Navigation path

Left navigation

Additional tools

Other available languages: EN FR DE DA ES IT PT

7564/97 (Presse 120)

C/97/120

2001e zitting van de Raad

-INDUSTRIE-

Luxemburg, 24 april 1997

Voorzitter :  De heer Hans WIJERS

  • Minister van Economische Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden

DEELNEMERS  3

BESPROKEN ONDERWERPEN

CONCURRENTIEVERMOGEN  4

INFORMATIE- EN COMMUNICATIETECHNOLOGIEËN 7

SCHEEPSBOUW 9

STAATSSTEUN 12

STAND VAN ZAKEN MET BETREKKING TOT DE EVENTUELE TOEKOMSTIGE COMMISSIE-

VOORSTELLEN UIT HOOFDE VAN ARTIKEL 94/EG 12

EFFECTEN VAN DE STRUCTUURFONDSEN OP HET CONCURRENTIEVERMOGEN IN DE

GEMEENSCHAP - NOTA VAN DE DEENSE DELEGATIE 13

IJZER- EN STAALINDUSTRIE 13

CONTROLE OP CONCENTRATIE VAN ONDERNEMINGEN 14

DIVERSEN 15

ZONDER DISCUSSIE AANGENOMEN PUNTEN

Overige besluiten I

Begroting I

Milieu I

Onderzoek II

Visserij II

De Regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd :

België :

  • de heer Jos CHABERT    Minister van Financiën, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Denemarken :

de heer Jan TRØJBORG Minister van Handel en Industrie

Duitsland :

  • de heer Günter REXRODT Minister van Economische Zaken

Griekenland :

  • mevrouw Vassiliki PAPANDREOU Minister van Ontwikkelingssamenwerking

Spanje :

  • de heer José PIQUE i CAMPS Minister van Industrie en Energie

Frankrijk :

  • de heer Frank BOROTRA Minister van Industrie, Post en Telecommunicatie

Ierland :

  • de heer Richard BRUTON   Minister van Ondernemingszaken en Werkgelegenheid

Italië :

  • de heer Pierluigi BERSANI   Minister van Industrie en Ambacht

Luxemburg :

  • de heer Robert GOEBBELS Minister van Economische Zaken, Openbare Werken en Energie

Nederland :

  • de heer Hans WIJERS    Minister van Economische Zaken

Oostenrijk :

  • mevrouw Judith GEBETSROITHNER Plaatsvervangend Permanent Vertegenwoordiger

Portugal :

  • de heer José PENEDOS   Staatssecretaris van Industrie en Energie

Finland :

  • de heer Antti KALLIOMÄKI Minister van Handel en Industrie

Zweden :

  • de heer Anders SUNDSTRÖM Minister van Industrie en Handel

Verenigd Koninkrijk :

  • de heer David BOSTOCK   Plaatsvervangend Permanent Vertegenwoordiger

Commissie :

  • de heer Martin BANGEMANN Lid
  • de heer Mario MONTI Lid
  • de heer Karel VAN MIERT Lid

CONCURRENTIEVERMOGEN

De Raad voerde een eerste algemene discussie over het concurrentievermogen van de Europese industrie. De discussie spitste zich toe op de onderwerpen benchmarking en innovatie evenals op het nieuwe Actieplan Interne Markt dat aan de Europese Raad van Amsterdam moet worden gepresenteerd.

In vervolg op de conclusies van de Raad Industrie van 14 november 1996, waarin de Commissie wordt opgeroepen "tijdens de volgende zitting van de Raad Industrie voorstellen in te dienen voor het ontwikkelen van benchmarking als middel om het concurrentievermogen van de Europese industrie te verbeteren" en op het verzoek van de Europese Raad van Dublin "dat het concurrentievermogen van de Unie regelmatig moet worden gevolgd en geijkt aan de beste praktijk in de wereld", presenteerde Commissielid BANGEMANN een nieuwe mededeling, getiteld "Benchmarking voor het concurrentievermogen van de Europese industrie".

In deze mededeling wordt een aantal initiatieven aangekondigd, waaronder het instellen van een overleggroep op hoog niveau die belast zal worden met het vaststellen van de richtsnoeren en prioriteiten voor benchmarking en met het selecteren van proefprojecten die gericht zijn op het aanmoedigen van de uitwisseling van ervaring en de beste praktijk.

Het Commissielid benadrukte tevens het belang van innovatie, niet alleen inzake onderzoek (het "Eerste actieplan voor innovatie in Europa" staat op de agenda van de Raad Onderzoek van 15 mei 1997), maar ook op de markt zelf.

De ministers maakten dankbaar gebruik van de gelegenheid om deze discussie te voeren die volgens sommigen essentieel is en waarmee wordt afgeweken van de voornamelijk sectorale vraagstukken die van oudsher op de agenda van de Raad Industrie staan. Zij waren het erover eens dat de Raad Industrie zich op dit terrein actiever moet opstellen en zij namen unaniem de volgende conclusies inzake de organisatie van de werkzaamheden betreffende het concurrentievermogen van de Europese industrie aan :

  • "1. Het concurrentievermogen van de Europese industrie levert de basis voor groei, het scheppen van banen en het verhogen van de levensstandaard. Het Europese concurrentievermogen moet een regelmatig weerkerend agendapunt van de Industrieraad worden. De Industrieraad moet ernaar streven dat alle aspecten van het concurrentievermogen bij de Raad in aanmerking worden genomen.

  • 2. Gezien het belang ervan voor de toekomstige welvaart van Europa in een wereld die wordt gekenmerkt door een steeds scherpere internationale concurrentie, moet de politieke belangstelling voor het concurrentievermogen op alle fronten worden aangewakkerd. Afgezien van de eigen verantwoordelijkheid van de industrie in dit verband, moeten de lidstaten en de Commissie zich meer rekenschap geven van de mogelijke gevolgen van hun activiteiten voor het concurrentievermogen. De Industrieraad moet zijn rol spelen bij de bevordering van het concurrentievermogen van de Europese industrie.

  • 3. In het kader van de Industrieraad zal een jaarlijks debat over het concurrentievermogen worden georganiseerd. Daarbij zal worden uitgegaan van verslagen die de Commissie regelmatig zal uitbrengen over het concurrentievermogen, van desbetreffende verslagen van de lidstaten en van bijdragen van internationale organisaties en bedrijven. In het debat zal onder meer rekening worden gehouden met de resultaten van benchmarkingoperaties.

  • 4. De Industrieraad moet een sleutelrol vervullen in verband met vraagstukken die van invloed zijn op het concurrentievermogen. De Raad moet bijdragen aan het uitstippelen van beleidslijnen die gevolgen hebben voor de structuur van het bedrijfsleven. Ter beoordeling van het concurrentievermogen van de Europese industrie worden het Voorzitterschap en de Commissie verzocht na te gaan welke mogelijkheden er zijn om in de Industrieraad debatten te organiseren. Daarvoor dient zo nodig een bij de Raad gecoördineerde aanpak te worden uitgewerkt.

  • 5. De industrie kan een waardevolle bijdrage leveren aan het debat over het concurrentievermogen en moet worden uitgenodigd haar stem te doen horen bij de besprekingen in de Industrieraad. Zodoende krijgt de industrie de gelegenheid om de problematiek van concrete hinderpalen ter sprake te brengen en kan zij voorstellen doen om het concurrentievermogen op wereldschaal te verbeteren.
  • De Raad is van mening dat de mogelijkheid van een betere dialoog met de industrie moet worden bestudeerd.

  • 6. Een essentiële factor voor de verbetering van het Europese concurrentievermogen is voortgangsbewaking bij het verwezenlijken van de door de Raad goedgekeurde doelstellingen en acties. Dit impliceert dat waar nodig streefdoelen en tijdschema's worden vastgesteld en dat gebruik wordt gemaakt van benchmarking om de gevolgen van deze acties voor het concurrentievermogen continu te evalueren.".

Commissielid MONTI presenteerde de ideeën van de Commissie over het actieplan dat de Commissie voornemens is tijdens de top in Amsterdam in juni te presenteren. Het actieplan en het bijbehorende tijdschema bestrijken alle maatregelen die genomen dienen te worden om ervoor te zorgen dat vóór het begin van de 3e fase van de EMU het potentiële voordeel van de Interne Markt ten volle wordt gebruikt.

Dit actieplan bestrijkt de volgende vier gebieden :

  • -verhoging van de doelmatigheid van de bestaande regels,

  • -beëindiging van bestaande verstoringen, met name fiscale barrières en concurrentiebelemmerend gedrag,

  • -slechting van nog bestaande sectorale barrières,

  • -versterking van de sociale dimensie van de interne markt.

De Commissie zal regelmatig een "scorebord van de interne markt" publiceren teneinde de tenuitvoerlegging van het nieuwe plan te kunnen volgen.

De Commissie polst momenteel hoe de Raad op deze ideeën reageert. De heer MONTI verzocht de met Industrie belaste ministers hun reacties schriftelijk aan de Commissie te doen toekomen ; de met de interne markt belaste ministers hebben het punt op 13 maart voor het eerst gesproken en zullen het op 20 mei nogmaals behandelen ; de Raad ECOFIN zal er op 12 mei over spreken. Dan zal de Commissie de laatste hand aan het nieuwe actieplan leggen.

INFORMATIE- EN COMMUNICATIETECHNOLOGIEEN

Commissielid BANGEMANN presenteerde de volgende mededelingen : "Concurrentievermogen van de Europese informatie- en communicatietechnologie-industrieën (ICT)", "Een Europees initiatief betreffende de elektronische handel" en het permanent actieprogramma "Europa in de voorhoede van de wereldwijde informatiemaatschappij".

In de eerste mededeling worden maatregelen voorgesteld ter verbetering van het concurrentievermogen van de ICT-industrieën en het ondernemersklimaat waarin zij opereren. Deze maatregelen omvatten de definitieve slechting van handelsbarrières voor alle informatietechnologieproducten, de verbetering van de standaardisatieprocessen, het gebruik maken van de mogelijkheden die de uitbreiding van de Europese Unie biedt, het bevorderen van industriële samenwerking, steun aan opkomend midden- en kleinbedrijf en het verbeteren van de vakbekwaamheid teneinde de industriële prestaties te verhogen en de werkgelegenheidskansen te verbeteren.

In de mededeling over "Elektronische handel" worden vier actiegebieden aangewezen voor de bevordering van deze nieuwe manier van zakendoen : brede, betaalbare toegang tot de voor elektronische handel noodzakelijke infrastructuur, producten en diensten via gebruiksvriendelijke technologieën en diensten en betrouwbare telecommunicatienetwerken met een hoge capaciteit ; een coherente regelgevingsstructuur binnen de EU, gebaseerd op de beginselen van de interne markt ; er moet een gunstig ondernemersklimaat worden geschapen door relevante vaardigheden aan te moedigen en de mensen bewust te maken ; een raamwerk van verenigbare en samenhangende regels op mondiaal niveau.

Na deze presentaties en de opmerkingen van verscheidene delegaties te hebben aanhoord, nam de Raad de volgende conclusies over het Concurrentievermogen van de Europese informatie- en communicatietechnologie-industrieën (ICT) met eenparigheid van stemmen aan :

  • "1. In aansluiting op de discussies in de Raad Industrie op 8 oktober 1996 werd er een uitgebreid debat over het concurrentievermogen van de ICT-industrieën gehouden waarbij het Voorzitterschap, de Commissie, de lidstaten, de industrie en deskundigen betrokken waren. Dit debat bevestigde het cruciale belang van de ICT-industrieën voor de Europese economie, de schepping van nieuwe arbeidsplaatsen, het concurrentievermogen van de meeste industriële en dienstensectoren en de ontwikkeling van de informatiemaatschappij.

  • 2. Uit deze analyse blijkt ook dat de Europese ICT-industrieën, die geconfronteerd worden met felle wereldwijde concurrentie, te kampen hebben met een aantal nadelen en moeilijkheden. Om gelijke tred te houden met zo'n dynamisch zich ontwikkelende industrie, is politieke aandacht nodig voor een aantal essentiële beleidsvraagstukken, met name met betrekking tot onderzoek en ontwikkeling, standaardisatieprocessen, de voltooiing van de interne markt, steun aan het midden- en kleinbedrijf, onderwijs en opleiding, alsmede toegang tot de wereldmarkten.

  • 3. Acties die een belangrijk effect op het concurrentievermogen van de ICT-industrieën hebben, vormen een belangrijk onderdeel van de beleidsinitiatieven die reeds in de Europese Unie ondernomen worden, b.v. de programma's en initiatieven welke uiteengezet zijn in het document van de Commissie, getiteld "Europa in de voorhoede van de Wereldwijde Informatiemaatschappij : een Permanent Actieprogramma" (doc. COM(96) 607). Sommige van deze acties zouden zo nodig versterkt en versneld kunnen worden. Voorts is de Raad verheugd over de mededeling van de Commissie over het concurrentievermogen van ICT-industrieën en verzoekt hij de Commissie om, in overleg met de lidstaten en de industrie, deze vraagstukken te blijven analyseren en te onderzoeken wie behoefte hebben aan verdere specifieke acties in de ICT-industriesector en aan mechanismen voor het volgen van de vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van de acties en op welke termijn."

  • 4. Voor een versterking van het concurrentievermogen van de Europese industrie moeten nieuwe informatie- en communicatietoepassingen snel in het zakenleven en in zakelijke transacties worden ingevoerd. De Raad is verheugd over de mededeling van de Commissie over elektronische handel en neemt nota van het voornemen van de Commissie om vóór het jaar 2000 een coherent juridisch kader voor elektronische handel ten uitvoer te doen leggen. De Raad zal het punt van de elektronische handel, in het bijzonder met betrekking tot het MKB, tijdens een van zijn komende zittingen verder bespreken."

SCHEEPSBOUW

Tijdens zijn zitting van 14 november 1996 had de Raad de Commissie verzocht om voor zijn zitting van april 1997 een werkdocument over de toekomst van de scheepsbouw voor te leggen. Dit document, getiteld "Scheepsbouwbeleid - opties voor de toekomst - eerste verkenning" en dan met name de opties voor toekomstige staatssteunregelingen indien de OESO-Overeenkomst niet binnen afzienbare tijd van kracht wordt, was het eerste punt inzake de scheepsbouw op de agenda van de Raad.

Aangezien de geldigheidsduur van de in de "7e richtlijn betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw" voorziene afwijkingen ten gunste van bepaalde in herstructurering zijnde scheepswerven verstreken is, heeft de Commissie onlangs een voorstel voor een verordening ingediend, met de bedoeling de vorige afwijkingen zodanig aan te passen dat de Commissie toestemming kan verlenen voor steunprogramma's in Duitsland, Griekenland en Spanje. Dit was het tweede punt inzake scheepsbouw op de agenda van de Raad.

Na een grondige bespreking van deze vraagstukken kwam de Raad tot de volgende conclusies :

  • "1. Er bestaat een gekwalificeerde meerderheid voor een specifieke nieuwe regeling voor de scheepsbouw (Optie 3 van de mededeling van de Commissie "Scheepsbouwbeleid - opties voor de toekomst - eerste verkenning"), en een gelijktijdige verlenging van de geldigheidsduur van de 7e richtlijn tot 31.12.1998, met dien verstande dat de 7e richtlijn automatisch komt te vervallen
  • - zodra de OESO-Overeenkomst door de Verenigde Staten wordt bekrachtigd of
  • - zodra er een nieuwe regeling inzake het scheepsbouwbeleid wordt aangenomen.

    • De Raad neemt nota van het voornemen van de Commissie om eventueel de nodige, op de 7e richtlijn gebaseerde stappen te ondernemen teneinde te vermijden dat er een rechtsvacuüm ontstaat.

    • 2. Het voorstel van de Commissie voor steun aan specifieke scheepswerven in Duitsland, Spanje en Griekenland wordt door een gekwalificeerde meerderheid binnen de Raad gesteund mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :

    • -  streng toezicht van de Commissie middels vier inspecties en twee rapporten per jaar ;
    • -de Spaanse regering moet ermee instemmen dat de scheepswerf van Astander geen verbouwingen uitvoert zolang de werf overheidsbezit blijft ;
    • -de Commissie moet een expertise laten uitvoeren over Floating Production and Storage Offloading vessels (FPSO's) en de Raad verslag doen van haar bevindingen ;
    • -de Commissie moet zich blijven inspannen om de Verenigde Staten ervan te overtuigen dat de OESO-Overeenkomst moet worden bekrachtigd.

    • 3. Voorts bevestigt de Raad dat hij zich gebonden acht aan de standstill-clausule in de OESO-Overeenkomst.".

    De Zweedse en de Finse delegatie konden zich niet vinden in het eerste punt van deze conclusies. De Deense, de Finse en de Zweedse delegatie kondigden aan dat zij tegen de verordening waarin de steun aan specifieke scheepswerven formeel wordt goedgekeurd (tweede alinea van de conclusies), zullen stemmen, terwijl de delegatie van het Verenigd Koninkrijk zich op dit punt van stemming wil onthouden.

    De Commissie zegde toe het voorstel voor het eerste punt genoemde nieuwe regeling uiterlijk eind september 1997 te zullen indienen.

    De Raad droeg het Comité van Permanente Vertegenwoordigers op de juridische teksten die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van deze conclusies, bij te werken zodat de formele besluiten kunnen worden genomen.

    Gememoreerd zij dat de OESO-Overeenkomst betrekking heeft op gezonde mededingingsvoorwaarden in de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector. De Overeenkomst voorziet in de afschaffing van alle directe steunverlening aan de scheepsbouw, met uitzondering van sociale steun in verband met de sluiting van scheepswerven en van steun voor onderzoek en ontwikkeling, die binnen bepaalde grenzen zijn toegestaan. In september 1996 had de Raad besloten de geldigheidsduur van de relevante bepalingen van Richtlijn 90/684/EEG (de zevende richtlijn) over steun aan scheepsbouw nogmaals te verlengen totdat de Overeenkomst van kracht zou worden, of tot uiterlijk 31 december 1997.

    De steun die de Raad heeft besloten goed te keuren, betreft

    • -een bedrag van 54.525 miljard GRD voor Hellenic shipyards, zodat het bedrijf de geaccumuleerde schulden nog voor de uitgestelde privatisering kan afschrijven ;

    • -bedrijfssteun voor de periode van 1 maart 1996 tot 31 december 1998 ten behoeve van MTW-Schiffswerft en Volkswerft Stralsund tot een totaalbedrag van respectievelijk 333 en 395 miljoen DM. Die bedragen omvatten de steun die de verdere werking van de werven moet vergemakkelijken , de sociale steun, de aan contracten gekoppelde steun onder de "Wettbewerbshilfe"-regeling en het steun equivalent van waarborgen ;

    • -steun ten behoeve van de herstructurering van de openbare scheepswerven in Spanje tot een bedrag van 135.028 miljard ESP in de vorm van betaling van interest over leningen die werden aangegaan ter dekking van voordien goedgekeurde doch niet uitgekeerde steun, belastingkredieten en een kapitaalinjectie.

    STAATSSTEUN

    5e VERSLAG VAN DE COMMISSIE OVER STAATSSTEUN

    Commissielid VAN MIERT presenteerde mondeling het nieuwste verslag van de Commissie over staatssteun in de Gemeenschap in 1993 en 1994 (twaalf lidstaten).

    Hij vestigde de aandacht van de Raad in het bijzonder op twee feiten die de Commissie zorgen baren : de staatssteun aan de industrie bleef stabiel in vergelijking met de voorafgaande periode (1990-1993) terwijl de steun vóór die tijd een daling te zien gaf, en de sterke stijging van het aandeel van de steun in eenmalige maatregelen ten behoeve van individuele bedrijven.

    Het Commissielid benadrukte dat er stappen moeten worden ondernomen om de schadelijke effecten van het nationale steunbeleid op de economische cohesie in Europa tegen te gaan en om te voorkomen dat bedrijven verhuizen, aangelokt door onnodig hoge steun.

    STAND VAN ZAKEN MET BETREKKING TOT DE EVENTUELE TOEKOMSTIGE COMMISSIEVOORSTELLEN UIT HOOFDE VAN ARTIKEL 94/EG

    Commissielid VAN MIERT kondigde aan dat deze voorstellen tijdens het Luxemburgse Voorzitterschap zullen worden gepresenteerd. De voorstellen betreffen enerzijds procedureregels en anderzijds een verordening op grond waarvan de eis van voorafgaande kennisgeving voor een aantal categorieën steun (bijvoorbeeld steun voor milieudoeleinden, MKB, opleiding, onderzoek naar energiebesparing) komt te vervallen.

    EFFECTEN VAN DE STRUCTUURFONDSEN OP HET CONCURRENTIEVERMOGEN IN DE GEMEENSCHAP - NOTA VAN DE DEENSE DELEGATIE

    In een aan de Raad voorgelegde nota vraagt de Deense delegatie om meer aandacht te schenken aan de effecten van structuurbeleid en regionale overheidssteun op de concurrentieverhoudingen in de Gemeenschap, en zodoende vast te stellen hoe de minst bevoorrechte gebieden in de Gemeenschap het best met het structuurbeleid kunnen worden geholpen zonder dat er in andere delen van de Gemeenschap bedrijven moeten worden gesloten. Denemarken vroeg in het bijzonder om een uitvoerige analyse zodat er op basis van feiten tijdens een toekomstige zitting van de Raad een gedegen discussie kan worden gevoerd.

    Na nota te hebben genomen van de Deense nota en opmerkingen van de Commissie en een aantal delegaties te hebben gehoord, besloot de Raad de Commissie te verzoeken tijdens zijn volgende zitting of onder het Britse Voorzitterschap op dit punt terug te komen.

    IJZER- EN STAALINDUSTRIE

    7E VERSLAG OVER HET TOEZICHT OP DE STEUN AAN DE IJZER- EN STAALINDUSTRIE

    De Raad nam nota van de presentatie van Commissielid VAN MIERT van het 7e verslag van de Commissie over het toezicht op gevallen van steun aan de ijzer- en staalindustrie krachtens artikel 95 van het EGKS-Verdrag en de communautaire staalsteuncode. Volgens het Commissielid maakt het verslag geen melding van bijzondere problemen.

    Dit is een halfjaarlijks verslag dat door de Commissie op basis van door de betrokken lid-staten verstrekte gegevens wordt opgesteld ten einde streng toezicht uit te oefenen op de steun aan bepaalde Europese ijzer- en staalbedrijven waarmee zij in 1994 (CSI en Sidenor in Spanje, ILVA in Italië, Siderúrgia Nacional in Portugal, EKO Stahl GmbH en Sächsische Edelstahlwerke GmbH in Duitsland) en in 1995 (Voest Alpine Erzberg GmbH in Oostenrijk) en in 1996 (Irish Steel in Ierland) heeft ingestemd.

    CONTROLE OP CONCENTRATIES VAN ONDERNEMINGEN

    De Raad bereikte een politiek akkoord, met een voorbehoud voor nadere bestudering door het parlement van het Verenigd Koninkrijk, over een wijziging van Verordening 4064/89 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen. Het voorstel zal zonder verder debat tijdens een van de komende zittingen van de Raad definitief worden aangenomen.

    Het belangrijkste nieuwe element is de behandeling van fusies die een beduidend grensoverschrijdend effect hebben maar die, omdat zij onder de huidige omzetdrempels zitten, aan de nationale autoriteiten in iedere betrokken lidstaat moeten worden aangemeld (meervoudige nationale aanmeldingen).

    De huidige situatie brengt veel werk en kosten mee, evenals juridische onzekerheid voor de bedrijven die bij dergelijke fusies zijn betrokken. Hierin komt verandering aangezien de bevoegdheid van de Commissie in de nieuwe opzet wordt uitgebreid tot die gevallen die door een enkele instantie zullen worden behandeld, de "one-stop-shop-procedure".

    De bevoegdheid van de Commissie wordt uitgebreid tot die gevallen van fusie waarin :

    • a) de totale omzet die over de gehele wereld door alle betrokken ondernemingen te zamen is behaald, meer dan 2,5 miljard ecu bedraagt,

    • b) de totale omzet die door alle betrokken ondernemingen in elk van ten minste drie lidstaten is behaald, meer dan 100 miljoen ecu bedraagt,

    • c) in elk van de drie lidstaten die ten behoeve van punt b) in aanmerking zijn genomen, de totale omzet die door ten minste twee van de betrokken ondernemingen elk afzonderlijk is behaald, meer dan 25 miljoen ecu bedraagt, en

    • d) de totale omzet die in de Gemeenschap door ten minste twee van de betrokken ondernemingen elk afzonderlijk is behaald, meer dan 100 miljoen ecu bedraagt,

    tenzij elk van de betrokken ondernemingen meer dan twee derde van haar totale omzet in de Gemeenschap in eenzelfde lidstaat behaalt.

    Drie jaar na de aanneming van de verordening kan de Raad deze drempels en criteria op basis van een verslag en een voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid herzien.

    In de gewijzigde verordening staan ook andere veranderingen ten opzichte van de huidige concentratieverordening, zoals bijvoorbeeld de grondslag voor het berekenen van de omzet van kredietinstellingen en financiële instellingen, alsmede wijzigingen om de tekst van de verordening te verduidelijken en te verbeteren.

    DIVERSEN

    Commissielid BANGEMANN presenteerde kort de volgende mededelingen : "Actieplan van de Europese Unie : communicatie per satelliet in de informatiemaatschappij" en "De Europese Unie en de ruimtevaart : bevordering van toepassingen, markten en industrieel concurrentievermogen".

    Voorts gaven het Commissielid en de Duitse minister REXRODT het laatste nieuws over de voorbereiding van de Internationale ministeriële conferentie over wereldwijde informatienetwerken : het benutten van het potentieel", die op 6-8 juli 1996 in Bonn zal worden gehouden.

    OVERIGE BESLUITEN

    Aangenomen zonder debat. In het geval van wetgevingsbesluiten zijn de tegenstemmen en onthoudingen vermeld. Besluiten die vergezeld gaan van verklaringen die de Raad voor het publiek beschikbaar heeft gesteld, zijn aangegeven met een asterisk ; deze verklaringen kunnen bij de Persdienst worden verkregen.

    BEGROTING

    De Raad hechtte zijn goedkeuring aan de aanpassing van de financiële vooruitzichten in verband met de uitvoering van de begroting, die dezelfde dag ook door het Europees Parlement is goedgekeurd.

    De aanpassing, waartoe is besloten op grond van punt 10 van het Interinstitutioneel Akkoord over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure van 29 oktober 1993, vloeit voort uit een voorstel van de Commissie en houdt rekening met de wijze van uitvoering van de begroting in 1996 en de te verwachten mogelijkheden voor de uitvoering van de Structuurfondsen in 1998.

    Op basis van dit besluit wordt het maximum van de Structuurfondsen (kredieten voor vastleggingen) van de financiële vooruitzichten met 500 miljoen ecu verlaagd in 1998 en met 1.045 miljoen ecu verhoogd in 1999 (overdracht van 500 miljoen ecu van 1998 en annulering van 545 miljoen ecu in 1996). Het algemeen maximum van de kredieten voor betalingen wordt in 1998 met 300 miljoen ecu verlaagd en in 1999 met hetzelfde bedrag verhoogd. Voorts wordt het maximum van het Cohesiefonds (vastleggingskredieten) in 1999 met 17 miljoen ecu verhoogd.

    MILIEU

    Programma ter ondersteuning van niet-gouvernementele organisaties (NGO's)

    De Raad nam een gemeenschappelijk standpunt aan over het besluit inzake een communautair actieprogramma ter ondersteuning van niet-gouvernementele organisaties die voornamelijk werkzaam zijn op het gebied van milieubescherming.

    Het algemeen doel van dit programma is het ondersteunen van de activiteiten van de NGO's op Europees niveau door bij te dragen aan de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van milieubeleid en -wetgeving van de Gemeenschap. De Commissie heeft het aanvankelijke voorstel in december 1995 per brief aan de Raad doen toekomen ; met het voorstel wordt beoogd een juridische grondslag en zodoende stabiliteit te verschaffen aan de reeds bestaande praktijk van de medefinanciering van NGO's die met name op dit gebied werkzaam zijn.

    Het programma gaat op 1 januari 1998 van start en loopt tot en met 31 december 2001. Het financieel referentiebedrag voor de tenuitvoerlegging over deze periode is 10,6 miljoen ecu. In principe bedraagt de communautaire steun niet meer dan 50% van de begroting voor de operationele uitgaven waaraan deze bijdrage wordt toegekend.

    ONDERZOEK

    Vierde kaderprogramma

    De Raad was van oordeel dat hij niet alle amendementen van het Europees Parlement op zijn gemeenschappelijk standpunt inzake het voorgestelde financieel supplement bij het vierde kaderporgramma voor onderzoek en ontwikkeling kan aanvaarden. Derhalve zal het bemiddelingscomité worden bijeengeroepen overeenkomstig de regels van de medebeslissingsprocedure, teneinde beide instellingen over dit besluit tot overeenstemming te laten komen.

    VISSERIJ

    Oostzee

    De Raad nam een verordening aan tot instelling van een regeling voor het beheer van de visserij-inspanning in de Oostzee. In de verordening staan de voorwaarden voor toegang tot de wateren en de bestanden, de voortzetting van de visserij-activiteiten en wordt een communautair systeem voor speciale visserijvergunningen ingevoerd. Met de verordening komt een eind aan de overgangsregelingen voor toegang tot de Oostzee voor Finland en Zweden en worden deze landen volledig opgenomen in het gemeenschappelijk visserijbeleid.


  • Side Bar