Navigation path

Left navigation

Additional tools

EUROPESE RAAD

DE VOORZITTER

NL

Brussel, 18 februari 2013 (20.02)

(OR. en)

EUCO 41/13

PRESSE 60

PR PCE 34

Toespraak van Herman van Rompuy, voorzitter van de Europese Raad, in het Europees Parlement

De presidenten en eerste ministers van al onze 27 landen hebben op 7 en 8 februari op hun niveau overeenstemming bereikt over het Financieel Kader van de Unie voor de komende zeven jaar.

Vergeleken bij het vorige kader (2007-2013) zijn de totale uitgavenplafonds enigszins verlaagd, maar onder die plafonds zijn de prioriteiten duidelijk verschoven ten gunste van hogere investeringen in groei en werkgelegenheid. Dat is het gevolg van de twee belangrijkste overwegingen achter onze keuzen: aanpassing aan de ernstige begrotings­problemen in heel Europa en tegelijkertijd investeren in de toekomst.

Zoals uit de berichten in de pers duidelijk naar voren komt, heeft elke leider getracht voor zijn eigen land en zijn eigen burgers het beste uit het vuur te slepen. Dat is volkomen legitiem, wat ook geldt voor het feit dat sommigen meer aandacht hadden voor de zorgen van hun belastingbetalers en anderen meer voor de behoeften van de begunstigden. Voor mij is het belangrijkste dat we het eens zijn geworden en dat het een goed akkoord is voor Europa als geheel.

We moesten het eens worden over drie zaken: de omvang, de uitgavenprioriteiten en de bronnen van onze inkomsten, waarbij we tegelijkertijd moesten streven naar een gemoderniseerde, realistische begroting met het accent op de meest nijpende behoeften.

Op de eerste plaats, de omvang: in de huidige economische omstandigheden moesten we wel kiezen voor een gematigde begroting. In heel Europa worden de broekriemen aangehaald en de Unie kon daarop geen uitzondering vormen. Sommigen vinden dat Europa door de verlaging van het algehele plafond van de vastleggingen met 3% een stap terug doet. Dat is niet juist. Net als in de rest van Europa gaat het er vooral om meer met minder geld te doen en ervoor te zorgen dat elke uitgegeven euro optimaal rendeert. Meer Europa betekent niet noodzakelijkerwijs meer geld.

Ik wil er niettemin op wijzen dat deze verlaging van het vastleggingenplafond misschien niet eens leidt tot een verlaging van de feitelijke betalingen op de jaarlijkse begrotingen die u aanneemt. In de afgelopen zeven jaar zijn de door het Parlement goedgekeurde betalingen ruim beneden het maximum van het MFK gebleven: over de hele periode bedroegen zij in totaal 875 miljard euro, wat veel minder is dan de 908 miljard die nu voor de komende zeven jaar zijn uitgetrokken.

Hoe het ook zij, de MFK-plafonds zouden nooit meer dan enkele procentpunten zijn verhoogd of verlaagd omdat er nu eenmaal eenparigheid van stemmen nodig is; toch gingen sommige politieke commentaren alleen maar dáár over. Afgelopen november heb ik zelf een voorstel gedaan voor een algeheel vastleggingenplafond van 970 miljard euro, en het definitieve akkoord van 960 miljard kwam daar dichtbij -- hoewel sommige lid­staten 30 miljard of meer onder mijn voorstel wilden gaan. De echte veranderingen zitten in de inhoud van de uitgaven en die veranderingen verdienen een positief onthaal. Het belang daarvan is veel groter dan de kleine wijziging van het algemene maximum en verdient veel meer aandacht.

Neem op de eerste plaats rubriek 1a, die onderzoek en innovatie, grensoverschrijdende energie, transport en digitale netwerken, Galileo en Erasmus omvat. Hier stijgen de uitgaven met 37,3% ten opzichte van het vorige MFK. De stijging gaat bovendien gestaag verder, waardoor zij in het laatste jaar meer dan 40% zal bedragen. Dat is een significante verbetering vergeleken bij de huidige situatie. Nogmaals, men kan betreuren dat niet alle investeringsvoorstellen van de Commissie zijn overgenomen, maar het is misleidend om de aanpassingen in het voorstel af te schilderen als verlagingen, wanneer wij in werkelijkheid hebben afgesproken meer geld in groei te investeren dan het huidige MFK-kader.

Op de tweede plaats zullen de cohesie-uitgaven scherper gefocust worden en stimulansen voor resultaten bevatten, doordat geld wordt gereserveerd voor de beste presteerder. Door middel van macro-economische conditionaliteit wordt ingezet op meer synergie tussen cohesiefinanciering en economische governance. Over de hele linie zullen de financieringsprogramma's worden vereenvoudigd en beter worden gecontroleerd. Cohesie­landen zullen een hoog percentage aan EU-cofinanciering en een gunstige btw-behandeling ontvangen, wat goed is voor hun nationale begrotingen. Bij het toewijzen van middelen uit de structuurfondsen zullen armere landen een groter deel van de cohesiefinanciering ontvangen. Het cohesiebeleid kijkt niet achterom, maar investeert in de toekomst. Bovendien blijft onze steun voor de meest behoeftigen overeind.

Op de derde plaats is er de stijgende jeugdwerkloosheid, waarvan een op de vier jonge Europeanen, in sommige landen een op de twee, het slachtoffer is; in het kader van een nieuw initiatief zal 6 miljard euro worden uitgetrokken om deze dramatische situatie te helpen bestrijden. Dit is een treffend voorbeeld van de sociale dimensie van onze begroting.

Op de vierde plaats noem ik de landbouw, een beleidssector die bijna uitsluitend op Europees niveau wordt gefinancierd. Het accent ligt hier steeds meer op de kwaliteit van het leven in plattelandsgebieden, groenere praktijken en een duurzame voedselproductie, welke voor ons allen van essentieel belang is. Landbouw behoort niet tot het verleden, maar krijgt dankzij hervormingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid een kleiner relatief gewicht op de begroting, een trend die zich zal doorzetten. Aan het eind van de periode van zeven jaar zal de eerste pijler van de GLB-uitgaven nog ongeveer 27% van de totale begroting bedragen -- wat ver beneden de 75% van de zeventiger jaren is!

Op de vijfde plaats zullen de uitgaven voor Veiligheid en Burgerschap met 27% stijgen. Deze stijging weerspiegelt de groeiende omvang van de Europese samenwerking op dit gebied.

Op de zesde plaats zullen de uitgaven voor de externe betrekkingen in reële termen met 3,3% stijgen. Dit domein is dus niet verwaarloosd. Bovendien hebben wij toegezegd onze afspraken in verband met de millenniumdoelen voor ontwikkeling te zullen nakomen. Europa houdt de middelen om zich bezig te houden met essentiële mondiale vraag­stukken zoals ontwikkelingshulp of klimaatverandering. Anders dan sommige berichten suggereren, is het budget voor het Europees Ontwikkelingsfonds niet verlaagd, maar juist verhoogd.

Op de zevende plaats is er zelfs bij de rubriek Administratie sprake van een kleine verhoging. Uitbreidingen brengen namelijk uitgaven met zich mee en de lidstaten leggen de Unie nieuwe taken op. De stijging verhult evenwel de offers die ons personeel zal moeten brengen als gevolg van de algehele inkrimping van het personeelsbestand, de verlenging van de werktijd en de verhoging van de pensioenleeftijd die door de Commissie worden voorgesteld. De EU zal echter over een effectief ambtenarenapparaat blijven beschikken. Enkelen van u hebben daarover hun twijfels uitgesproken: de cijfers zijn echter duidelijk.

Ten slotte hebben we ook stilgestaan bij de financieringsbronnen, in EU-taal: de "eigen middelen". We hebben besloten de lidstaten minder te compenseren voor de inningskosten van rechten en heffingen en daardoor de opbrengst van de traditionele eigen middelen verhoogd. We hebben ruimte geschapen voor mogelijke nieuwe eigen middelen, in verband met een nieuw btw-stelsel en de toekomstige belasting op financiële transacties. We hebben een compromis bereikt over de moeilijke kwestie van kortingen op de afdrachten van de lidstaten.

Staat u mij toe enkele woorden te wijden aan de kritiek die is geleverd op een specifiek onderdeel van dit akkoord, namelijk de discrepantie tussen vastleggingen en betalingen. Feitelijk ligt deze heel dicht bij die in het vorige MFK, maar deze keer hebben we gewerkt aan een regeling om het verschil te overbruggen. We zijn het eens geworden over grotere flexibiliteit - zelfs over "maximale flexibiliteit" - zodat de betalingskredieten voldoende zullen zijn voor het nakomen van de wettelijke verplichtingen. De noodzaak daarvan is aan het begin van onze vergadering welluidend onder woorden gebracht door uw eigen voorzitter, Martin Schulz.

Ik wens dan ook te onderstrepen dat de opvattingen van het Parlement in het hele proces van cruciaal belang zijn geweest, misschien wel van meer belang dan u dacht. Het Parlement heeft stellig bijgedragen tot het inzicht dat de EU-uitgaven niet zonder meer vergelijkbaar zijn met nationale uitgaven, omdat zij nu eenmaal gericht zijn op de investeringspotentie. Het Parlement heeft steeds de aandacht voor de eigen middelen levend gehouden, een gespreksonderwerp waar maar weinig lidstaten warm voor liepen. Het Parlement heeft met enig succes gepleit voor een nieuwe flexibiliteitsclausule en een herzieningsclausule, welke beide in de conclusies van de Europese Raad worden genoemd. En het Parlement heeft constant gewezen op de noodzaak om de middelen meer te besteden aan nieuwe, groeistimulerende beleidssectoren. Ook al zijn we daarin niet zover gegaan als het oorspronkelijke Commissievoorstel, toch wijst iedere vergelijking van vergelijkbare zaken - dat wil zeggen van dit MFK met het vorige - uit dat er sprake is van een substantiële verhoging. Zelfs wat het algehele niveau van de uitgaven betreft, wil ik eraan herinneren dat er bij de onderhandelingen over het vorige MFK veel meer in het Commissievoorstel is gesneden dan nu in het nieuwe MFK: tegenover de 8% van nu staat de 15% van toen.

Door het bereiken van een akkoord hebben de Europese leiders blijk gegeven van een collectief verantwoordelijkheidsbesef, maar zij waren zich er terdege van bewust dat er nog een definitief akkoord moet worden bereikt met het Parlement. Ik heb mijn collega's eraan herinnerd dat de Europese Raad slechts een mandaat is overeengekomen - zij het een zeer krachtig mandaat - op basis waarvan de gewone Raad en zijn voorzitterschap de besprekingen met het Parlement moeten aangaan. Daarmee heeft de Europese Raad zich gekweten van zijn taak ingevolge artikel 15 van het Verdrag, namelijk om "de algemene politieke beleidslijnen en prioriteiten van de Unie te bepalen". Nu is het aan de Raad om samen met het Europees Parlement te werken aan de vaststelling van de nodige wetteksten.

Laten we vooral niet vergeten dat de begunstigden vanaf 1 januari 2014 op dit nieuwe MFK rekenen. Een zeven jaar lopende investeringsbegroting is een krachtige voorspelbaarheidsfactor. Zonder die begroting kunnen we maar voor een jaar tegelijk geld vastleggen. Dat zou een groot nadeel zijn voor wetenschappers, niet-gouvernementele organisaties en universiteiten, en voor plaatselijke en regionale overheden in heel Europa. Grote projecten hangen af van een langetermijnperspectief. Op een moment dat het vertrouwen in onze economieën geleidelijk terugkeert, zou het verankeren van dit zevenjarige perspectief een positief signaal zijn.

Om vertraging en onzekerheid te voorkomen, dring ik er bij de Raad en het Parlement op aan het snel eens te worden. Als we namelijk terug moeten vallen op de maxima van het laatste jaar van het vorige MFK, komen we vast te zitten in het bestaande uitgavenpatroon, moeten we het stellen zonder de overeengekomen hervormingen en ontstaat er een impasse bij de vernieuwing van de nodige rechtsgrondslagen. Ik wens u en het Ierse voorzitterschap van de Raad dan ook alle succes toe bij het verdere verloop van de onderhandelingen. Ik blijf ervan overtuigd dat we een algeheel akkoord over het MFK kunnen bereiken. Een open debat op basis van feiten en cijfers zal dat mogelijk maken.

Naast het MFK stond ook de handel op onze agenda. De handel kan ons helpen evenveel groei en banen te genereren als alle investeringen die mogelijk worden gemaakt door ons akkoord over het MFK! Het "groene licht" dat wij hebben gegeven voor het starten van de trans-Atlantische handelsbesprekingen met de VS is onmiddellijk gevolgd door een gezamenlijke verklaring van president Obama, mijzelf en voorzitter Barroso dat beide zijden thans de interne procedures zullen inleiden voor het starten van onderhandelingen over een trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen.

Ons laatste gespreksthema waren de ontwikkelingen in de Arabische wereld. Twee jaar na het begin van de "Arabische lente" was het nu een goed moment om de balans op te maken van de steun van Europa voor de democratische overgangen in de regio. Recente gebeurtenissen onderstrepen eens temeer hoe moeizaam deze overgangsprocessen kunnen verlopen. De Unie blijft zich daarvoor inzetten.

Ten slotte Mali: wij waarderen het doortastende optreden van Frankrijk, met de steun van andere Europese en Afrikaanse partners. De Unie wil deze inspanning steunen door haar volledige scala van instrumenten te gebruiken om de democratie en de grond­wettelijke orde in Mali te herstellen. De Europese opleidingsmissie die binnenkort haar werkzaamheden aanvangt, is daarvan een essentieel onderdeel.

Dit was mijn verslag. Ik zie uw reacties met belangstelling tegemoet.


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website