Navigation path

Left navigation

Additional tools

Other available languages: EN FR DE DA IT PT EL

De   Regeringen  van  de   Lid-Staten  en   de  Commissie   van  de  Europese
Gemeenschappen waren als volgt vertegenwoordigd :

België :
de heer Wilfried SCHRÖDER                Minister  van  Onderwijs,  Cultuur,
                                         Wetenschap    en    Monumenten   en
                                         Historische    Plaatsen    van   de
                                         Duitstalige Gemeenschap

Denemarken :
de heer Niels PULTZ                      Plaatsvervangend          Permanent
                                         Vertegenwoordiger

Duitsland :
de heer Dieter BREITENBACH               Minister   van   Wetenschappen   en
                                         Cultuur van Saarland

Griekenland :
de heer Georgios PAPANDREOU              Minister    van     Onderwijs    en
                                         Kerkelijke Zaken

Spanje :
de heer Carlos BASTARRECHE               Plaatsvervangend          Permanent
                                         Vertegenwoordiger

Frankrijk :
de heer François d'AUBERT                Staatssecretaris      van     Hoger
                                         Onderwijs    en    Wetenschappelijk
                                         Onderzoek

Ierland :
mevrouw Niamh BHREATHNACH                Minister van Onderwijs

Italië :
de heer Giancarlo LOMBARDI               Minister van Onderwijs
de heer Giorgio SALVINI                  Minister   van   Hoger   Onderwijs,
                                         Wetenschappelijk    Onderzoek    en
                                         Technologie

Luxemburg :
mevrouw Erna HENNICOT-SCHOEPGES          Minister van Onderwijs

Oostenrijk :
mevrouw Elisabeth GEHRER                 Minister van Onderwijs

Nederland :
de heer Jo RITZEN                        Minister van Onderwijs, Cultuur  en
                                         Wetenschappen

Portugal :
de heer Eduardo MARÇAL GRILO             Minister van Onderwijs

Finland :
de heer Olli-Pekka HEINONEN              Minister van Onderwijs

Zweden :
mevrouw Ylva JOHANSSON                   Minister van Onderwijs
mevrouw Lil LJUNGGREN LÖNNBERG           Staatssecretaris

Verenigd Koninkrijk :
de heer Eric FORTH                       Onderminister   van   Onderwijs  en
                                         Werkgelegenheid

                                      u

                              u              u
Commissie :
mevrouw Edith CRESSON                    Lid

WITBOEK "ONDERWIJZEN EN LEREN. NAAR EEN COGNITIEVE SAMENLEVING"

1.  De Raad heeft op  6 mei 1996 het Witboek "Onderwijzen  en leren. Naar een
cognitieve samenleving" besproken. Dit Witboek is door de  Europese Commissie
op  initiatief van de Commissarissen E. Cresson en P. Flynn en met instemming
van Commissaris M. Bangemann ingediend.

Met  de  hiernavolgende  beschouwingen  wenst  Raad  van   de  Ministers  van
Onderwijs een bijdrage te leveren aan het debat  over een aantal fundamentele
vraagstukken omtrent onderwijs  en opleiding op het  niveau van de Lid-Staten
en van de Europese  Unie. Dit debat is reeds op gang gebracht  in Venetië (2-
3 februari 1996) naar aanleiding van  de openingsconferentie van het Europees
Jaar voor onderwijs en opleiding tijdens  de gehele loop van het leven en zal
in de loop van 1996 en de daaropvolgende jaren worden voortgezet.

De  beschouwingen  hebben   derhalve  niet  het   karakter  van   definitieve
uitspraken. Zij zijn  een tussenstap, zowel  in de Staten als  in het  proces
van analyse en verdieping dat ook tijdens  het halfjaar van het Ierse en  het
Nederlandse voorzitterschap in de  Europese instellingen en andere technische
organen aandacht zal krijgen.

2. De Ministers van Onderwijs zijn in de eerste plaats  dank verschuldigd aan
de Commissie voor  deze nieuwe  bijdrage aan  de analyse  van de  belangrijke
vraagstukken   die  rijzen   bij  de  ontwikkeling   van  de   onderwijs-  en
opleidingsstelsels in de  Lid-Staten van de  Unie. Deze analyse  ligt in  het
verlengde van de  ideeën die in  het op initiatief van  J. Delors  opgestelde
Witboek "Groei,  concurrentievermogen en  werkgelegenheid" en  in de  diverse
Commissiedocumenten over  beroepsopleiding, hoger onderwijs  en onderwijs  op
afstand zijn ontvouwd.

In dit verband dienen ook de conclusies  van de Europese Raad van Madrid  van
december 1995 en  van de vorige Europese Raden van Essen  en Cannes te worden
vermeld. Zij hebben  de aandacht gevestigd op  de zorgwekkende economische en
werkgelegenheidssituatie in de landen van de Unie, de maatregelen omde groei-
 en ontwikkelingsperspectieven ervan te  verbeteren, en tenslotte de noodzaak
om  op  nationaal  en  op  communautair  niveau investeringen  in  onderzoek,
ontwikkeling en onderwijs te bevorderen.

Het  lijdt geen twijfel dat  het jaar 1996, dat bij  besluit van het Europees
Parlement en  de Raad is  uitgeroepen tot  "Europees Jaar  voor onderwijs  en
opleiding tijdens  de gehele loop van het leven"  een goede gelegenheid vormt
om in  de diverse Europese  samenwerkingsstructuren en op  het niveau van  de
afzonderlijke Lid-Staten dieper in te gaan  op de thema's, de behoeften en de
doelstellingen  op  middellange  en  lange   termijn  in  de  onderwijs-   en
opleidingssector in de Gemeenschap.

In dit perspectief biedt de indiening van het Witboek een kans die  met beide
handen  moet   worden  aangegrepen.  Het  bevat  een  politieke  analyse  van
vraagstukken  op  het  gebied  van  onderwijs  en  opleiding,  die  met  name
belangrijk  is  gezien  de   periode  waarin   het  werd  ingediend,  nu   de
artikelen 126  en 127  van  het  Verdrag  tot  oprichting  van   de  Europese
Gemeenschap   hun  eerste  vruchten  afwerpen   en  de  nieuwe  communautaire
samenwerkingsprogramma's SOCRATES en LEONARDO van start zijn gegaan.

Een ander  belangrijk aspect  is de  samenhangende kijk  op de  problemen van
onderwijs en opleiding  die het Witboek  biedt. Voor  het uittekenen van  een
perspectief  waarin de  politieke aandacht  moet  worden geplaatst,  moet een
gezamenlijke  analyse worden  gemaakt van  de problemen  rond  de individuele
opleiding  en  de  problemen  in  verband met  de  economische  groei  en  de
ontwikkeling  van de arbeidsmarkt in  hun samenhang met de beroepsopleidings-
vraagstukken.

Tot slot dient opnieuw  te worden beklemtoond dat  het een goede zaak is  dat
de bezinning op communautair niveau spoort met deze  in de afzonderlijke Lid-
Staten, dat  zij verloopt  volgens de  vernieuwings- en  hervormingstendensen
die  het   nationale  beleid  bepalen   en  tevens   aandacht  besteedt   aan
vraagstukken  waarmee dat beleid  te kampen  heeft. In  dit verband  dient te
worden gewezen op de cruciale  rol van de onderwijsgevenden in de vernieuwing
van  de  onderwijs-  en  opleidingsstelsels  en  in  de  verbetering  van  de
kwaliteit ervan. 

3. Het  Witboek omschrijft de samenleving van de toekomst als een "cognitieve
samenleving",  waarop  de  onderwijs- en  de  opleidingsstelsels  op passende
wijze  zullen moeten  inspelen,  met  name via  in  een Europees  perspectief
geplaatste strategieën,  met inachtneming van de autonome bevoegdheden van de
Lid-Staten.

In de  samenleving van de toekomst zullen onderwijs en opleiding niet beperkt
blijven tot  het  zoeken  naar  specifieke  oplossingen om  jongeren  in  het
beroepsleven in te schakelen, maar  zal het accent moeten komen  te liggen op
de  centrale betekenis van onderwijs en opleiding voor zaken als persoonlijke
ontwikkeling  op   alle  vlakken,   sociale  integratie,   gemeenschappelijke
waarden,  doorgifte  van  cultureel erfgoed,  ontwikkeling  van  persoonlijke
zelfstandigheid.

Het  Witboek  stelt   vast  dat   de  Europese  samenleving   momenteel  drie
belangrijke impulsen kent :

.  de verbreiding van de informatietechnologie en de ingrijpende inhoudelijke
   en organisatorische veranderingen op het punt van produktie en  arbeid die
   dit meebrengt ;

.  de globalisering van de economie ;

.  de  steeds  snellere  vooruitgang  en  de  verbreiding  van wetenschap  en
   techniek als gevolg daarvan.

Vooreerst past  een opmerking  over het  algemene kader  waarin de  problemen
waarmee   onze   veranderende   samenleving   wordt  geconfronteerd,   worden
geanalyseerd.

Het  Witboek kan de indruk wekken  dat de analyse hoofdzakelijk, zij het niet
uitsluitend, aandacht besteedt aan de economische aspecten  van de menselijke
activiteit.  Ook de keuze van de  titel "Naar een cognitieve samenleving" kan
verwarring wekken  wanneer deze in  beperkende zin  wordt geïnterpreteerd  en
ervan wordt  uitgegaan dat  tussen de  resultaten  van het  leerproces en  de
ontwikkeling van de economische activiteit en  de werkgelegenheid een lineair
verband bestaat.

De  Raad   is   van   mening  dat   bij   de   analyse  van   onderwijs-   en
opleidingsvraagstukken in het  Europa van vandaag en  morgen, naast de louter
economische aspecten van de ontwikkeling, ook voldoende  aandacht moet worden
besteed  aan de culturele en opvoedkundige aspecten ervan. Bij de economische
activiteit, die  ook deel uitmaakt van  het civiele leven, mogen  de ethische
grondslagen van de sociale ontwikkeling niet uit het oog worden  verloren. De
filosofische en axiologische  dimensie moet een tegengewicht vormen  voor een
visie  van de sociale  ontwikkeling die  "verlicht" kan  lijken, namelijk een
visie waarin ten  aanzien van de  kennis als doel op  zich buitensporig  hoge
verwachtingen worden gesteld.

Een  ruimere  interpretatie van  de  problemen en  de uitdagingen  waarmee de
hedendaagse  samenleving wordt  geconfronteerd  maakt het  mogelijk  recht te
doen aan  de rol die andere factoren, naast  de informatietechnologieën en de
globalisering van de economie, in de voorspelbare ontwikkelingen  spelen. Bij
wijze   van  voorbeeld  kan  worden  verwezen  naar  de  grote  demografische
verschijnselen, het contact  tussen diverse culturen, de  milieuproblematiek,
de bedreiging  van democratische  samenlevingsvormen en  het grote  vraagstuk
van de  sociale marginalisering, dat in belangrijke mate te  wijten is aan de
kloof op het gebied van de kennis en de capaciteiten om deze te beheersen.

4. Het Witboek noemt  twee mogelijke  reacties op deze uitdagingen :  toegang
tot algemene ontwikkeling en ontwikkeling van de beroepsbekwaamheid.

Er wordt  opgemerkt dat het gevaar bestaat dat er  in de Europese samenleving
een scheiding ontstaat tussen  mensen die in staat zijn te  begrijpen, mensen
die  slechts  kunnen   "consumeren"  en  mensen  aan   de  zelfkant  van  een
bijstandsmaatschappij.  Deze  scheiding  kan  samenvallen  met de  tweedeling
tussen degenen die wèl en die niet geleerd hebben.

Het Witboek onderstreept  derhalve dat de Europese  dimensie van onderwijs en
opleiding moet worden ontwikkeld. De Europese  dimensie moet het uitgangspunt
worden  voor  het   optreden  via  een  aantal   voorbeelden  en  vormen  van
samenwerking tussen de Lid-Staten :

-  qua  procedure :  door  passende  instanties voor  de  bespreking  van  de
   voorgestelde onderwerpen vast te stellen ;

-  qua financiering : door de keuze van elk van de Staten te respecteren ; de
   Gemeenschap kan  momenteel  weliswaar geen  nieuwe projecten  financieren,
   maar in het  Witboek wordt voorgesteld de  prioriteiten op onderwijsgebied
   te handhaven ;

-  qua bevoegdheden :  door strikt de  hand te houden  aan de  beginselen van
   Maastricht wat betreft  de verantwoordelijkheid van de  Lid-Staten voor de
   inhoud en organisatie van de onderwijs- en opleidingssystemen, en door het
   subsidiariteitsbeginsel te bevestigen.

Het   Witboek  onderscheidt  vijf  algemene   doelstellingen  en  een  aantal
steunmaatregelen om een en ander te verwezenlijken :

.  de verwerving  van nieuwe kennis aanmoedigen (de volgende steunmaatregelen
   worden voorgesteld : invoering van een Europees systeem voor de  erkenning
   van basisvaardigheden, persoonlijke  bekwaamheidskaarten, Europees systeem
   voor  de erkenning  van vaardigheden,  bevordering van  de mobiliteit  van
   studenten, steun voor de ontwikkeling van educatieve multimediasoftware),

.  school en  onderneming  nader tot  elkaar  brengen (openstelling  van  het
   onderwijs voor  het beroepsleven, het betrekken van  de onderneming bij de
   opleiding,  ontwikkeling van de samenwerking tussen onderwijsstructuren en
   bedrijfsleven),

.  uitsluiting  bestrijden  (ondersteuning  van  tweede-kansscholen  door  de
   concentratie van  materiële en menselijke middelen in probleemgebieden, de
   bevordering van experimenten met Europees vrijwilligerswerk),

.  beheersing   van   drie  communautaire   talen   (ondersteuning  van   het
   taalonderricht vanaf  het voorschoolse onderwijs en in de beroepsopleiding
   door evaluatie- en kwaliteitsbewakingssystemen voor het talenonderricht in
   te voeren),

.  gelijke  behandeling  van  materiële  investeringen  en  investeringen  in
   opleiding  (voorzien  in de  mogelijkheid  dat  de boekhoudkundige  en  de
   fiscale behandeling van de uitgaven voor opleiding worden aangepast).

Conclusies

De  Raad van  Ministers van Onderwijs  beschouwt de  in het  Witboek vermelde
doelstellingen  als aanwijzingen  voor  de  mogelijke  ontwikkeling  van  het
onderwijs en  de opleiding  in de  Lid-Staten en  in de  Europese Unie ;  hij
hoopt  dat tijdens  het  Ierse  en het  Nederlandse  Voorzitterschap over  de
voorgestelde maatregelen  een diepgaand debat  kan worden gehouden, met  name
tegen de achtergrond van eventuele voorstellen van de Commissie.

Vooraf  wenst  de  Raad er  echter  de aandacht  op  te vestigen  dat  bij de
maatregelen waartoe  na afronding van het  debat over het  Witboek kan worden
besloten, rekening gehouden wordt met :

-  de in de artikelen 126 en 127 van het Verdrag vervatte beginselen ;
-  het subsidiariteitsbeginsel ;
-  de eis dat de financiële vooruitzichten op het gebied van het onderwijs in
   acht worden genomen.

Wat de  doelstellingen en  de voorstellen  voor maatregelen  betreft, kan  de
problematiek van enkele punten niet over het hoofd gezien worden :

A.    Erkenning van basisvaardigheden

   In  dit verband is de eis dat de certificering van de opleidingen mede met
   het oog  op de mobiliteit op communautair  niveau doorzichtig moet worden,
   vaak te horen, met name omdat de doorzichtigheid van de  certificering een
   belangrijk instrument is om de kwaliteit van de opleidingen te verbeteren.
   Op dit moment lijkt het, met name gezien  de diversiteit van de onderwijs-
   en opleidingsstelsels, moeilijk  de niet-formele opleidingen te  erkennen.
   Dit probleem dient  derhalve grondig te  worden onderzocht, onder  meer in
   het licht van de experimenten die in sommige landen zijn uitgevoerd.

   In de fase waarin wij ons thans bevinden, lijkt op basis van de resoluties
   van  de  Raad van  3 december 1992  en  5 december 1994  een  vergelijking
   mogelijk en wenselijk tussen  de lopende experimenten in  de verschillende
   landen  met betrekking  tot de  certificering van  opleidingen en  moet er
   steun  gegeven  worden aan  de  initiatieven van  de  Lid-Staten  voor het
   opstellen  van nieuwe certificeringsmodellen.  Volgens vele  Lid-Staten is
   het echter  zaak, een te  grote bureaucratisering, die  negatieve gevolgen
   zou  hebben voor  de  flexibiliteit  en de  mobiliteit  van  de markt,  te
   voorkomen.

B.    School en arbeid nader tot elkaar brengen

   Door  het probleem van de werkloosheid in  verscheidene landen en met name
   de  jeugdwerkloosheid,  staat  dit  thema centraal  in  het  beleid inzake
   onderwijs en sociale zaken. Zowel in de Lid-Staten  als op Europees niveau
   lopen er  vele verschillende experimenten  in het kader  van communautaire
   programma's   (laatstelijk   LEONARDO),   om   het    overgangsproces   te
   vergemakkelijken. De  verscheidenheid van die experimenten vormt een rijke
   bron  om  de  activiteiten  van  de  scholen  en onderwijsinstellingen  te
   combineren met de samenwerking met de bedrijven. Eén enkel referentiemodel
   zou te  beperkt zijn,  ook al  wordt het  uitgewerkt in  het kader  van de
   organisatie van de onderwijs- en opleidingsstelsels.

   Voorts dient te worden onderstreept dat het doel er niet in mag bestaan de
   opleidingen uitsluitend,  en slaafs,  aan de  eisen van  de arbeid  aan te
   passen, maar dat het zaak is ieder individu het vermogen te geven zich aan
   te passen aan het proces van veranderingen.

   Zoals in OESO-verband is benadrukt, moet het partnerschap van alle burgers
   versterkt worden om de betrekkingen tussen school en arbeid te verbeteren.

   Bovendien moet een nauwere samenwerking tot stand komen tussen  de organen
   die belast zijn met de  analyse van de nieuwe behoeften op het  gebied van
   beroepsbekwaamheden.

   Zoals in  het vorige  Witboek van  Jacques Delors  is aangegeven,  moet er
   gestreefd  worden  naar  een  maatschappij  van  de  opleiding  waarin  de
   resultaten van  het leerproces en de opleiding  niet alleen nuttig zijn om
   de  arbeidsmarkt op  te gaan,  maar ook om  de potentiële  kwaliteiten van
   ieder individu optimaal te benutten.

C.    Uitsluiting bestrijden

   Paradoxaal dreigen de ontwikkeling  van het wetenschappelijk onderzoek  en
   de verspreiding van de technologieën een diepere kloof te  scheppen tussen
   degenen die kennis bezitten en gebruiken en degenen die niet tot de  groep
   van de nieuwe geletterden behoren. 

   De werkelijke uitdaging  voor de onderwijsstelsels bestaat erin  de nodige
   voorwaarden tot  stand  te  brengen om  iedereen  passende  onderwijs-  en
   opleidingsmogelijkheden te  bieden in het perspectief van scholing tijdens
   de gehele loop van het leven.

   Er    moetenderhalvemeerinspanningen                                 wordengedaanomde                                                kwaliteitvandebasisonderwijs-
    en  basisopleidingsstelsels te  verbeteren, ten  einde  achterstelling en
   mislukking te voorkomen. Iedere Lid-Staat neemt hiertoe de maatregelen die
   hij  nodig acht  en  bevordert hierbij  de  intensievere uitwisseling  van
   ervaringen.

   Ten  einde  jongeren  die   het  onderwijssysteem  voortijdig  en   zonder
   kwalificatie  hebben verlaten,  een tweede kans  te geven,  dienen de Lid-
   Staten zich te beijveren de mechanismen in te voeren en te ontwikkelen die
   zij  nodig  achten  om   deze  jongeren  verschillende  mogelijkheden   te
   verstrekken ; tevens  dienen zij de  uitwisseling van ervaringen  die meer
   inzicht in deze zaken kunnen verschaffen, te bevorderen.

D.    Talenkennis

   In de communautaire samenwerking is dit altijd beschouwd als een fundamen-
   tele  doelstelling om  de mobiliteit van  de burgers  en de interculturele
   opvoeding te bevorderen. Met het oog hierop moet ten volle gebruik  worden
   gemaakt van de lopende  communautaire programma's. Enkele Lid-Staten  zijn
   van  oordeel dat hun  aandacht voor de  talen van de  Gemeenschap - die op
   grond van de resolutie betreffende de meertaligheid van 1995 belangrijk en
   prioritair worden geacht - uiteraard niet mag uitsluiten dat in  het kader
   van  hun nationale  beleid, aandacht  wordt  geschonken aan  andere, niet-
   communautaire Europese talen.

   Ten einde het doel,  de beheersing van drie  talen van de Gemeenschap,  te
   bereiken, stelt de Commissie met name voor  een erkenning van kwaliteit in
   te voeren voor het onderwijs van instellingen die het leren van talen  het
   beste hebben aangemoedigd. Een dergelijk idee roept echter bezwaren op van
   de Lid-Staten, die het niet uitvoerbaar achten. De Commissie meent dat dit
   punt tijdens het lopende debat bijzondere aandacht verdient.

E.    Gelijke  behandeling van  materiële investeringen  en investeringen  in
      opleiding

   Ook dit aspect, waarbij wordt voorgesteld om alle niveaus van financiering
   door  de  diverse  actoren  in  het  onderwijs-  en  opleidingsproces   te
   consolideren, is zeer gecompliceerd, ook wat de gevolgen voor de besteding
   van de  overheidsmiddelen  betreft.  Er zijn  boekhoudkundige  en  fiscale
   problemen in  verband met  de  middelen die  voor onderwijs  en  opleiding
   uitgetrokken worden.

   Concluderend is de Raad  van mening dat het  Witboek een goede en  stevige
   basis vormt waarop  de komende maanden de  belangrijkste thema's aangaande
   de vooruitzichten  voor onderwijs en opleiding in  de komende jaren verder
   ontwikkeld kunnen worden.

   In  ieder  geval  mag  bij  het  uitzetten  van  een  koers  voor  verdere
   communautaire samenwerking niet worden voorbijgegaan aan twee fundamentele
   aspecten van de ontwikkeling van de onderwijs- en opleidingsstelsels :

   -  de  rol,  de  verantwoordelijkheid en  de  beroepsbekwaamheden  van  de
      onderwijsgevenden  waaraan  de  politieke  besluitvorming  de  grootste
      aandacht moet besteden ;

   -  de  kwaliteit van de onderwijs- en opleidingsstelsels die bepaald wordt
      door de behoeften van de hele maatschappij die tot uitdrukking komen in
      de  verwachtingen en  verlangens die  de leerlingen,  hun ouders  en de
      samenleving in het algemeen ten aanzien van de school hebben.

   Zoals de ministers ook bij andere gelegenheden meermalen hebben verklaard,
   is ook  in het licht  van de permanente  educatie de doelstelling  van een
   degelijke  basisopleiding  van  fundamenteel  belang  opdat  elk  individu
   zichzelf als mens  kan ontplooien en  een volledige beroepsbewaamheid  kan
   verwerven.

   Het debat  daarover  moet  worden voortgezet,  gezien  het  gecompliceerde
   karakter van de onderwijs- en opleidingsproblemen in een  maatschappij die
   voortdurend  en  snel verandert  en  rekening  houdend  met de  toenemende
   verantwoordelijkheid die de  overheid, maar ook de sociale partners hebben
   bij   het  opzetten   van  geïntegreerde   onderwijsstelsels  en   in  het
   vooruitzicht  van  permanente  educatie,  waarbij heel  het  leven  van de
   burgers in het geding is.

De uit  te voeren  analyse zal  derhalve waarschijnlijk  verdere ruimte  voor
samenwerking op communautair  niveau tot stand kunnen  brengen. De  verslagen
die  de Commissie, mede in  het licht van de  resultaten van de aangekondigde
themaconferenties zal indienen, zullen daartoe bijdragen.

Een  confrontatie van  ideeën is zeker  nuttig, ook  omdat de  in het Witboek
genoemde   kwesties  behandeld   zijn   of   behandeld   worden   in   andere
internationale fora, zoals  de OESO, de  Raad van Europa en  de UNESCO,  waar
men zich  ook terdege  bewust is  van de  globalisering van  de problemen  in
verband  met onderwijs  en opleiding, niet  alleen vanwege de  relatie met de
arbeidsmarkt-  en  de  werkgelegenheidsproblematiek,  maar   ook  vanwege  de
culturele en strikt onderwijskundige implicaties.

Het initiatief van de Commissie om dit Witboek voor te leggen  maakt deel uit
van  een  geheel  van   analyses  en   voorstellen  met  betrekking  tot   de
belangrijkste thema's waarover het  internationale debat gaat : de mobiliteit
en  het  vrije  verkeer  van  de  menselijke   hulpbronnen,  bevordering  van
meertaligheid   en    intercultureel   onderwijs,   de    overgangsprocessen,
opwaardering  van  het  sociale partnerschap  in  de  opleidingsstelsels, het
invoeren  van  de  nieuwe  informatietechnologieën  in   de  onderwijssector,
gelijke kansen zonder  de kwaliteit van de  opleidingsstelsels in het gedrang
te brengen.

In voorkomend geval  moet van de op  Europees communautair niveau uitgevoerde
analyse een politiek  signaal uitgaan voor de  samenwerkingsactie van de Lid-
Staten  die ernaar streven om samen de gronden  te vinden om, mede via acties
in de  onderwijs-  en  opleidingssector, de  algemene  doelstellingen van  de
Europese  Unie te verwezenlijken  langs de  drie lijnen  van de geïntegreerde
economische  ruimte, de gemeenschap van de burgers en het voortrekkerschap in
de internationale betrekkingen.

De communautaire instellingen moeten,  elk in  haar eigen rol, bijdragen  aan
de   definiëring   van   gebieden  van   gemeenschappelijke   actie   die  de
Verdragsbepalingen strikt  naleven. De  reserves en  terughoudendheid van  de
Lid-Staten  ten  aanzien van  enkele voorstellen  voor acties  (erkenning van
vaardigheden,   Europees  leerlingstelsel,  controle   op  de  kwaliteit  van
scholen, tweede-kans-scholen) moeten dan  ook gezien worden als  inherent aan
complexe  vraagstukken waarover eerst nog nagedacht moet worden en in verband
waarmee  de experimenten  in de  verschillende Lid-Staten  nog nader  bekeken
moeten  worden, alvorens coherente  en specifieke  actieprogramma's, voorzien
van de nodige financiële middelen, worden opgesteld.

EDUCATIEVE MULTIMEDIA-SOFTWARE OP HET GEBIED VAN ONDERWIJS EN OPLEIDING
-  Resolutie van de Raad

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

gezien  de door de Commissie voorgelegde ontwerp-resolutie en de bijdrage van
het Italiaanse Voorzitterschap ;

rekening  houdend met de  maatregelen die  bijdragen tot  de ontwikkeling van
onderwijs van  hoog gehalte  door samenwerking  tussen de  Lid-Staten aan  te
moedigen, onder volledige  eerbiediging van hun  verantwoordelijkheid op  dit
gebied ;

gezien  Besluit nr. 819/95/EG  van  het  Europees Parlement  en  de Raad  van
14 maart 1995   tot   instelling   van   het   communautaire   actieprogramma
Socrates [1]  ;

gezien Besluit  94/819/EG van  de Raad  van 6 december 1994  tot vaststelling
van een actieprogramma voor  de ontwikkeling van  een beleid van de  Europese
Gemeenschap inzake beroepsopleiding (Leonardo da Vinci) [2]  ;

gezien  Besluit nr. 818/95/EG  van  het  Europees Parlement  en  de Raad  van
14 maart 1995 houdende aanneming  van de derde fase  van het programma "JEUGD
VOOR EUROPA" [3]  ;

gezien  Besluit  nr. 1110/94/EG van  het  Europees Parlement  en de  Raad van
26 april 1994  betreffende   het  vierde   kaderprogramma  van  de   Europese
Gemeenschap  van communautaire  werkzaamheden  op het  gebied  van onderzoek,
technologische  ontwikkeling  en demonstratie  (1994-1998),  dat  onder  meer
voorziet in  onderzoek op  het gebied  van de  toepassing van informatie-  en
telecommunicatietechnologieën  ten  einde aan  gemeenschappelijke  maatschap-
pelijke behoeften te voldoen [4]  ;

gezien mededeling  COM(96)12 def.  van de  Commissie met  betrekking tot  het
voorstel  van besluit van het Europees  Parlement en de Raad inzake de tweede
aanpassing  van Besluit nr. 1110/94/EG, dat voorziet in een verhoging van het
totaalbedrag van de  financiële deelneming van de  Gemeenschap aan het vierde
kaderprogramma  in de toewijzing van  financiële middelen aan de activiteiten
in verband met de educatieve multimedia-software ;

gezien  Beschikking  nr. 802/94/EG  van  de  Raad  van  23 november 1994  tot
vaststelling van  een specifiek  programma voor  onderzoek en  technologische
ontwikkeling,    inclusief   demonstratie,    op    het   gebied    van    de
informatietechnologie (1994-1998) [5]  ;

gezien  Beschikking  nr. 801/94/EG  van  de  Raad  van  23 november 1994  tot
vaststelling van  een specifiek  programma voor  onderzoek en  technologische
ontwikkeling,     inclusief     demonstratie,    op     het     gebied    van
telematicatoepassingen van algemeen belang (1994-1998) [6]  ;

gezien  Beschikking  nr. 915/94/EG  van  de  Raad  van  15 december 1994  tot
vaststelling van  een specifiek  programma voor  onderzoek en  technologische
ontwikkeling,   inclusief   demonstratie,   op   het   gebied   van   gericht
sociaal-economisch onderzoek (1994-1998) [7]  ;

gezien het voorstel van  de Commissie  van 30 juni 1995 voor een  beschikking
van de Raad tot  vaststelling van  een meerjarenprogramma van de  Gemeenschap
ter   bevordering  van   de   ontwikkeling  van   een   Europese  multimedia-
inhoudindustrie en ter aanmoediging van het gebruik van  multimedia-inhoud in
de opkomende informatiemaatschappij (INFO 2000) [8]  ;

gezien  Besluit  95/563/EG  van de  Raad  van  10 juli 1995  betreffende  een
programma  ter bevordering van de ontwikkeling en de distributie van Europese
audiovisuele werken (MEDIA II - Ontwikkeling  en distributie) [9]  en Besluit
95/564/EG  van de Raad van  22 december 1995 betreffende de tenuitvoerlegging
van   een   opleidingsprogramma   voor   de   vakmensen   van   de   Europese
audiovisuele-programma-industrie (MEDIA II - Opleiding) [10]  ;

gezien  de  resolutie  van  de  Raad  van  4 april 1995  inzake  "cultuur  en
multimedia",  waarin  wordt  benadrukt dat  met  spoed  acties  moeten worden
gevoerd om de opkomst  en de  ontwikkeling van een culturele  multimediamarkt
te  steunen  zonder   afbreuk  te  doen  aan   de  taalkundige  en  culturele
verscheidenheid van Europa [11]  ;

gezien   het   Witboek  van   de   Commissie  "Groei,   concurrentievermogen,
werkgelegenheid :  Naar  de 21e  eeuw :  wegen  en uitdagingen",  waarin  het
belang   van  de  katalysatorfunctie  van   onderwijs  en  opleiding  in  een
veranderende maatschappij wordt onderstreept ;

gezien  de mededeling van de Commissie  aan het Europees Parlement en de Raad
en aan het  Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's "Europa
op weg naar de informatiemaatschappij : een actieplan" ;

nota  nemend  van de  resultaten  van  de bijeenkomst  van  de  G7  op 25  en
26 februari 1995 in  Brussel over de informatiemaatschappij  en met  name van
de  aanbevelingen  inzake  modelprojecten op  het  gebied  van transcultureel
onderwijs en opleiding ;

de mogelijkheden  erkennend van het  gebruik van  educatieve multimedia  voor
derde  landen in  de context  van de  internationale samenwerking,  en in het
bijzonder voor de  landen van  Centraal- en  Oost-Europa, de  landen van  het
Middellandse-Zeegebied en de ontwikkelingslanden ;

nota  nemend  van  de  twee  verslagen  van  juni  en  december 1995  van  de
Adviesgroep Concurrentievermogen  aan de  Voorzitter van  de Commissie en  de
Staatshoofden  en Regeringsleiders  over  de  verbetering  van  het  Europese
concurrentievermogen ;

nota nemend, als bijdrage  aan de discussie ter zake, van  het verslag van de
Task Force  "Multimediale educatieve software",  dat een overzicht geeft  van
de huidige situatie met betrekking tot deze software in Europa  en waarin een
ontwerp-actieplan op dit gebied wordt voorgesteld ;

gezien het Witboek "Onderwijzen en leren :  naar een cognitieve samenleving",
waarin  onder  andere maatregelen  worden aanbevolen  om de  ontwikkeling van
multimedia-hulpmiddelen   te  stimuleren   die  bevorderlijk   zijn  voor  de
verwerving van nieuwe kennis ;

gezien de mededeling  van de Commissie aan  het Europees Parlement,  de Raad,
het Economisch  en Sociaal  Comité en  het Comité  van de  Regio's, over  een
methodologie  voor  de  aanwending   van  de   financiële  middelen  van   de
Gemeenschap   voor   de    totstandbrenging   van   toepassingen    voor   de
informatiemaatschappij  en de noodzaak van  een efficiënte coördinatie tussen
onderzoek- en onderwijsprogramma's ;

gezien  de  voordelen  van  gecoördineerde  acties  voor  de  toepassing  van
educatieve   multimedia-software    in    diensten    aan    onderwijs-    en
opleidingsinstellingen ten einde :

-  bij te dragen tot de verbetering van de  kwaliteit en doeltreffendheid van
   de onderwijs- en opleidingsstelsels,  onder andere door de toepassing  van
   nieuwe pedagogische methoden en werkwijzen ;

-  de sociale samenhang te  versterken door gelijke toegangsmogelijkheden  te
   garanderen  voor alle gebruikers, vooral die van minder welvarende regio's
   en het midden- en kleinbedrijf, zodat zij een actieve rol kunnen spelen in
   de informatiemaatschappij ;

-  onderwijsgevenden, studenten en leerlingen  toegang te verschaffen tot  de
   informatiemaatschappij door hen bewust te maken van de voordelen  van deze
   nieuwe instrumenten en hen op te leiden in het gebruik ervan ;

-  een duurzaam partnerschap te bevorderen tussen de onderwijsinstellingen en
   de  leveranciers  van  materiaal,  software  en  diensten  ten  einde  een
   belangrijke markt te creëren voor multimedia-toepassingen en -diensten die
   werkelijk is afgestemd op de pedagogische behoeften ;

overwegende  dat het gebruik van  educatieve multimedia-software en -diensten
de  actieve  deelneming vereist  van  de lagere  overheden, de  onderwijs- en
opleidingsinstellingen,   de   onderwijsgevenden,   de   opleiders   en   het
bedrijfsleven opdat de beste pedagogische methoden kunnen  worden beproefd en
toegepast ;

rekening houdend met de  bijdrage van de multimediale telematicanetwerken tot
de  totstandbrenging  van  horizontale  verbindingen   tussen  onderwijs-  en
opleidingsinstellingen, onderwijsgevenden en leerlingen, en de  buitenwereld,
met het oog op de toegang  tot informatie, en de uitwisseling en vergelijking
van ideeën en pedagogische ervaringen ;

nota  nemend   van   de   resultaten   verkregen   in  het   kader   van   de
gemeenschappelijke programma's, alsmede van  de rijkdom en de diversiteit van
de huidige  acties en  de ervaringen  van de  Lid-Staten op het  stuk van  de
ontwikkeling  en de uitwisseling van methoden i.v.m. het gebruik van informa-
tie- en communicatietechnologieën voor de onderwijs- en opleidingssystemen,

VERZOEKT DE LID-STATEN :

in het kader en binnen de grenzen van  hun respectieve politieke, wettelijke,
budgettaire, onderwijs- en opleidingsstelsels :

-  op het gebied  van onderzoek, beproeving,  evaluatie en toepassing  van de
   nieuwe  informatie- en  communicatietechnologieën in  het onderwijs  en de
   beroepsopleiding acties te ontwikkelen  of voort te zetten, met het oog op
   een  ruimere aanpak  van de  pedagogische behoeften  en onderwijsmethoden,
   waarbij   ten  volle   rekening  wordt   gehouden  met   de  rol   van  de
   onderwijsgevenden,  de   leerlingen  en  studenten  een  meer  actieve  en
   participatieve rol kunnen spelen,  het leren wordt geïndividualiseerd,  en
   interdisciplinaire benaderingen  en samenwerking  tussen onderwijsgevenden
   bij  de  vaststelling   van  didactische  projecten  en  het  inspelen  op
   specifieke behoeften in de hand worden gewerkt ;

-  de  opleiding en  nascholing  van  onderwijsgevenden  en opleiders  in  de
   beheersing van  educatieve-software en on  line multimedia-diensten en  in
   het gebruik  ervan als  hulpmiddel ter  ondersteuning van  hun didactische
   activiteit, te intensiveren. Bijzondere aandacht zou moeten worden besteed
   aan de  analyse en  het begrip  van  de rol  van de  onderwijsgevenden  en
   opleiders,  aan  de  verspreiding   onder  de  onderwijsgevenden  van   de
   resultaten  van het  onderzoek naar  de integratie  van multimedia  in het
   onderwijs,  aan  bewustmakingsacties betreffende  de voordelen  van  en de
   voorwaarden  voor   een  bevredigend  gebruik   van  multimedia,  aan   de
   ondersteuning en bevordering van initiatieven van onderwijsgevenden en aan
   de samenwerking tussen onderwijs- en opleidingsinstituten en bedrijfsleven
   bij de beproeving van nieuwe onderwijsmethoden ;

-  onderzoeksacties in  verband  met produkten  en  leerprocessen,  waaronder
   afstandsonderwijs, en de  ontwikkeling van educatieve  multimedia-software
   aan  te moedigen, met name in het  kader van partnerschappen tussen mensen
   uit de  onderwijswereld, uitgevers en  bedrijven in de  multimedia-sector,
   opdat bij  die acties de pedagogische richtsnoeren  en het onderwijsbeleid
   van  de Lid-Staten,  inclusief de Europese  dimensie van  het onderwijs in
   acht genomen worden, welke acties betrekking hebben op :

   =  de  ontwikkeling  van  methoden voor  het  ontwerpen  van  multimediale
      onderwijsleermiddelen, met inachtneming van de taalkundige en culturele
      verschillen en in samenwerking met onderwijsgevenden en opleiders ;

   =  mechanismen  ter ondersteuning  van de  ontwikkeling en  aanpassing van
      educatieve multimedia-software,  waarbij onderwijsgevenden en opleiders
      bij het ontwerpen van deze produkten betrokken worden ;

   =  de  vaststelling van  passende gebruiksvoorwaarden  en het  zoeken naar
      financieringsregelingen  en  nieuwe  formules voor  het  delen  van  de
      beschikbare middelen ;

   =  een betere toegang  tot multimedia-bibliotheken en educatieve  software
      ten  behoeve  van  onderwijs-  en  opleidingsinstellingen,  waarbij  de
      bescherming van de intellectuele eigendom wordt gewaarborgd ;

   =  de vaststelling van kwaliteitscriteria voor educatieve software, en het
      zoeken naar  maatregelen  om een  synergie met  de  voor de  thuismarkt
      bestemde  multimedia  en met  een  voldoend voorlichtingsniveau  van de
      consument te bevorderen ;

-  maatregelen aan te  moedigen om passende infrastructuur te  ontwikkelen of
   zo nodig  te creëren  om een zo  groot mogelijk  aantal gebruikers uit  de
   onderwijs- en  opleidingsstelsels geleidelijk de toegang te garanderen tot
   passende  hardware, software en  on line multimedia-diensten  van een hoog
   gehalte en  tot de noodzakelijke opleiding en  begeleiding. Dit zou kunnen
   geschieden door deze uitrusting ter beschikking te stellen in de betrokken
   instellingen, zoals scholen, centra voor beroepsopleiding, universiteiten,
   openbare  bibliotheken,   kenniscentra,  sociaal-educatieve   centra  voor
   jongeren en gezinnen, verenigingen, enz. Er zou bijzondere aandacht moeten
   worden  besteed aan de  ontwikkeling van multimediasteunpunten  in de Lid-
   Staten   en    aan   de    communicatie   tussen    onderwijsgevenden   en
   onderwijspartners en aan de opleiding in de ruime betekenis ;

-  specifieke maatregelen te nemen om :

   =  in  het  kader  van   de  ontwikkeling  en  bevordering  van  flexibele
      organisatievormen  voor  school  en  universiteit,  de  integratie  met
      informatie-  en  communicatietechnologieën te  beproeven  ten  einde de
      doeltreffendheid en verspreiding ervan te vergroten ;

   =  ervoor  te   zorgen  dat  iedereen   voor  zijn/haar  persoonlijke   en
      beroepsontwikkeling  gelijke  toegang krijgt  tot  de voordelen  die de
      nieuwe  multimediatechnologieën   bieden,  en  het   gebruik  ervan  in
      plattelandsgebieden   en  in   verval  geraakte   industriegebieden  te
      bevorderen ;

   =  het gebruik van die nieuwe middelen te beproeven om sociale uitsluiting
      en mislukkingen op school tegen te gaan ;

-  de  beoordeling  en  verspreiding  van  de  beste  pedagogische  methoden,
   gebaseerd  op  experimenten en  het  gebruik  van  educatieve  multimedia-
   software en -diensten in het onderwijsproces, te bevorderen, de informatie
   over  produkten en  diensten te  verspreiden en  op plaatselijk  niveau de
   totstandbrenging of consolidatie van demonstratie- en promotiefora op deze
   basis te bestuderen ;

-  te  zoeken naar  de meest  efficiënte beheersmethoden  voor gecoördineerde
   acties   tussen  culturele,   onderwijs-   en   opleidingsprogramma's   en
   onderzoekprogramma's op Europees niveau,  daarbij rekening houdend met  de
   mogelijkheden die de Structuurfondsen bieden.

VERZOEKT DE COMMISSIE :

-  in samenwerking met de  Lid-Staten een vergelijkende analyse  en follow-up
   uit te  voeren van de meest geavanceerde  proefprojecten met de toepassing
   van educatieve multimedia-produkten  en -diensten in Europa en  de wereld,
   en de resultaten van deze analyse aan de Lid-Staten mede te delen ;

-  rekening te houden met de werkgebieden onderwijs en opleiding in het kader
   van haar algemene initiatieven betreffende de informatiemaatschappij ;

-  bij  de tenuitvoerlegging  van haar  acties op  het gebied  van onderwijs,
   opleiding, taal en cultuur en bij  de internationale samenwerking rekening
   te houden met alle door de toepassing van multimedia-software en -diensten
   geboden mogelijkheden ;

-  de  ondersteunende activiteiten  vast te stellen  en te  stimuleren die op
   Europees  niveau  ontwikkeld  zouden   kunnen  worden,  onder  andere   de
   voorlichting over de produkten en diensten en de plaatselijke  beoordeling
   ervan, alsmede  over de daarbij  toegepaste procedure, de  verspreiding op
   wereldniveau van  informatie over  Europese produkten  en diensten  op het
   gebied  van  educatieve multimedia-software,  en  de totstandbrenging  van
   banden  tussen producenten, gebruikers en beheerders  van de onderwijs- en
   opleidingsstelsels om een goede kwaliteit van de produkten en  diensten en
   hun toepassing te bevorderen ;

-  in  het kader van communautaire programma's proefprojecten aan te moedigen
   om belangstellende  scholen en opleidingsinstituten in  verschillende Lid-
   Staten  aan  te  sluiten op  een  netwerk  voor  het  gebruik  van  nieuwe
   multimedia-technologieën ter  bevordering van  de virtuele  mobiliteit, de
   uitwisseling  van  informatie  en  ervaringen,  meertalige  praktijken  en
   verscheidene belangwekkende thema's ;

-  een gecoördineerde aanpak van de eigen acties op het gebied van educatieve
   multimedia-software  vast   te  stellen  binnen  zowel   de  verschillende
   betrokken  communautaire   programma's  als  de   Structuurfondsen  en  de
   initiatieven    voor    de     ontwikkeling    van    de     transeuropese
   telecommunicatienetwerken,  rond  gelijkgerichte   doelstellingen  en  met
   inachtneming  van  de  toepasselijke  besluiten   en  procedures,  waarbij
   bijzondere aandacht moet worden besteed aan de externe zichtbaarheid ;

-  de  toepassing   en  verspreiding   op  Europees   niveau  van   de  beste
   onderwijsmethoden,  gebaseerd op  het  gebruik van  multimedia-software en
   -diensten te bevorderen, daarbij zoveel mogelijk steunend op  de bestaande
   structuren op alle niveaus ;

-  vóór 31 december 1997 verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang,
   de geconstateerde  belemmeringen en de aanvullende acties die noodzakelijk
   zijn voor de tenuitvoerlegging van deze resolutie tegen het jaar 2000."

SYNERGIE TUSSEN ACADEMISCHE ERKENNING EN 
BEROEPSERKENNING VAN DIPLOMA'S IN DE GEMEENSCHAP
-  Conclusies van de Raad

In  haar  mededeling  van   13 december 1994  betreffende  de  erkenning  van
diploma's  voor  academische  en  beroepsdoeleinden geeft  de  Commissie  een
uitvoerige uiteenzetting over de  reikwijdte van de communautaire bevoegdheid
op het  gebied van  de erkenning  van diploma's  en andere  opleidingstitels.
Vooral   vanwege  de   verschillende   rechtsgrondslagen  en   de  specifieke
doelstellingen  moet  "erkenning"  vanuit  twee  complementaire  invalshoeken
behandeld worden :

-  ten eerste,  de erkenning  van  diploma's voor  beroepsdoeleinden, die  op
   communautair  niveau   gestalte  heeft  gekregen  door  de  aanneming  van
   richtlijnen van de Raad tot  invoering van stelsels voor de erkenning  van
   de diploma's  welke noodzakelijk zijn voor de  uitoefening van de beroepen
   die binnen de Unie gereglementeerd zijn ;

-  ten  tweede,  de erkenning  van  de  opleidingstitels  (met  inbegrip  van
   studietijdvakken)   voor  academische   doeleinden,  met   name   voor  de
   voortzetting van  de studie in  een andere Lid-Staat ; deze  valt onder de
   bevoegdheid van  de Lid-Staten, meer in het  bijzonder van de instellingen
   voor hoger onderwijs, dank zij de autonomie waarover zij beschikken.

In  het tweede geval  is het  communautaire optreden  er volgens artikel 126,
lid 2,  tweede streepje,  van  het  Verdrag tot  oprichting  van de  Europese
Gemeenschap  op gericht de mobiliteit van studenten op communautair niveau te
bevorderen door de  academische erkenning van  diploma's en  studietijdvakken
aan te moedigen.

De  tenuitvoerlegging van het  ERASMUS-programma, dat  thans is  opgenomen in
het  nieuwe  SOCRATES-programma,  heeft  een   grote  rol  gespeeld  bij   de
bevordering van de  academische erkenning, met name van  studietijdvakken die
in  het kader van interuniversitaire  samenwerkingsprogramma's in andere Lid-
Staten hebben  plaatsgevonden.  Verder  is  het  de bedoeling  dat  het  ECTS
(European Credit Transfer System)  en de  andere puntensystemen op basis  van
vrijwilligheid  een  werktuig zullen  zijn voor  transparantie  in  het hoger
onderwijs ten behoeve  van een betere academische erkenning  in het kader van
de  activiteiten inzake  mobiliteit  die door  het  SOCRATES-programma worden
gestimuleerd.

Ondanks de  verschillende mechanismen die  het communautaire  optreden op  de
twee gebieden  van  erkenning  kenmerken, doet  de  verwezenlijking  van  het
grondbeginsel  van de Europese Unie, namelijk vrij verkeer en vrije vestiging
binnen de  Unie, bij de  communautaire onderdanen de  behoefte groeien om  te
kunnen beschikken over de  noodzakelijke informatie  inzake de erkenning  van
hun opleidingstitels  in alle  Lid-Staten, zowel  voor  academische als  voor
beroepsdoeleinden.

De    bevordering   van    de   studentenmobiliteit    dank   zij    talrijke
standpuntbepalingen van Europees Parlement  en Raad, alsook de  aanneming van
communautaire  programma's zoals  SOCRATES en  LEONARDO DA  VINCI,  moeten de
instellingen voor hoger  onderwijs en voor  beroepsopleiding ertoe  aanzetten
de  studievakken  en  diploma's  die  in  andere  Lid-Staten  zijn  verricht,
respectievelijk  zijn behaald, te aanvaarden en daar rekening mee te houden ;
daarbij  moeten zij vertrouwen hebben in de kwaliteit van de beroepsopleiding
en  van de  universitaire  maatstaven  van deze  Lid-Staten  en zonder  enige
terughoudendheid    de     communautaire    richtlijnen    betreffende     de
beroepserkenning van diploma's  ten uitvoer  leggen. Hiertoe moet  er, zonder
de  autonomie van de universiteiten aan te  tasten, synergie tot stand komen,
zodat de  Europese burger  die tijdens  zijn studie of  in zijn  beroepsleven
mobiel  wil  zijn, werkelijk  kan  profiteren van  de samenhang  tussen beide
gebieden van erkenning.

Deze    moeilijkheden   zijn   veel   aanzienlijker   in   zogenaamde   niet-
gereglementeerde beroepen die niet onder communautaire richtlijnen vallen.

Voorts  is  het in  sommige  Lid-Staten zo  dat studieprogramma's  waarmee de
universiteiten  trachten  tegemoet te  komen  aan de  eisen van  het sociaal-
economische bestel,  niet altijd  leiden tot  de verwachte  resultaten op  de
arbeidsmarkt, doordat er  eigen regelgevingen en attitudes heersen  die ertoe
strekken, de traditionele diploma's en beroepen te beschermen.

DE RAAD :

IS  INGENOMEN   MET  de  resultaten  van  het  debat   dat  de  Commissie  in
samenwerking met  de Lid-Staten  heeft georganiseerd, alsmede  met het advies
van  het Europees Parlement, van  het Economisch en Sociaal  Comité en van de
andere Europese en  nationale organisaties die zich over de erkenningskwestie
hebben  uitgesproken. Hij meent dat het  hier om een continu proces gaat, dat
net  begonnen is,  en  waarvoor  een permanente  dialoog  met alle  betrokken
partijen op gang moet worden gebracht. Hiertoe verzoekt  hij de Commissie het
verslag over de resultaten  van het debat in ruime kring te verspreiden en de
reflectie over dit onderwerp verder te bevorderen ;

WIJST  EROP  dat  de dialoog  tussen  de  bevoegde  autoriteiten  op de  twee
gebieden van erkenning moet worden ingebed  in de lopende activiteiten van de
bestaande nationale structuren ;

VERZOEKT  de Lid-Staten en de Commissie, een betere coördinatie te bevorderen
van de nationale  structuren die  verantwoordelijk zijn voor  de verspreiding
van  informatie over de  twee gebieden  van erkenning,  zoals NARIC, Europese
adviescentra  etc.,  en de  databanken,  zoals ORTELIUS,  uit te  breiden, om
ertoe  bij  te  dragen dat  het  hoger  onderwijs  structureel  doorzichtiger
wordt ;

VERZOEKT  de instellingen  voor  hoger onderwijs,  de  beroepsorganisaties en
andere bevoegde autoriteiten, de dialoog voort  te zetten om ervoor te zorgen
dat  in  de  studieprogramma's  voldoende  plaats  wordt  ingeruimd  voor  de
behoeften van het beroepsleven op Europees niveau ;

VERZOEKT de Commissie :

-  ertoe  bij  te  dragen  dat  vertegenwoordigers  van   het  economisch  en
   beroepsleven, van de  sociale partners en  van de studenten  deelnemen aan
   elk passend, in het SOCRATES-programma bedoeld "thematisch netwerk" ;

-  in het kader  van de tijdens het lopende  debat geopperde denkbeelden meer
   in het bijzonder, in samenwerking met de Lid-Staten, na te gaan :

   =  of  de  invoering,  op  basis  van  vrijwilligheid,  van  een  Europees
      supplement,  in  de vorm  van  een  administratief bijvoegsel  bij  het
      diploma, haalbaar is.  Dit bijvoegsel zou bestaan uit  een beschrijving
      van de door  de houder van het diploma gevolgde  studie, waarmee beoogd
      wordt in andere Lid-Staten dan de Staat van  opleiding de transparantie
      van   deze   studie   te   vergroten   en   de   erkenning   ervan   te
      vergemakkelijken ; in het supplement  zou rekening worden gehouden  met
      de ervaringen op dit terrein van andere organisaties, zoals de Raad van
      Europa en de UNESCO ;

   =  of  het wenselijk  is, communautaire  of nationale  procedures vast  te
      stellen en beter bekend te maken, waarmee op  individueel verzoek - dat
      rechtstreeks of via het  NARIC-netwerk of het netwerk van coördinatoren
      voor  de  verschillende  richtlijnen  wordt  ingediend -  gemakkelijker
      gezocht kan worden naar een minnelijke regeling voor geschillen over de
      erkenning van titels ;

-  aan het Europees Parlement en  aan de Raad vóór eind 1998 een verslag voor
   te leggen over de ter zake geboekte vooruitgang,  alsook over de stand van
   zaken  met betrekking  tot de verschillende  op communautair  en nationaal
   niveau genomen initiatieven.

EVALUATIE  VAN DE KWALITEIT VAN  HET HOGER ONDERWIJS EN  VAN HET ONDERWIJS OP
SCHOOL

De  Raad  nam  akte  van  de  presentatie  door   mevrouw  CRESSON  van  twee
informatieve   nota's  van  de   Commissie  respectievelijk   betreffende  de
evaluatie  van de kwaliteit van  het hoger onderwijs en  van het onderwijs op
school.

Die  eerste  nota is  grotendeels  gebaseerd op  de bevindingen  met Europese
modelprojecten die de Commissie  op dit  gebied heeft georganiseerd. De  Raad
nam akte  van  het  voornemen van  de  Commissie  hem tijdens  zijn  volgende
zitting  een  ontwerp-aanbeveling  voor  te  leggen  over  de  invoering  van
evaluatiesystemen in dit onderwijstype.

Er worden door  de Commissie gelijksoortige modelprojecten overwogen voor het
niet-hoger onderwijs.

EUROPEES CENTRUM VOOR KLASSIEKE LETTEREN

De Raad nam akte  van het initiatief van de Griekse  Regering om een Europees
Centrum voor Klassieke  Letteren op te richten  als een belangrijk instrument
voor   de   verspreiding   van   het   gemeenschappelijke   erfgoed   en   de
gemeenschappelijke  beschaving, zulks  ten  behoeve van  het  onderwijs zowel
binnen als buiten Europa.

Hij  verzocht het  Comité van Permanente  Vertegenwoordigers deze zaak verder
in overweging te nemen. De  Commissie herhaalde van haar kant  bereid te zijn
dit initiatief te ondersteunen.

CONFERENTIE   OVER  DE  CULTURELE   VERSCHEIDENHEID  EN  DE  MAATSCHAPPELIJKE
INTEGRATIE

Het  Voorzitterschap stelde de Raad  op de hoogte van  de resultaten van deze
conferentie,  die  van  11  tot en  met  13 april  jongstleden  te Turijn  is
gehouden.

ANDERE MEDEDELINGEN VAN DE COMMISSIE

Commissaris CRESSON bracht mondeling verslag uit over de volgende punten :

-  het  verloop  - dat door  haar  zeer bevredigend  wordt  geacht -  van het
   Europees Jaar voor onderwijs en  opleiding tijdens de gehele loop  van het
   leven (1996) ;

-  de stand van de samenwerking  met de derde landen (thans de  geassocieerde
   landen van Midden- en Oost-Europa, Cyprus, Malta en mediterrane landen) in
   het kader van de communautaire programma's op het gebied van het onderwijs
   die voor deze  landen zijn opengesteld  (SOCRATES, LEONARDO en  Jeugd voor
   Europa III) ;

-  de stand  van de werkzaamheden  met betrekking tot  de opstelling  van het
   Groenboek  "Hinderpalen  voor  de  mobiliteit"  op  het  gebied  van   het
   onderwijs, dat de  Commissie voornemens is in de loop  van de tweede helft
   van 1996 uit te brengen.

De  Commissie  presenteerde  eveneens   de  tweede  uitgave  van  "Belangrijk
cijfermateriaal  met betrekking tot de  opvoeding", met statistische gegevens
over de situatie in het onderwijs in de 15 Lid-Staten in 1995.

DIVERSE BESLUITEN

(Aangenomen zonder  debat. Bij wetgevende  besluiten zijn de tegenstemmen  en
onthoudingen  aangegeven. Besluiten  in verband  waarmee verklaringen  werden
afgelegd die de Raad besloten heeft voor het publiek beschikbaar  te stellen,
zijn  aangegeven  met   een * ;  de  betrokken  verklaringen  kunnen  bij  de
Persdienst worden verkregen.)

Visserij

Meerjarenbeheer van de TAC's en quota *

Ingevolge  het  politiek  akkoord tijdens  de  Visserijraad  op 22 april 1996
heeft de Raad  de verordening tot invoering  van aanvullende voorwaarden voor
het  meerjarenbeheer van  de  TAC's  en quota  met  eenparigheid van  stemmen
goedgekeurd.

De  verordening behelst een systeem om voor bestanden waarvoor analytische of
bij  wijze  van  voorzorgsmaatregel  ingestelde  TAC's  gelden,  de  quota te
verhogen, alsook een  systeem voor het onderbenutten  en overdragen van quota
voor soorten waarvoor analytische  TAC's gelden.  Over verzoeken van de  Lid-
Staten wordt  besloten volgens  de procedure  van het  beheerscomité, behalve
voor verhoging van de TAC's, waarvoor de Raad bevoegd blijft.

Als  algemene regel zal  overschrijding van  de quota's  worden beschouwd als
een  "lening", die  moet worden  terugbetaald. De  Raad krijgt  tot taak  een
aantal  gevoelige bestanden  aan  te  wijzen  waarvoor  overschrijding,  door
middel van een systeem  van strafcoëfficiënten,  aanleiding zal geven tot  de
betaling van "rente" bovenop de terugbetaling van de lening.

In de nieuwe verordening is het volgende bepaald :

-  De  marge voor overbevissing, voor een  bestand waarvoor een TAC bij wijze
   van voorzorgsmaatregel is vastgesteld, bedraagt 5 %.
-  De toegestane aanvoer mag ten hoogste worden overschreden met 10 % van het
   quotum van  een Lid-Staat ; deze 10 % moeten  in mindering worden gebracht
   op de toegestane aanvoer van het volgende jaar.
-  Er  mag  voor soorten  waarvoor  een analytische  TAC  geldt  eveneens ten
   hoogste 10 % van het quotum naar het volgende jaar worden overgedragen.
-  De hoeveelheden waarmee de  toegestane aanvoer wordt overschreden,  worden
   in mindering gebracht op de quota van het volgende jaar.
-  Bovendien worden  bij overschrijding  van de  quota voor  de door  de Raad
   aangewezen  gevoelige bestanden, kortingen  toegepast. Het  percentage van
   deze    kortingen     loopt,    in    vier    stappen,    op    met    het
   overschrijdingspercentage.
-  Bovendien wordt, voor elk jaar waarin het quotum voor een gevoelig bestand
   met meer dan 10 % is overschreden, een extra korting toegepast van 3 % van
   de hoeveelheid te veel gevangen vis.

De  verordening  treedt  in  werking  op  1 januari 1997.  De bepalingen  met
betrekking tot  de aftrek van  en de  kortingen op de  quota treden  eerst in
werking op 1 januari 1998.

Autonome Communautaire quota voor Atlantisch-Scandinavische haring *

De Raad  nam eveneens een wijziging aan in  Richtlijn (EG) nr. 3074/95 inzake
de  vaststelling van de  voor 1996  geldende totaal  toegestane vangsten voor
bepaalde  visbestanden of  groepen  visbestanden,  alsmede  bepaalde  bij  de
visserij in acht  te nemen voorschriften. Met deze  wijziging in de bestaande
verordening voor TAC's en quota  wordt de instelling beoogd van  een autonoom
communautair quotum voor 1996 van 150.000 ton voor  Atlantisch-Scandinavische
haring,  zulks overeenkomstig de recente  conclusies van de Visserijcommissie
voor  het  Noordoostelijk  deel  van  de  Atlantische  Oceaan  (NEAFC).  Deze
hoeveelheid betreft een  TAC bij wijze van  voorzorgsmaatregel, waarvan  alle
Lid-Staten gebruik kunnen maken.

De verordening omvat  tevens een tijdelijk  verbod, tijdens de  zomer, op  de
visserij op  kabeljauw in de Oostzee,  de Belten  en de Øresund,  van 10 juni
tot en met 20 augustus 1996.

Vervoer : Bescherming van de  inzittenden van motorvoertuigen bij zijdelingse
botsingen

Nadat  het  Europees  Parlement  op  23 november 1995  het  gemeenschappelijk
standpunt hierover  had goedgekeurd,  heeft de Raad  de richtlijn betreffende
de  bescherming  van  de  inzittenden  van  motorvoertuigen  bij  zijdelingse
botsingen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG aangenomen.

Met  de richtlijn  wordt  beoogd  het aantal  personen  dat gedood  wordt  of
ernstig  gewond  raakt bij  ongevallen op  de  weg terug  te dringen  door de
invoering  van nieuwe voorschriften voor  de weerstand  van personenauto's en
lichte bedrijfsvoertuigen bij zijdelingse botsingen.

Deze richtlijn, die van  toepassing is op nieuwe typen voertuigen  waaraan na
1 oktober 1998  een   typegoedkeuring  wordt   verleend,  omvat  een   nieuwe
testprocedure  (een mobiel  blok met een  bodemvrijheid van  300 mm) waarmee,
bij  een  volledige  uitvoering,  een  typische  zijwaartse  botsing  op  een
realistischere  wijze  kan  worden  nagebootst, waardoor  in  geval  van  een
dergelijke botsing een redelijke mate van weerstand kan worden gegarandeerd.

In de  richtlijn,  die berust  op het  door het  EEVC (European  Experimental
Vehicle  Committee) uitgevoerde experimentele onderzoek,  zijn tevens de door
de  Economische  Commissie  voor Europa  van  de Verenigde  Naties opgestelde
technische voorschriften opgenomen.

Samen  met de richtlijn betreffende frontale  botsingen - die nog bij de Raad
in behandeling  is - vormt  de besproken richtlijn een  uniforme wetgeving in
de gehele Gemeenschap op het gebied van botsingproeven ("crash-tests").

                                                 
[1]     PB  nr.  L 87    van  20.04.1995,   blz.  10.
[2]     PB  nr.  L 340   van  29.12.1994,   blz.  8.
[3]     PB  nr.  L 87    van  20.04.1995,   blz.  1.
[4]     PB  nr.  L 126   van  18.05.1994,   blz.  1.
[5]     PB  nr.  L 334   van  22.12.1994,   blz.  24.
[6]     PB  nr.  L 334   van  22.12.1994,   blz.  1.
[7]     PB  nr.  L 361   van  31.12.1994,   blz.  77.
[8]     PB  nr.  C 250   van  26.09.1995,   blz.  4.
[9]     PB  nr.  L 321   van  30.12.1995,   blz.  25.
[10]       PB  nr. L  321   van  30.12.1995,   blz. 33.
[11]       PB  nr. C  247   van  23.09.1995,   blz. 1.

***

Side Bar