Navigation path

Left navigation

Additional tools

Other available languages: EN FR DE DA ES PT EL

De Regeringen van  de Lid-Staten  en de  Europese Commissie  waren als  volgt
vertegenwoordigd :

België :
mevrouw Miet SMET                   Minister van Tewerkstelling en Arbeid

Denemarken :
mevrouw Jytte ANDERSEN              Minister van Arbeid
de heer Henning OLESEN              Staatssecretaris van Arbeid

Duitsland :
de heer Werner TEGTMEIER            Staatssecretaris  van  Arbeid  en Sociale
                                    Zaken
de heer Heribert SCHARRENBROICH     Staatssecretaris   van   Gezinszaken   en
                                    Bejaardenzorg

Griekenland :
de heer Ioannis SKOULARIKIS         Minister van Arbeid

Spanje :
de heer José Antonio GRIÑAN         Minister van Arbeid en Sociale Zekerheid

Frankrijk :
de heer Jacques BARROT              Minister van  Arbeid, Sociaal  Overleg en
                                    Participatie

Ierland :
de heer Proinsias de ROSSA          Minister van Sociale Zaken
mevrouw Eithne FITZGERALD           Onderminister  van  Ondernemingszaken  en
                                    Werkgelegenheid,   speciaal  belast   met
                                    Arbeidszaken

Italië :
de heer Tiziano TREU                Minister    van    Arbeid    en   Sociale
                                    Voorzieningen

Luxemburg :
de heer Jean-Claude JUNCKER         Minister-President, Minister van Arbeid
mevrouw Mady DELVAUX-STEHRES        Minister van Sociale Zekerheid

Oostenrijk :
de heer Franz HUMS                  Minister van Arbeid en Sociale Zaken

Nederland :
de heer Lambert HANRATH             Adjunct-Permanent Vertegenwoordiger

Portugal :
de heer José FALCÃO e CUNHA         Minister van  Werkgelegenheid en  Sociale
                                    Zekerheid

Finland :
mevrouw Liisa JAAKONSAARI           Minister van Arbeid

Zweden :
de heer Anders SUNDSTRÖM            Minister van Werkgelegenheid
mevrouw Ann-Christin TAUBERMAN      Staatssecretaris  van Volksgezondheid  en
                                    Sociale Zaken

Verenigd Koninkrijk :
de heer Michael PORTILLO            Minister van Werkgelegenheid
mevrouw Anne WIDDECOMBE             Onderminister van Werkgelegenheid

                                    - + -

Commissie : 
de heer Padraig FLYNN               Lid

FOLLOW-UP VAN DE EUROPESE RAAD VAN ESSEN - DEEL WERKGELEGENHEID

De Raad  heeft nota genomen van de informatie van het Voorzitterschap over de
resultaten van de Europese  Raad van  Cannes (26/27 juni 1995) op het  gebied
van werkgelegenheid.

Hij heeft tevens akte genomen  van de informatie van het  toekomstige Spaanse
Voorzitterschap  over zijn  voornemen omtrent  het eerste  jaarverslag van de
Raad,   dat  zal  worden   voorgelegd  aan   de  Europese   Raad  van  Madrid
(15/16 december 1995).

Dit verslag zal worden  opgesteld door een  ad hoc Groep waarin  persoonlijke
vertegenwoordigers van de Ministers van Arbeid zetelen.

SOCIAAL ACTIEPROGRAMMA VOOR DE MIDDELLANGE TERMIJN (1995-1997)

De Raad heeft  geluisterd naar een  uiteenzetting van de Commissie  over haar
"Sociaal actieprogramma voor de middellange termijn (1995-1997)".

Tijdens zijn uitvoerige gedachtenwisseling  over dit onderwerp bleek dat deze
mededeling veel belangstelling  heeft opgewekt en werd  de spilfunctie van de
werkgelegenheid beklemtoond. De delegaties  stemden er  in grote mate mee  in
dat  er behoefte  is aan  een  middellange-termijnvisie op  de acties  die op
Europees niveau kunnen worden uitgevoerd.

De  Raad  heeft het  Comité van  Permanente Vertegenwoordigers  opgedragen de
mededeling  van  de  Commissie verder  te  behandelen  in het  licht  van het
Raadsdebat  en aan de hand  van de concrete voorstellen  die de Commissie zal
indienen.

WIJZIGING VAN DE RICHTLIJN "ARBEIDSMIDDELEN"

De  Raad heeft  (bij onthouding  van de  Britse en  de  Italiaanse delegatie)
eenparig overeenstemming  bereikt over  haar gemeenschappelijk standpunt  met
het  oog  op  de  aanneming van  de  richtlijn  tot  wijziging van  Richtlijn
89/655/EEG  van  30 november  1989  betreffende  minimumvoorschriften  inzake
veiligheid en gezondheid bij het gebruik  door werknemers van arbeidsmiddelen
op de arbeidsplaats.

De definitieve  aanneming van  het gemeenschappelijk  standpunt heeft  plaats
tijdens een volgende zitting, nadat de tekst zal zijn bijgewerkt. Deze  wordt
dan  overeenkomstig  de  samenwerkingsprocedure  aan  het  Europees Parlement
toegezonden voor een tweede lezing.

Deze wijzigingsrichtlijn  houdt in dat  de werkgever erop  dient toe te  zien
dat  de   arbeidsmiddelen  aan  een   controle  worden  onderworpen  bij   de
installatie  en  na  elke  montage  indien  hun  veiligheid  afhangt  van  de
installatievoorwaarden, alsook op gezette tijden.

Tevens   schrijft  de  richtlijn  voor  dat   de  werkgever  de  ergonomische
beginselen ten volle  in aanmerking neemt bij  de toepassing van de  minimale
veiligheids- en gezondheidsvoorschriften.

Tevens  wordt door  deze  richtlijn de  bijlage  van  de richtlijn  uit  1989
vervolledigd, zoals reeds in  die richtlijn  was bepaald, door de  toevoeging
van  minimumvoorschriften  voor  specifieke  arbeidsmiddelen,  met  name voor
mobiele  middelen, al dan  niet met eigen aandrijving,  en voor middelen voor
het hijsen/heffen van lasten.

Bovendien bevat de gewijzigde richtlijn een  nieuwe bijlage II met bepalingen
inzake het  gebruik van  enerzijds alle  arbeidsmiddelen in  het algemeen  en
anderzijds mobiele middelen en  middelen voor  het hijsen/heffen van  lasten.
Na   raadpleging  van   de  sociale  partners   dienen  de   Lid-Staten,  met
inachtneming  van de nationale wetten en/of gebruiken, de maatregelen vast te
stellen waardoor een  veiligheidsniveau kan worden  bereikt dat  overeenstemt
met de in bijlage II beoogde doelstellingen.

De nieuwe bepalingen  van bijlage I houden in  dat de mobiele arbeidsmiddelen
zodanig moeten zijn uitgevoerd dat het  risico voor de werknemers tijdens  de
verplaatsing  beperkt wordt,  dat  het  blokkeren van  de  elementen voor  de
energieoverbrenging belet  wordt  en  dat  de  risico's als  gevolg  van  het
kantelen  of  omvallen  worden  beperkt.  Sommige  minimumvoorschriften  zijn
specifiek bedoeld voor heftrucks en mobiele middelen met eigen aandrijving.

Voor  wat arbeidsmiddelen voor  het hijsen/heffen  van lasten  betreft, is in
bijlage I onder meer  voorgeschreven dat ervoor moet  worden gezorgd dat deze
stevig  en stabiel zijn, dat  de nominale last moet  worden aangegeven en dat
zij  zodanig moeten  worden  opgesteld dat  het risico  beperkt wordt  dat de
lasten de werknemers raken.

In  een afwijkingsclausule  staat  dat  de in  bijlage I  bedoelde specifieke
arbeidsmiddelen die  drie  jaar  na  aanneming  van de  richtlijn  reeds  ter
beschikking van  de werknemers  staan, ten  laatste vier  jaar na deze  datum
moeten beantwoorden aan de minimumvoorschriften in bijlage I.

Overeenkomstig   de   algemene   bepalingen   in   bijlage II   moeten   alle
arbeidsmiddelen zodanig worden  geïnstalleerd, opgesteld en  gebruikt dat  de
gevaren voor de werknemers beperkt worden, moeten de montage  en de demontage
op   veilige  wijze   plaatsvinden   en  moeten   de   arbeidsmiddelen  tegen
blikseminslag worden beschermd.

Op  het  gebied  van  het  gebruik  van  mobiele  arbeidsmiddelen  hebben  de
bepalingen van  de nieuwe  bijlage met  name betrekking op  het besturen  van
arbeidsmiddelen  met eigen  aandrijving,  de aanwezigheid  van  werknemers te
voet in  de  werkzone  van  de  mobiele arbeidsmiddelen,  het  meerijden  van
werknemers op  mechanisch voortbewogen  arbeidsmiddelen, alsook  de kwaliteit
van  de lucht in de arbeidszones van  de met een verbrandingsmotor uitgeruste
arbeidsmiddelen.

Arbeidsmiddelen  die dienen voor het  hijsen/heffen van  lasten, vallen onder
bepalingen in  bijlage II die onder meer  zijn gericht op  de stabiliteit van
de   demonteerbare  of   mobiele   arbeidsmiddelen,  het   hijsen/heffen  van
werknemers, de  aanwezigheid  van werknemers  onder opgehangen  lasten en  de
keuze van  de opslag  van hijs-  en hefhulpstukken.  Verder bevat de  bijlage
specifieke  bepalingen  betreffende  arbeidsmiddelen  die  dienen   voor  het
heffen/hijsen van niet-geleide lasten.

De termijn voor de  tenuitvoerlegging van de richtlijn bedraagt drie  jaar na
de datum van de definitieve aanneming ervan door de Raad.

BEHOUD  VAN  DE RECHTEN  VAN  DE WERKNEMERS  BIJ OVERGANG  VAN ONDERNEMINGEN,
VESTIGINGEN OF ONDERDELEN DAARVAN

De Voorzitter  van de Raad heeft een uiteenzetting gehouden over de stand van
dit dossier,  dat door  het Comité  van Permanente Vertegenwoordigers  verder
zal   worden   behandeld   onder  toezicht   van   het   toekomstige  Spaanse
Voorzitterschap.

Doel   van   dit  voorstel   is   Richtlijn  77/187/EEG   van  de   Raad  van
14 februari 1977  te  herzien in  het licht  van de  gevolgen van  de interne
markt,  de ontwikkelingen in  de wetgeving  van de  Lid-Staten met betrekking
tot  het   redden  van   ondernemingen  in   economische  moeilijkheden,   de
jurisprudentie van het Hof  van Justitie,  de goedgekeurde herziening van  de
richtlijn inzake  collectief ontslag en de reeds in  de meeste Lid-Staten van
kracht zijnde wetgeving.

De  belangrijkste door  de  Commissie voorgestelde  wijzigingen  behelzen het
volgende :

-  verduidelijking van de toepassing van de voorschriften van de richtlijn op
   beslissingen  inzake   transnationale  overdrachten  en  op   groepen  van
   ondernemingen ;
-  ruimte  voor  een grotere  flexibiliteit  bij overgang  in  het  kader van
   insolventieprocedures ;
-  herformulering en verduidelijking van  de werkingssfeer en definities  van
   de bestaande richtlijn ;
-  verduidelijking van  de wetgeving bij overgang van  één enkele functie van
   de onderneming.

PROGRAMMA TER BESTRIJDING VAN UITSLUITING

De Raad  heeft  geconstateerd  dat  de Duitse  en  de  Britse  delegatie  hun
algemeen voorbehoud niet konden intrekken.

Na een uitvoerige gedachtenwisseling  sprak de  Voorzitter de mening uit  dat
er moest  nagedacht worden over de te volgen koers ten einde een optreden van
de Unie op dit gebied mogelijk te maken.

Het  doel van het door  de Commissie voorgestelde programma  is bij te dragen
tot  de  verbetering  van  de  maatregelen in  de  Lid-Staten  die  de minder
bevoorrechten daadwerkelijk aan het economische en  sociale leven moeten doen
deelnemen.  Het programma  is bedoeld  als een  vervolg  op de  drie vroegere
armoedebestrijdingsprogramma's, waarvan  het  laatste  op  30 juni 1994  werd
beëindigd.

COMMUNAUTAIRE STEUN VOOR ACTIES TEN BEHOEVE VAN OUDEREN

De  Raad  heeft   overleg  gepleegd  over  het   voorstel  voor  een  besluit
betreffende communautaire steun voor acties ten behoeve van ouderen.

Het Voorzitterschap heeft geconstateerd  dat de  voor de goedkeuring van  dit
besluit  noodzakelijke eenparigheid  van stemmen  vooralsnog niet  voorhanden
was aangezien de Duitse delegatie bij haar algemeen voorbehoud bleef.

De  Raad heeft  het Comité van  Permanente Vertegenwoordigers opgedragen zijn
werkzaamheden dienaangaande  voort te zetten en  tijdens een volgende zitting
verslag uit te brengen.

Het  voorgestelde programma is bedoeld om communautaire steun te verlenen aan
in  de Lid-Staten  gevoerde acties  waarmee de  problemen in  verband met  de
vergrijzing van de bevolking moeten  worden opgelost. Het zou de periode  van
1 september 1995 tot en met 31 december 1999 bestrijken.

WERKGELEGENHEID VOOR OUDERE WERKNEMERS

De Raad en  de Vertegenwoordigers van  de Regeringen der  Lid-Staten, in  het
kader van  de Raad bijeen, hebben  op initiatief van het  Voorzitterschap een
resolutie  betreffende de werkgelegenheid  voor oudere  werknemers aangenomen
(zie bijlage I).

KWALITEIT VAN DE BEROEPSOPLEIDING

De Raad  heeft ingevolge een initiatief van het Voorzitterschap geconstateerd
dat  er  overeenstemming  bestaat [1]    over  de  inhoud  van de  conclusies
betreffende  het  belang  en  de  sleutelfunctie  van  de  kwaliteit  van  de
beroepsopleiding  (zie  bijlage II).  Deze  conclusies  zullen   tijdens  een
volgende zitting formeel worden aangenomen.

TERBESCHIKKINGSTELLING VAN WERKNEMERS

De Raad  heeft op  verzoek van  de Commissie  kort aandacht  besteed aan  het
voorstel  voor   een  richtlijn  betreffende  de  terbeschikkingstelling  van
werknemers met het oog op het verlenen van diensten.

Commissielid FLYNN  heeft  zich bereid  verklaard een  laatste inspanning  te
leveren   om    overeenstemming   over   deze   belangrijke    richtlijn   te
vergemakkelijken.

De  Raad  heeft het  Comité van  Permanente Vertegenwoordigers  opgedragen de
werkzaamheden onder Spaans Voorzitterschap voort te zetten.

                                                                    BIJLAGE I

RESOLUTIE VAN  DE RAAD  EN VAN DE  VERTEGENWOORDIGERS VAN  DE REGERINGEN  DER
LID-STATEN, IN HET  KADER VAN DE RAAD  BIJEEN, BETREFFENDE DE WERKGELEGENHEID
VOOR OUDERE WERKNEMERS

"DE  RAAD  VAN  DE  EUROPESE  UNIE,  EN  VAN  DE  VERTEGENWOORDIGERS  VAN  DE
REGERINGEN DER LID-STATEN, IN HET KADER VAN DE RAAD BIJEEN,

gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

overwegende dat  de demografische ontwikkeling  voor oudere werknemers in  de
meeste Europese landen leidt  tot een zorgwekkende situatie op het gebied van
de werkgelegenheid ;

overwegende  dat  deze  ontwikkeling  verstrekkende  economische  en  sociale
gevolgen zal  hebben voor  wat  betreft de  uitgaven ter  verbetering van  de
werking van de  arbeidsmarkt, van de financiering  van de pensioenen, alsmede
van het evenwicht van de leeftijdsopbouw binnen de bedrijven ;

overwegende dat de regeringen,  de sociale  partners en het bedrijfsleven  op
deze  ontwikkeling moeten vooruitlopen door  bijvoorbeeld de nadruk te leggen
op   deeltijdarbeid,  op  aanpassing  van   de  arbeidsomstandigheden  en  op
beroepsopleiding tijdens het gehele beroepsleven ;

gezien de acties die de Lid-Staten  op deze gebieden al hebben ondernomen met
name om  eventuele hinderpalen  voor de  werkgelegenheid van  ouderen weg  te
werken ;

overwegende  dat sommige  vormen van  vervroegde uittreding  in diverse  Lid-
Staten hebben  geleid tot  probleemsituaties voor  oudere werknemers  die een
uitkering  ontvangen  in  het  kader  van  uiteenlopende  en zich  wijzigende
regelingen,  en  tot  een  verlies  van know-how  in  de  bedrijven ;  dat de
afschaffing  van de  overheidsstelsels  van  vervroegde  pensionering  de  in
sommige Lid-Staten geconstateerde steeds  vroegere uittreding uit de arbeids-
markt niet zal kunnen stoppen ;

overwegende dat in vele  Lid-Staten stelsels van geleidelijke uittreding zijn
ingevoerd ; dat  de overstap  naar deeltijdarbeid  voor oudere werknemers  in
dergelijke gevallen kan worden gecompenseerd door de aanwerving  van kansarme
werkzoekenden en jongeren ;

overwegende dat  bij  de  organisatie  van  de arbeid  rekening  moet  worden
gehouden met de eisen van produktiviteit ;

overwegende dat rekening  moet worden gehouden met  de beschikbaarheid van de
financiële middelen,  de nationale  prioriteiten en het  evenwicht binnen  de
nationale stelsels ;

overwegende dat  rekening moet worden  gehouden met  de specifieke  nationale
situatie wat betreft werkloosheid en bevolkingsopbouw ;

overwegende  dat   de  ervaren   oudere  werknemer  ook   bijdraagt  tot  het
noodzakelijke concurrentievermogen van  het bedrijf, ook wanneer  dit tot het
MKB behoort ;

gezien  de  resolutie van  het Europees  Parlement van 24  februari 1994 over
maatregelen ten behoeve van ouderen in de Europese Gemeenschap [2]  ;

gezien de conclusies  van de Europese Raad  van Essen van 9/10 december 1994,
en met name de conclusie betreffende de werkgelegenheid,

I.    BENADRUKKEN DE VOLGENDE BEGINSELEN :

1.    De demografische  ontwikkeling van vergrijzing  van de beroepsbevolking
      heeft reeds  geleid tot specifieke  nationale maatregelen, maar  brengt
      met zich mee dat er nog grotere inspanningen moeten worden gedaan om de
      arbeidsomstandigheden  en de  beroepsopleiding voor  werknemers tijdens
      het tweede  deel  van hun  beroepsleven aan  te  passen, mede  rekening
      houdend met het concurrentievermogen van de ondernemingen ;

2.    oudere  werknemers  moeten  adequaat   beloond  worden  en  er   moeten
      maatregelen worden genomen om te voorkomen dat zij  van de arbeidsmarkt
      worden uitgesloten.

   In dat  verband  moet  in  de betalingssystemen  terdege  rekening  worden
   gehouden met de ervaring van de werknemers en in het algemeen recht worden
   gedaan aan de beroepservaring ;

II.   VERZOEKEN DE LID-STATEN EN/OF DE SOCIALE PARTNERS, IN HET KADER VAN HUN
      RESPECTIEVE BEVOEGDHEDEN, OM :

3.    een arbeidsorganisatie te bevorderen  die de aanpassing van de werkplek
      van oudere  werknemers mogelijk  maakt, en  die  hun ervaring  optimaal
      benut, met name door de volgende maatregelen :

   a)   erop  blijven toezien  dat  beter  rekening  wordt  gehouden  met  de
        behoeften van de  werknemers, met inbegrip van de oudere  werknemers,
        op  het  stuk  van  gezondheid  en  de  verenigbaarheid van  werk  en
        privéleven ;

   b)   voortzetting van de inspanningen  van de bedrijven op  het gebied van
        de arbeidsomstandigheden  en  inaanmerkingneming  van  de  specifieke
        behoeften  van  oudere  werknemers,  met name  wanneer  zij  hun hele
        loopbaan onder moeilijke omstandigheden hebben gewerkt ;

   c)   bevordering van  de beroepsmobiliteit  binnen het  bedrijf, mede  via
        voortgezette  beroepsopleiding,  tijdens  het  tweede  deel  van   de
        loopbaan van  de werknemers,  wier werk  zou moeten  evolueren in  de
        richting van taken die  beter zijn afgestemd op hun situatie en  meer
        recht doen aan hun ervaring ;

   d)   adequate  ondersteuningsregelingen  te  ontwikkelen  voor  werknemers
        voor  wie beroepsopleiding het  beginpunt van een tweede loopbaan kan
        zijn,

   e)   bevordering   van    de   combinatie   van    perioden   van    werk,
        beroepsopleiding en,  zo nodig, beroepsrevalidatie overeenkomstig  de
        nationale wetten en/of praktijken ;

4.    alles in het  werk te stellen  om oudere  werknemers overeenkomstig  de
      nationale  wetgevingen  en/of  praktijken  te verzekeren  van  adequate
      middelen van bestaan, onder andere :

   a)   de schadeloosstelling  van het  toenemend aantal  werknemers die  hun
        baan hebben verloren ;

   b)   de  financiering   van  de  vervroegde  uittredingen  eventueel  door
        systemen welke de rechten  die de werknemers tijdens hun beroepsleven
        hebben verworven, waarborgen ;

5.    overeenkomstig de nationale  praktijken een beter gebruik  te maken van
      vervroegde  uittreding uit het actieve  leven, met inachtneming  van de
      opgedane ervaring, bijvoorbeeld door :

   a)   meer  gebruik te maken  van maatregelen  op het  stuk van  de interne
        flexibiliteit,  onder andere  inzake de  arbeidsduur,  om  de verdere
        herstructurering van bedrijven mogelijk  te maken in  een context van
        streven naar concurrentievermogen en herstel van de werkgelegenheid,

   b)   in  voorkomend  geval   te  trachten  de   stelsels  van   vervroegde
        uittreding met name te  richten op werknemers die  een lange loopbaan
        in een  zwaar beroep  achter zich hebben,  of op  de gevallen  waarin
        collectieve ontslagen moeten worden begeleid ;

6.    de geleidelijke uittreding te vergemakkelijken, bijvoorbeeld door  voor
      oudere werknemers de  mogelijkheid van  deeltijdarbeid en  activiteiten
      waarbij hun capaciteiten kunnen worden benut, te bevorderen, en daarbij
      toe te  zien  op de  gelijke  behandeling  van werknemers  die  in  een
      vergelijkbare positie verkeren,  met name  wat betreft  de toegang  tot
      sociale bescherming ;

III.  VERZOEKEN DE SOCIALE PARTNERS :

7.    de voortgezette beroepsopleiding te  ontwikkelen, die het beste  middel
      is  om  de aanpassing  van  de  werknemers aan  de  ontwikkelingen  van
      technologie  en produktiemethodes  te bevorderen  en de  op dit  gebied
      ontwikkelde initiatieven te ondersteunen, overeenkomstig de aanbeveling
      van de  Raad van 30 juni 1993  betreffende de  toegang tot voortgezette
      beroepsopleiding [3]  ;

8.    op  passend  niveau op  de specifieke  behoeften van  oudere werknemers
      toegesneden maatregelen te treffen, om

   a)   in de  voor oudere  werknemers bestemde  beroepsopleidingsprogramma's
        aangepaste pedagogische methodes in te voeren,

   b)   de  begeleiding van  jonge werknemers  binnen en  buiten het  bedrijf
        (ook  het MKB),  evenals honoraire  functies, aan te  moedigen, zodat
        ervaren  werknemers  bij  de  opleiding  worden   betrokken  door  de
        overdracht van hun kennis aan  jonge werknemers, bijvoorbeeld via het
        leerlingwezen ;

IV.   VERZOEKEN DE LID-STATEN :

9.    op  basis  van  de  behoeften van  de  diverse  arbeidsmarkten passende
      maatregelen te treffen met als doel :

   a)   eventuele  wettelijke en  bestuursrechtelijke belemmeringen  voor  de
        tewerkstelling van oudere werknemers uit de weg te ruimen,

   b)   de  werkgevers bewust  te maken  van  de individuele  en  collectieve
        gevolgen van het ontslag van oudere werknemers,

   c)   de herintreding  van oudere  langdurig werklozen  te vergemakkelijken
        door  steun  bij de  indienstneming  en  door  beroepsopleidingen die
        daadwerkelijke omscholing mogelijk maken,

   d)   de   inspanningen   op  te   voeren   die   met  het   beleid  inzake
        arbeidsbemiddeling belaste  instanties  doen  met betrekking  tot  de
        omscholing en herintreding van oudere werklozen,

   e)   wanneer  de Staat  als werkgever  optreedt  positieve  voorbeelden te
        geven inzake de inschakeling en handhaving  van oudere werknemers  in
        het arbeidsproces.

V.    VERZOEKEN DE COMMISSIE :

   -  in  overleg  met  de Lid-Staten  en uitgaande  van  de  reeds bestaande
      communautaire programma's de uitwisseling van informatie, ervaringen en
      goede  praktijken  met betrekking  tot  de werkgelegenheid  voor oudere
      werknemers te organiseren."

 
                                                 

                                                                   BIJLAGE II

ONTWERP-CONCLUSIES VAN  DE RAAD BETREFFENDE  HET BELANG EN DE  SLEUTELFUNCTIE
VAN DE BEROEPSOPLEIDING

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

1.    HERINNERT aan de resolutie van de Raad van 11 juni 1993 inzake beroeps-
      onderwijs en -opleiding in de jaren  negentig [4] , waarin staat dat de
      kwaliteit  van   de  beroepsopleiding  in  de  Lid-Staten  moet  worden
      verbeterd  ter  bevordering  van  permanente  mogelijkheden  voor   het
      individu  om zijn  kennis en  vaardigheden te  ontwikkelen en  aldus de
      economische en  sociale cohesie alsmede het concurrentievermogen van de
      Europese economieën te verbeteren ;

2.    MEMOREERT  de  resolutie  van  de  Raad  van  5 december 1994  over  de
      kwaliteit en  de aantrekkelijkheid van de beroepsopleiding [5] , waarin
      wordt  gesteld dat  een beroepsopleiding van zeer  goede kwaliteit, die
      voldoet  aan  de   behoeften  en   aspiraties  van  alle  jongeren   en
      volwassenen, noodzakelijk is ;

3.    ONDERSTREEPT dat  de Gemeenschap, volgens  artikel 127 van het  Verdrag
      tot  oprichting  van  de  Europese Gemeenschap,  de  taak  heeft inzake
      beroepsopleiding  een  beleid  ten   uitvoer  te  leggen  waardoor   de
      activiteiten van de Lid-Staten worden versterkt en aangevuld ;

4.    MEMOREERT dat de voornaamste  doelstelling van het actieprogramma  voor
      de uitvoering van  een beleid  inzake beroepsopleiding van de  Europese
      Gemeenschap (Leonardo da Vinci),  opgesteld bij Besluit 94/819/EG [6] ,
      bestaat in  de ondersteuning en aanvulling  van de activiteiten  van de
      Lid-Staten  om   de  kwaliteit  van   de  beroepsopleidingsstelsels  en
      -voorzieningen  te  verbeteren,  overeenkomstig  het  gemeenschappelijk
      kader  van  doelstellingen voor  het  beleid  van  de Gemeenschap,  als
      bedoeld  in artikel 127 van het Verdrag tot  oprichting van de Europese
      Gemeenschap ;

5.    MEMOREERT dat de bevordering  van investeringen in de  beroepsopleiding
      het eerste is van de vijf gebieden waarop volgens de conclusies  van de
      Europese  Raad  van  Essen  maatregelen  moeten  worden  genomen  om de
      werkgelegenheidssituatie te verbeteren ;

6.    STELT  VAST dat de  Lid-Staten met betrekking  tot de  kwaliteit van de
      beroepsopleiding een aantal wensen gemeen hebben, namelijk :

   a)   een  doeltreffend   gebruik  van  de   openbare  en/of   particuliere
        financiële middelen, ten einde  tegemoet te komen aan de behoeften op
        het   gebied  van  de   beroepsopleiding  van  overheidsbedrijven  en
        particuliere  ondernemingen, met  name het  middel-  en kleinbedrijf,
        alsmede aan de behoeften van het individu ;

   b)   het scheppen  van een  geschikt kader  voor het  aanbod aan  beroeps-
        opleiding ;

   c)   de evaluatie van het  aanbod en de resultaten van de beroepsopleiding
        om  ervoor te  zorgen  dat  zoveel mogelijk  wordt  ingespeeld op  de
        behoeften van  overheidsbedrijven en het particuliere  bedrijfsleven,
        met name  het midden-  en kleinbedrijf,  en op de  behoeften van  het
        individu.

   De belangstelling voor  de kwaliteit van de beroepsopleiding  neemt immers
   toe  in alle landen van de Europese  Unie, en dit ondanks de verschillende
   opzet van de beroepsopleidingsstelsels ;

7.    ONDERSTREEPT dat er een consensus ontstaat over de wijze waarop inzicht
      kan worden verkregen in de voorwaarden die de kwaliteit van de beroeps-
      opleiding bepalen ;

   Het streven  naar kwaliteit vereist dat voortdurend  wordt toegezien op de
   onderlinge  samenhang   van  het  totale   pakket  aan  maatregelen.   Het
   pedagogisch gebeuren  staat immers niet op zichzelf ;  de kwaliteit van de
   beroepsopleiding is  het resultaat van  een opeenvolging van  handelingen,
   vanaf de analyse  van de behoeften via de ontwikkeling van de inhoud en de
   organisatie van de  opleiding tot en met  de evaluatie van de  resultaten.
   Bij al  deze activiteiten zijn  uiteraard talrijke personen  en instanties
   betrokken.

8.    MERKT  OP dat de aandacht voor  de kwaliteit van de beroepsopleiding de
      betrokkenen ertoe gebracht heeft om, naar gelang van de wijze waarop de
      beroepsopleiding   in   de   verschillende   Lid-Staten   is   opgezet,
      verschillende initiatieven te nemen, waaronder de volgende :

   a)   ondernemingen   streven  ernaar  de   relatie  met  verstrekkers  van
        beroepsopleiding   te   structureren   naar   het    model   van   de
        klant/leverancier-relatie ;

   b)   beroepsopleidingsinstellingen  hebben  een  begin  gemaakt  met   het
        definiëren  van   kwaliteitscriteria  en/of   -handvesten  inzake  de
        verbintenissen jegens  hun cliënten ; sommige  onder hen  gaan in  de
        richting van certificering door een derde ;

   c)   de overheid  en/of de  sociale partners  en/of andere  partners, naar
        gelang  de nationale  gebruiken hebben  kwaliteitscriteria  ingevoerd
        bij   de  vaststelling   van  voorschriften   en  doelstellingen,  de
        ontwikkeling  van strategieën en de uitwerking van structuren voor de
        activiteiten en het beheer van de beroepsopleiding ;

9.      VERZOEKT  de  Lid-Staten,   de  sociale  partners   en  de   bevoegde
        instanties, naar gelang  de nationale gebruiken,  om de  uitwisseling
        van   informatie   en  ervaringen   inzake   de   kwaliteit   van  de
        beroepsopleiding te ontwikkelen en daarbij de  nationale gebruiken en
        de verantwoordelijkheid van de  Lid-Staten voor de inhoud en de opzet
        van  de  beroepsopleiding  te  eerbiedigen,  door  ondersteuning  van
        initiatieven die gericht zijn op :

      a)   het  scheppen van gunstiger voorwaarden voor de toegang tot infor-
           matie  over het aanbod aan  beroepsopleiding die  aan de behoeften
           van de gebruiker beantwoordt ;

      b)   een verbetering van de opleidingsopdracht, ongeacht of zij van  de
           overheid dan wel van  het bedrijfsleven afkomstig is, bijvoorbeeld
           door de te verwezenlijken doelstellingen te omschrijven ;

      c)   het  stimuleren van  de  verstrekkers van  beroepsopleiding  om de
           kwaliteit van  hun diensten te verbeteren  door bij- en nascholing
           aan  hun personeel  en  door  het nemen  van  initiatieven op  het
           gebied van  onderzoek/ontwikkeling en verspreiding van  innovaties
           op het gebied van de kwaliteit ;

      d)   de  ontwikkeling van methoden en  instrumenten waarmee de beroeps-
           opleiding kan worden geëvalueerd.

      Dit streven naar een betere kwaliteit van de beroepsopleiding zou aldus
      een bijdrage moeten leveren aan de reductie  van het aantal jongeren en
      volwassenen dat geen adequate beroepsopleiding heeft.

10.   VERZOEKT  de  Commissie   om,  uitgaande  van  bovenstaande  elementen,
      experimenten  op  dit  gebied alsmede  de  overdracht  en  verspreiding
      daarvan in  de Europese Unie, met  name via de  verschillende bestaande
      communautaire programma's en initiatieven, te bevorderen."

DIVERSEN

(Aangenomen zonder  debat. Wanneer het  besluiten met een wetgevend  karakter
betreft, zijn de tegenstemmen of onthoudingen aangegeven.)

Europees agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk

De  Raad  heeft  de  verordening  houdende  wijziging  van  Verordening  (EG)
nr. 2062/94  tot oprichting van  bovengenoemd agentschap  aangenomen teneinde
de samenstelling  van de  Raad van Bestuur  van het agentschap  aan te passen
aan de jongste  uitbreiding. Ook de vertegenwoordiging  van de werkgevers- en
werknemersorganisaties wordt gewijzigd.
De   Raad  van   Bestuur  van   het  agentschap   telt  voortaan   48 leden :
15 vertegenwoordigers  van  de  Regeringen   van  de  Lid-Staten,  15 van  de
werkgeversorganisaties, 15 van  de werknemersorganisaties  en 3 leden die  de
Europese Commissie vertegenwoordigen.

Interne markt

De Raad heeft, met  als tegenstemmers de Duitse en  de Nederlandse delegatie,
het  gemeenschappelijk standpunt aangenomen betreffende  de invoering van een
procedure  voor  uitwisseling  van  informatie   over  nationale  maatregelen
waarbij wordt afgeweken van  het beginsel van het vrije verkeer  van goederen
binnen  de  Gemeenschap.  De   stemverklaringen  van  de  twee  bovengenoemde
delegaties  werden reeds gepubliceerd in Mededeling aan de Pers nr. 7568/95 -
Presse 162.  Het gemeenschappelijk standpunt van de Raad zal aan het Europees
Parlement worden  voorgelegd met  het oog  op de  voortzetting  van de  mede-
beslissingsprocedure.

De Raad is overgegaan tot  de definitieve aanneming van de  resolutie over de
eenvormige  en  daadwerkelijke   toepassing  van  het  Gemeenschapsrecht   en
sancties op overtredingen daarvan op het  gebied van de interne markt ;  over
deze resolutie was reeds  een politiek akkoord tot  stand gekomen tijdens  de
zitting van  6 juni 1995. Voor de tekst  van de resolutie zie  Mededeling aan
de Pers nr. 7568/95 - Presse 162.

Landbouw

Tijdens   de   zitting   van   19-22 juni 1995   kwam   bij   gekwalificeerde
meerderheid [7]    een politiek  akkoord  tot stand  (Mededeling aan  de Pers
nr. 8134/95  -  Presse 195)  over  een  algemeen  compromis  dat de  volgende
onderdelen behelst :

I)      agromonetaire regeling ;

II)     prijzenpakket en  begeleidende maatregelen 1995/1996, hervorming  van
        de katoenregeling, zuivelquota ;

III)    vervoer van dieren.

De Raad  heeft als gevolg hiervan  onderstaande verordeningen  en richtlijnen
vastgesteld waardoor dit akkoord juridisch vorm krijgt :

I.    AGROMONETAIRE REGELING

   Verordening tot  vaststelling van  de compenserende  steun in verband  met
   dalingen van de landbouwomrekeningskoersen voor bepaalde valuta's.

II.   PRIJZEN  EN  BEGELEIDENDE  MAATREGELEN  1995/1996,  HERVORMING  VAN  DE
      REGELING VOOR KATOEN, MELKQUOTA

   a)   Granen-rijst

      - Verordeningen :

        =  tot  wijziging  van Verordening  (EEG)  nr. 1766/92  houdende  een
           gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen ;

        =  tot  vaststelling,  voor  het  verkoopseizoen  1995/1996,  van  de
           maandelijkse verhogingen van de prijzen voor granen ;

        =  tot  wijziging  van  Verordening (EEG)  nr.  1418/76  houdende een
           gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt ;

      = tot  vaststelling  van  de  interventieprijs  voor   padie  voor  het
        verkoopseizoen 1995/1996 ;

      = houdende vaststelling van de maandelijkse verhogingen  van de prijzen
        voor padie en gedopte rijst voor het verkoopseizoen 1995/1996.

b)    Suiker

   -  Verordeningen tot vaststelling voor het verkoopseizoen 1995/1996 van :

      = bepaalde prijzen  in de sector  suiker en  van de  standaardkwaliteit
        van suikerbieten ;

      = de    afgeleide   interventieprijzen    voor    witte    suiker,   de
        interventieprijs  voor   ruwe  suiker,  de   minimumprijzen  voor  A-
        suikerbieten  en   B-suikerbieten,  de  drempelprijzen,  alsmede  het
        bedrag van de vergoeding voor de verevening van de opslagkosten.

c)    Olijfolie

   -  Verordening tot vaststelling, voor het verkoopseizoen 1995/1996, van de
      prijzen, het bedrag van de steun en het daarvan in te houden percentage
      in de sector olijfolie.

d)    Textiel

   -  Verordeningen tot vaststelling :

      = voor  het verkoopseizoen  1995/1996 van  de steun  voor  vezelvlas en
        hennep,  alsmede  van  het  bedrag  dat  wordt  ingehouden  voor   de
        financiering van  de maatregelen ter  bevordering van het gebruik van
        vlasvezels ;

      = voor de steun voor zijderupsen voor het teeltseizoen 1995/1996.

e)    Zuivelprodukten

   Verordeningen tot :

   =  wijziging    van     Verordening (EEG)    nr. 804/68    houdende    een
      gemeenschappelijke  ordening   der  markten  in   de  sector  melk   en
      zuivelprodukten ;

   =  vaststelling van de richtprijs voor  melk en voor de interventieprijzen
      voor boter en magere-melkpoeder voor de periode van  1 juli 1995 tot en
      met 30 juni 1996.

f)    Schape- en geitevlees

   -  Verordening tot  vaststelling van de  basisprijs en de  differentiëring
      naar seizoen van de basisprijs in de sector schapevlees.

g)    Varkensvlees

   -  Verordening tot vaststelling van de basisprijs en de standaardkwaliteit
      van  geslachte  varkens  voor de  periode van  1 juli 1995  tot  en met
      30 juni 1996.

h)    Groenten en fruit

   -  Verordeningen :

      = tot vaststelling  van de in de sector groenten en fruit toe te passen
        basis- en aankoopprijzen voor het verkoopseizoen 1995/1996 ;

      = houdende   afwijking    voor   het   verkoopseizoen   1995/1996   van
        Verordening (EEG)  nr.  3119/93  tot   vaststelling  van   bijzondere
        maatregelen  om  de   verwerking  van   bepaalde  citrusvruchten   te
        bevorderen.

i)    Wijn

   -  Verordeningen tot :

      = wijziging    van   Verordening (EEG)    nr. 822/87    houdende    een
        gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt ;

      = vaststelling   van   de   oriëntatieprijzen   voor   wijn  voor   het
        wijnoogstjaar 1995/1996 ;

      = wijziging  van Verordening (EEG) nr. 2046/89  tot vaststelling van de
        algemene voorschriften voor de distillatie van  wijn- en bijprodukten
        van de wijnbereiding ;

      = wijziging van  Verordening (EEG)  nr. 2332/92  betreffende de  in  de
        Gemeenschap    vervaardigde   mousserende    wijnen,   alsmede    van
        Verordening (EEG) nr. 4252/88  inzake de bereiding en afzet van in de
        Gemeenschap voortgebrachte likeurwijnen ;

      = wijziging van  Verordening (EEG) nr. 1442/88 inzake de toekenning van
        premies  voor definitieve stopzetting van de  wijnbouw op wijnarealen
        in de wijnoogstjaren 1988/89 tot en met 1995/96 ;

      = wijziging van  Verordening (EEG) nr. 2392/86  tot instelling  van het
        communautaire wijnbouwkadaster.

   j)   Tabak

      - Verordening tot vaststelling  van de premies  en de  garantiedrempels
        voor tabaksbladeren per groep tabakssoorten voor de oogst 1995.

   k)   Zaaizaad

      - Verordening tot  vaststelling  van  de  steunbedragen  in  de  sector
        zaaizaad voor de verkoopseizoenen 1996/1997 en 1997/1998.

   l)   Melkquota

      - Verordening  houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 3950/92 tot
        instelling  van   een   extra   heffing   in  de   sector   melk   en
        zuivelprodukten.

   m)   Katoen

      - Verordeningen tot :

        =  vijfde  aanpassing  van  de   steunregeling  voor  katoen  die  is
           ingesteld  bij  het  aan de  Akte  van Toetreding  van Griekenland
           gehechte protocol nr. 4 ;

        =  vaststelling van  de algemene  voorschriften van de  steunregeling
           voor katoen en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2169/81.

III.  VERVOER VAN DIEREN

   Richtlijn tot wijziging van Richtlijn 91/628/EEG inzake de bescherming van
   dieren tijdens het vervoer.

Visserij

De Raad heeft de  verordening aangenomen waarbij voor de periode van 16 april
tot  en met 31 december 1995  in NAFO-gebied  3 LMNO  een communautair quotum
van 5.013 ton  zwarte heilbot  wordt vastgesteld  zoals is bepaald  in de  op
20 april 1995 ondertekende Overeenkomst met Canada.

Deze verordening  behelst een  wijziging  van Verordening nr. 366/94  waarbij
voor 1995 enkele  instandhoudings- en  beheersmaatregelen worden  vastgesteld
voor  de   visbestanden  in   het  gereglementeerde   gebied   van  de   NAFO
(noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan).

Voorts heeft  de Raad  de  verordeningen  aangenomen waarbij  er  protocollen
worden gesloten tot vaststelling  van de vangstmogelijkheden en de financiële
compensatie  als  bedoeld  in de  overeenkomsten  tussen  de  Gemeenschap  en
sommige  derde  landen.  Al  deze  protocollen  waren  reeds   voorlopig  van
toepassing  onder voorbehoud  van  sluiting.  Hierna volgt  de  lijst van  de
betrokken  landen met  telkens  de  geldigheidsduur van  het  protocol en  de
Mededeling aan de Pers (CP) waarin de inhoud ervan is samengevat :

-  Senegal,  van  2 oktober 1994  tot   en  met  1 oktober 1996  (CP 4381/95,
   Presse 20, van 23.01.95) ;

-  Equatoriaal Guinee,  van 1 juli 1994 tot en met 30 juni 1997 (CP 10627/94,
   Presse 227, van 10.11.94) ;

-  Comoren,  van   20 juli 1994   tot  en   met  19 juli 1997   (CP 10627/94,
   Presse 227, van 10.11.94) ;

-  Kaapverdië, van 6 september 1994 tot en met 5 september 1997 (CP 10627/94,
   Presse 227, van 10.11.94) ;

-  Ivoorkust,  van   1 juli 1994  tot   en  met  30 juni 1997   (CP 10627/94,
   Presse 227, van 10.11.94).

Bovendien werden door de Raad aangenomen

-  een  besluit met het oog op de  aanpassing ingevolge de uitbreiding van de
   op 2 december 1991 ondertekende  Visserij-Overeenkomst tussen enerzijds de
   Gemeenschap  en anderzijds de  Regering van Denemarken  en de plaatselijke
   Regering van de Faeröer ;

-  de  verordening   houdende  wijziging  van   Verordening  nr. 3699/93  tot
   vaststelling van  de criteria en voorwaarden voor  de structurele bijstand
   van   de   Gemeenschap   in   de   sector   visserij/aquacultuur   en   de
   verwerking/afzet van de produkten daarvan.

   Deze wijzigingen zijn met name gericht op het volgende :

   =  de  aanpassing  van een  aantal  bepalingen in  Verordening nr. 3699/93
      (toepassingsverordening "FIOV"), waarin de eenheid BRT ("bruto register
      tonnage") gebruikt  wordt om het  tonnage van de  schepen te  meten als
      steunparameter  van de  structurele acties, welke  actie bedoeld  is om
      rekening  te houden met de inwerkingtreding van  het Verdrag van Londen
      (ITC 69) betreffende de meting van schepen in bruto  tonnage, dat leidt
      tot het  gebruik van een  nieuwe eenheid  voor de  meting van  schepen,
      namelijk het bruto tonnage ;

   =  verlaging van de activiteitsdrempel  die een vissersboot in  aanmerking
      doet komen  voor de  definitieve-stopzettingsmaatregelen betreffende de
      vissersschepen  die zijn geregistreerd in havens in  het noorden van de
      Oostzee, gelet op de  bijzondere klimatologische omstandigheden in  dit
      gebied waardoor deze weinig zout bevattende wateren gedurende een groot
      deel van het jaar bevriezen.

Vervoer

De Raad heeft  het besluit aangenomen  waarbij hij aan  de Commissie  mandaat
verleent  om te onderhandelen over een bijkomend protocol bij de overeenkomst
tussen  de  Gemeenschap  en  de Republiek  Slovenië  op  het  gebied van  het
vervoer.

Energie

Ingevolge de  politieke akkoorden  die  werden  gesloten tijdens  de  zitting
"Energie"  van 1 juni 1995 (zie "Mededeling aan de Pers" 7565/95, Presse 159)
heeft  de Raad  formeel  de  gemeenschappelijke  standpunten  aangenomen  met
betrekking tot de richtsnoeren  en maatregelen om voor de ontwikkeling van de
transeuropese  netwerken  in  de   energiesector  een  gunstiger  klimaat  te
creëren.

Consumentenbescherming

Ingevolge het  politieke  akkoord  dat  tot  stand kwam  tijdens  de  zitting
"Consumentenbescherming"   van   30 maart 1995   (zie   Mededeling   aan   de
Pers 6120/95,  Presse  99)  heeft  de  Raad  formeel  zijn  gemeenschappelijk
standpunt  aangenomen inzake het  voorstel voor  een richtlijn  op het gebied
van "verkoop op afstand".

Het  voorstel  behelst   de  onderlinge  aanpassing  van  de   wettelijke  en
bestuursrechtelijke   bepalingen   van   de    Lid-Staten   betreffende    de
overeenkomsten op afstand  tussen consument  en leverancier ;  het is  tevens
bedoeld om de consumenten in dit opzicht beter te beschermen.

Telecommunicatie

De  Raad heeft formeel  de resolutie  betreffende de  mobiele en persoonlijke
communicatie  binnen  de Europese  Unie  aangenomen en  aldus het  tijdens de
zitting  van  13 juni 1995  geconstateerde politieke  akkoord  bevestigd.  De
tekst  van  de resolutie  staat  in de  Mededeling  aan de  pers nr. 7840/95,
Presse 175.

Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen

Ingevolge het  principiële akkoord  dat de  Raad  ECOFIN op  19 juni jl.  had
bereikt (zie  Mededeling aan  de Pers,  doc. 8132/95, Presse  193), heeft  de
Raad formeel zijn  gemeenschappelijk standpunt aangenomen voor wat betreft de
verordening  inzake de bescherming van de financiële belangen van de Europese
Gemeenschappen.

Bovendien heeft hij beslist  het Europees  Parlement opnieuw over deze  tekst
te  raadplegen  zodat  deze  kan  worden  aangenomen  in  het  kader  van  de
overlegprocedure  waarvan sprake in de  gemeenschappelijke verklaring van het
Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 4 maart 1975.

Financieel  Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese
Gemeenschappen

De  Raad  heeft  twee  gemeenschappelijke  beleidslijnen  vastgesteld  inzake
wijzigingen  in het Financieel Reglement  van 21 december 1977 van toepassing
op  de algemene begroting  van de  Europese Gemeenschappen ;  deze zullen aan
het   Europees   Parlement  worden   toegezonden   in   het  kader   van   de
overlegprocedure  als genoemd  in  de gemeenschappelijke  verklaring  van het
Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 4 maart 1975.

Het doel van deze twee ontwerpen is de voorwaarden  voor de uitvoering van de
begroting te  verbeteren, inzonderheid voor  wat de controlevereisten en  het
bijhouden van de rekeningen betreft.

Het  eerste  ontwerp  betreft  de behandeling  van  boeten,  de  rol  van  de
Financieel Controleur, de inning van de  schuldvorderingen, de verrekening na
afsluiting ;  het  tweede  ontwerp behelst  bijzondere  bepalingen  inzake de
kredieten voor  onderzoek en  technologische ontwikkeling,  dit ingevolge  de
nieuwe werkzaamheden  van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek in het
kader  van de  nieuwe concurrentiële  aanpak  die werd  ingeluid  met het  4e
kaderprogramma.

Deze voorgenomen  wijzigingen vormen het  3e en  5e "pakket" van  een ruimere
herziening van het financieel reglement die zes "wijzigingspakketten" omvat.

6e BTW-richtlijn : Brits verzoek om afwijking

De Raad  heeft het  Verenigd  Koninkrijk  machtiging verleend  om  bijzondere
afwijkende maatregelen  in te voeren ten aanzien van het  recht op aftrek van
de huurder of de lessee. Deze maatregel is gebaseerd op artikel 27 van de  6e
BTW-richtlijn, dat  het mogelijk  maakt de specifieke  maatregelen te treffen
om de  belastinginning te  vereenvoudigen en  bepaalde vormen  van fraude  of
belastingontduiking te vermijden.

Deze machtiging  is een gevolg  van een  verzoek van de  Britse Regering  om,
enerzijds,  het  recht  op  aftrek  van  de  huurder  of  de  lessee van  een
personenauto te  mogen beperken  wanneer dit  voertuig voor  privé-doeleinden
wordt  gebruikt en, anderzijds, geen BTW  te hoeven innen op het particuliere
gebruik van deze voertuigen.

EGKS-produkten

De Raad heeft  het besluit aangenomen inzake  de geleidelijke afschaffing van
bepaalde kwantitatieve beperkingen  die van toepassing zijn  op de invoer van
bepaalde EGKS-produkten.

Bijgevolg  vervallen uiterlijk op  31 december 1997 de  nationale beperkingen
die door  het Koninkrijk Spanje worden  toegepast op de import  van oorsprong
uit derde landen van produkten die vallen onder de GN-codes 2701  11, 2701 12
90 en 2701 19.

Hierna volgen  de jaarhoeveelheden waartoe  het Koninkrijk  Spanje de  import
van de erin aangegeven produkten zal mogen beperken :

   Lid-    Produkt    GN-code     1995        1996
 Staat                            (ton)      (ton)

 Spanje   Antracie  2701 11     )          )
          t                                )
                    2701 12     )          )
          Andere    90
          bitumine              10.600.00  10.800.00
          uze                   0          0
          steenkoo  2701 19     )          )
          l                     )          )
                                )          )
          Andere                )          )
          steenkoo
          l

   Lid-    Produkt    GN-code     1997       1998
 Staat                            (ton)      (ton)

 Spanje   Antracie  2701 11     )          )
          t                     )          )
                    2701 12     )          )
          Andere    90                     vrije
          bitumine              11.100.00  import
          uze                   0          )
          steenkoo  2701 19     )          )
          l                     )          )
                                )
          Andere                )
          steenkoo
          l

Intellectuele eigendom

De  Raad heeft beslist dat hij  namens de Gemeenschap het Verdrag betreffende
het   merkenrecht,  dat   op   27 oktober 1994   onder   auspiciën   van   de
Wereldorganisatie voor de intellectuele  eigendom (WIPO) werd aangenomen, zal
ondertekenen onder  voorbehoud van  goedkeuring. De  Voorzitter  van de  Raad
kreeg de  toestemming om voor 27 oktober 1995  de personen aan te  wijzen die
zullen worden gemachtigd om dit verdrag te ondertekenen.

Internationale Tarweovereenkomst

De Raad heeft beslist  om op 30 juni te  New York het Tarwehandelsverdrag  en
het Voedselhulpverdrag,  die samen de  Internationale Tarweovereenkomst  voor
1995  vormen, te ondertekenen  zodat deze  overeenkomst voorlopig  kan worden
toegepast.

Douane-unie 

De Raad  heeft twee  verordeningen aangenomen  houdende tijdelijke  schorsing
van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op
-  een   aantal  industriële  produkten   (micro-elektronica  en  aanverwante
   sectoren) en
-  een aantal industrieprodukten (chemie en aanverwante sectoren).
De produktie van de onder  deze verordeningen vallende produkten is  thans in
de Gemeenschap onvoldoende of  onbestaande en hierdoor kunnen de  producenten
niet   voorzien  in  de  behoeften  van  de  verwerkende  industrieën  in  de
Gemeenschap.

Geldigheidsduur  van   deze  schorsingen :   van  1 juli 1995   tot  en   met
31 december 1995 voor sommige  produkten en voor andere  produkten tot en met
30 juni 1996.

Tevens  heeft de Raad  de verordening  aangenomen inzake  de totale schorsing
voor de  periode van  1 juli 1995  tot en  met 30 juni 1996  van de  autonome
rechten   van    het   gemeenschappelijk    douanetarief   op   een    aantal
landbouwprodukten (peulerwten,  champignons,  witte bonen,  dadels,  vruchten
van de Vaccinium-soort en rozebottels).

De  Raad heeft de  beschikking aangenomen  betreffende de  uitbreiding van de
rechtsbescherming  van  topografieën van  halfgeleiderprodukten  tot personen
uit  de Verenigde Staten van  Amerika voor de periode  van 2 juli 1995 tot en
met 1 januari 1996.  De bij Richtlijn 87/54/EEG  ingevoerde rechtsbescherming
- d.w.z. de communautaire  behandeling - blijft dus  gelden voor  natuurlijke
personen die  onderdaan  zijn van  de Verenigde  Staten  van Amerika  of  hun
gewone verblijfplaats in  dit land hebben, en  tevens voor vennootschappen en
andere   rechtspersonen  uit  de  Verenigde  Staten   van  Amerika  die  daar
daadwerkelijk een serieuze industriële of commerciële vestiging hebben.

Er  zij aan  herinnerd dat Beschikking  94/824/EG van de  Raad betreffende de
uitbreiding    van     de    rechtsbescherming    van    topografieën     van
halfgeleiderprodukten    tot    onderdanen    uit    een    lid     van    de
Wereldhandelsorganisatie (WTO) op 1 januari 1996  van kracht wordt en dat  de
Verenigde Staten lid van de WTO zijn.

Canada : onderhandelingen uit hoofde van artikel XXIV.6 van de GATT

De   Raad   heeft   de   verordening  aangenomen   waarbij   de   rechten  op
courantenpapier op rollen  of in bladen van  GN-post 4801 00 10 en 4801 00 90
worden vastgesteld ingevolge  de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden
tot de Europese Unie.

Naar aanleiding van de  conclusies van de  Raad (Algemene Zaken) van  12 juni
jl.  had de Commissie  van de  Canadese autoriteiten  de verzekering gekregen
dat  Canada  niet  de  unilaterale  maatregelen  zal  toepassen  die het  had
aangekondigd  voor  het  geval de  Raad  deze  concessie  op  courantenpapier
aanneemt.

Er zij aan herinnerd dat  deze verordening erop is gericht  op autonome wijze
de  reeds vastgestelde verlaging  tot 0 %  van de  rechten op courantenpapier
versneld  in te  voeren  ten  behoeve van  met  name Canada,  zonder  evenwel
vooruit  te lopen  op het  resultaat van  de onderhandelingen uit  hoofde van
artikel XXIV.6.

De rechten  die worden vastgesteld bij  deze verordening  - die de dag  na de
bekendmaking ervan in het  Publikatieblad in  werking treedt - gelden tot  de
Raad  met gekwalificeerde  meerderheid  beslist  dat de  met  Canada gevoerde
onderhandelingen uit hoofde van artikel XXIV.6 van de GATT beëindigd zijn.

De nieuwe tarieven van de autonome rechten zijn weergegeven in bijlage I.

Verenigde Staten : tariefcontingenten

De  Raad heeft Verordening (EG) nr. 3361/94 van 29 december jl. gewijzigd met
het oog  op de  verlenging van  bepaalde tariefcontingenten voor  Oostenrijk,
Finland en Zweden.

Door deze  verordening worden dezelfde contingenten tegen dezelfde rechten en
voor dezelfde produkten van  1 juli t/m 31 december 1995 verlengd ten behoeve
van met name  de Verenigde Staten, aangezien er nog  geen eind is gekomen aan
de uit hoofde van  artikel XXIV.6 van de GATT gevoerde onderhandelingen om de
algemene weerslag van de toepassing van  het GDT door de nieuwe Lid-Staten te
onderzoeken.

SAP - Zuid-Afrika

De Raad heeft  geconstateerd dat, aangezien de  Commissie geen voorstel heeft
ingediend,  hij  de  voorwaarden   voor  de  toepassing  op  Zuid-Afrika  van
Verordening (EG)  nr. 3282/94 van  19 december 1994 niet  in behandeling  kon
nemen zoals is voorgeschreven in artikel 6, lid 2, van genoemde verordening.

De Raad is overeengekomen  deze kwestie met bekwame spoed te behandelen zodra
de Commissie een voorstel heeft ingediend.

Betrekkingen met Turkije en Israël

De  Raad heeft de  verordening aangenomen  waarbij bepaalde  concessies in de
vorm   van    communautaire   tariefcontingenten   in 1995   voor    bepaalde
landbouwprodukten,  inclusief  verwerkte  produkten,  worden vastgesteld  ten
voordele van Israël en Turkije.

Enkele  in  de  huidige  preferentiële  overeenkomsten  tussen  enerzijds  de
Gemeenschap en  anderzijds Israël  en Turkije  voorkomende concessies  moeten
ingevolge  de uitbreiding van de Europese Unie worden aangepast in afwachting
van de  afronding van  de onderhandelingen  over de hiertoe  vast te  stellen
bijkomende protocollen.

De  per 1 januari 1995 geldende concessies  in de vorm van tariefcontingenten
betreffen  met   name  de   volgende  produkten :   bloemen,  Chinese   kool,
mandarijnen, hazelnoten.

Betrekkingen met de geassocieerde LMOE

De  Raad heeft de  verordening aangenomen  waarbij bepaalde  concessies in de
vorm   van   communautaire   tariefcontingenten    in 1995   voor    bepaalde
landbouwprodukten,  inclusief  verwerkte produkten,  worden  vastgesteld  ten
voordele  van Bulgarije,  de  Republiek  Tsjechië,  de  Republiek  Slowakije,
Hongarije, Polen en Roemenië.

Met   deze  per  1 januari 1995  geldende   verordening  worden  er  autonome
tariefmaatregelen  toegepast  in   afwachting  van  de   voltooiing  van   de
onderhandelingen met deze landen, die na de uitbreiding van  de Europese Unie
werden   geopend   ten   einde   rekening   te   houden   met   de  bestaande
handelsregelingen tussen die landen en de drie nieuwe Lid-Staten.

De contingenten behelzen met name : honing, sommige groenten, fruit en wijn.

Communautaire steun aan Madeira na de cycloon van 1993

De Raad  heeft het besluit  aangenomen betreffende buitengewone bijstand  van
de Gemeenschap voor de wederopbouw van de gebieden die verwoest  zijn door de
cycloon welke in oktober 1993 Madeira heeft getroffen.

Dit   besluit   houdt  in   dat   de   Gemeenschap  een   rentesubsidie   van
3 percentpunten per jaar voor een duur  van niet meer dan 12 jaar verleent op
de  leningen  die door  de  EIB  uit  haar  eigen middelen  en  volgens  haar
gebruikelijke  criteria   worden   toegestaan   voor  de   financiering   van
investeringsprojecten in de verwoeste gebieden.

Het totale  bedrag van de gesubsidieerde  leningen mag niet  hoger liggen dan
het equivalent van 15,85 miljoen ecu in hoofdsom.

Benoemingen

De Raad  heeft het besluit aangenomen  waarbij de  heer Joergen MOHR  voor de
periode van 1 juli 1995  t/m 9 februari 2000 tot lid  van de Rekenkamer wordt
benoemd ter vervanging van de heer Ole WARBERG, die aftreedt.

BIJLAGE I

                                           Geldende autonome rechten
 GN-code        Omschrijving

                                           1995    1.1.96  1.1.97   1.1.98

 48010010       Courantenpapier op rollen  4,5 %   4,5 %   4,0 %
                of in bladen, vermeld in
                aanvullende aantekening 1
                van hoofdstuk 48
                                                                    3,5 %

 48010090       Courantenpapier op rollen  6,5 %   5,5 %   4,5 %
                of in bladen, niet
                vermeld in aanvullende
                aantekening 1 van hoofd-
                stuk 48

                                    Geldende autonome rechten
 GN-code    Omschrijving

                                    1.1.99  1.1.2000   1.1.2001   1.1.2002

 48010010   Courantenpapier op
            rollen of in bladen,
            vermeld in
            aanvullende
            aantekening 1 van       2,5 %     1,5 %      0,5 %      0,0 %
            hoofdstuk 48

 48010090   Courantenpapier op
            rollen of in bladen,
            niet vermeld in
            aanvullende
            aantekening 1 van
            hoofdstuk 48

[1]      De Duitse delegatie handhaafde nog een voorbehoud voor parlementaire
         bestudering.
[2]      PB nr. C 77 van 14.03.1994, blz. 24.
[3]      PB nr. L 181 van 23.07.1993, blz. 37.
[4]      PB  nr.C186van08.07.1993,blz.3.
[5]      PB  nr.C374van30.12.1994,blz.1.
[6]      PB  nr.L340van29.12.1994,blz.8.
[7]      De  Deense, de Nederlandse  en de Luxemburgse  delegatie waren tegen
         het voorstel om  Italië en Griekenland een definitieve verhoging van
         de melkquota toe te kennen.
   De Britse delegatie  was tegen  de agromonetaire regeling,  en de  Spaanse
   delegatie was het niet  eens met een  onderdeel van de  oplossing voor  de
   agromonetaire regeling.
   De Oostenrijkse  en de  Deense delegatie alsmede  de Italiaanse  delegatie
   stemden tegen het onderdeel vervoer van dieren.
   De  Zweedse  delegatie   was  tegen   alle  onderdelen  van  de   algemene
   compromisoplossing.

* * *

Side Bar