duitsland ertoe voerde zich in de vroegste fasen van de Europese integratie zo daadkrachtig op te stellen. “Onze houding wordt niet alleen ingegeven door de angst voor het bolsjewisme”, zei hij, “maar ook door het besef (…) dat de problemen waar wij thans voor staan, namelijk het bewaren van de vrede en het verdedigen van onze vrijheid, alleen binnen die grotere gemeenschap kunnen worden opgelost. Dit besef leeft in brede kring in Duitsland (…). Ik zou er in dit verband op willen wijzen dat de Duitse Bondsdag zich op 26 juli 1950 met eenparigheid van stemmen heeft uitgesproken voor de totstandbrenging van een Europese federatie.”

Ook nu is een dergelijk breed politiek en maatschappelijk draagvlak onontbeerlijk. Zonder momentum krijgen we niets gedaan. We kunnen en mogen de publieke opinie natuurlijk niet onder druk zetten. Maar we kunnen wél proberen de benodigde consensus te smeden. En dan komt het aan op politiek leiderschap. Leiderschap betekent de verantwoordelijkheid op je nemen. Leiderschap betekent je oren niet laten hangen naar populaire of populistische geluiden. Want de Europese Unie is niet stil blijven staan. Zij is geëvolueerd en haar bestuurlijk bestel wordt telkens democratischer, niet in de laatste plaats dankzij het Verdrag van Lissabon. De Unie heeft inmiddels een veel grotere invloed op het dagelijks leven van de burger dan voorheen. De ambitie een veel hechtere unie tot stand te brengen, wordt verwezenlijkt.

Bureaucratisch, technocratisch en diplomatiek overleg is dan ook niet voldoende meer. Zelfs de grenzen van topconferenties zijn bereikt. Voor verdere vooruitgang is meer nodig: een nieuw debat, een nieuwe dialoog en – zowel op nationaal als transnationaal niveau – het gevoel het Europees project te sturen.

Dit is de kern van de zaak: beleid en bestel kunnen alleen functioneren als er consensus bestaat over de gemeenschappelijkheid en over de wijze waarop die tot stand moet komen.

Het unieke Europese project is nog volop in wording. Sinds Maastricht staat het debat in het teken van een reeks Verdragsonderhandelingen. De financiële en economische crisis heeft opnieuw een aantal vragen over de Verdragen doen rijzen. Ook over een Europese grondwet is het laatste woord nog niet gesproken.

Me dunkt dat die kwestie ook niet definitief kan worden beslecht – zeker nu niet.

Wie verregaande integratie voorstaat, moet zich er rekenschap van geven dat de overgrote meerderheid van de bevolking geen Europese eenheid ten koste van de natiestaat wil. Wie uitgaat van een louter nationaal of intergouvernementeel perspectief, moet zich er rekenschap van geven dat natiestaten niet meer op eigen kracht aan de verwachtingen van hun burgers kunnen voldoen. Elke poging om vooraf vast te stellen hoe ver de Europese integratie al dan niet zou moeten gaan, is zinloos.

Er is een verstandiger koers denkbaar. De Europese integratie is altijd ondernomen met een duidelijk doel voor ogen en ingegeven door een duidelijk idee van de behoeften van Europa. De middelen daartoe – de Verdragen en instellingen – zijn altijd de uitdrukking geweest van een politieke wil.

Voordat we de technische details van weer een nieuw verdrag bespreken, moeten we dan ook vaststellen over welke vormen van gemeenschappelijkheid de hoofdsteden en Brussel het per se eens moeten zijn. Welke zaken moeten we hoe dan ook samen beslissen? Wat is het gezamenlijke doel van de Unie waarover overeenstemming bestaat? In hoeverre zijn we bereid om onherroepelijk en zonder voorbehoud één toekomst te delen? Wat is, kortom, onze visie?

De crisis luidde het einde in van het tijdperk van “impliciete consensus”, de quasi-intuïtieve Europese integratie. De consensus moet voortaan expliciet zijn. Het is tijd voor een politiek en maatschappelijk debat over de inhoud van de gemeenschappelijkheid in de EU, over de breedte en diepte van de integratie die ons voor ogen staat, en over wie waaraan wil meedoen en waartoe.

Dames en heren,

Graag wil ik u de politieke doelen, de beginselen en de beleidsterreinen noemen waarop we ons volgens mij bij het streven naar een dergelijke consensus bovenal moeten richten.

In april 1978 bevond Roy Jenkins, de toenmalige voorzitter van de Europese Commissie, zich in een positie die ik enkele tientallen jaren later maar al te goed leerde kennen.

“De economie van de Gemeenschap”, zo zei hij, “is een kwestie van banen en tanende sectoren, monetaire stabiliteit, regionaal beleid, energievraagstukken. Dit zijn stuk voor stuk politieke zaken, geen bureaucratische.” En hoewel hij een gemeenplaats leek te formuleren, verbond hij daaraan een interessante conclusie: “Hoewel sommigen misschien het tegendeel voor waar houden, zijn de instellingen van de Gemeenschap zorgvuldig ontworpen, en mettertijd aangepast om een beleidsdialoog mogelijk te maken en op technisch en politiek niveau spijkers met koppen te slaan. De instellingen zijn niet volmaakt, maar bieden in elk geval een kader voor besluitvorming.”

De discussie over het “kader voor besluitvorming” dreigde en dreigt namelijk nogal eens belangrijker te worden gevonden dan die over wat Roy Jenkins “politieke zaken” noemde.

Europese beleidsdiscussies worden al te vaak alleen in institutionele en constitutionele termen gevoerd. Een obsessie met het bestel heeft de aandacht afgeleid van het beleid en de politiek waaraan behoefte was. In plaats van besluiten te nemen, bespreken we nu hoe besluiten moeten worden genomen en wie ze mag nemen.

Daar zou ik vandaag tegen willen waarschuwen, net als Roy Jenkins veertig jaar geleden.

De uitdagingen die ons in deze derde fase van de Europese integratie wachten, moeten we benaderen uit het oogpunt van ten eerste de vereiste politiek, ten tweede het vereiste beleid en ten derde het bestel dat daarvoor nodig is. In die volgorde.

Het debat over de toekomst van Europa moet dan ook in de eerste plaats over politiek en beleid gaan, niet over instellingen en verdragen. Het moet gaan over wat we samen willen doen en waarom. Zolang daar geen consensus over bestaat, kunnen we eindeloos over subsidiariteitsclausules en opt-outs discussiëren zonder iemand te overtuigen of tevreden te stellen. We moeten ieder voor zich en collectief besluiten wat we samen willen doen en wat we niet samen wensen of hoeven te doen.

Het besluitvormingskader in de Europese Unie is door de jaren heen enorm geëvolueerd. Dat geldt niet alleen voor het tijdvak na Jenkins, maar ook voor mijn eigen ambtsperiodes. De ontwikkeling ten opzichte van twintig jaar geleden is opmerkelijk.

Waar het gaat om bevoegdheden, maar met name wat betreft de vorm en de dynamiek van de besluitvormingsprocedures. Vanaf 1987 heb ik persoonlijk deelgenomen aan de bijeenkomsten van de Raad, en van 1992 tot 1995 aan die van de Europese Raad . En ik kan u verzekeren dat het om zeer significante verschillen gaat. In bepaalde opzichten heeft er bij de instellingen een heuse cultuuromslag plaatsgevonden.

In de vroege jaren ‘90 draaide de Europese Gemeenschap nog om de Raad. De Commissie had weliswaar initiatiefrecht, maar de meeste beslissingsbevoegdheden berustten bij de lidstaten. Zowel het bestel als de procedures zijn sindsdien ingrijpend veranderd.

Bovenal doordat de bevoegdheden van het Europees Parlement zijn vergroot: het is niet langer slechts een raadgevend orgaan, maar nu ook een onmisbare medewetgever, ook al weifelt het Parlement nog vaak tussen zijn oratorische rol en zijn rol als besluitvormingsorgaan. Aan de verleiding om eisen te stellen zonder zich om de haalbaarheid daarvan te bekommeren – en dus de onderschatting van de politieke voorwaarden die voor bepaalde besluiten vervuld moeten zijn – kunnen niet alle spelers in het Europees Parlement weerstaan. We hebben ook gezien dat sommigen liever protest uiten of zelfs de gevestigde orde afwijzen dan hun eigenlijke rol te vervullen om samen met de andere instellingen naar een pragmatisch resultaat te zoeken. Waarschijnlijk komt dat ook doordat het Parlement geen eigen initiatiefrecht heeft. We moeten echter erkennen dat het Parlement over het algemeen een constructieve bijdrage levert. Uiteindelijk stonden er gedurende het hele afgelopen decennium bij het Parlement grote belangen op het spel, maar het heeft het spel meegespeeld – van de goedkeuring van de begroting van de EU tot de totstandkoming van de bankenunie.

Ook de betrekkingen tussen de lidstaten zijn nu heel anders, doordat er met 28 lidstaten een andere dynamiek is dan met 12 lidstaten in bijvoorbeeld 1992 of 1994. In tegenstelling tot wat de mythe over Brussel beweert, is dit niet zozeer een kwestie van macht en gewicht. Het is een kwestie van visie en van agenda. Ik kan de dynamiek van de Europese Raad in 1992 of 1994, toen we met twaalf lidstaten waren en de ministers van Buitenlandse Zaken aan de vergaderingen deelnamen, vergelijken met de situatie van vandaag. Ik herinner me nog goed Helmut Kohl, François Mitterrand of Felipe González die toen aan de vergadertafel zaten. Het verschil in dynamiek tussen de Europese Raad van toen en die van vandaag kan ik dus heel goed aanvoelen.

Sommige regeringen komen aan de onderhandelingstafel met een defensieve instelling, andere met slechts één onderwerp, en weer andere zonder directe interesse. Slechts enkele leiders komen met een brede blik, een alomvattende aanpak. Zij voelen een zekere verantwoordelijkheid voor Europa. Maar niet iedereen heeft het zelfde niveau van verantwoordelijkheidsgevoel. En die verantwoordelijkheid is bij een politiek proces zoals de EU een pluspunt.

Ook bij de Raad is het zwaartepunt flink verschoven. Het was ooit zo dat volgens het verdrag de Raad Algemene Zaken, bestaande uit de ministers van Buitenlandse Zaken, de politiek belangrijkste Raadsformatie was. Deze rol berust nu volledig bij de Europese Raad. Europa is een zaak voor de leiders zelf geworden. Het orgaan waarin de nationale leiders samenkomen – de Europese Raad – had al veel aan belang gewonnen nog voordat het bij het Verdrag van Lissabon een meer operationele functie en een stabielere grondslag kreeg door de creatie van een permanent voorzitterschap. Het is waar dat de dynamiek van de Europese Raad deels een gevolg is van de kenmerken van de economische en financiële crisis: de noodzaak om snel financiële middelen in te kunnen zetten waarover alleen de lidstaten beschikken. Mettertijd kan deze situatie minder acuut worden. De staatshoofden en regeringsleiders zullen hun rol niet alleen op nationaal vlak, maar ook op Europees vlak moeten zien.

Door de verschuiving van de Raad naar de Europese Raad is wel een zekere uitvoeringskloof ontstaan. Zo werd vroeger voor elke nieuwe ontwikkeling geëist dat de Europese Raad of de ministers van de eurozone bijeenkwamen – wat tot een opeenvolging van topontmoetingen leidde. Het voordeel daarvan was dat de leiders onder druk stonden om met een beslissing te komen. Tegelijkertijd verminderde dat het belang van zo’n topontmoeting en werd de indruk gewekt dat besluiten nooit ver genoeg gingen en de uitvoering altijd tekortschoot. Dat kwam doordat besluiten van de staatshoofden en regeringsleiders niet altijd gevolg kregen op nationaal niveau. Er was te veel druk en te weinig precisie.

Uit dit alles is de Commissie als het onmisbare en steeds sterkere brandpunt naar voren gekomen. Haar initiatiefrecht is gedurende de hele crisis tot uiting blijven komen. En haar talent voor initiatief (als ik dat zo mag uitdrukken), waartoe Walter Hallstein de aanzet gaf en dat door Jacques Delors verder werd uitgewerkt, was er altijd. Het lag aan de basis van de beslissende concepten: van de oprichting van het EFSM, de EFSF en later het ESM, die uiteindelijk alle waren gebaseerd op voorstellen van de Commissie, tot de bankenunie2; van het initiatief om projectobligaties in het leven te roepen tot de wetsvoorstellen van de Commissie over hervorming van de economische governance, met inbegrip van een nieuw stabiliteits- en groeipact. De Commissie heeft bij het uitoefenen van haar initiatiefrecht altijd een echt Europese koers gevolgd.

Het is interessant dat de onmisbaarheid van de rol van de Commissie nog het best wordt geïllustreerd door het intergouvernementele Begrotingsverdrag. Tijdens het hele onderhandelingsproces leverde de Commissie de nodige expertise en creativiteit op wetgevingsgebied. En uiteindelijk was het zelfs in deze – intergouvernementele – context de Commissie die op de voorgrond trad wanneer een krachtige uitvoering moest worden gewaarborgd. Het feit dat de Commissie, om een resultaat te bereiken, niet altijd de eer alleen voor zichzelf opeist, mag niet worden gezien als een verzwakking van haar rol. In geen enkel ander EU-orgaan komen een breed overzicht – het besef van de uiteenlopende situaties in de lidstaten – én een diep inzicht – de deskundigheid van de Europese politiek – samen.

Maar om goed te begrijpen wat er tussen toen en nu is veranderd, moet ook naar de aandacht in de media worden gekeken. Deze is diepgaander, sneller en veel breder en kritischer geworden. Er wordt geen knieval meer gedaan voor leiders en topontmoetingen. Succes wordt afgemeten aan resultaten – en heel vaak aan onmiddellijke resultaten. Als die de ontleding door de media niet doorstaan, smelten ze weg, zoals tijdens de crisis een keer of twee pal voor het oog van het publiek is gebeurd. Dat verklaart tot op zekere hoogte ook waarom de respons op de crisis af en toe haperde.

Er wordt dan ook wel eens gezegd dat de Europese Unie nog steeds in de steigers staat. De EU lijkt permanent in aanbouw en in reparatie te zijn, maar vaak verbergen de steigers het mooie van de constructie die erachter zit.

Ik zou willen zeggen dat het Europese project door zijn aard altijd een “work in progress” zal blijven. Wie bezorgd is over een gebrek aan samenhang en symmetrie, kan maar beter wennen aan een architectuur die nieuwe vormen moet aannemen en nieuwe modellen moet ontwikkelen om nieuwe functies te vervullen. “L’esprit de système” werkt in de EU doorgaans niet echt goed.

We kunnen stellen dat het integratieproces zijn deugdelijkheid heeft bewezen en de stresstest van de crises heeft doorstaan. Er is altijd een resultaatsverplichting geweest, die ook daadwerkelijk resultaten heeft opgeleverd. We hebben een bestuursmodus ontwikkeld die een zodanige mate van rijpheid heeft bereikt dat we op basis van een brede consensus besluiten kunnen nemen. Wat steeds opnieuw zeer duidelijk blijkt, is dat leiderschap van wezenlijk belang is.

Want alleen leiderschap dat op het smeden van consensus is gericht, kan fragmentatie voorkomen.

Ik heb er daarom altijd voor gezorgd dat de Commissies waarvan ik voorzitter was, collectief de verantwoordelijkheid voor hun besluiten namen. De voorzitter van de Commissie garandeert die collegiale verantwoordelijkheid, die hokjesdenken en tunnelvisie voorkomt. We begonnen doorgaans met verschillende, oprecht gemeende visies en een echt debat. Maar uiteindelijk werden gedurende deze tien jaar vrijwel alle besluiten bij consensus genomen. Een politiek uitvoerend orgaan is geen parlement in het klein. De Commissie draagt als uitvoerende instantie de verantwoordelijkheid voor de initiatieven die zij collectief noodzakelijk acht. Dat is de reden waarom in de verdragen is vastgelegd dat de besluitvorming bij de Commissie collectief is en niet individueel. Een college met 28 leden kan heel goed functioneren. Bovenal is dat een kwestie van een gemeenschapscultuur en een efficiënt beheer van de instelling.

Aangezien het aantreden van de eerste Commissie onder mijn voorzitterschap in 2004 vrijwel samenviel met de grootste uitbreiding van de Europese Unie tot nu toe, was ik mij er terdege van bewust dat versnippering langs geografische, ideologische of andere lijnen moest worden vermeden. Het valt naar mijn mening niet te ontkennen dat de Commissie een politiek karakter heeft. Maar dat betekent niet dat zij partijdig mag zijn.

De Commissie heeft niet alleen politieke, maar ook bestuurlijke taken, en daarnaast wat ik “quasi-gerechtelijke” taken zou willen noemen. Bij de besluitvorming vereist dit grote wijsheid en evenwichtigheid, anders kan de geloofwaardigheid van de Commissie in haar verschillende rollen worden aangetast en kunnen haar onafhankelijkheid en professionalisme in het gedrag komen.

De Europese Unie is de laatste twintig jaar politiek en institutioneel volwassener geworden. Dit politieke raamwerk heeft ons door de crisis geloodst. Maar we moeten consolideren wat we nu hebben, willen we het behouden.

De discussie die we nu moeten voeren, gaat over de wijze waarop we het bereikte kunnen consolideren en verder ontwikkelen. Deze discussie is een noodzakelijke voorwaarde voor de doelen die we moeten bereiken: groei en werkgelegenheid, door onze interne markt en onze gemeenschappelijke munt, ons beleid inzake handel, energie en klimaat, infrastructuur, wetenschap en innovatie, industrie en de digitale economie verder vorm te geven; we moeten voor vrijheid en veiligheid zorgen door middel van ons gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid en ons gemeenschappelijk beleid inzake justitie en binnenlandse zaken; we moeten sociaal welzijn tot stand brengen door onze gezamenlijke inspanningen op het gebied van onderwijs, cultuur en jeugd en de aanpak van de gemeenschappelijke uitdagingen op het gebied van demografie en sociale zekerheid.

Geachte dames, geachte heren,

Het kader voor besluitvorming bestaat, maar we moeten toegeven dat de Europese politiek een aantal onvolkomenheden kent die het moeilijker maken dat kader te benutten.

Voor de Europese democratie is dat een reëel probleem.

De Europese politiek heeft te weinig draagvlak, en institutionele aanpassingen op zich kunnen dat niet verhelpen.

Zolang de democratische beslissers weigeren de verantwoordelijkheid, de verdediging en de steun van wat zij gezamenlijk hebben besloten, op zich te nemen, zal er een tekort aan Europese legitimiteit zijn.

Maar al te vaak worden politieke controverses gezien als tekortkomingen van het systeem. In plaats van het debat bij het onderwerp te houden – is er een betere oplossing voor, laten we zeggen, de gloeilamp of het blik olijfolie? – wordt een controversieel resultaat voorgesteld als het onvermijdelijke absurde gevolg van het gebrekkige systeem van “Brussel”. Ook al zou het debat op nationaal niveau hetzelfde of vrijwel hetzelfde resultaat opleveren. Het is niet het “Brussels centralisme” dat tot regelgeving op het gebied van gezondheid, productnormen, werknemersrechten, milieu of vervoersveiligheid leidt, maar het maatschappelijke debat en de wens van de burgers dat iets wordt gedaan aan wat hun zorgen baart. Doorgaans beginnen initiatieven voor regelgeving niet in Brussel. De kiem ligt in belangen van de samenleving, het bedrijfsleven of de werknemers, in publieke debatten en politieke processen. De gedachte dat er regels moesten komen voor gloeilampen en blikjes olijfolie kwam uit de lidstaten. Met de gloeilampen zijn we inderdaad aan de slag gegaan, omdat energie-efficiëntie belangrijk is. Maar het voorstel voor blikjes olijfolie hebben we afgeblazen, omdat daarvoor geen Europese regeling nodig is.

Er is ook een asymmetrie tussen de nationale politieke dialectiek en de Europese politieke dialectiek. Op nationaal niveau kennen we de tegenstelling tussen regering en oppositie, waarbij er voor elk onderwerp een partij tegen is en een partij voor. Daarvan is in Europa geen sprake, er is geen partij die voorstander is van alles wat Europa doet. Met name van de Commissie, die van de Verdragen de opdracht heeft gekregen het algemene Europese belang te behartigen, wordt altijd verwacht dat zij achter elk collectief tot stand gekomen besluit staat. De Commissie wordt daarbij echter al te vaak aan haar lot overgelaten door een systeem waarin alle andere betrokkenen zich een beetje als regeringspartij en een beetje als oppositiepartij kunnen gedragen.

Men kan kortom gewag maken van "cognitieve dissonantie" tussen de politieke processen op het nationale en op het Europese niveau. Dit werkt op zijn beurt bijna schizofreen politiek gedrag in de hand. Op Europees niveau kunnen nationale politici veel meer eisen dan thuis zonder daarbij de verantwoordelijkheid te hoeven nemen voor de vaststelling van het beleid dat uiteindelijk uit de bus komt, en de tenuitvoerlegging ervan. De verleidingen en kansen om verantwoordelijkheid te ontlopen, liggen overal op de loer. En ik kan u uit eigen ervaring zeggen dat het niet ongebruikelijk is dat dezelfde partij één ding zegt in de eigen hoofdstad en het volstrekte tegendeel – niet iets anders, maar het tegendeel – in het Europees Parlement te Straatsburg.

Bovendien worden de verschillende spelers – op nationaal en op Europees niveau – pas aan het einde van de rit, bij de nationale verkiezingen, afgerekend op hun prestatie. Er bestaat nog altijd geen echt Europawijd, van het nationale niveau losstaand mechanisme om hen volgens eigen criteria politiek de maat te nemen.

Op de keper beschouwd, bestaat het probleem hierin dat alle landen Europa als een uitvergroting van hun eigen aspiraties willen zien en maar al te snel klaarstaan om te roepen dat "Europa" een probleem heeft als de andere landen hun initiatieven niet steunen. Tal van lidstaten hopen of beweren dat Europa zich zal ontpoppen als een grotere versie van henzelf, terwijl inmiddels genoegzaam is gebleken dat Europa geen aanhangsel van Frankrijk of een Verenigd Koninkrijk in het groot is en dat ook nooit zal worden. De door velen gehuldigde visie van Europa als een uitvergroot Duitsland wordt trouwens niet door de meeste mensen in Duitsland gedeeld.

Volgens dezelfde logica hebben veel politici alleen lovende woorden over voor hun eigen microregelgeving terwijl zij hetzelfde bij anderen aan de kaak stellen als ongerechtvaardigde bemoeizucht. Niets heeft onze Unie meer schade toegebracht dan de neiging van mensen met onvoldoende overtuigingskracht om hun gebrek aan succes te wijten aan een falend Europa in plaats van aan hun eigen onvermogen om een meerderheid voor hun ideeën te winnen. Dit brengt ons naadloos bij het lastige dilemma in het debat over de toekomst: wie een nationaal besluit niet bevalt, stemt tegen de besluitnemer. Wie een Europees besluit niet bevalt, heeft de neiging zich tegen Europa zelf te keren.

De politieke kwestie is dan ook de eerste die moet worden aangepakt. Als mij wordt gevraagd wat nu eigenlijk het probleem is, dan zeg ik: "It's the politics, stupid!"

In de natiestaat staat de legitimiteit van het politieke bestel in beginsel niet ter discussie. Onenigheid over het beleid leidt in de regel niet tot betwisting van het politieke bestel. In de Europese Unie echter wordt de legitimiteit nog steeds afgemeten tegen concrete resultaten. Dit verklaart meteen waarom het gebrek aan steun voor nationale instellingen of politieke partijen door de bank genomen geen bedreiging vormt voor de nationale eenheid, maar het gebrek aan steun voor de instellingen van de Unie een bedreiging kan vormen voor de Europese integratie zelf. Elk politiek project heeft een minimaal draagvlak nodig, zij het expliciet of impliciet. Bovenop de algemeen verspreide twijfel of "Angst" die de gewone burger ten aanzien van de meeste instellingen en elites in het tijdperk van de mondialisering koestert, heeft de Europese Unie recentelijk met de volgende specifieke uitdaging te kampen: sommige politieke krachten die zich doorgaans in het centrum situeren, hebben naar aanleiding van de luider klinkende stem van het euroscepticisme en zelfs de eurofobie populistische argumenten overgenomen in plaats van deze te bestrijden. Van centrumlinks tot centrumrechts zouden politieke krachten en actoren mijns inziens hun comfortzone moeten verlaten. In plaats van het debat aan de extremen over te laten, moeten zij het initiatief weer naar zich toe trekken. Zij moeten een lans breken voor een positieve agenda voor Europa, zowel op nationaal als op Unieniveau.

Noch een wijziging van het verdrag, noch een aanpassing van de instellingen is zo belangrijk voor Europa als politieke wil. Ik word gesterkt in mijn overtuiging door het feit dat dit idee aan een opmars bezig is. Om het met Friedrich Hölderlin te zeggen: "Wo die Gefahr ist, wächst das Rettende auch." (Waar het gevaar is, daar groeit ook de redding).

Om de legitimiteit en de doeltreffendheid van Europa te versterken, moeten deze politieke handicaps dringend worden aangepakt.

Dit vergt leiderschap, actie en betrokkenheid bij en van het project van de Unie, dat als deel van het politieke en maatschappelijke weefsel van de lidstaten moet worden ervaren. We moeten goed begrijpen dat Europees beleid niet langer buitenlands beleid is. Europees beleid is in onze lidstaten binnenlands beleid.

Wij moeten een nieuwe relatie van samenwerking ontwikkelen, een "Kooperationsverhältnis" tussen de Unie, haar instellingen en haar lidstaten. Met een "samenwerkingsrelatie" bedoel ik dat de instellingen en de lidstaten verder moeten gaan dan de loyale samenwerking die al verankerd is in het verdragen, met name in artikel 4 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en zo moeten werken dat de op verschillende niveaus genomen besluiten optimaal compatibel zijn.

Te lang is men er – tenminste in de Brusselse microkosmos – vanuit gegaan dat de EU-instellingen altijd meer zouden proberen te doen dan zij strikt genomen op basis van de verdragen mochten, terwijl in de lidstaten werd verwacht dat zij op de rem zouden staan om ervoor te zorgen dat "Brussel" minder zou doen. Dit onvolwassen gedrag moet een halt worden toegeroepen.

Er is behoefte aan een volwassen omgang met duidelijke mandaten voor de verschillende actoren en niveaus van de Unie – van het lokale, over het regionale tot het nationale en het Europese niveau. Mandaten die in hun volle omvang en in hun beperkingen door iedereen worden gerespecteerd.

Om de overstap te maken van een competitieve naar een coöperatieve relatie tussen de instellingen van de Unie en tussen deze instellingen en de lidstaten, is het noodzakelijk de rol van de politieke partijen op Unieniveau te versterken, de politieke belangen te bundelen, politieke prioriteiten te structureren en te zorgen voor politieke consistentie over de hele linie.

Daarom kan de electorale dynamiek die op gang is gebracht toen de politieke partijen topkandidaten voor de functie van voorzitter van de Commissie naar voren schoven, een stap in de goede richting zijn.

De manier waarop dat thans gebeurt, mag dan haar beperkingen hebben, zij kan mijns inziens het Europese karakter van deze verkiezingen kracht bijzetten en de partijen die zo willen werken, helpen geleidelijk vorm te geven aan een Europese publieke ruimte. Het is vreemd – maar misschien ook niet – dat politieke krachten die zich altijd kritisch hebben uitgelaten over het gebrek aan democratische verantwoordingsplicht in Europa, nu hun pijlen richten op maatregelen die precies ontworpen zijn om die verantwoordingsplicht te versterken. Democratie op het nationale niveau is weliswaar onmisbaar voor de legitimiteit van de Europese Unie, maar het zou een vergissing zijn de vooruitgang van een specifiek Europese democratie te belemmeren. Dat dit systeem nog werk behoeft, lijdt geen twijfel, maar evenzeer staat buiten kijf dat het blokkeren ervan een achteruitgang zou betekenen.

Deze dynamiek moet na de verkiezingen worden opgevolgd door een akkoord, niet alleen over personen, maar over politieke prioriteiten. Niet alleen binnen elke instelling. Maar ook tussen de instellingen. Concreet houdt dit in dat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie een akkoord moeten bereiken over de prioriteiten voor een nieuwe zittingsperiode – over wat wel, maar óók over wat niet moet gebeuren. Dit kan eventueel worden gevolgd door een nieuw interinstitutioneel akkoord over betere regelgeving, met als doel bovenmatige regeldruk te voorkomen. Zo niet, komt er nooit een overtuigende en bindende overeenkomst over de onderwerpen waarin de Unie groot moet zijn, en de onderwerpen waarin de Unie klein moet blijven.

Geachte dames, geachte heren,

Op deze basis kan meer worden verwezenlijkt dan de onvermijdelijke, chirurgische aanpassingen aan het bestaande rechtsbestel van de Unie.

In de nabije toekomst voorzie ik geen Europees "Philadelphia-moment", geen volledig nieuwe grondwet. De Unie zal zich blijven ontwikkelen volgens de weg van "permanente hervorming" veeleer dan "permanente revolutie".

Om ervoor te zorgen dat deze permanente hervorming slaagt en dat elke stap spoort met de globale visie daarachter, moeten, naar mijn mening, bepaalde principes in acht worden genomen.

Ten eerste moeten verdere ontwikkelingen van de Unie gebaseerd zijn op de bestaande verdragen en de communautaire methode. Afstappen van dit kader zou leiden tot versnippering, overlapping van structuren en, uiteindelijk, gebrek aan coherentie en ondermaats presteren.

Ten tweede mogen aanvullingen pas worden vastgesteld nadat te complexe elementen en tegenstrijdigheden in en tussen de verdragen en andere instrumenten zijn opgeschoond. Cruciaal in dit verband is dat intergouvernementele instrumenten zoals het Europees stabiliteitsmechanisme en het begrotingsverdrag zo snel mogelijk in de verdragen worden geïntegreerd.

Ten derde mogen nieuwe intergouvernementele oplossingen slechts bij wijze van uitzondering en als overgangsmaatregel in overweging worden genomen, teneinde problemen in verband met de verantwoordingsplicht en de coherentie te voorkomen.

Ten vierde moet de Unie er zoveel mogelijk naar streven zich als geheel, dit wil zeggen met alle 28 lidstaten, verder te ontwikkelen. Waar verdergaande integratie in andere samenstellingen onmisbaar is, met name tussen de huidige en de toekomstige eurolanden, moeten alle lidstaten die willen deelnemen, de mogelijkheid daartoe krijgen. De methode bij uitstek voor nauwere integratie tussen een groep lidstaten is versterkte samenwerking als bepaald in de verdragen.

Ten vijfde moet elke verdere ontwikkeling van de Unie in duidelijke fases en volgens een helderde volgorde verlopen. Voor het zetten van volgende stappen moet gebruik worden gemaakt van alle mogelijkheden die de verdragen, in hun huidige vorm, bieden – dus zonder uitzonderingen waarvoor in deze verdragen geen grondslag aanwezig is. De mogelijkheid van een verdragsverandering mag pas in beeld komen wanneer de verdragen niet in secundaire wetgeving voorzien.

Ten zesde mag het tempo van dit ontwikkelingsproces niet worden opgelegd door degene die het langst op de rem staat. Europa moet haar snelheid niet laten bepalen door de traagste lidstaten.

En ten zevende moeten noodzakelijk geachte wijzigingen van het verdrag uitvoerig worden beargumenteerd en besproken, ook op het openbare forum, vooraleer ze ter onderhandeling en uiteindelijk ter ratificatie worden voorgelegd.

In deze fase wacht momenteel trouwens een bijzonder probleem op een oplossing, namelijk de relatie tussen de eenheidsmunt, de eurozone en de EU in haar geheel. Naar mijn mening is de verdragslogica ook hier een nuttige raadgever.

Volgens de verdragen is de eenheidsmunt bedoeld voor alle lidstaten, behalve voor die met een permanente opt-out. Er is de facto maar één lidstaat, het Verenigd Koninkrijk, die een dergelijke opt-out heeft.

Zelfs de status van Denemarken laat zich beter omschrijven als een "mogelijke opt-in" dan als een permanente opt-out. Alle andere lidstaten hebben zich ertoe verbonden de euro aan te nemen. Dat zal tijd vergen, en zeker een nog grondiger voorbereiding dan vroeger.

Maar het zou verkeerd zijn om van een convergentielogica een structuur voor divergentie te maken. Temeer daar we bij het formuleren van een antwoord op de crisis hebben ondervonden dat de breuklijnen in deze discussies niet tussen de huidige en de toekomstige leden van de eurozone lopen. Van het Euro Plus-pact tot het begrotingspact, van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme tot het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme: telkens wanneer de 17 of 18 met een ambitieuzer project kwamen, hebben nagenoeg alle andere lidstaten zich daarbij aangesloten en meegedaan. De middelpuntzoekende krachten zijn sterker gebleken dan de middelpuntvliedende.

De droom die sommigen koesteren van een wederoprichting van de Unie door een beperktere, kleinere eurozone dan de EU met haar 28 lidstaten is geen antwoord op de tekortkomingen van het systeem of een gebrek aan potentieel bij de 28. Het is een uiting van nostalgie naar een gezapiger ordening, naar een terugkeer van het – ten onrechte zo aangevoelde – comfort van de tijden van intiemere integratie waarin alles kleinschaliger, minder moeilijk en zogenaamd samenhangender was. Maar de tijd staat voor niemand stil en de geschiedenis gaat voort. Om het even welk Kerneuropa uitspelen tegen om het even welke periferie maakt beide zwakker.

Misschien is nu het geschikte moment om iets te zeggen over de relatie tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk. Ik ben er vast van overtuigd dat de Europese Unie sterker is met het VK als lidstaat en dat het VK sterker is als lidstaat van de Europese Unie dan op zichzelf. Maar ik erken dat het VK om historische, geopolitieke en economische redenen als een geval apart zou kunnen worden beschouwd. Precies daarom zou het een vergissing zijn om elke uitzondering voor het VK tot regel voor de rest te verheffen. We kunnen en moeten manieren vinden om tegemoet te komen aan de specificiteit van het VK, voor zover dat de algehele samenhang van de Unie niet bedreigt.

Maar we mogen deze specifieke situatie – ook al geldt ze in sommige gevallen bij momenten voor verscheidene regeringen – niet verwarren met een algemene gesteldheid van de Unie.

Dames en heren,

In het licht van deze uitgangspunten komen enkele beleidsterreinen naar voren waar in het bijzonder debat, maatregelen en besluitvorming geboden zijn met het oog op concrete institutionele verbeteringen in de komende jaren: (1) de verdieping van de Economische en Monetaire Unie overeenkomstig de blauwdruk van de Commissie; (2) doeltreffender externe vertegenwoordiging van de Unie; (3) versterking van de waarden en het burgerschap van de Unie; (4) een betere regeling van de werkverdeling; en (5) de noodzaak om onze politieke unie te vervolmaken.

De Blauwdruk voor een hechte Economische en Monetaire Unie van de Commissie blijft de leidraad voor de verdieping van de Economische en Monetaire Unie. Hij combineert een voldoende hoog ambitieniveau met een passende fasering. Eerst moet de hervormde economische governance onverkort ten uitvoer worden gelegd. Zodra dat is verwezenlijkt, moet de aandacht gaan naar de graduele ontwikkeling van begrotingscapaciteit op het niveau van de eurozone, aangevuld met extra coördinatie van het belastingbeleid en de arbeidsmarkten. Een dergelijke ontwikkeling, waarvoor uiteindelijk verdragswijzigingen vereist zijn, dient van de nodige democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht vergezeld te gaan. Meer "begrotingsfederalisme" binnen de eurozone mag niet enkel een zaak van de huidige lidstaten van de eurozone zijn. Het moet openstaan voor alle toekomstige en potentiële lidstaten en mag niet botsen met de integriteit van de eengemaakte markt en met het beleid dat door de Unie als geheel wordt gevoerd.

Doeltreffender externe vertegenwoordiging vereist een coöperatieve werkverdeling tussen de ambtsdragers van de Unie en de lidstaten. Het huidige trackrecord van samenwerking tussen de voorzitters van de Europese Raad en de Commissie kan in dit verband tot voorbeeld dienen. Zowel de Commissie als de Raad moet voldoende politieke adjuncten afvaardigen aan de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Commissie. De door het Verdrag van Lissabon geboden mogelijkheid van gezamenlijke externe vertegenwoordiging moet ten volle worden benut. De combinatie van buitenlands beleid met de externe aspecten van het interne beleid geeft de Unie invloed op het wereldtoneel. Ze maakt een efficiëntere lastenverdeling tussen de Unie en haar lidstaten mogelijk. Het is cruciaal dat de eerste stappen in de richting van een meer geïntegreerd veiligheids- en defensiebeleid een vervolg krijgen. Komen tot een meer coherente externe vertegenwoordiging van de eurozone in internationale financiële instellingen is eveneens een essentieel onderdeel van deze inspanning.

Om de waarden en het burgerschap van de Unie te versterken, moeten de regels van de rechtsstaat en de rechten, waarborgen en vrijheden van de Unie onverkort worden geëerbiedigd en in praktijk worden gebracht. Instrumenten zoals de grondrechtentoets bij de effectbeoordeling van wetgevingsvoorstellen en het kader van de Commissie voor de bescherming van de rechtsstaat moeten worden geconsolideerd. De strijd tegen het misbruik van rechten van de Unie, met name het recht van vrij verkeer, kan en moet worden gevoerd door middel van afgeleid recht, niet door het grondbeginsel in twijfel te trekken.

Wat de regels voor de taakverdeling betreft, moet worden uitgegaan van het inzicht dat de lidstaten van de Unie niet minder gereglementeerd zijn dan de Unie zelf. Er zijn zonder twijfel gevallen van institutionele overijverigheid, ook aan de kant van de Commissie, maar men mag niet uit het oog verliezen dat de meeste regelgeving van de Unie tot stand komt uit de noodzaak om de omvangrijke regelgeving van 28 lidstaten met elkaar verenigbaar te maken. De vraag hoe grote zaken met grote middelen en kleine kwesties kleinschalig aan te pakken, draait daarom niet om negatieve of positieve lijstjes van werkterreinen, maar heeft eerder te maken met hoe intens en indringend bepaalde initiatieven zijn. Deze kwestie kan het best worden aangepakt met een nieuw interinstitutioneel akkoord over "Beter wetgeven" dat de reeds door de Commissie genomen maatregelen met betrekking tot de gezondheidstest van de regelgeving, effectbeoordelingen en ontbureaucratisering verruimt tot het hele wetgevingsproces. Uiteindelijk gaat het om een regelmatige toetsing van de politieke consensus over politieke prioriteiten. De invoering van "vervalclausules" of van een principe van discontinuïteit op wetgevingsgebied bij de wisseling van een Europees Parlement zou daartoe kunnen bijdragen.

Voor de vereiste vervolmaking van onze politieke unie en verhoging van de democratische legitimiteit die het fundament moet vormen van wat ik Europa 3.0 noem, moet worden uitgaan van de communautaire methode, het stelsel van checks-and-balances en gelijkwaardigheid tussen de instellingen en de lidstaten dat het beste vertrekpunt voor verdere supranationale democratie vormt. Een dergelijke supranationale democratie moet niet worden opgevat als een meerlagige combinatie van veto's, maar als een systeem van verantwoordingsplicht op het niveau waar de besluiten door de uitvoerende macht worden genomen. Voor zover beleidsbeslissingen worden genomen door Europese bewindslieden, met name de leden van de Commissie, moeten de democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht worden gewaarborgd door de Europese wetgevende macht, d.w.z. het Europees Parlement en – in zijn wetgevende functies – de Raad. Omgekeerd is het aan de nationale parlementen om de legitimiteit en verantwoordingsplicht van besluiten op het niveau van de lidstaten, met inbegrip van het optreden van de lidstaten in de Raad, te waarborgen. De betrekkingen tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement moeten ook een geprivilegieerd deel uitmaken van de "Kooperationsverhältnis" die ik bepleit.

Volgens deze logica moet de toekomstige ontwikkeling gaan in de richting van een hervormde Commissie die de uitvoerende macht van de Unie vertegenwoordigt en ook haar thesauriefunctie voor de Unie vervult. Zij zou verantwoording verschuldigd zijn aan een wetgevend lichaam met twee kamers, namelijk de Raad en het Parlement. Om het juiste evenwicht tussen de politieke benoeming en de onafhankelijke werking van de Commissie te waarborgen, moet de huidige procedure met negatieve moties van wantrouwen worden vervangen door een mechanisme waarbij een motie van wantrouwen constructief is en de Commissie dus enkel valt als een absolute meerderheid van het Europees Parlement zich achter een andere voorzitter voor de Europese Commissie schaart.

En tot slot, om ervoor te zorgen dat de verschillende uitvoerende functies op het niveau van de Unie volledig coherent en efficiënt zijn en de democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht ervan te waarborgen, kunnen verdere innovaties worden overwogen. Op middellange termijn zou de post van vicevoorzitter van de Commissie bevoegd voor economische en monetaire aangelegenheden en de euro kunnen worden samengevoegd met die van voorzitter van de Eurogroep. Een radicalere innovatie, zoals het samenvoegen van het ambt van voorzitter van de Europese Commissie met dat van voorzitter van de Europese Raad, zou zonder twijfel iets voor de langere termijn zijn.

Maar in het licht van de vermoedelijke verdere ontwikkeling van de Europese integratie, met name in de eurozone, is deze samenvoeging zinvol omdat ze zowel intern als extern de coherentie en de zichtbaarheid van het politieke stelsel van de Europese Unie zal vergroten. Er zijn ook enkele overgangsfasen en voorlopige oplossingen mogelijk. Het is echter belangrijk op te merken dat deze institutionele ontwikkelingen enkel kans van slagen hebben als eerst de nodige vooruitgang op politiek vlak en bij de convergentie van het beleid wordt geboekt.

Nogmaals: It's the politics, stupid!

Het is de politiek die al dan niet het pad zal effenen voor institutionele hervormingen en niet omgekeerd.

Dames en heren, ik rond af.

Europese integratie zal altijd stapsgewijs verlopen. Dat wisten we van in het begin: "L’Europe ne se fera pas d’un coup, ni dans une construction d’ensemble", zegt de Schumanverklaring.

Een dergelijke pragmatische aanpak is nooit in tegenspraak geweest met het nastreven van een visie. Onze ambitie, onze droom – wat de Duitse filosoof Sloterdijk "een lucide droom" heeft genoemd.

De Europese integratie blijft het meest visionaire project in de recente geschiedenis. De energie en aantrekkingskracht die ervan uitgaan, zijn indrukwekkend. Het aanpassingsvermogen ervan is zonder weerga. Maar enkel als bepaalde voorwaarden zijn vervuld: als het leiderschap ondubbelzinnig is, als de samenwerking wordt verdiept en de Europese politiek slagvaardig optreedt.

Dat is de inzet van de komende Europese verkiezingen. Zij vormen het beste moment om te verdedigen wat bereikt is en een consensus te vormen over wat gedaan moet worden, om het op te nemen voor Europa zoals het echt is en een visie uit te dragen over wat Europa zou kunnen zijn.

Deze verkiezingen zijn van groot belang!

In mijn tien jaar aan het roer van de Europese Commissie heb ik getracht voort te bouwen aan een pragmatische, samenhangende en weerbare Europese Unie. Het oorspronkelijke ambitieniveau van de reactie van de Europese Unie is misschien niet altijd overeind gebleven, maar ik geloof dat de Commissie een essentiële rol heeft gespeeld en dat zal blijven doen.

Ik heb mij ingezet om de eenheid en openheid van Europa te bewaren en Europa sterker te maken. Sterker, want de internationale concurrentiekracht van de economieën van de lidstaten groeit. En op Europees niveau zijn onze economische en financiële governance spectaculair versterkt.

Er is veel om op voort te bouwen. Een uniek project. Een noodzakelijk project. Een project om trots op te zijn.

Ik heb het voorrecht gehad om te kunnen bijdragen aan het verweer tegen een aantal van de meest bedreigende gebeurtenissen in de geschiedenis van de Europese Unie en de eer om de basis te leggen voor hervormingen op grond van de lessen die daaruit zijn getrokken. De ware beloning wacht echter niet wie de nodige inspanningen is begonnen, maar al degenen die ze zullen voltooien.

Laten we nu dus voortwerken.

Laten we ons wijden aan "la réforme de tous les jours".

Laten we het werk voortzetten met wat een van mijn voorgangers, François-Xavier Ortoli, "le courage de chaque jour" noemde.

En voor wie zoals ik – en naar ik hoop, zoals u – deze passie, deze liefde voor Europa deelt, laten we dat doen om voor iedereen in Europa een fatsoenlijke samenleving te bouwen. Want uiteindelijk gaat het niet om concepten, om cijfers, om economie – het gaat om waarden. En ik geloof dat Europa precies staat voor de waarden van vrede, vrijheid en solidariteit.

Ik dank u voor uw aandacht.

1 :

“Wij bevinden ons in Europa en in Europa ligt ons aller redding of ons aller ondergang.”

2 :

Mededeling van de Commissie “Actie voor stabiliteit, groei en werkgelegenheid” van 30 mei 2012.


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website