Navigation path

Left navigation

Additional tools

Other available languages: EN FR

SPEECH/00/260

Frits Bolkestein

Lid van de Europese Commissie verantwoordelijk voor Interne Markt en Belastingzaken

"Bouwen aan een liberaal Europa in de 21ste eeuw"

Walter Eucken Institut

Freiburg, 10 Juli 2000

Dames en heren,

Het herrijzen van de Bondsrepubliek na 1945 uit de as van het door oorlog en dictatuur verwoeste Duitsland is een van de grote economische en politieke wonderen van de twintigste eeuw. Voor een deel is deze wonderbaarlijke wederopstanding te danken geweest aan het bijzonder genie van een aantal staatslieden die in de periode na 1945 gestalte hielpen geven aan een nieuw Duitsland, een nieuw Europa en een nieuwe wereldorde, dit alles gebaseerd op vreedzame samenwerking tussen oude vijanden en de heerschappij van het recht in de internationale betrekkingen. Aan dit proces is namens Duitsland natuurlijk de naam van Adenauer verbonden, maar het past hier ook de namen te noemen van Truman, Acheson en Marshall, Churchill, De Gasperi, Schuman en Monnet. Samen gaven deze wijze mannen gestalte aan de militaire, diplomatieke en sociaal-economische architectuur van de naoorlogse vrije wereld. Het vrije deel van Duitsland heeft van deze nieuwe samenwerkingsverbanden kunnen profiteren en het lijdt geen twijfel dat de sociale en economische wederopbouw hierdoor een belangrijke impuls kreeg.

Maar een zeker zo belangrijke factor in de verklaring van het naoorlogse Duitse 'Wirtschaftswunder' is het sociaal-economische beleid zoals dat in de jaren van wederopbouw ontwikkeld werd. Ludwig Erhards programma van liberalisering, waarmee hij gestalte gaf aan de zogeheten 'Soziale Marktwirtschaft', was voor een niet onbelangrijke deel het product van het werk van een groep economen die verbonden waren aan de Universiteit van Freiburg en die school hebben gemaakt onder de naam ordoliberalen, genoemd naar het beroemde tijdschrift Ordo waarin zij publiceerden. De belangrijkste van deze economen was Walter Eucken, de man aan wie deze lezingencyclus is gewijd.

In het uit de nachtmerrie van de dictatuur ontwakende naoorlogse Duitsland was het een eerste vereiste dat de nieuwe sociaal-economische orde niet het systeem maar het vrije individu als uitgangspunt zou nemen. Een tweede belangrijke eis was, dat deze nieuwe sociaal-economische orde aan het individu naast vrijheid ook zekerheid en stabiliteit zou bieden. Het trauma van Weimar was immers in niet onbelangrijke mate een gevolg van de economische en monetaire instabiliteit van dat regime. Bonn moest geen Weimar worden.

Euckens ordoliberale model voldeed aan beide eisen. Een economische orde met vrije mededinging was voor hem de optimale belichaming van de idee van de vrije samenleving. Het was in zijn ogen evenwel noodzakelijk deze vrije marktorde te beschermen door een aantal zekerheden in het systeem in te bouwen die machtsmisbruik door dominante marktpartijen konden helpen voorkomen en economische schokken konden helpen opvangen.

Het belangrijkste product van Euckens gedachtegoed is ontegenzeggelijk het monetair beleid zoals dat bijna vijftig jaar lang is gevoerd door de Bundesbank. Het anti-inflatie en deflatie beleid was erop gericht oververhitting of recessie te voorkomen. Dit consequent doorgevoerde beleid is een grote stabiliserende factor gebleken in de economische politiek van het naoorlogse Duitsland. Hoe succesvol dit in wezen ordoliberale beleid was, blijkt uit het feit dat de Deutschmark in het onvrije deel van Duitsland en in de andere landen die onder het juk van de communistische dictatuur gebogen gingen niet alleen als een symbool van vrijheid maar ook als een standaard voor monetaire betrouwbaarheid gold.

Niet minder groot is de invloed geweest van Euckens denken op het mededingingbeleid in Duitsland en later ook in Europa. Machtsconcentraties bij een of meer dominante marktpartijen in de vorm van monopolies of kartels zouden vrije toe- en uittreding in de markt kunnen belemmeren en de vrije prijsvorming kunnen verstoren. Eucken besteedde veel intellectuele energie aan het nadenken over mogelijke maatregelen ter voorkoming van dergelijke machtsconcentraties. De actualiteit van zijn denken en de door hem aangedragen oplossingen blijken uit het feit dat in het Europese mededingingsbeleid nog altijd wordt gewerkt met het door hem ontwikkelde begrippenapparaat.

Euckens denken was duidelijk gebaseerd op de idee van een vrijemarkteconomie met maximale vrijheden voor het individu. Maar deze voorkeur voor een vrijemarkteconomie was geenszins een pleidooi voor een soort laissez faire kapitalisme. Hij meende dat monopolie- en kartelvorming moest worden tegengegaan omdat anders de vrijheid van het individu ernstig zou kunnen worden ingeperkt. Daarnaast meende hij dat een beperkte mate van herverdeling en sociale wetgeving noodzakelijk was om ieder individu een redelijke uitgangspositie te geven. Bij dit alles meende hij evenwel dat de overheid uiterst terughoudend moest zijn, omdat het primaat nadrukkelijk moest blijven liggen bij het vrije en verantwoordelijke individu. Socialisme was een schrikbeeld voor Eucken, een toonbeeld niet alleen van inefficiëntie maar ook en vooral van onvrijheid.

Er bestaat in Euckens denken geen tegenstelling tussen een vrije samenleving en een sociaal rechtvaardige samenleving. Voor hem staat het een gelijk aan het ander, zolang het uitgangspunt maar blijft de vrijheid en waardigheid van het individu. Hij lijkt hiermee, als het ware al bij voorbaat, de critici van het liberalisme te beantwoorden die in de jaren zestig en zeventig het liberale vrijheidsideaal zouden aanvallen op basis van een vermeend gebrek aan 'sociaal gezicht'. Euckens werk laat wat dit betreft overtuigend zien dat socialisten en sociaal-democraten geen monopolie op het gevoel hebben.

De zaak is nu wat een liberale beleidsmaker van vandaag mee kan nemen uit het werk van Eucken in zijn denken over de bouw van het liberale Europa van morgen. Een eerste vraag die wij daarbij natuurlijk moeten beantwoorden, is wat dat voor orde zal zijn, dat Europa van morgen. In één variant wordt vooral aandacht gegeven aan de institutionele uitwerking van dit idee. Het debat over de vraag of Europa een federale of een intergouvernementele vorm moet krijgen, zoals dat recentelijk weer gevoerd is naar aanleiding van een toespraak van uw minister van Buitenlandse Zaken, Joschka Fischer, is hier een goed voorbeeld van. Bondsstaat of statenbond, dat lijkt vooral de vraag te zijn.

Een alternatief vindt men in bijdragen als die van de Engelse schrijver en Duitsland-kenner Timothy Garton Ash in een intelligent essay met de aansprekende titel 'The Case for Liberal Order'. In dit essay schetst de auteur zijn visie van een Europa waarin geen sprake is van een duidelijke hegemonie. Hij spreekt niet over de noodzaak van een as Berlijn-Parijs of misschien Madrid-Londen. Hij heeft het over de noodzaak van een non-hegemonische orde zonder duidelijk machtscentrum. Het betreft hier overigens geen quasi-anarchistisch idee, maar een pleidooi voor een orde waarin de vrijheden van het individu centraal staan. Met een beroep op deze vrijheden legitimeert Garton Ash de creatie van een systeem van Europees privaatrecht en de incorporatie van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens in het Unieverdrag.

Mensenrechten, burgerrechten en de rechten van minderheden dienen volgens hem door middel van normstelling en -handhaving op Europees niveau te worden gehandhaafd. Dit rechtvaardigt in zijn ogen zelfs de inmenging in de interne aangelegenheden van een lidstaat door andere lidstaten.

Het zou te ver voeren hier op dit debat uitgebreid in te gaan. De vraag is of de twee benaderingen op vruchtbare wijze met elkaar kunnen worden gecombineerd. Timothy Garton Ash heeft volkomen gelijk wanneer hij stelt dat onze eerste prioriteit zou moeten zijn de consolidatie van onze vrije samenleving. Over de afzonderlijke elementen van zijn toekomstvisie kan men twisten, maar zoveel is duidelijk: het Europa van de toekomst zal vrij zijn, of het zal niet zijn.

Maar of de door Garton Ash voorgestelde non-hegemonische orde hiervoor de beste garantie biedt is een andere vraag. Natuurlijk moet worden voorkomen dat één of meer grote lidstaten de Europese Unie voor eigen doeleinden gaat gebruiken. In een non-hegemonisch scenario valt misbruik door grotere lidstaten van hun overwegende positie nimmer uit te sluiten. Dat zou het recht van de sterkste zijn, niet de voor een vrije samenleving onontbeerlijke heerschappij van het recht. De vraag is evenwel of niet juist het door hem geschetste centrumloze systeem een dergelijk uitbuiten van eigen voordeel waarschijnlijk maakt. Een zekere mate van centrale coördinatie is noodzakelijk en lijkt ook beter in een ordoliberale visie op de toekomst van Europa te passen. In de Europese Commissie heeft de Unie een orgaan dat uitstekend voor de coördinatie van beleid en de aggregatie van belangen zorg kan dragen. In ieder voorstel voor de toekomstige institutionele vormgeving van de Unie zou zij in mijn ogen dan ook een centrale rol toebedeeld moeten krijgen.

In een beschouwing over het Europa van de toekomst zal Euckens idee van vrijheid in zekerheid dus centraal dienen te staan. In de Europese praktijk is dit vrijheidsidee uitgewerkt in de Vier Vrijheden van de Interne Markt: het vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal. Het Europa van de toekomst zal een gebied zijn, waarin meer dan 500 miljoen mensen vrij zullen zijn om te wonen, te werken en handel te drijven waar zij dat willen. Dit is een experiment in vrijheid dat in de geschiedenis geen paralellen kent. Hieraan te mogen meewerken is een voorrecht, maar ook een enorme uitdaging.

Want dat er veel werk zal moeten worden verricht om deze vrijheden in zekerheden te verankeren is een ding dat zeker is. De Europese Commissie en de Raad hebben deze uitdaging onderkent en erop gereageerd met een ambitieus programma van deregulering en flexibilisering, zoals opgesomd in de slotverklaring van de top van Lissabon van maart van dit jaar. Wanneer het complete pakket voorgestelde maatregelen van Lissabon kan worden ingevoerd, zou dit een enorme vooruitgang betekenen in de richting van een op ordoliberale leest geschoeid Europa.

Een aparte uitdaging wordt hierbij gevormd door het ambitieuze project van Economische en Monetaire Unie. Dit project is niet alleen bedoeld om de vrijheid van de burger te vergroten. Het is ook een van de belangrijkste beleidsinstrument voor de stabilisering van de enorme vrijemarkteconomie die Europa is. Het is als zodanig een typisch product van het ordoliberale denken.

Dit monetair beleid op Europese schaal laat zien voor de noodzakelijke interne stabiliteit te kunnen zorgen. Het feit dat externe schokken als de Aziatische crisis en de Roebelcrisis geen duidelijke negatieve gevolgen hebben gehad voor de interne macro-economische stabiliteit in Europa is wat dit betreft een overtuigend bewijs van de effectiviteit van de EMU als beleidsinstrument. Maar voor het welslagen op langere termijn van dit project zal het noodzakelijk zijn een aantal hervormingen op sociaal-economisch terrein door te voeren.

De theorie leert dat er binnen een muntunie een aantal mechanismen bestaat om eventuele asymmetrische economische schokken te kunnen opvangen. De eerste hiervan, het financieren van extra overheidsuitgaven door middel van het uitschrijven van staatsleningen, wordt door het stabiliteitspact nadrukkelijk ingeperkt.

Lidstaten zullen niet langer in staat zijn extra uitgaven te financieren door middel van oplopende begrotingstekorten. Dat is overigens een goede zaak, omdat het de lidstaten dwingt tot het handhaven van begrotingsdiscipline. Het wordt zo een noodzaak voor iedere lidstaat een begroting na te streven die vrijwel in evenwicht is of zelfs een overschot vertoont. Eventuele overschotten zullen gebruikt moeten worden om financiële reserves op te bouwen die in tijden van moeilijkheden kunnen worden aangesproken.

Een tweede mechanisme ter absorptie van eventuele asymmetrische schokken is dat van de arbeidsmobiliteit. Het is in de praktijk moeilijk gebleken de arbeidsmobiliteit tussen de lidstaten te vergroten. Slechts een kleine twee procent van alle EU burgers blijkt bereid te zijn in andere delen van Europa naar werk te zoeken. Natuurlijk kan door middel van wederzijdse erkenning van diploma's en certificaten en het onderling afstemmen van arbeids- en sociale wetgeving een aantal belangrijke barrières worden neergehaald. De effecten hiervan zullen op korte termijn toch gering blijven. Er bestaan culturele en taalbarrières die moeilijk te slechten zijn en voor velen een te hoge drempel zullen blijven vormen.

Ook een derde mechanisme, dat van de overdrachtsbetalingen, zal in ieder geval op korte termijn geen uitkomst bieden. De EU heeft in termen van Bruto Europees Product een buitengewoon bescheiden budget. Om u een indruk te geven: het totale EU budget is kleiner dan het Duitse budget voor sociale zekerheid. Van dat EU budget ligt het grootste deel van de bestedingen vast. Meer dan de helft gaat op aan het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en een niet onaanzienlijk deel van wat overblijft, gaat naar de Structuur- en Cohesiefondsen. Er is dus geen geld beschikbaar om lidstaten te helpen een economische schok te verwerken, tenzij deze zich bereid zullen tonen hun bijdragen aan het Uniebudget uitdrukkelijk te verhogen. Maar of zo kort na de top van Berlijn de politieke wil bestaat om de onderhandelingen hierover te heropenen, mag worden betwijfeld.

De ineffectiviteit op korte termijn van de eerste drie mechanismen betekent dat het een absolute noodzaak is ernst te maken met het vierde mechanisme, namelijk de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Immers, het enige instrument dat met effect op korte termijn zal kunnen worden ingezet om een eventuele economische schok te verwerken, is dat van de loon- en prijsflexibiliteit. Het wonderbaarlijk snelle herstel van de economieën in het verre Oosten is voor een niet onbelangrijk deel te danken aan de bereidheid van de bevolking daar om alle beschikbare werk aan te pakken en desnoods hetzelfde werk tegen een geringere vergoeding te verrichten. In Europa heeft een oerwoud van sociale regelgeving de arbeidsmarkt stroperig en inflexibel in neerwaartse richting gemaakt. Ter vergroting van de flexibiliteit zou het wellicht goed zijn met een fijne kam door het meer dan 70.000 pagina's tellende Acquis te gaan om te zien of er niet arbeidswetgeving is die vanwege al te sterke negatieve effecten op de flexibiliteit of gewoon wegens gebrek aan relevantie kan worden geschrapt.

Maar veel reëler dan de bedreiging van het project van Economische en Monetaire Unie door mogelijke asymmetrische schokken is de bedreiging door de zogeheten pensioenentijdbom. De komende tien jaar zal de babyboom generatie met pensioen gaan. Deze toenemende vergrijzing van de samenleving zal gepaard gaan met een sterke stijging van de overheidsuitgaven voor pensioenen. Een aantal lidstaten, waaronder Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Nederland, hebben op succesvolle wijze een spaarsysteem ontwikkeld waarbij het grootste deel van de pensioenuitgaven door gespaard kapitaal wordt gefinancierd. In de meeste andere lidstaten wordt echter een omslagstelsel gebruikt. Dit betekent dat pensioenuitgaven uit lopende middelen moeten worden betaald.

Bij ongewijzigd beleid zal de toenemende vergrijzing in deze lidstaten wel tot een sterke stijging van de belastingen of van de staatsschulden moeten leiden, wat het stabiliteitspact van de EMU onder grote druk kan zetten.

Om te voorkomen dat de pensioenentijdbom ook daadwerkelijk afgaat, is het noodzaak ernst te maken met de hervorming van de pensioenwetgeving. Pensioenfondsen moeten de vrijheid krijgen van de nieuwe investeringsmogelijkheden die de Euro biedt te profiteren. Om te voorkomen dat dit ten koste zou gaan van de zekerheid van deelnemers aan pensioenfondsen is het daarnaast noodzakelijk een stelsel van prudente regelgeving te ontwikkelen. Ook hier kunnen we terugvallen op het denken van Eucken.

Een van onze grote uitdagingen is dus de flexibiliteit van zowel arbeids- als kapitaalmarkt vergroten. Maar een gebrek aan flexibiliteit manifesteert zich ook in andere sectoren van de Europese economie, bijvoorbeeld in die van beginnende ondernemingen. Om een eigen bedrijf te starten, hoeft men in landen als Australië of de Verenigde Staten vaak niet meer dan één formulier in te vullen, dat vervolgens tegen minimale kosten in niet meer dan één week wordt verwerkt. Hoe anders is dat in Europa. De aspirant-ondernemer moet vaak een waar boekwerk aan formulieren invullen, dat dan tegen een veelvoud van de kosten in Australië of de VS ook nog eens langzaam wordt verwerkt. In sommige lidstaten kan het zestien weken duren voordat de nieuwe ondernemer zijn deuren of tegenwoordig steeds vaker zijn website kan openen.

Overigens is het niet alleen een probleem van regulering. Europeanen blijken ook in onvoldoende mate over ondernemerszin te beschikken. Het probleem in Europa is niet zozeer dat er niet voldoende venture capital beschikbaar zou zijn voor nieuwe zakelijke projecten. Geld is er genoeg. Maar er zijn te weinig mensen die bereid zijn de sprong te wagen om een eigen bedrijf te beginnen. Hier moeten structurele hervormingen dus gepaard gaan met een mentaliteitsomslag bij de burger.

Met het aanstippen van het belang van een mentaliteitsverandering zijn wij bij een laatste belangrijk punt aangekomen. Het werk van Eucken en de ordoliberalen is buitengewoon waardevol waar het gaat om de institutionele vormgeving van een vrije en verantwoordelijke samenleving. Zoals hier al is aangegeven, vormt zijn werk in dit opzicht nog altijd een goed hulpmiddel voor de problemen van vandaag en morgen. Maar vrijheid is niet alleen afhankelijk van institutionele waarborgen. Vrijheid is ook en vooral een mentaliteitskwestie, een goede gewoonte zo u wilt.

Voor de liberaal is leven in vrijheid iets volstrekt natuurlijks. Over de vraag hoe de mens zijn vrijheid gebruikt, willen liberalen niets te zeggen hebben. Van pogingen een bepaalde inhoud aan het vrijheidsideaal te geven, moeten zij dan ook niets hebben. Dat moet ieder voor zich weten. Vrijheid, zo merkte de voormalige president van de Verenigde Staten Ronald Reagan ooit op, betekent ook de vrijheid om dom te zijn. Of, zo zouden wij daar aan toe kunnen voegen, de vrijheid om in zichzelf gekeerd, niet ambitieus of zelfs ongelukkig te zijn. Een overheersende opvatting van het vrijheidsbegrip is er dus niet.

Maar dit betekent niet dat liberalen helemaal niets zouden kunnen zeggen over wat vrijheid is. De liberaal moet bereid zijn zich uit te spreken over zaken die in zijn ogen niets met vrijheid te maken hebben en alles met de ondermijning van de vrijheid. Liberalen moeten dus "nee" durven zeggen. Tot 1989 betekende dit: "nee" tegen het communisme. Liberalen die geen "nee" konden zeggen liepen in de val van het anti-anti-communisme: de communist maakte de liberaal wijs dat een liberaal nooit "nee" mocht zeggen.

Objectief betekende dit dat hij de communist steunde in diens aanvallen op de vrijheid. Vele intellectuelen zijn in die periode in deze fuik gezwommen.

Op dit moment is de grootste bedreiging waar liberalen zich voor gesteld zien niet een totalitaire bedreiging van buitenaf, maar een nihilistische van binnenuit. Deze nihilistische geesteshouding is een kind van vele vaders, maar een van de belangrijkste bronnen van invloed is ongetwijfeld het postmodernisme. Het morele en epistemologische relativisme van deze stroming dreigt de centrale waarden van het liberale project, zaken als een kritisch-rationele geesteshouding en het geloof in de fundamentele waardigheid van het vrije individu, te ondermijnen.

Er is iets mis wanneer in sommige van onze scholen en universiteiten wordt onderwezen dat er geen beschavingsidealen zijn die het nastreven waard zouden zijn en dat op het gebied van waarden alles relatief zou zijn. Het is een teken aan de wand dat de moreel relativistische opmerking van de gerespecteerde feministe Germaine Greer, dat de praktijk van vrouwenbesnijdenis in bepaalde islamitische landen net zoveel respect zou verdienen als iedere andere cultuuruiting, in liberale kringen hooguit tot een schouderophalen leidt. Het is dezelfde morele equivalentie waaraan menig liberaal ten prooi viel in de periode van de communistische dreiging.

In de strijd tegen dit relativisme zullen liberalen zich vooral moeten keren tegen al die theorieën die als centrale boodschap lijken te hebben het nihilistische credo van Friedrich Nietzsche: "Niets is waar, dus alles is geoorloofd."

De vorming van het liberale Europa van de toekomst dreigt ondermijnd te worden door het soort vorming dat de Europeanen van de toekomst vandaag de dag in scholen en universiteiten wordt aangereikt. De fundamentele uitdaging waarvoor liberalen zich gesteld zien, is op een bepaalde manier deze spanning tussen de twee soorten vorming op te heffen. De opmerking van de Amerikaanse President John F. Kennedy dat "Liberty without learning is always in peril, and learning without liberty is always in vain," geeft goed aan waar het hierbij om gaat. De taak van politici is het garanderen van het voortbestaan van een vrije samenleving waarin een vrije academie kan gedijen. De opdracht aan academici is daarbij in hun werk de waarden uit te dragen die het fundament vormen voor deze vrije samenleving of in ieder geval opvattingen te bestrijden die de vrije samenleving beogen te ondermijnen.

Liberalen moeten opnieuw leren de centrale waarden waarop de liberale democratie berust te verdedigen. De rede moet hierbij tegen de irrationaliteit beschermd worden, matiging tegen exces en het Westerse beschavingsideaal tegen moreel relativisme. Alleen zo zal voorkomen kunnen worden dat op een dag een nieuwe generatie Europeanen aantreedt die niet alleen niet in staat zal zijn een dergelijke verdediging van de liberale idealen te voeren, maar die er zelfs überhaupt niet geïnteresseerd zal zijn deze idealen te verdedigen.

Hoewel Walter Eucken zich nimmer duidelijk over deze zaken heeft uitgesproken, zou zijn werk een goede basis voor een dergelijke verdediging kunnen vormen. Zijn vrijheidsdrang, zijn verlangen naar een liberale orde die zowel vrij als rechtvaardig is, zijn concrete uitwerking van dit idee in tal van economische schetsen die ook vandaag niets van hun actualiteit verloren hebben, al deze zaken vormen voor de rechtgeaarde liberaal een belangrijke inspiratiebron.

Maar Eucken is niet meer dan één vertegenwoordiger van een bijzonder rijke liberale traditie, een traditie die teruggaat tot de klassieke oudheid. Staande in deze traditie, maar met het oog al op morgen gericht kan een aanvang worden gemaakt met dit grote karwei waaraan wij ons hebben gezet, dit karwei dat in onze geschiedenis geen precedent kent, de bouw van een vrij en vreedzaam Europa.

Het is een taak die onze generatie verre zal overleven. Dit werelddeel heeft in de afgelopen honderd jaar het ergste moeten doorstaan. Maar onze gezamenlijke inspanning kan het beste voor de toekomst veiligstellen.


Side Bar