Navigation path

Left navigation

Additional tools

Europese Commissie

Viviane Reding

Vicevoorzitter van de Europese Commissie,
EU-commissaris voor Justitie, grondrechten en burgerschap

Waarom wij juist nu de Verenigde Staten van Europa nodig hebben

Centrum für Europarecht aan de Universiteit van Passau / Passau

8 november 2012

"Als wij ernst willen maken met een solide begrotingsbeleid op de lange termijn, hebben wij een Europese minister van Financiën nodig die verantwoording verschuldigd is aan het Europees Parlement en die over duidelijke handhavingsrechten ten opzichte van de lidstaten beschikt. De willekeur van de ratingbureaus vormt hiervoor absoluut geen alternatief!"

"In Maastricht wilde men ons doen geloven dat wij een monetaire unie en een nieuwe wereldvaluta konden creëren die nooit meer zouden verdwijnen, zonder dat daarvoor ook de Verenigde Staten van Europa nodig was. Dat was een vergissing, en die vergissing van Maastricht moet nu worden rechtgezet als wij ook in de toekomst in een stabiel en economisch welvarend Europa willen leven."

"Volgens mij is het grootste gevaar vandaag de dag dat zowel het ESM als het begrotingspact geïmproviseerde constructies zijn die buiten het bestek van de Europese verdragen vallen. Vanwege de crisis was er uiteraard geen andere optie; er moest snel ingegrepen worden. Vanuit democratisch-parlementair perspectief kan en mag dit echter geen permanente oplossing zijn."

"Voor dergelijke besluiten op Europees niveau moet de democratische controle ook op Europees niveau, op ooghoogte, plaatsvinden. Daarom pleit ik ervoor om zowel het begrotingspact als het ESM op de middellange termijn in de Europese verdragen op te nemen zodat zij ook aan de controle van het Europees Parlement onderworpen zijn."

"Ik zou het wenselijk vinden dat in de toekomst de regel wordt gehanteerd dat commissarissen voor hun benoeming eerst in het Europees Parlement gekozen moeten zijn. Dat zou de democratische legitimiteit van de Europese Regering nog meer vergroten."

"Na ampele overwegingen acht ik de benaming Verenigde Staten van Europa het meest geschikt, niet alleen om een brede acceptatie te bewerkstelligen, maar om ook het gewenste eindresultaat voor de Europese Unie treffend te omschrijven."

"Het klopt dat wij in Europa net als in de VS ook een tweekamerstelsel nodig hebben. Wellicht dat wij ooit ook zelfs een rechtstreeks gekozen voorzitter van de Europese Commissie nodig hebben."

"Ik ben inderdaad van mening dat de Verenigde Staten van Europa het meest geschikte concept is om de huidige crisis en met name de tekortkomingen van het Verdrag van Maastricht op te lossen. Per slot van rekening kan ik als Europese christendemocrate toch niet accepteren dat mijn toekomstvisie door Britse eurosceptici wordt bepaald."

Geachte mijnheer de voorzitter,
Beste studenten van de Universiteit van Passau,
Geachte afgevaardigde, beste Manfred,
Geachte dames en heren professoren,
Geachte dames en heren,

Het doet mij bijzonder veel genoegen dat ik hier vandaag bij u aan de Universiteit van Passau dit betoog mag houden. Ik ben voor het eerst in Passau en ik moet zeggen dat ik onder de indruk ben: een moderne universiteit, meteen aan de oever van de Inn, met direct zicht op Oostenrijk, talrijke Biergärten in de nabijheid, en dat ook nog eens allemaal vlakbij de Tsjechische Republiek – ik zou zo weer studente willen zijn!

Ik begrijp nu ook helemaal waarom er zo veel afgestudeerden van de Universiteit van Passau gekozen hebben om als jurist of econoom met veel ambitie en elan in Brussel te werken aan de verdere opbouw van Europa. Hier op het drielandenpunt in Passau heb je immers bijna geen andere keus dan Europeaan te worden! Als Luxemburgse kan ik mij dat heel goed voorstellen. In mijn land zijn grenzen een alledaags gegeven en voor de Luxemburgers is Europa dus vrijwel elke dag voelbaar. Het is geen toeval dat het Akkoord van Schengen over het vrije verkeer van personen in Europa in 1985 bij ons in Luxemburg is ondertekend op een schip op de Moezel, direct aan de Luxemburgs-Frans-Duitse grens. Daarom voelt het voor mij hier in de mooie drierivierenstad Passau ook een beetje zoals thuis.

Dat ik vandaag hier in Passau ben, heb ik allereerst te danken aan de uitnodiging van de EU-afgevaardigde Manfred Weber, met wie ik in Brussel en in Straatsburg nauw samenwerk met betrekking tot kwesties die verband houden met het Europese justitieel en binnenlands beleid. Wij hebben de afgelopen maanden allebei hard gewerkt om de vrijheid van reizen in heel Europa zoals die in het Akkoord van Schengen is vastgelegd, nog steviger te verankeren. Voor 48% van de Europeanen is het recht op vrij verkeer en op een vrije keuze van hun woonplaats in de EU het belangrijkste burgerrecht. Wij mogen dan ook niet toestaan dat in crisistijden uit populistische overwegingen getracht wordt om binnen Europa de slagbomen weer te sluiten!

Mijn dank gaat ook uit naar het CEP, het Centrum für Europarecht van de Universiteit van Passau, dat een van de organisatoren is van het forum van vandaag. Aangezien ik als EU-commissaris voor justitie ook verantwoordelijk ben voor het burgerschap van de Unie, vind ik het een bijzonder goede zaak dat het CEP al meer dan tien jaar als een soort "centrum voor de burgers van de Unie" fungeert. Dat Centrum is hier in de regio regelmatig het aanspreekpunt voor burgers die op grensoverschrijdend gebied met praktische problemen worden geconfronteerd. Kan een tandarts uit Passau aan de Oostenrijkse kant van de Inn een praktijk openen? Kan een Hongaarse werkneemster die in Niederbayern woont, aanspraak maken op een Duitse WW-uitkering? Mag een Duitse student van de Universiteit van Passau die aan de Oostenrijkse kant van de Inn woont, daar aan de Europese verkiezingen deelnemen? Met al deze vragen kunnen burgers bij het CEP voor een eerste gratis juridisch advies terecht. Dat is een zeer concrete bijdrage aan Europa en ook aan de goede reputatie van de universiteit van Passau – met name wanneer de ervaringen van deze op de burgers gerichte activiteiten in het onderwijs en onderzoek worden geïntegreerd, zoals dat hier aan de universiteit van Passau op voorbeeldige wijze gebeurt.

Geachte dames en heren,

Het onderwerp van mijn lezing vandaag is de Verenigde Staten van Europa. De Verenigde Staten van Europa – dat is een sterke, ambitieuze en ongetwijfeld ook controversiële visie op de toekomst van ons continent. Ik ben ervan overtuigd dat wij straks nog intensief over mijn stelling zullen discussiëren: als oplossing voor de financiële en schuldencrisis moeten wij de stap op weg naar de Verenigde Staten van Europa zetten. Ik zie uit naar dat debat. In deze tijden van crisis vind ik het belangrijker dan ooit dat wij open en eerlijk van gedachten wisselen over de alternatieven die Europa op dit moment heeft. Er zijn immers altijd alternatieven en het is de verantwoordelijkheid van democratisch gekozen politici om die alternatieven ondubbelzinnig te benoemen en toe te lichten. Zodat de burgers een duidelijke keuze kunnen maken. Bij verkiezingen voor de Bondsdag. Bij deelstaatverkiezingen. En bij de Europese verkiezingen in 2014.

Ik wil hierna allereerst graag toelichten waar het concept van de Verenigde Staten van Europa vandaan komt en wat het betekent. Daarna zal ik uiteenzetten waarom politici dit concept de afgelopen twintig jaar bijna net zo heftig hebben geprobeerd te mijden als de spreekwoordelijke pest. Tot slot wil ik graag toelichten wat de reden is dat de Verenigde Staten van Europa tegenwoordig plotseling weer op de politieke agenda staan.

Maar allereerst deze vraag: Waar komt dat idee van de Verenigde Staten van Europa eigenlijk vandaan en wat is de betekenis ervan?

Er zijn talloze beroemde personen die in de loop van de geschiedenis over de Verenigde Staten van Europa gesproken of hiervan gedroomd hebben, van George Washington en Napoleon Bonaparte tot aan Giuseppe Mazzini en Richard Coudenhove-Kalergi. De duidelijkste en meest concrete visie is echter zonder twijfel afkomstig van de Franse schrijver Victor Hugo.

Zijn visie is alleen te begrijpen tegen de achtergrond van de onlusten die zich in de 19e eeuw in Europa voordeden en die Victor Hugo aan den lijve heeft ervaren: een aantal oorlogen tussen Frankrijk en Duitsland, de gedwongen ballingschap van Hugo naar de Britse Kanaaleilanden vanwege zijn verzet tegen Napoleon III, de traumatische annexatie van Elzas-Lotharingen door Duitsland na de oorlog van 1870-1871 en tot slot de bijdrage van Hugo aan de moeizame pogingen om de jonge derde Franse Republiek tot stand te brengen. Het is begrijpelijk dat Victor Hugo in deze tijd smachtte naar vrede en democratie op het Europese continent. In het kader van het vredescongres in Parijs halverwege de 19e eeuw formuleerde hij zijn visie op de Verenigde Staten van Europa als volgt:

"Er komt een dag waarop de wapens uit jullie handen zullen vallen! Er komt een dag waarop een oorlog tussen Parijs en Londen, tussen Petersburg en Berlijn, tussen Wenen en Turijn net zo absurd zal lijken als een oorlog tussen Rouen en Amiens, tussen Boston en Philadelphia. Er komt een dag waarop jullie, Frankrijk, Rusland, Italië, Engeland, Duitsland, alle naties op dit continent, je in een nauw verweven hogere gemeenschap zullen verenigen en de grote Europese broederschap zullen stichten zonder dat dit ten koste gaat van de bijzondere verworvenheden van jullie roemrijke individualiteit ...

Er komt een dag waarop er geen andere slagvelden meer zullen zijn dan de markten die zich voor de handel openstellen en de geest die zich voor de ideeën openstelt. Er komt een dag waarop kogels en bommen door stembriefjes vervangen worden, door het algemene kiesrecht van de volkeren, door de besluiten van één grote soevereine senaat die hetzelfde voor Europa zal betekenen als het Parlement in Engeland en de Nationale Vergadering in Frankrijk. Er komt een dag waarop de kanonnen in musea tentoongesteld zullen worden en men zich verbaasd zal afvragen wat dat dan wel voor dingen kunnen zijn. Er komt een dag waarop twee grootmachten, de Verenigde Staten van Amerika en de Verenigde Staten van Europa, de een tegenover de ander, elkaar over de zee de hand zullen reiken en hun producten, hun handel, hun industrie, hun kunst en hun ideeën uit zullen wisselen. […] En die dag zal geen 400 jaar op zich laten wachten want wij leven in een tijd van snelle veranderingen."

Het moge duidelijk zijn dat het beeld dat Hugo van de Verenigde Staten van Europa had, primair een vredesvisie was. Tegelijkertijd was het echter ook een democratische visie gezien zijn vroege besef van een algemeen kiesrecht en één groot Parlement voor Europa. Tot slot verwees Hugo heel duidelijk naar een centraal streven dat diep in de Europese geschiedenis is geworteld, dat op de dag van vandaag elk debat over een sterkere Europese integratie tekent en dat voor mij persoonlijk van bijzonder groot belang is: de Europese naties dienen zich in een hogere gemeenschap, een grotere broederschap te verenigen zonder dat dit ten koste gaat van de bijzondere verworvenheden van jullie roemrijke individualiteit. "In verscheidenheid verenigd" – het Europese motto, in 2003 expliciet in het grondwettelijk verdrag verankerd, is dus al bij Victor Hugo terug te vinden.

Dat Hugo voor Europa de voorkeur gaf aan een constitutionele structuur, net zoals die toentertijd al aan de andere kant van de Atlantische Oceaan bestond, is maar al te goed te begrijpen. In het midden van de 19e eeuw was de Verenigde Staten van Amerika (naast Zwitserland) namelijk het enige land ter wereld waarin een in eerste instantie confederaal en later federaal verbond werd gevormd uit oorspronkelijk soevereine en absoluut zeer verschillende afzonderlijke staten die zich uitstrekten van Maine tot Louisiana. Bovendien waren de Verenigde Staten en Zwitserland wereldwijd de enige stabiele democratieën. Vanuit het perspectief van de democratische pacifist Hugo waren de Verenigde Staten van Amerika bij uitstek geschikt om als model te dienen voor zijn utopisch beeld van een toekomstig verenigd Europa.

Deze oorspronkelijk pacifistisch-democratische motivatie van Hugo verklaart waarom zijn idee over de Verenigde Staten van Europa zo'n breed politiek draagvlak kreeg na de verschrikkelijke ervaringen van Europa in de Eerste Wereldoorlog en, in nog sterkere mate, na de Europese catastrofe van de tweede wereldoorlog.

Is het zo verbazingwekkend dat de Italiaanse verzetsstrijder Altierio Spinelli – later een van de oprichters van de Europese Gemeenschappen – al in 1942 in zijn manifest van Ventotene tegen de achtergrond van de oorlog en het totalitarisme zijn visie uiteenzette van democratische Verenigde Staten van Europa, een verbond dat zelfs – en dat is toch opvallend in 1942! – een democratisch, gedenazificeerd Duitsland zou moeten omvatten? Is het zo verbazingwekkend dat de Duitse christendemocraat Konrad Adenauer na de oorlog, de nazidictatuur en de Gestapo-gevangenis openlijk voor zijn streven uitkwam om de jonge Bondsrepubliek Duitsland lid te maken van de Verenigde Staten van Europa die hij in zijn memoires "als beste en meest bestendige waarborg voor de westelijke buren van Duitsland bestempelde"? Of dat de Luxemburger Joseph Bech, van 1940 tot 1945 minister van Buitenlandse Zaken in de regering in ballingschap van het destijds door de Duitsers bezette Groothertogdom, zijn Europa-idee rechtstreeks ontleende aan de visie van de Verenigde Staten van Europa, zoals hij dat in zijn toespraak naar aanleiding van de Karel de Grote-prijs in 1960 ook benadrukte?

Bijzonder opvallend was echter de beroemde Zürichse toespraak van de Britse premier Winston Churchill. In 1946 sprak Churchill zich aan de Universiteit van Zürich onverbloemd uit over de toenmalige situatie in Europa: een continent dat na weer een afschuwelijke broederstrijd in puin lag en nu nog maar één mogelijkheid had om zijn burgers weer vrede, veiligheid, vrijheid en welvaart te geven: "We must build a kind of United States of Europe", zo appelleerde Churchill aan de Europese regeringen. Het fundament van deze Verenigde Staten van Europa zou volgens Churchill gevormd moeten worden door het beginsel dat kleine landen net zo belangrijk zijn als grote landen – en op dat punt kan ik mij als Luxemburgse bij wijze van uitzondering nu eens volledig bij een Britse Europa-visie aansluiten. Als eerste noodzakelijke stap voor een verzoening van de Europese familie voorzag Churchill toentertijd al terecht dat Frankrijk en Duitsland een partnerschap zouden moeten aangaan. Groot-Brittannië zou zelf overigens geen deel van de Verenigde Staten van Europa uit gaan maken. Per slot van rekening had Groot-Brittannië toen nog zijn eigen, wereldomvattende Commonwealth. "Let Europe arise!", dat was de vlammende oproep waarmee Churchill zijn Zürichse toespraak afsloot.

Nu zal er wellicht gezegd worden: allemaal mooi en aardig, maar dat was de generatie meteen na de oorlog. Maar kwam die generatie niet al snel tot het inzicht dat het met die Verenigde Staten van Europa niets zou worden? Drong dat inzicht ook niet op zijn laatst op 30 augustus 1954 tot de enthousiaste Europese federalisten door? Zoals bekend verwierp de Franse Nationale Vergadering op die datum het Verdrag tot oprichting van een Europese defensiegemeenschap. Dat betekende dat ook het parallel hieraan overeengekomen Verdrag over de oprichting van de Europese politieke gemeenschap – een zeer lezenswaardig eerste constitutioneel document voor een politiek verenigd Europa – niet meer geratificeerd kon worden. Dit moest, zou men zo kunnen denken, toch wel het definitieve moment voor de naoorlogse generatie politici zijn om de vermetele dromen over de Verenigde Staten van Europa te begraven?

Dat bleek echter niet het geval. Slechts een paar jaar later, in 1957, werd alweer een nieuwe poging ondernomen. Met de Verdragen van Rome werden de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie opgericht. Het leek toen inderdaad slechts om een puur economische en technische samenwerking te gaan op basis van een "Zweckverband funktionaler Integration", zoals de Duitse jurist Hans Peter Ipsen het ooit aanduidde. De samenwerking met betrekking tot de meer politieke kwesties werd namelijk na de slechte ervaringen in 1954 bewust buiten beschouwing gelaten. Het was echter het doelbewuste streven van de landen die de EEG hadden opgericht om via een economische samensmelting tot een gemeenschappelijke markt stapsgewijs een zodanig sterke feitelijke band te scheppen dat de vooralsnog beperkte integratie onvermijdelijk in een bredere politieke integratie zou uitmonden. Een dergelijke "spill over" zou vervolgens, zo dachten de grondleggers van de Verdragen van Rome althans, direct tot een federale regeringsvorm en dus tot de Verenigde Staten van Europa moeten leiden.

Dit was bijvoorbeeld de opvatting van Walter Hallstein, de eerste voorzitter van de Commissie, zo blijkt uit zijn boek met de krachtige titel "Der unvollendete Bundesstaat", waarin hij zijn ideeën heeft beschreven over de situatie rondom de Europese Gemeenschappen. Dat was trouwens ook de opvatting van de beide grote Duitse volkspartijen. Het doel van de "Verenigde Staten van Europa" maakte tot 1992 expliciet deel uit van het partijprogramma van de CDU. De SPD had dat streven zelfs al in 1925 opgenomen in haar Programma van Heidelberg, dat tot 1959 van kracht is geweest.

Ook binnen de Europese partijencoalities was deze visie populair. Op 8 november 1988 verklaarde Jacques Santer, toentertijd de christendemocratische minister-president van Luxemburg en daarvoor partijvoorzitter van de Europese Volkspartij, bijvoorbeeld het volgende:

"Wij, de christendemocraten in de Europese Volkspartij, willen dat de Europese Gemeenschap uitgroeit tot de Verenigde Staten van Europa."

De grootste voorvechter van deze visie, naast de Luxemburgse christendemocraten, was ongetwijfeld de Duitse bondskanselier Helmut Kohl. In zijn Kohl-biografie, die enkele weken geleden is verschenen, beschrijft Hans-Peter Schwarz op zeer plastische wijze hoe vastberaden Kohl in deze kwestie was. De onderhandelingen over het Verdrag van Maastricht stonden voor hem volledig in het teken van de Verenigde Staten van Europa. Terwijl de meeste politici hun aandacht uitsluitend richtten op de Intergouvernementele Conferentie over de Economische en Monetaire Unie en over het Statuut van de Europese Centrale Bank, drong Kohl voortdurend aan op ambitieuze stappen in het kader van de parallelle Intergouvernementele Conferentie over de politieke unie. Kohl vond beide Intergouvernementele Conferenties even belangrijk. Voor hem waren de economische en de politieke unie twee kanten van dezelfde medaille.

Kort na de ondertekening van het Verdrag van Maastricht verklaarde Kohl op 31 mei 1991 tegenover het landelijk bestuur van de CDU dat de "Verenigde Staten van Europa" een onomkeerbaar doel waren, ook al was op basis van dat nieuwe verdrag uiteindelijk slechts een monetaire unie tot stand gebracht, en geen politieke unie zoals Kohl had gehoopt. Op 3 april 1992 zei Kohl in een toespraak zelfs het volgende over het Verdrag van Maastricht (ik citeer):

"In Maastricht hebben wij de eerste steen voor de voltooiing van de Europese Unie gelegd. Met het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt een nieuwe, doorslaggevende fase in gang gezet voor de Europese eenwording, waardoor over een paar jaar de droom van de grondleggers van het moderne Europa na de oorlog werkelijkheid zal zijn geworden: de Verenigde Staten van Europa."

Duidelijker kan het niet gezegd worden: terwijl in Maastricht een grote stap werd gezet op weg naar een gemeenschappelijke Europese munteenheid, was de logische volgende stap nu niet ver weg meer: de politieke unie die tot de Verenigde Staten van Europa zou leiden.

Het liep echter heel anders. De droom van de Verenigde Staten van Europa werd kort daarna juist van de agenda geschrapt. Geconstateerd moet worden dat het concept sinds 1993 vrijwel niet meer is gebruikt. Zelfs niet door Helmut Kohl.

Maar waar kwam deze mentaliteitsverandering eigenlijk vandaan? De voornaamste reden was het bijzondere compromis dat de lidstaten in 1991 over de architectuur van de monetaire unie waren overeengekomen. Uiteindelijk spraken zij af om een monetaire unie zonder politieke eenwording te creëren. Dat zou gezien kunnen worden als een mislukking van een wensdroom, niet alleen van Helmut Kohl, maar ook van veel Europese politici, met name ook uit de Benelux, die zich sterk hadden gemaakt voor een parallelle politieke unie. In Maastricht kreeg een ander concept de overhand. Er werd wel een onafhankelijke Europese Centrale Bank opgericht, maar er kwam geen Europese economische regering. De machtige president van de ECB werd niet door één Europese minister van Financiën terzijde gestaan, maar door 17 nationale ministers van Financiën. Zo werd er weliswaar een gemeenschappelijke Europese munteenheid gecreëerd, maar ontbrak een noemenswaardige gemeenschappelijke begroting om economische beleidsdoelstellingen te kunnen verwezenlijken.

De asymmetrische architectuur van Maastricht was het resultaat van een historische confrontatie tussen twee politieke stromingen. Aan de ene kant was er het neoliberalisme, dat begin jaren negentig wereldwijd "en vogue" was en dat door veel Europese regeringsleiders en staatshoofden als leidraad werd gehanteerd. Vanuit het neoliberale gedachtegoed geredeneerd, was de asymmetrische constructie van Maastricht welhaast ideaal. Door deze constructie werd de invloed van de markten immers versterkt en die van de politiek juist verzwakt. Het was de bedoeling dat de gemeenschappelijke munteenheid uitsluitend door de in het Verdrag verankerde marktdiscipline gestabiliseerd zou worden. Een aansturing vanuit economische of financiële beleidsmotieven op Europees niveau zou uit neoliberaal perspectief alleen maar tot schadelijke marktverstoringen leiden. Dat de lidstaten onverminderd hun eigen onafhankelijke en uiteenlopende beleid op economisch, begrotings-, fiscaal en sociaal gebied zouden blijven voeren, was in de neoliberale interpretatie geen zwaktebod, maar juist een van de verworvenheden van Maastricht. Want hierdoor moesten op de genoemde beleidsterreinen alle politieke besluiten door de lidstaten op basis van "een concurrentie tussen de stelsels" worden genomen.

De toentertijd overheersende neoliberale denkwijze botste in Maastricht met de ideeën van degenen die in beginsel sceptisch stonden tegenover een overdracht van bevoegdheden aan de monetaire unie. Daarnaast wilde deze sceptische stroming zo veel mogelijk vasthouden aan de nationale soevereiniteit. Zo eiste de Britse onderhandelingsdelegatie in Maastricht dat het woord "federaal" uit het ontwerp van de verdragstekst over de politieke unie geschrapt zou worden. Voor de voorstanders van de Verenigde Staten van Europa was dat een zware nederlaag.

De historische botsing tussen het neoliberalisme en de nationale soevereiniteitsstroming was er ook de oorzaak van dat er in Maastricht in plaats van de Verenigde Staten van Europa slechts een onvoltooide Unie tot stand werd gebracht. In Duitsland werd de sluitsteen voor deze ontwikkeling in 1993 door het Bundesverfassungsgericht gelegd. In zijn Maastricht-arrest liet dat gerechtshof er geen enkele twijfel over bestaan dat de lidstaten, ook op grond van het Verdrag van Maastricht, de "meesters van de verdragen" blijven en dat Duitsland indien nodig zelfs uit de monetaire unie zou kunnen stappen. Dit oordeel was zowel voor het neoliberale als het soevereiniteitskamp een overwinning. "Afscheid van de superstaat. De Verenigde Staten van Europa komen er niet", zo vatte de liberaalconservatieve Duitse filosoof Hermann Lübbe in 1994 zijn conclusies over het Verdrag van Maastricht samen in een polemisch geschrift.

Helmut Kohl zal met grote droefenis van deze ontwikkelingen kennis hebben genomen. Zijn biograaf Hans-Peter Schwarz meldt dat Kohl de term Verenigde Staten van Europa na het Maastricht-arrest van het Bundesverfassungsgericht niet meer in het openbaar heeft gebruikt. Op een bijeenkomst van het CDU-bestuur in 1994 zou hij echter nog wel een keer hebben opgemerkt dat concept tientallen jaren in zijn hart te hebben gesloten.

Ik heb een dergelijke controverse zelf aan den lijve ondervonden in de Europese Volkspartij, het Europese verbond van christendemocratische partijen. Ongeveer parallel aan de onderhandelingen over het Verdrag van Maastricht werden gesprekken in gang gezet over een mogelijke toetreding tot de EVP van de Italiaanse rechtse conservatieven van de "Forza Italia" en de Britse "Tories". Daardoor zou de EVP gedurende lange tijd de grootste fractie in het Europees Parlement zijn. Deze op politieke macht gerichte doelstelling had echter een hoge prijs: de EVP moest als tegenprestatie accepteren dat het doel van een federaal Europa op basis van christelijke uitgangspunten en de visie van de Verenigde Staten van Europa uit de statuten van de partij werden geschrapt. Ik kan me de toenmalige discussies waarin christendemocratische beginselen met machtspolitieke berekeningen botsten, nog levendig herinneren. Samen met een groep christendemocraten uit België, Nederland en Luxemburg heb ik toentertijd tegen deze nieuwe koers van de EVP gestemd. Met gelijkgezinden hebben wij in die periode de christendemocratische Verklaring van Athene geschreven. Maar wij hebben het onderspit gedolven. De machtspolitiek bleek belangrijker dan het gedachtegoed van de grondleggers van de Europese eenwording.

Uit deze Maastricht-ervaringen blijkt waarom iedereen die er toen bij was – en dat is nog steeds een aanzienlijk deel van de actieve politieke generatie – zijn of haar visie op de toekomst van Europa tegenwoordig meestal gelaten als volgt beschrijft: "Toen ik jong was droomde ik van de Verenigde Staten van Europa. Vandaag de dag weet ik beter, dat is gewoonweg niet mogelijk, we moeten realistisch zijn." Deze berustende instelling werd in 2005 verder versterkt toen het Europees grondwettelijk verdrag – de laatste poging om de Europese Unie van Maastricht in ieder geval gedeeltelijk in een politieke unie te veranderen – door de uitslagen van de referenda in Frankrijk en Nederland sneuvelde, hoewel 18 lidstaten dit verdrag al succesvol geratificeerd hadden, waarvan twee – Luxemburg en Spanje – overigens ook via een referendum. "Maastricht had onze grondwet moeten zijn", zo verzuchtte onze Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker in 2001 naar aanleiding van de tiende verjaardag van het Verdrag van Maastricht.

Wanneer de burgers tegenwoordig aan ons politici de vraag stellen "Hoe ziet het Europa van de toekomst eruit?" of "Waar gaat de Europese eenwordingstrein naartoe?", dan geven wij in het algemeen een ontwijkend antwoord. "Wij willen geen superstaat", is dan meestal de eerste zin, puur uit angst om door de neoliberalen, door de aanhangers van het soevereiniteitsbeginsel of door het Duitse Bundesverfassungsgericht verkeerd begrepen te worden. Doorgaans gaat het dan als volgt verder: "Weet u, de EU is een constructie sui generis". "Wij willen geen Europese bondsstaat, maar een confederale of federale constructie" of een "verbond van nationale staten".

Op basis van mijn jarenlange ervaring heb ik alle begrip voor dergelijke taalkundige bochtendraaierij, ook wanneer de staatsrechtdeskundigen zich hierover ongetwijfeld de haren uit hun hoofd zullen trekken. Ik moet eerlijk toegeven dat ik de afgelopen jaren zelf ook vaak mijn toevlucht tot dergelijke frasen heb genomen. Ik maak de laatste tijd echter steeds vaker mee dat kritische burgers dit als "om de hete brij heen draaien" betitelen en dat zij die uitspraken niet overtuigend vinden. Zo schreef een burger mij onlangs naar aanleiding van een Town-Hall-Meeting in Oostenrijk het volgende: "Hoe kunnen wij ons als burgers eigenlijk met dat door u zo bejubelde Europese project identificeren als er niet eerlijk wordt verteld waar de reis naartoe gaat? Als u Europa zo technocratisch en gecompliceerd blijft definiëren, moet u zich ook niet verbazen dat wij u als technocraten zien!" Deze burger heeft niet helemaal ongelijk, geachte dames en heren. Sterker nog, hij heeft helemaal gelijk.

Daarom is het de hoogste tijd om ondanks de traumatische ervaringen van Maastricht het concept van de Verenigde Staten van Europa vandaag weer nieuw leven in te blazen. Sinds een aantal maanden beleven de Verenigde Staten van Europa welhaast een wedergeboorte. Met het oog op de crisis betonen talrijke toonaangevende politici uit alle partijen zich plotseling een zeer nadrukkelijk voorstander van de Verenigde Staten van Europa. Daarbij is het voortouw genomen door christendemocraten, zoals de Duitse minister van Werkgelegenheid Ursula von der Leyen en mijn collega-commissaris Günter Oettinger, en is het signaal opgepikt door sociaaldemocraten als de voormalige Oostenrijkse bonskanselier Alfred Gusenbauer en liberalen als de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Guido Westerwelle en zelfs door Daniel Cohn-Bendit, de zeer welbespraakte fractieleider van De Groenen. De Franse ondernemersbond MEDEF is in het afgelopen jaar zelfs een heuse campagne voor de Verenigde Staten van Europa begonnen. En zoals u waarschijnlijk weet, heb ook ik mij sinds het begin van dit jaar in een aantal speeches en krantenartikelen uitdrukkelijk uitgesproken voor een federale koers richting de Verenigde Staten van Europa. Uiteraard leiden dergelijke oproepen soms tot tegenreacties. Martin Schulz, de Voorzitter van het Europees Parlement, en Volker Kauder, de fractieleider van de CDU in de Duitse Bondsdag, waarschuwen er bijvoorbeeld openlijk voor om de Verenigde Staten van Europa, gezien de slechte ervaringen in het verleden, niet opnieuw tot een politiek doel te maken. Dat is legitiem. Dat doet echter niets af aan het feit dat het idee en de discussie daarover vandaag de dag telkens weer op de agenda worden gezet. En dat is een goede zaak.

De reden daarvoor is natuurlijk de huidige financiële en staatschuldencrisis. In crisistijden vindt Europa altijd weer de kracht om nieuwe integratie-impulsen te vinden. Ik ben ervan overtuigd dat dit ook nu zal gebeuren, zodat Europa sterker uit deze crisis tevoorschijn zal komen. De huidige crisis is voor de idee van een federaal Europa van bijzonder belang. Die crisis laat namelijk op overtuigende wijze zien dat de asymmetrische structuur van de monetaire unie die in Maastricht door het samenspel van neoliberalen en aanhangers van de nationale soevereiniteit is gecreëerd, op de lange termijn niet levensvatbaar is.

Geachte dames en heren,

Hoe kan iemand geloven dat in de toekomst marktdiscipline en wettelijke regels alleen voor solide overheidsbegrotingen zullen zorgen nu we twintig jaar lang hebben meegemaakt dat noch de markt noch de meest strikte wettelijke voorschriften kunnen voorkomen dat in alle lidstaten (Duitsland is in dat opzicht lange tijd een bijzonder roemloos voorbeeld geweest) een buitensporig nationaal schuldenbeleid wordt gevoerd? Als wij ernst willen maken met een solide begrotingsbeleid op de lange termijn, hebben wij een Europese minister van Financiën nodig die verantwoording verschuldigd is aan het Europees Parlement en die over duidelijke handhavingsrechten ten opzichte van de lidstaten beschikt. De willekeur van de ratingbureaus vormt hiervoor absoluut geen alternatief!

Hoe zou iemand serieus kunnen geloven dat wij een op groei gericht Europees economisch beleid kunnen voeren zonder dat de Europese Unie over begrotingsmiddelen van een noemenswaardige omvang beschikt? Wij zitten in Europa op dit moment midden in de discussie of er op EU-niveau 1% van het bruto binnenlands product of 1,05% van het Europese bruto binnenlands product als gemeenschappelijke financiële middelen aan Brussel ter beschikking moet worden gesteld. En dan verbazen wij ons er vervolgens over dat wij Europeanen meer problemen hebben dan de VS om drijvende krachten voor economische groei op ons continent te mobiliseren. De VS beschikken in Washington echter over een federale begroting die circa 35% van het Amerikaanse binnenlands product bedraagt!

Geachte dames en heren,

Is het echt zo verwonderlijk dat er in de VS op dit moment geen sprake is van een vertrouwenscrisis in de US-dollar terwijl dat land een grotere schuldenlast heeft dan de meeste Europese staten, een aanzienlijk groter begrotingstekort laat zien dan de meeste eurolanden en een aantal Amerikaanse regio's in de afgelopen jaren failliet is gegaan? Het antwoord is neen, dat is niet verwonderlijk. In tegenstelling tot Europa twijfelt in Amerika namelijk niemand eraan dat de VS als federatie in stand zal blijven ondanks alle economische en financiële problemen. Niemand twijfelt eraan dat Minnesota deel van de VS zal blijven vormen, hoewel die staat in juli 2011 zijn faillietverklaring moest aanvragen. De koers van de dollar gaf echter geen krimp naar aanleiding van dat bericht, hoewel het economische gewicht van Minnesota in de VS ongeveer vergelijkbaar is met de economische betekenis van Griekenland voor de Europese Unie.

In Maastricht wilde men ons doen geloven dat wij een monetaire unie en een nieuwe wereldmunt konden creëren die nooit meer zouden verdwijnen, zonder dat daarvoor ook de Verenigde Staten van Europa nodig waren. Dat was een vergissing, en die vergissing van Maastricht moet nu worden rechtgezet als wij ook in de toekomst in een stabiel en economisch welvarend Europa willen leven. Het is een goede zaak dat de staatshoofden en regeringsleiders van de meeste lidstaten dat inmiddels ook hebben ingezien. Sinds 2010 is er een proces in gang gezet dat tot een fundamentele herstructurering van de Europese monetaire unie zal leiden. De Europese Raad buigt zich dezer dagen op basis van een verslag van de voorzitters van de EU-instellingen over vier nieuwe integratiefasen:

  • een Europese bankenunie met één centrale Europese bancaire toezichthouder;

  • een Europese financiële unie met enerzijds sterkere controlemechanismen voor de nationale begrotingen en anderzijds de ontwikkeling van een eigen Europese financiële capaciteit;

  • een Europese economische unie waarin economische, fiscale en sociaal-politieke besluiten een veel sterker gemeenschappelijk karakter hebben dan tot nu toe het geval is;

  • en tot slot een politieke unie.

Dit proces biedt kansen, maar brengt ook risico's met zich mee. Wij hebben nu ongetwijfeld de kans om datgene te doen wat in Maastricht in 1991 is verzuimd, dat wil zeggen wij kunnen nu de onvoltooide Unie politiek voltooien. Tegelijkertijd bestaat het gevaar dat wij ons wederom slechts tot een aantal economische en financieel-politieke hervormingen beperken; dat wij kortom het grote geheel – een overtuigende, sterke, democratische politieke unie – nóg een keer uit het oog verliezen. In een aantal hoofdsteden is er op dit punt dezer dagen sprake van tendensen die vanuit mijn perspectief grote zorgen baren.

Sta mij toe om dit te verduidelijken: in de afgelopen drie jaar zijn er aanzienlijke resultaten geboekt bij het stabiliseren van onze monetaire unie. Het nieuwe Europese stabiliteitsmechanisme (ESM) dat tot 500 miljard euro kan mobiliseren om eurolanden indien nodig te stabiliseren, vormt een historische mijlpaal. Dat geldt eveneens voor het Europese begrotingspact, in welk kader 25 Europese landen zich op geloofwaardige wijze hebben verplicht tot het voeren van een solide overheidsfinanciering en tot het aanhouden van nationale schuldenplafonds. De maatregelen van de Europese Centrale Bank zijn ook van onschatbare waarde om de stabiliteit van onze Europese munteenheid te waarborgen. Maar wij moeten wel eerlijk zijn: het zijn ongetwijfeld belangrijke maatregelen om de crisis te bestrijden en wij kunnen daarmee zeker tijdwinst boeken, maar zij vormen absoluut geen vervanging voor een stabilisering van de gammele constructie van Maastricht op de lange termijn.

Volgens mij is het grootste gevaar vandaag de dag dat zowel het ESM als het begrotingspact geïmproviseerde constructies zijn die buiten het bestek van de Europese verdragen vallen. Vanwege de crisis was er uiteraard geen andere optie; er moest snel ingegrepen worden. Vanuit democratisch-parlementair perspectief kan en mag dit echter geen permanente oplossing zijn. In dit verband worden er binnenkort op Europees niveau fundamentele besluiten genomen over de economische, financiële en sociaal-politieke opzet van het beleid in de afzonderlijke eurolanden. Dergelijke besluiten moeten te allen tijde aan een effectieve democratische controle onderworpen zijn. Dat kan naar mijn mening niet via intergouvernementele bijeenkomsten van nationale ministers en staatssecretarissen die ieder op zich door 17 nationale parlementen een klein beetje gecontroleerd worden. Voor dergelijke besluiten op Europees niveau moet de democratische controle ook op Europees niveau, op ooghoogte, plaatsvinden. Daarom pleit ik ervoor om zowel het begrotingspact als het ESM op de middellange termijn in de Europese verdragen op te nemen zodat zij ook aan de controle van het Europees Parlement onderworpen zijn.

"No taxation without representation", is een van de belangrijke democratische beginselen. Dit beginsel dient bij de toekomstige vormgeving van Europa uiterst serieus te worden genomen. Voor een sterkere vervlechting van Europa tot een echte economische en monetaire unie is het noodzakelijk dat uiterst gevoelige besluiten in de toekomst op Europees niveau worden genomen. Dergelijke besluiten mogen wij niet alleen overlaten aan trojka's van onafhankelijke financiële deskundigen! Wanneer Ierland met het oog op de dringend noodzakelijke consolidatie van de overheidsfinanciën voor het eerst in zijn geschiedenis aan de burgers een heffing moet opleggen voor de drinkwatervoorziening, moet een dergelijk besluit niet alleen inhoudelijk correct zijn, maar ook via het Europees Parlement democratisch gelegitimiseerd worden. Dat geldt evenzeer voor besluiten in Brussel over privatiseringen in Griekenland, over de loonindexering in Luxemburg of over de "Ehegattensplitting" in Duitsland, zoals die dit jaar al onderwerp zijn geweest van het Europees semester voor de coördinatie van het economisch beleid. Over de vraag of dergelijke besluiten goed of fout zijn, moet naar mijn idee met een groot verantwoordelijkheidsbesef en in alle openheid in het Europees Parlement worden gedebatteerd.

Voor al deze zaken moeten hervormingen van de Europese Unie worden doorgevoerd die veel verder gaan dan de mogelijkheden die de monetaire unie biedt. Er is een fundamentele politieke en democratische verdieping van de bestaande Europese Unie nodig. In de discussiestukken die op dit moment in de Europese hoofdsteden circuleren, wordt deze kwestie helaas nog zeer terughoudend aan de orde gesteld, zij het soms wel met het onderschrift "politieke unie". Ik vind dat wij op dit punt veel ambitieuzer moeten zijn als wij de fouten van Maastricht niet opnieuw willen maken. Wij hebben behoefte aan een duidelijke, ambitieuze visie op de toekomst van ons continent met het oog op een sterk en democratisch Europa dat veel meer moet zijn dan alleen maar een grote markt en een stabiele munteenheid.

Commissievoorzitter Barroso heeft in zijn toespraak in september over de stand van zaken in de Unie opgeroepen om in het debat over de politieke toekomst van Europa niet bang te zijn om bepaalde woorden en termen te gebruiken, maar – integendeel – om onze visie helder en moedig te formuleren. Ik acht duidelijke taal van bijzonder groot belang als wij inderdaad bij de burgers begrip willen kweken voor onze visie.

Sta mij toe om dit aan de hand van een voorbeeld toe te lichten: u bent er allemaal al lang aan gewend dat de uitvoerende macht in Brussel "Europese Commissie" heet. Maar dan moet u zich toch eens een keertje afvragen hoe dat in de oren van de burgers klinkt. Besluiten in Brussel worden genomen door commissarissen – dat lijkt toch van meet af aan op technocratie en bureaucratie en niet op politiek en democratisch gelegitimeerde besluiten. Is het dan verwonderlijk dat een burgemeester van een Beierse gemeente zich maar niet kan vinden in de besluiten van deze Brusselse "mededingingscommissie"? Bondskanselier Angela Merkel heeft begin dit jaar een oproep gedaan om van de Europese Commissie een Europese Regering te maken. Ik ben het met die naamsverandering eens, dat had al veel eerder moeten gebeuren. De Europese Commissie is toch al lang geen orgaan meer dat uit niet-gekozen deskundigen en technocraten bestaat. Die Commissie wordt elke vijf jaar door rechtstreeks gekozen leden van het Europees Parlement samengesteld en wel in het verlengde van de uitslag van de Europese verkiezingen. Voordat een commissaris benoemd wordt, moet hij een "hearing" van drie uur doorstaan ten overstaan van de voor zijn of haar vakgebied verantwoordelijke parlementaire commissie. Tijdens die hoorzitting wordt de betreffende commissaris grondig ondervraagd, niet alleen over de inhoudelijke kennis, maar ook over zijn of haar ideeën over waarden en normen en de politieke oriëntatie. En het Europees Parlement deinst er niet voor terug om een kandidaat-commissaris bij een slecht resultaat keihard af te wijzen, iets wat Manfred Weber ongetwijfeld kan bevestigen. Bij een vergelijking van deze procedure met soortgelijke procedures op nationaal niveau blijkt dat de leden van de Europese Commissie via eenzelfde democratische procedure worden benoemd als elke minister van de Bondsregering of van een deelstaatregering, zij het dat bij die laatste twee benoemingen geen sprake is van een parlementaire betrokkenheid. Daar komt nog eens bij dat talrijke commissarissen vóór hun ambtsaanvaarding als lid van het Europees Parlement zijn gekozen. Ik ben zelf al vijf keer op rij door de Luxemburgse burgers in het Europees Parlement gekozen. Ik zou het wenselijk vinden dat in de toekomst de regel wordt gehanteerd dat commissarissen voor hun benoeming eerst in het Europees Parlement gekozen moeten zijn. Dat zou de democratische legitimiteit van de Europese Regering nog meer vergroten.

Laten wij bij de beschrijving van de gewenste vormgeving van het politiek verenigd Europa net zo moedig zijn als de Duitse bondskanselier. Een federaal Europa, dat zou je ook kunnen aanduiden als een Europees Zwitserland, als de Bondsrepubliek Europa of als de Verenigde Staten van Europa. Na ampele overwegingen acht ik de laatste benaming het meest geschikt, niet alleen om een brede acceptatie te bewerkstelligen, maar om ook het gewenste eindresultaat voor de Europese Unie treffend te omschrijven.

Een "Europees Zwitserland" als toekomstvisie – dat zou ondanks mijn grote persoonlijke sympathie voor de Alpenrepubliek geen goede vergelijking voor een verenigd Europa zijn. Het verenigd Europa zal namelijk zonder twijfel geen neutraal "nicheland" zijn, maar een mondiale politieke speler, ja zelfs een wereldmacht. Wij mogen ook niet uit het oog verliezen dat Zwitserland zich in de officiële staatsaanduiding tot op de dag van vandaag betitelt als confederatie, als "Confoederatio", hoewel dat land al lang een gevestigde bondsstaat is. Een Zwitserse visie op de toekomst van Europa zou dan ook eerder tot meer staatsrechtelijke begripsverwarring in plaats van tot meer duidelijkheid leiden.

"Bondsrepubliek Europa" – ik kan begrijpen dat hier in Duitsland deze of gene heel enthousiast over dit model zal zijn. Het toekomstige federale Europa kan en moet zich ongetwijfeld sterk aan het succesvolle Duitse federalisme spiegelen. Sta mij echter toe om het volgende bezwaar te maken namens uw Luxemburgse buren: wie de indruk wekt dat de Duitse aard nogmaals als rolmodel voor de wereld moet dienen, ook al is dat slechts in staatsrechtelijke zin bedoeld, die zal in andere lidstaten van de EU niet snel vrienden maken.

Dan blijft alleen nog maar de aanduiding "Verenigde Staten van Europa" over. En dat brengt ons dan weer terug bij Victor Hugo.

"Verenigde Staten van Europa: – het hierin verankerde eenwordingsdoel vormt een weerspiegeling van de vredesgedachte in de traditie van Victor Hugo, een gedachte die nog steeds bepalend is voor de Europese eenwording zoals de toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede aan de Europese Unie weer eens in herinnering heeft geroepen. Ons continent zou er goed aan doen om de lessen uit zijn verschrikkelijke geschiedenis nooit te vergeten.

"Verenigde Staten van Europa" – het meervoud brengt duidelijk tot uitdrukking dat het niet om een eenheidsstaat of een superstaat gaat, maar om een federale structuur waarin een veelvoud van afzonderlijke landen een nieuw verbond heeft gesloten en waarin bewust wordt vastgehouden aan de verscheidenheid van die landen en aan hun eigen individualiteit, zoals dat ook terecht door Victor Hugo is benadrukt.

Tot slot: "Verenigde Staten van Europa" hieruit blijkt zeer duidelijk dat wij weliswaar naar een democratisch-federale constitutionele vorm streven die met die van de VS vergelijkbaar is, maar dat wij dit wel in de specifieke context willen doen van de Europese geschiedenis, onze waarden en de bijzondere verscheidenheid van ons continent. Het klopt dat wij in Europa net als in de VS ook een tweekamerstelsel nodig hebben. Wellicht dat wij ooit ook zelfs een rechtstreeks gekozen voorzitter van de Europese Commissie nodig hebben, zoals de Duitse minister van Financiën Wolfgang Schäuble heeft voorgesteld. Dat uitgangspunt is onlangs trouwens ook door de Europese Volkspartij in haar partijprogramma opgenomen. Tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen is in de afgelopen weken weer eens op indrukwekkende wijze gebleken wat het mobiliserend effect voor een heel continent kan zijn van een dergelijke verkiezing van één persoon. Die verkiezingsstrijd eist echter van de kandidaten ook dat zij bereid en in staat zijn om zelfs in een "Town Hall" ver weg in Ohio de directe dialoog met de burgers aan te gaan. In Europa zouden waarschijnlijk alleen meertalige kandidaten een kans hebben in een dergelijke verkiezingsstrijd.

Verenigde Staten van Europa – hierdoor zijn wij Europeanen in staat om ook die punten duidelijk te benadrukken die ons van de VS onderscheiden. Het geeft tevens aan waarom wij in Europa wel de Amerikaanse constitutionele structuur willen overnemen, maar zeker niet elk aspect van de constitutionele realiteit van de VS. Zo hebben wij in Europa door onze historische ervaringen vaak een ander beeld over waarden en grondrechten dan in de VS. Dat blijkt met name uit de in het Europese Handvest van de grondrechten verankerde verwerping van de doodstraf en de grote nadruk op het grondrecht van de gegevensbescherming. In Europa hebben wij ook een ander idee over de verhouding tussen de markt en de staat. Wij streven in Europa immers niet naar een pure markteconomie, maar naar een sociale markteconomie – ook al heeft de VS zich onder Obama in ieder geval wat de gezondheidszorg betreft in de Europese richting ontwikkeld. En uiteraard hebben wij in Europa hele andere historische ervaringen met een grote verscheidenheid aan culturen en talen, waarbij overigens niet vergeten mag worden dat in de VS op dit moment 16% van de bevolking Spaans als moedertaal heeft; een aantal dat nog steeds toeneemt.

Geachte dames en heren,

Hiermee kom ik aan het eind van mijn betoog. Ik ben inderdaad van mening dat de Verenigde Staten van Europa het meest geschikte concept is om de huidige crisis en met name de tekortkomingen van het Verdrag van Maastricht op te lossen. Per slot van rekening kan ik als Europese christendemocrate toch niet accepteren dat mijn toekomstvisie door Britse eurosceptici wordt bepaald! Ik heb ook met belangstelling gelezen dat uit een enquête van het dagblad "Die Welt" is gebleken dat op dit moment al 43% van de Duitse bevolking voorstander is van de Verenigde Staten van Europa – en dat terwijl het eigenlijke debat hierover nog moet beginnen. Dat is waarlijk geen slecht uitgangspunt.

Natuurlijk ben ik mij ervan bewust dat wij de Verenigde Staten van Europa niet van de ene op de andere dag tot stand kunnen brengen. Daarvoor hebben wij ongetwijfeld nieuwe verdragen nodig en in Duitsland ook een grondwetswijziging; wat dat laatste betreft, zal het Bundesverfassungsgericht daar nauwlettend op toezien! In dit verband zullen wij ook de vraag moeten beantwoorden of we met alle EU-lidstaten of met alleen de eurolanden de weg naar de federale toekomst van Europa zullen inslaan. De positionering van Groot-Brittannië zal daarbij een strategische en doorslaggevende rol spelen gezien de wijze waarop Winston Churchill al in 1946 in zijn Zürichse toespraak de Britse houding ten opzichte van de Verenigde Staten van Europa toelichtte: "We will be for, but not with it". Dat zou ook tegenwoordig nog een adequate samenvatting zijn van het Britse standpunt over deze kwestie.

Ik ben echter van mening dat wij niet 400 jaar op de Verenigde Staten van Europa hoeven te wachten zoals Victor Hugo ooit meende. Twee wereldoorlogen, 60 jaar ervaring en niet in de laatste plaats de huidige crisis hebben de ontwikkelingen aanzienlijk versneld. De economen Kenneth Rogoff en Carmen Reinhart voorspellen in hun boek "Dieses Mal ist alles anders" op basis van een uitgebreide analyse van de financiële crises in de afgelopen 800 jaar zelfs het volgende:

"Onder de druk van de crisis zal een dynamiek ontstaan die wij ons vandaag de dag nog niet kunnen voorstellen: uiteindelijk zouden de Verenigde Staten van Europa veel sneller werkelijkheid kunnen worden dan de meeste mensen denken."

Ik ben er rotsvast van overtuigd, geachte dames en heren, dat in ieder geval de studenten die hier vandaag aanwezig zijn, een goede kans maken om die Verenigde Staten van Europa inderdaad werkelijkheid te zien worden.

Ik dank u voor uw aandacht en zie uit naar een spannend debat met u.


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website