Navigation path

Left navigation

Additional tools

Other available languages: EN FR DE DA ES IT SV PT FI EL

[Graphic in PDF & Word format]


RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE

NL
C/06/131
9148/06 (Presse 131)
PERSMEDEDELING
2729e zitting van de Raad
Onderwijs, Jeugdzaken en Cultuur
Brussel, 18-19 mei 2006
Voorzitter de heer Franz Morak
staatssecretaris van Algemene Zaken, en
mevrouw Elisabeth Gehrer,
minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur
van Oostenrijk

Voornaamste resultaten van de Raadszitting
De Raad heeft een gemeenschappelijk standpunt vastgesteld betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde functionarissen van Belarus.
De Raad heeft een politiek akkoord bereikt over de programma's Media 2007, Cultuur 2007 en Burgers voor Europa, alsook over een aanbeveling inzake de bescherming van minderjarigen in verband met audiovisuele en informatiediensten.

INHOUD1

DEELNEMERS 5

BESPROKEN PUNTEN

CULTUUR EN AUDIOVISUELE SECTOR 8

– Programma Cultuur 2007 8

– Culturele hoofdsteden van Europa 9

– Europees jaar van de interculturele dialoog 2008 9

– Programma "Burgers voor Europa" 10

– UNESCO-Verdrag inzake culturele diversiteit 11

– Versterking van de Europese creatieve sector 12

– Bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid 13

– Televisie zonder grenzen 14

ONDERWIJS 15

– De Europese indicator van het taalvermogen - Conclusies van de Raad 15

– Sleutelcompetenties voor levenslang leren 20

– Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit 21

– Programma voor levenslang leren 22

– Herziening van de strategie voor duurzame ontwikkeling van de EU 23

DIVERSEN 24

ANDERE GOEDGEKEURDE PUNTEN

AUDIOVISUELE SECTOR

Programma Media 2007 26

JEUGD

De waarde van niet-formeel en informeel leren - Conclusies van de Raad 26

EXTERNE BETREKKINGEN

Belarus - Aanneming van financiële beperkende maatregelen door de Raad 31

Betrekkingen met Monaco 32

ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

ACS-EU-Raad van ministers in Papoea-Nieuw-Guinea, 1 en 2 juni 32

VIA DE SCHRIFTELIJKE PROCEDURE AANGENOMEN BESLUIT

Europese Centrale Bank - Benoeming van een lid van de directie 32

TRANSPARANTIE

Toegang van het publiek tot documenten 33

DEELNEMERS

De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd:

België:

mevrouw Fadila LAANAN minister van Cultuur, de Audiovisuele Sector en Jeugd (Franse Gemeenschap )

de heer Frank VANDENBROUCKE vice-minister-president van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming

Tsjechië

mevrouw Petra SMOLÍKOVÁ vice-minister van Cultuur

mevrouw Petra BUZKOVÁ minister van Onderwijs, Jeugdzaken en Sport

Denemarken:

de heer Jeppe TRANHOLM MIKKELSEN plaatsvervangend permanent vertegenwoordiger

de heer Bertel HAARDER minister van Onderwijs en Eredienst

Duitsland:

de heer Eberhard SINNER staatsminister voor mediazaken

de heer Peter WITT plaatsvervangend permanent vertegenwoordiger

de heer Frieder MEYER-KRAHMER staatssecretaris, ministerie van Onderwijs en Onderzoek

Estland:

de heer Raivo PALMARU minister van Cultuur

de heer Tiit NABER plaatsvervangend permanent vertegenwoordiger

Griekenland:

de heer Giorgos VOULGARAKIS minister van Cultuur

de heer Thedoros ROUSOPOULOS minister van Staat en regeringswoordvoerder

mevrouw Marietta GIANNAKOU minister van Onderwijs en Eredienst

Spanje:

de heer Francisco ROS PERÁN staatssecretaris voor Telecommunicatie en de Informatiemaatschappij

mevrouw Mercedes CABRERA CALVO-SOTELO minister van Onderwijs en Wetenschappen

Frankrijk:

de heer Renaud DONNEDIEU de VABRES minister van Cultuur en Communicatie

de heer Gilles de ROBIEN minister van Nationaal Onderwijs, Hoger Onderwijs en Onderzoek

Ierland:

de heer John BROWNE onderminister, ministerie van Landbouw en Voedselvoorziening (belast met bosbouw)

mevrouw Mary HANAFIN minister van Onderwijs en Wetenschappen

Italië:

de heer Alessandro PIGNATTI plaatsvervangend permanent vertegenwoordiger

Cyprus:

de heer Pefkios GEORGIADES minister van Onderwijs en Cultuur

Letland:

mevrouw Helēna DEMAKOVA minister van Cultuur

mevrouw Tatjana KOKE staatssecretaris, ministerie van Onderwijs en Wetenschappen

Litouwen:

de heer Vladimiras PRUDNIKOVAS minister van Cultuur

de heer Remigijus MOTUZAS minister van Onderwijs en Wetenschappen

Luxemburg:

de heer Jean-Louis SCHILTZ minister van Ontwikkelingssamenwerking en Humanitaire Acties, minister van Communicatie, minister van Defensie

mevrouw Octavie MODERT staatssecretaris van Parlementszaken, staatssecretaris van Land- en Wijnbouw en Plattelandsontwikkeling, staatssecretaris van Cultuur, Hoger Onderwijs en Onderzoek

de heer Georges FRIDEN plaatsvervangend permanent vertegenwoordiger

Hongarije:

de heer András BOZÓKI minister van Nationaal Cultureel Erfgoed

de heer Bálint MAGYAR minister van Onderwijs

Malta:

de heer Francis ZAMMIT DIMECH minister van Toerisme en Cultuur

mevrouw Theresa CUTAJAR plaatsvervangend permanent vertegenwoordiger

Nederland:

mevrouw Medy van der LAAN staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

mevrouw Maria van der HOEVEN minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Oostenrijk:

de heer Franz MORAK staatssecretaris van Algemene Zaken

de heer Georg LIENBACHER directeur-generaal, bureau van de Bondskanselier

mevrouw Elisabeth GEHRER minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur

de heer Anton DOBART algemeen directeur

Polen:

de heer Krzysztof OLENDZKI onderstaatssecretaris, ministerie van Cultuur

de heer Stanisław SŁAWIŃSKI onderstaatssecretaris, ministerie van Onderwijs en Wetenschappen

Portugal:

mevrouw Isabel PIRES DE LIMA minister van Cultuur

de heer Augusto SANTOS SILVA minister van Parlementszaken

de heer Jorge PEDREIRA toegevoegd staatssecretaris van Onderwijs

Slovenië:

mevrouw Jelka PIRKOVIČ staatssecretaris, ministerie van Cultuur

de heer Milan ZVER minister van Onderwijs en Sport

Slowakije:

de heer Juraj NOCIAR plaatsvervangend permanent vertegenwoordiger

mevrouw Dorotea MIKULOVÁ staatssecretaris, ministerie van Onderwijs

Finland:

mevrouw Tanja KARPELA minister van Cultuur

mevrouw Susanna HUOVINEN minister van Verkeer

de heer Antti KALLIOMÄKI minister van Onderwijs

Zweden:

de heer Leif PAGROTSKY minister van Onderwijs en Cultuur

Verenigd Koninkrijk:

de heer Shaun WOODWARD staatssecretaris van Creatieve Industrie en Toerisme

de heer Peter PEACOCK minister van Onderwijs en Jeugdzaken (Schotse regering)

Commissie:

mevrouw Viviane REDING lid

de heer Ján FIGEL lid

De regeringen van de toetredende staten waren als volgt vertegenwoordigd:

Bulgarije:

mevrouw Ina KILEVA vice-minister van Cultuur

de heer Daniel VALTCHEV vice-minister-president en minister van Onderwijs en Wetenschappen

Roemenië:

de heer Virgil NITULESCU staatssecretaris, ministerie van Cultuur en Eredienst

de heer Dumitru MIRON staatssecretaris van Onderwijs en Onderzoek

BESPROKEN PUNTEN

CULTUUR EN AUDIOVISUELE SECTOR

  • Programma Cultuur 2007

In aansluiting op het akkoord over het financiële kader voor 2007-2013 heeft de Raad thans een politiek akkoord bereikt over het volledige[1] ontwerp-besluit tot vaststelling van het programma Cultuur 2007, dat ertoe strekt financiële steun te bieden aan de Europese culturele sector in de periode 2007-2013 (8950/06).

Gememoreerd zij dat het nieuwe programma, dat de opvolger is van het programma Cultuur 2000, bij voorrang drie doelstellingen ondersteunt:

  • de bevordering van de transnationale mobiliteit van degenen die in de culturele sector in de EU werkzaam zijn;
  • de stimulering van het transnationale verkeer van kunstwerken en culturele producten;
  • de bevordering van de interculturele dialoog.

Het ontwerp-programma voorziet in drie onderdelen die voor steun in aanmerking komen:

  • directe financiële ondersteuning van culturele acties;
  • ondersteuning van cultuurorganisaties op Europees niveau;
  • ondersteuning van analyses, van de verzameling en verspreiding van informatie, alsmede van andere activiteiten ter optimalisering van het effect van projecten op het gebied van Europese culturele samenwerking.

Opgemerkt zij dat de Commissie en de Raad op voorstel van het Europees Parlement hebben besloten om deel 2.2 van het Commissievoorstel betreffende acties ter bescherming van gedenktekens over te hevelen naar het voorgestelde programma "Burgers voor Europa".

Voorgestelde rechtsgrondslag: artikel 151, lid 5, van het Verdrag - eenparigheid van stemmen vereist voor een besluit van de Raad en medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement van toepassing.

Het Europees Parlement heeft op 25 oktober 2005 advies in eerste lezing uitgebracht (13677/05). Een groot aantal voorgestelde amendementen is geheel, ten dele of in essentie opgenomen in de tekst. De overeengekomen tekst zal in een komende zitting van de Raad als gemeenschappelijk standpunt worden vastgesteld, waarna hij voor de tweede lezing aan het Europees Parlement zal worden toegezonden.

  • Culturele hoofdsteden van Europa

De Raad heeft nota genomen van de namen van de door Oostenrijk en Finland voorgedragen prominenten die moeten worden benoemd als leden in de jury voor de aanwijzing van de "culturele hoofdsteden van Europa" voor 2011. Deze twee leden zullen in de tweede helft van dit jaar officieel worden aangewezen door de Raad.

De twee kandidaten zijn: de heer Thomas ANGYAN (Oostenrijk) en de heer Seppo KIMANEN (Finland).

Er zij aan herinnerd dat de Commissie op grond van Besluit 1419/1999/EG[2] tot vaststelling van een communautaire actie voor het evenement Culturele Hoofdstad van Europa voor het tijdvak 2005 tot 2019, elk jaar een jury samenstelt die verslag uitbrengt over de aanwijzing van steden tot culturele hoofdstad. De jury bestaat uit zeven onafhankelijke prominenten uit de culturele sector, waarvan er twee door het Europees Parlement worden aangewezen, twee door de Raad, twee door de Commissie en één door het Comité van de Regio's. Krachtens Besluit nr. 2000/C9/01[3] inzake de aanwijzing van twee juryleden door de Raad dragen de twee staten die het voorzitterschap van de Raad tijdens het lopende jaar bekleden, elk een prominent persoon voor met het oog op hun aanwijzing door de Raad, met eenvoudige meerderheid, voor het volgende jaar.

Het evenement "Culturele hoofdstad van Europa" is in 1985 door de Raad gelanceerd op initiatief van mevrouw Melina Mercouri, Grieks minister van Cultuur, om bij te dragen tot de toenadering tussen de Europese volkeren. De steun die de Gemeenschap aan dit evenement verleent, wordt beschreven in Besluit 1419/1999/EG.

  • Europees jaar van de interculturele dialoog 2008

In afwachting van het advies in eerste lezing van het Europees Parlement heeft de Raad een algemene oriëntatie bereikt over een ontwerp-besluit betreffende de aanwijzing van het jaar 2008 als Europees jaar van de interculturele dialoog.

De interculturele dialoog draagt bij tot de verwezenlijking van verschillende prioriteiten van de EU; met name:

– wordt de culturele diversiteit in Europa gerespecteerd en bevorderd en wordt gewerkt aan een actief, op de wereld gericht Europees burgerschap, dat gebaseerd is op de gemeenschappelijke waarden van de Europese Unie;

– wordt de weg gebaand voor de vernieuwde Lissabonstrategie, in het kader waarvan de kenniseconomie behoefte heeft aan mensen die zich aan veranderingen kunnen aanpassen en kunnen profiteren van alle mogelijke innovatiebronnen teneinde de welvaart te vergroten;

– wordt de inzet van de Europese Unie voor solidariteit, sociale rechtvaardigheid en meer samenhang vergroot, onder eerbiediging van de gemeenschappelijke waarden in de Europese Unie;

– wordt Europa in staat gesteld nadrukkelijker aanwezig te zijn op het wereldtoneel en doeltreffende partnerschappen te sluiten met zijn buurlanden, zodat de zone van stabiliteit en democratie tot buiten de Europese Unie wordt uitgebreid en bijgevolg het welzijn en de veiligheid van de Europese burgers en alle inwoners van de Europese Unie worden beïnvloed.

Door 2008 als Europees jaar van de interculturele dialoog aan te merken, zal de Gemeenschap steun kunnen verlenen aan informatie- en promotiecampagnes, evenementen en initiatieven, en enquêtes en studies ter bevordering van de interculturele dialoog.

Dit Europese initiatief dient ten goede te komen aan de Europese burgers alsook aan degenen die tijdelijk of permanent in de Unie wonen.

Voorgestelde rechtsgrondslag: Artikel 151 van het Verdrag - besluit van de Raad vereist eenparigheid van stemmen; de medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement is van toepassing.

  • Programma "Burgers voor Europa"

De Raad heeft een politiek akkoord bereikt over een ontwerp-besluit tot vaststelling voor de periode 2007-2013 van het programma "Burgers voor Europa" ter bevordering van een actief Europees burgerschap.

Met betrekking tot het nog door de Raad op te lossen vraagstuk (de aangewezen organen en de periode voor de geleidelijke afbouw van de steun), is overeengekomen om het Institut für Europäische Politik, de European Council on Refugees and Exiles en de Maisons de l'Europe aan de lijst toe te voegen en te voorzien in een periode van 3 jaar voor de geleidelijke afbouw van de steun.

Letland, Litouwen, Polen, Portugal en het Verenigd Koninkrijk deelden mee zich van stemming te zullen onthouden.

De Commissie legde een verklaring voor de Raadsnotulen af waarin zij de werkingssfeer van de comitéprocedures betreurt.

Het programma heeft ten doel de continuïteit van het lopende programma inzake participatie van de burgers te waarborgen[4]. Zoals het is voorgesteld, strekt het er specifiek toe:

– de mobiliteit van de burgers van heel Europa te bevorderen door hen samen te brengen, met name op het niveau van plaatselijke gemeenschappen, om ervaringen, opvattingen en waarden te delen en uit te wisselen, van de geschiedenis te leren en de toekomst op te bouwen;

– acties, debatten en denkoefeningen over het Europees burgerschap te bevorderen via de samenwerking tussen Europese maatschappelijke organisaties;

– Europa tastbaarder voor de burgers te maken door de waarden en successen van Europa te promoten en te huldigen en de herinnering aan het verleden levendig te houden;

– de evenwichtige integratie van burgers en maatschappelijke organisaties uit alle lidstaten te stimuleren, waarbij de interculturele dialoog wordt bevorderd en zowel Europa's verscheidenheid als eenheid wordt benadrukt, met bijzondere aandacht voor de activiteiten met lidstaten die onlangs tot de Europese Unie zijn toegetreden.

Het programmavoorstel bevat onder meer acties zoals jumelages van steden, steun voor onderzoek naar het Europees beleid, steun voor herdenkingen of prijzen op Europese schaal.

Voorgestelde rechtsgrondslag: de artikelen 151 en 308 van het Verdrag - eenparigheid van stemmen vereist voor een besluit van de Raad en medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement is van toepassing.

Het Europees Parlement heeft op 5 april 2006 advies in eerste lezing uitgebracht (8028/06). De overeengekomen tekst zal in een komende zitting van de Raad als gemeenschappelijk standpunt worden vastgesteld, waarna hij voor de tweede lezing aan het Europees Parlement zal worden toegezonden.

Voor meer details zie het Commissievoorstel: 8154/05

  • UNESCO-Verdrag inzake culturele diversiteit

De Raad heeft een besluit aangenomen inzake de sluiting door de Europese Gemeenschap van het UNESCO-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen (8953/06 + 8661/1/06).

Het verdrag inzake culturele diversiteit is op 20 oktober 2005 tijdens de algemene conferentie van de UNESCO in Parijs aangenomen. In dit verdrag worden een aantal rechten en verplichtingen voor de bescherming en bevordering van de culturele diversiteit vastgesteld.

Doel van het voorstel is de Europese Gemeenschap te machtigen het UNESCO-verdrag goed te keuren en er vervolgens, samen met de lidstaten, partij bij te worden.

Dat de Europese Gemeenschap en haar lidstaten ten volle participeren in de toepassing van dit verdrag, zal er met name toe bijdragen dat:

– op internationaal niveau een nieuwe pijler tot stand wordt gebracht die de culturele diversiteit moet beschermen en bevorderen;

– de specifieke en dubbele (culturele en economische) aard van cultuurgoederen en –diensten wordt bevestigd;

– de rol en de legitimiteit van het overheidsbeleid ter bescherming en bevordering van de culturele diversiteit wordt erkend;

– het belang van de internationale samenwerking wordt erkend, en deze samenwerking wordt bevorderd om, in het bijzonder in ontwikkelingslanden, situaties te verhelpen waarin culturen zich in een kwetsbare positie bevinden;

– het verdrag een passende aansluiting vindt op de andere internationale instrumenten, waardoor het effectief kan worden toegepast.

Voorgestelde rechtsgrondslag: De artikelen 133, 151, 181, 181 A, en 300, leden 2 en 3, van het Verdrag – besluit van de Raad vereist eenparigheid van stemmen.

  • Versterking van de Europese creatieve sector

De Raad heeft een gedachtewisseling gehouden over het onderwerp "De Europese creatieve sector versterken: een bijdrage tot groei en werkgelegenheid.

Op 2 en 3 maart 2006 heeft het Oostenrijkse voorzitterschap in Wenen een studiebijeenkomst van deskundigen uit de EU gehouden over "Content als concurrentiefactor ". De conclusies van deze studiebijeenkomst werden goedgekeurd als conclusies van het voorzitterschap (zie de bijlage bij doc. 8954/06).

Het voorzitterschap meldde de Raad dat de studiebijeenkomst heeft aangetoond dat de content- en de creatieve industrie een groot potentieel bieden voor het scheppen van groei en werkgelegenheid, en daarmee bijdragen tot het bereiken van de doelstelling die in de Lissabonagenda voor Europa is vastgesteld. Het voorzitterschap benadrukte tevens dat er behoefte is aan een samenhangend beleid in verband met de content- en de creatieve industrie, met name om het volledige potentieel van de informatie- en communicatietechnologieën (ICT) te benutten.

Op basis van de resultaten van de studiebijeenkomst en van andere initiatieven, organiseerde het voorzitterschap het debat van vandaag rond de volgende onderwerpen (8954/06):

  • Prioriteiten voor de content- en de creatieve industrie die relevant zijn voor het actualiseren van het Werkplan voor cultuur en de uitvoering van het initiatief i2010.
  • Verbetering van de dialoog tussen alle belanghebbenden van de culturele, audiovisuele en ICT-sectoren op Europees niveau.
  • Bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid

De Raad heeft een politiek akkoord bereikt over een ontwerp-aanbeveling betreffende de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid en het recht op weerwoord in de Europese industrie van audiovisuele en online-informatiediensten (8956/06)

Slowakije en het Verenigd Koninkrijk deelden mee zich bij de aanneming van het besluit van stemming te zullen onthouden. De Nederlandse delegatie zal bij wijze van compromis met de aanbeveling instemmen, met dien verstande dat zij een verklaring voor de notulen zal afleggen.

De ontwerp-aanbeveling verzoekt de lidstaten, het bedrijfsleven en andere betrokken partijen (kijkersverenigingen), en ook de Commissie, om minderjarigen en de menselijke waardigheid beter te beschermen in de omroepwereld en de internetsector. Ook spoort zij de lidstaten ertoe aan maatregelen te overwegen betreffende het recht van weerwoord ten aanzien van online-media .

Zij bouwt voort op Aanbeveling 98/560/EG van de Raad van 24 september 1998[5], die geldig blijft. Het is een antwoord op de nieuwe uitdagingen, zowel in kwantitatieve (meer "illegale" inhoud) als in kwalitatieve termen (nieuwe platforms, nieuwe producten) ten gevolge van de technologische ontwikkelingen op dit gebied.

In de ontwerp-aanbeveling komen de volgende onderwerpen aan bod:

  • mediageletterdheid;
  • beoordeling of classificering van audiovisuele inhouden,
  • de weergave van de verschillende seksen in de media en de reclame;
  • het recht op weerwoord.

Voorgestelde rechtsgrondslag: Artikel 157 van het Verdrag - gekwalificeerde meerderheid van stemmen vereist voor een besluit van de Raad; de medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement is van toepassing.

Het Europees Parlement heeft op 7 september 2005 advies in eerste lezing uitgebracht (11955/05). De overeengekomen tekst zal in een komende zitting van de Raad als gemeenschappelijk standpunt worden vastgesteld, waarna hij voor de tweede lezing aan het Europees Parlement zal worden toegezonden .

  • Televisie zonder grenzen

In afwachting van het advies in eerste lezing van het Europees Parlement heeft de Raad nota genomen van een voortgangsverslag en een debat gehouden over het voorstel voor een richtlijn tot wijziging van de richtlijn inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten[6].

Het debat spitste zich met name toe op de volgende onderwerpen in verband met het richtlijnvoorstel:

  • de gepastheid en de handhaafbaarheid van het onderscheid tussen lineaire en niet-lineaire diensten;
  • de gemeenschappelijke regels [7] die voor beide categorieën van diensten gelden;
  • de reikwijdte van de modernisering en vereenvoudiging van de regels inzake televisiereclame en telewinkelen [8]".

De delegaties waren ingenomen met het initiatief van de Commissie om het regelgevingskader voor audiovisuele diensten te herzien. Zij wezen op een aantal onderwerpen die grondiger moeten worden besproken, waaronder de behoefte aan verdere rechtszekerheid, met name wat betreft de definities en de werkingssfeer, de noodzaak te voorkomen dat de ontwikkeling van de audiovisuele sector wordt gehinderd, de werking van het oorsprongslandbeginsel enz.

Het richtlijnvoorstel heeft ten doel in te spelen op de laatste en aanzienlijke technologische en marktontwikkelingen, en tegelijkertijd te zorgen voor gelijke concurrentievoorwaarden.

Het is erop gericht gemeenschappelijke minimumvoorschriften in te voeren voor alle audiovisuele mediadiensten, ongeacht de platformtechnologie die voor de transmissie van deze diensten wordt gebruikt (platformneutraliteit), alsmede de reclamevoorschriften te moderniseren.

In het voorstel wordt het begrip audiovisuele mediadiensten ingevoerd en wordt een onderscheid gemaakt tussen "lineaire" diensten (bijvoorbeeld geprogrammeerde omroepactiviteiten via de traditionele televisie, het internet of mobiele telefoons, die de inhoud tot bij de kijkers brengen) en "niet-lineaire" diensten " (zoals video op aanvraag, die de kijker van een netwerk betrekt). Op niet-lineaire diensten zal enkel een reeks basisvoorschriften van toepassing zijn.

De reclamevoorschriften, die hoofdzakelijk betrekking hebben op lineaire diensten, worden vereenvoudigd. De daglimiet voor reclame valt weg, terwijl de bovengrens van 12 minuten per uur wordt gehandhaafd. De minimumperiode van 20 minuten tussen reclameblokken wordt eveneens afgeschaft omdat cinematografische werken, nieuws en kinderprogramma's slechts om de 35 minuten mogen worden onderbroken. Voorschriften inzake productplaatsing, waarin de huidige richtlijn televisie zonder grenzen niet voorziet, worden ingevoerd.

Voorgestelde rechtsgrondslag: de artikelen 47 en 55 van het Verdrag - gekwalificeerde meerderheid van stemmen vereist voor een besluit van de Raad; de medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement is van toepassing.

Voor meer details zie het Commissievoorstel: 15983/05

ONDERWIJS

  • De Europese indicator van het taalvermogen - Conclusies van de Raad

De Raad heeft de onderstaande conclusies aangenomen:

"DE RAAD,

Overwegende hetgeen volgt:

  • het strategische doel dat door de Europese Raad van Lissabon van 23-24 maart 2000 voor de Europese Unie is gesteld en door de Europese Raad van Stockholm van 23-24 maart 2001 is bevestigd, namelijk de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te worden die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang;
  • de opdracht van de Europese Raad van Lissabon aan de Raad Onderwijs om over de concrete doelstellingen die de onderwijsstelsels in de toekomst moeten nastreven, een algemene gedachtewisseling te houden, waarbij de aandacht vooral uitgaat naar gemeenschappelijke vraagstukken en prioriteiten en tegelijk rekening wordt gehouden met de nationale diversiteit [9];
  • de resolutie van de Raad van 14 februari 2002 betreffende het bevorderen van talendiversiteit en het leren van talen [10] waarin onder andere werd benadrukt:
  • dat talenkennis een van de basisvaardigheden is die elke burger dient te bezitten om daadwerkelijk deel te hebben aan de Europese kennismaatschappij en als zodanig zowel de integratie in de maatschappij als de sociale cohesie bevordert; en dat
  • alle Europese talen in cultureel opzicht gelijk in waarde en waardigheid zijn en integraal deel uitmaken van de Europese cultuur en beschaving,

en waarin de lidstaten werd verzocht systemen op te zetten voor het valideren van vaardigheden inzake talenkennis gebaseerd op het door de Raad van Europa ontwikkelde gemeenschappelijk Europees referentiekader voor talen;

  • de conclusies van de Europese Raad van Barcelona van 15-16 maart 2002 [11] waarin:
  • het gedetailleerde werkprogramma voor de follow-up inzake de doelstellingen voor de onderwijs- en opleidingsstelsels worden goedgekeurd [12];
  • wordt aangedrongen op verdere maatregelen ter verbetering van de beheersing van basisvaardigheden, met name door het onderwijs van ten minste twee vreemde talen vanaf zeer jonge leeftijd; en
  • wordt aangedrongen op de vaststelling van een taalvaardigheidsindicator in 2003;
  • de conclusies van de Raad van mei 2005 over nieuwe indicatoren voor onderwijs en opleiding [13];
  • de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, getiteld De Europese indicator van het taalvermogen [14];
  • de ontwerp-aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad inzake kerncompetenties voor levenslang leren [15], waarin communicatie in een vreemde taal als kerncompetentie wordt gedefinieerd;
  • de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld Een nieuwe kaderstrategie voor meertaligheid [16],

MEMOREERT dat

  • vaardigheden in vreemde talen niet alleen het wederzijdse begrip tussen volkeren helpen bevorderen, maar ook een absolute vereiste zijn voor een mobiele beroepsbevolking en bijdragen tot het concurrentievermogen van de economie van de Europese Unie;
  • het op gezette tijden toetsen van de prestaties aan de hand van indicatoren en benchmarks een essentieel onderdeel van het proces van Lissabon is, waardoor goede praktijken in kaart kunnen worden gebracht en het werkprogramma "Onderwijs en opleiding 2010" derhalve strategisch kan worden gestuurd met het oog op zowel korte- als langetermijnmaatregelen;

ERKENT dat

  • er maatregelen vereist zijn om het huidige gebrek aan betrouwbaar vergelijkingsmateriaal over de resultaten van het onderricht in en het leren van vreemde talen te verhelpen;
  • die maatregelen moeten berusten op het verzamelen van gegevens via een objectieve toetsing van de taalvaardigheden, die zodanig wordt ontwikkeld en uitgevoerd dat de betrouwbaarheid, de juistheid en de validiteit van de gegevens gewaarborgd zijn;
  • dergelijke gegevens kunnen bijdragen tot het vaststellen en onderling uitwisselen van goede praktijken inzake taalonderwijsbeleid en -methoden door middel van een intensievere uitwisseling van informatie en ervaringen;
  • de lidstaten een duidelijker beeld moeten hebben van de praktische en financiële regelingen die zij ieder afzonderlijk met het oog op de toepassing van de Europese taalvaardigheidsindicator zullen moeten treffen;

BENADRUKT dat

  • bij de ontwikkeling van de indicator de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inrichting van hun onderwijsstelsels volledig in acht moet worden genomen, en een en ander niet mag leiden tot onnodige administratieve of financiële lasten voor de betrokken organisaties en instellingen;
  • de methode voor het verzamelen van gegevens moet voortbouwen op eerdere activiteiten op dit gebied op internationaal niveau, op het niveau van de Unie en op dat van de lidstaten, en kostenefficiënt moet worden ontwikkeld en uitgevoerd;
  • de Europese taalvaardigheidsindicator zo spoedig mogelijk moet worden ingevoerd, overeenkomstig onderstaande richtsnoeren:
  • gegevens over de vaardigheden inzake de eerste en de tweede vreemde taal worden als volgt verzameld:
  • via een gemeenschappelijke reeks toetsen die worden afgenomen bij een representatieve groep uit de doelgroep van elke lidstaat;
  •  voor een representatieve groep leerlingen uit het onderwijs- en opleidingsstelsel aan het eind van ISCED-niveau 2;
  • indien een tweede vreemde taal niet voor het eind van ISCED 2 wordt onderwezen, mogen de lidstaten, voor de eerste gegevensverzamelingsronde, ervoor kiezen voor de tweede taal gegevens te verzamelen over de leerlingen op ISCED- niveau 3;
  • enkel voor de talen waarvoor er een voldoende representatieve groep studenten in een lidstaat aanwezig is;
  • de berekening van de toetsresultaten moet worden gebaseerd op de schalen van het gemeenschappelijk Europees referentiekader voor talen [17];
  • omdat eerbiediging van de talendiversiteit een kernwaarde is van de Europese Unie, moet de indicator berusten op gegevens over de kennis van alle officiële talen van de Europese Unie die in de Unie als vreemde taal worden onderwezen, maar uit praktische overwegingen is het aan te bevelen dat in de eerste ronde van de gegevensverzameling toetsen worden afgenomen in de meest onderwezen talen in de Europese Unie, voor zover zij voldoende proefpersonen opleveren;
  • de lidstaten bepalen zelf op welke van deze officiële talen moet worden getoetst;
  • de indicator moet berusten op de beoordeling van de kennis van de vier vaardigheden (de twee actieve en de twee passieve), maar om praktische redenen zou het raadzaam zijn om voor de eerste ronde van gegevensverzameling toetsen beschikbaar te stellen in de drie taalvaardigheden die het gemakkelijkst kunnen worden beoordeeld (luister-, lees- en schrijfvaardigheid);
  • de testmethodologie zou ter beschikking moeten worden gesteld aan de lidstaten die ervan gebruik willen maken voor de ontwikkeling van hun eigen toetsen in andere talen;
  • ook moet er passende contextuele informatie worden verzameld om onderliggende factoren beter te kunnen beoordelen;

VERZOEKT de Commissie:

  • op een zo kort mogelijke termijn een adviesraad (de EILC-Adviesraad) in te stellen, bestaande uit een vertegenwoordiger van elke lidstaat en een vertegenwoordiger van de Raad van Europa, die tot taak heeft de Commissie te adviseren over technische aangelegenheden, zoals:
  • de specificatie van de aanbesteding voor het vervaardigen van de toetsingsinstrumenten;
  • de beoordeling van het werk van de contractant;
  • de passende regelingen, normen en technische protocollen voor het verzamelen van gegevens in de lidstaten, ermee rekening houdend dat onnodige administratieve en financiële lasten voor de lidstaten moeten worden voorkomen;
  • teneinde de lidstaten te helpen de implicaties op het gebied van organisatie en middelen te overzien, deze raad om te beginnen op te dragen een tijdschema op te stellen voor de werkzaamheden alsmede een uitgebreidere beschrijving van de opzet en de wijze van afnemen van de toetsen, met inbegrip van:
  • grootte van de te toetsen groep;
  • voorkeurstoetsmethode, en
  • voorkeursregelingen voor het afnemen van de toets, waarbij rekening moet worden gehouden met de mogelijkheden van e-toetsen;
  • de minimumomvang die een te toetsen groep bereikt moet hebben voordat een toets voor een bepaalde taal aan lidstaten ter beschikking wordt gesteld;
  • voor eind 2006 bij de Raad schriftelijk verslag uit te brengen over de voortgang van de werkzaamheden en, in voorkomend geval, over de nog hangende kwesties;

VERZOEKT de lidstaten:

  • alle nodige stappen te zetten om het proces van het opzetten van de EILC vooruit te helpen."
  • Sleutelcompetenties voor levenslang leren

In afwachting van het advies in eerste lezing van het Europees Parlement heeft de Raad overeenstemming bereikt over een algemene oriëntatie[18] voor een ontwerp-aanbeveling inzake sleutelcompetenties voor levenslang leren (8641/06).

Dit voorstel voor een aanbeveling is opgesteld naar aanleiding van het mandaat dat werd verstrekt door de Europese Raad van Lissabon in 2000 ("Iedere burger moet over de vaardigheden(...) beschikken die nodig zijn om in deze nieuwe informatiemaatschappij te leven en te werken") en dat werd herhaald en verder uitgewerkt in het werkprogramma "Onderwijs en Opleiding 2010", dat in maart 2002 werd goedgekeurd door de Raad van Barcelona, die ook aandrong op verdere maatregelen ter "verbetering van de beheersing van basisvaardigheden" en ter bevordering van de Europese dimensie in het onderwijs. Daarbij moest in de eerste plaats worden nagegaan welke nieuwe basisvaardigheden nodig zijn en hoe deze, tezamen met de traditionele vaardigheden, beter in de leerplannen kunnen worden geïntegreerd, aangeleerd en levenslang op peil gehouden. Iedereen, ook personen met bijzondere behoeften, voortijdige schoolverlaters en volwassen lerenden, moet daadwerkelijk de mogelijkheid krijgen om zich basisvaardigheden eigen te maken. De officiële erkenning van basisvaardigheden moet worden bevorderd om bij- en nascholing te vergemakkelijken en de inzetbaarheid te vergroten.

De ontwerp-aanbeveling heeft ten doel een Europees referentiekader te creëren waarmee basisvaardigheden (sleutelcompetenties) worden omschreven die alle burgers via levenslang leren moeten worden bijgebracht, teneinde tot zelfontplooiing te komen, de actieve participatie te verhogen en de inzetbaarheid van de betrokkenen in moderne kenniseconomieën en -maatschappijen te verbeteren.

De sleutelcompetenties zijn:

  • communicatie in de moedertaal;
  • communicatie in vreemde talen;
  • wiskundige competentie en basiscompetenties op het gebied van exacte wetenschappen en technologie;
  • digitale competentie;
  • Leercompetentie;
  • Sociale en burgerschapscompetentie;
  • ontwikkeling van initiatief en ondernemerszin; en
  • cultureel bewustzijn en culturele expressie.

Het voorstel licht voorts toe hoe men zich de sleutelcompetenties door levenslang leren eigen kan maken.

Voorgestelde rechtsgrondslag: de artikelen 149 en 150 van het Verdrag - gekwalificeerde meerderheid van stemmen vereist voor een besluit van de Raad; de medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement is van toepassing.

Er kan eventueel een akkoord in eerste lezing met het Europees Parlement worden bereikt.

  • Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit

In afwachting van het advies in eerste lezing van het Europees Parlement heeft de Raad overeenstemming bereikt over een algemene oriëntatie inzake een ontwerp-aanbeveling over transnationale mobiliteit in het onderwijs en de beroepsopleiding in de Europese Gemeenschap: Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit (8958/06).

Dit voorstel is gebaseerd op het EU-werkprogramma "Onderwijs en Opleiding 2010" en stelt een reeks gemeenschappelijke beginselen vast die gericht zijn op grotere doeltreffendheid in alle vormen van georganiseerde mobiliteit voor leerdoeleinden.

Er zij aan herinnerd dat in het kader van het Erasmus-programma meer dan 1.000.000 jongeren als onderdeel van hun studie in een andere lidstaat hebben gestudeerd, hetgeen bijdraagt tot een beter begrip van culturele en taalkundige verscheidenheid en tot de totstandbrenging van een Europese ruimte voor onderwijs en opleiding in overeenstemming met de doelstelling van de Lissabon-strategie. Dankzij dit soort mobiliteit is Erasmus ongetwijfeld één van de EU-acties met de grootste bekendheid bij de EU-burgers.

Het voorgestelde handvest bestaat uit tien praktische en gemakkelijk toegankelijke richtsnoeren die de periode voorafgaand aan het vertrek, het verblijf en de periode na de terugkeer van de persoon bestrijken:

  • Informatie en begeleiding;
  • leerplan;
  • individuele aanpak;
  • algemene voorbereiding;
  • taalaspecten;
  • logistieke steun;
  • begeleiding;
  • erkenning
  • herintegratie en evaluatie
  • verplichtingen en verantwoordelijkheden.

Voorgestelde rechtsgrondslag: de artikelen 149 en 150 van het Verdrag - gekwalificeerde meerderheid van stemmen vereist voor een besluit van de Raad; de medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement is van toepassing.

  • Programma voor levenslang leren

In het licht van de resultaten van de onderhandelingen over het ontwerp van financiële vooruitzichten voor 2007-2013 en in afwachting van de presentatie door de Commissie van haar gewijzigde voorstel, heeft de Raad een gedachtewisseling gehouden over de financiële aspecten van het programma levenslang leren.

Gememoreerd zij dat het nieuwe integrale programma vier subprogramma's zal omvatten die reeds deel uitmaken van het huidige Socrates-programma: Comenius (schoolonderwijs); Erasmus (hoger onderwijs); Leonardo da Vinci, (beroepsonderwijs en -opleiding); Grundtvig (volwassenenonderwijs).

Doel van het programma is ertoe bijdragen dat de Gemeenschap door middel van levenslang leren een moderne kennismaatschappij met duurzame economische groei, meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang wordt, waarbij wordt gezorgd voor een deugdelijke bescherming van het milieu ten behoeve van de komende generaties, en tegelijkertijd de onderlinge uitwisseling, samenwerking en mobiliteit tussen de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels in de Gemeenschap te bevorderen zodat deze wereldwijd een referentiepunt voor kwaliteit worden.

Na afloop van de interinstitutionele trialoog van 4 april 2006 over de financiële vooruitzichten 2007-2013 bedragen de begrotingsmiddelen voor het programma levenslang leren 6,970[19] miljard euro (in contantprijzen).

Nadat de delegaties was verzocht hun standpunt mede te delen over het gebruik van de financiële middelen die nu voor het programma beschikbaar zijn gesteld, met name over het relatieve belang dat wordt gehecht aan elk van de vier subprogramma's (Comenius, Erasmus, Leonardo da Vinci en Grundtvig) (8959/06), verklaarden zij het in grote lijnen eens te zijn met het door de Commissie ingediende voorstel[20], waarbij zij het belang onderstreepten van volwassenenonderwijs (Grundtvig) en mobiliteit, met name die van docenten en onderzoekers (Leonardo).

Voorgestelde rechtsgrondslag: de artikelen 149, lid 4, en 150, lid 4, van het Verdrag - gekwalificeerde meerderheid van stemmen voor een besluit de Raad en medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement is van toepassing.

Het Europees Parlement heeft op 25 oktober 2005 advies in eerste lezing uitgebracht (13675/05). Een groot aantal voorgestelde amendementen is geheel, ten dele of in essentie opgenomen in de tekst.

Voor meer details zie het Commissievoorstel: 11587/04.

  • Herziening van de strategie voor duurzame ontwikkeling van de EU

De Raad heeft in het kader van de herziening van de strategie voor duurzame ontwikkeling van de EU een gedachtewisseling gehouden over de bijdrage van onderwijs aan duurzame ontwikkeling.

Het debat had betrekking op de volgende onderwerpen:

  • doelstellingen, streefcijfers, voornaamste maatregelen en beleidsinstrumenten die in het herzieningpakket voor de SDO worden voorgesteld[21].
  • de rol van de Raad (Onderwijs) bij de uitvoering van de EU-SDO, met inbegrip van de Lissabon-agenda.
  • De bijdrage van de EU-SDO aan de samenhang tussen het interne beleid van de EU en haar internationale verplichtingen, alsmede aan duurzame ontwikkeling op EU-niveau en wereldwijd, met name op het gebied van onderwijs.

De delegaties benadrukten de cruciale rol van onderwijs in de SDO omdat het bijdraagt tot een groter milieubewustzijn en tegelijkertijd fungeert als instrument om sociale uitsluiting tegen te gaan.

Er wordt aan herinnerd dat de Europese Raad in december 2005 nota nam van de presentatie door de Commissie van haar mededeling over een vernieuwde strategie voor duurzame ontwikkeling voor de volgende vijf jaar[22] en dat hij ernaar uitzag "in juni 2006 een ambitieuze en alomvattende strategie aan te nemen, die streefcijfers, indicatoren en een doeltreffende monitoringprocedure bevat, die de interne en de externe dimensie moet samenvoegen en die stoelt op een positieve langetermijnvisie, waarin de prioriteiten en doelstellingen van de Gemeenschap op het gebied van duurzame ontwikkeling worden gebundeld tot een duidelijke, coherente strategie die eenvoudig en doeltreffend aan de burgers kan worden overgebracht.[23]"

Het pakket van de Commissie voor de herziening van de SDO bestaat uit:

  • de mededeling zelf, waarin zes prioritaire vraagstukken worden voorgesteld, alsook de integratie van de externe dimensie in de interne beleidsvorming en een doeltreffender toetsingsprocedure en follow-up;
  • richtsnoeren voor duurzame ontwikkeling die in juni 2005 door de Europese Raad zijn aangenomen (bijlage 1)
  • doelstellingen, streefcijfers, beleidslijnen en maatregelen (bijlage 2)
  • een in februari 2005 goedgekeurde mededeling van de Commissie waarin de balans wordt opgemaakt en eerste richtsnoeren worden voorgesteld (bijlage 3).

Alle betrokken Raadsformaties worden thans geraadpleegd met het oog op de aanneming van de vernieuwde EU-strategie voor duurzame ontwikkeling door de Europese Raad in juni 2006.

DIVERSEN

De Raad werd over de volgende punten geïnformeerd:

  • Opneming op de lijst van "Europees Erfgoed" (9165/06).
  • Informatie van de Franse en de Spaanse delegatie
  • Naamsverandering concentratiekamp Auschwitz-Birkenau
  • Informatie van de Poolse delegatie
  • Mededeling van de Commissie: Uitvoering van de hervormingen die nodig zijn voor de modernisering van het Europees hoger onderwijs (follow-up van Hampton Court) (9166/06).
  • Informatie van de Commissie
  • Overleg over het toekomstige Europees systeem voor het verzamelen en overdragen van studiepunten (ECVET) voor beroepsonderwijs en -opleiding (9167/06).
  • Informatie van de Commissie

ANDERE GOEDGEKEURDE PUNTEN

AUDIOVISUELE SECTOR

Programma Media 2007

In aansluiting op het akkoord over het financiële kader voor 2007-2013 heeft de Raad een volledig[24] politiek akkoord bereikt over een besluit betreffende de uitvoering van een programma ter ondersteuning van de Europese audiovisuele sector (Media 2007) (8955/06 +COR 1).

Gememoreerd zij dat het programma, waarin de huidige programma's Media Plus en Media Training worden gecombineerd, tot doel heeft de Europese audiovisuele sector te ondersteunen, teneinde de volgende doelstellingen te verwezenlijken:

  • de culturele verscheidenheid en het cinematografische en audiovisuele erfgoed in Europa behouden en tot hun recht laten komen;
  • de Europese burgers toegang tot dit erfgoed geven;
  • de interculturele dialoog bevorderen;
  • ervoor zorgen dat Europese audiovisuele werken binnen en buiten de Europese Unie een betere verspreiding krijgen en meer publiek trekken;
  • het concurrentievermogen van de Europese audiovisuele sector versterken op een open en op concurrentie stoelende Europese markt.

De overeengekomen tekst zal in een komende zitting van de Raad als gemeenschappelijk standpunt worden vastgesteld, waarna hij voor de tweede lezing aan het Europees Parlement zal worden toegezonden.

JEUGD

De waarde van niet-formeel en informeel leren - Conclusies van de Raad

De Raad heeft de onderstaande resolutie aangenomen:

"De Raad van de Europese Unie en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In de conclusies van de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000 worden nieuwe strategische doelstellingen omschreven ter bevordering van werkgelegenheid, economische hervormingen en sociale samenhang, die een volwaardig onderdeel vormen van een kenniseconomie. De lidstaten werd door de Europese Raad verzocht om overeenkomstig hun grondwettelijke bepalingen de nodige maatregelen te nemen, en de Raad en de Commissie werd verzocht om binnen de grenzen van hun bevoegdheden onder meer een vrijwillig te gebruiken gemeenschappelijke Europese blauwdruk voor curricula vitae te ontwerpen die de beoordeling van verworven vaardigheden door onderwijs- en opleidingsinstellingen en werkgevers vergemakkelijkt en de mobiliteit bevordert.

(2) In het Witboek Een nieuw elan voor Europa's jeugd van 21 november 2001 [25] wordt, met betrekking tot de erkenning van niet-formeel en informeel leren, benadrukt dat het goed zou zijn begrippen, verworven vaardigheden en kwaliteitsnormen beter te definiëren, de betrokkenen meer naar waarde te schatten en de activiteiten meer erkenning te geven en beter op het formeel onderwijs en op formele opleidingen af te stemmen.

(3) De Europese Raad van Barcelona heeft op 15 en 16 maart 2002 een concreet werkprogramma goedgekeurd waarmee wordt beoogd de onderwijs- en opleidingsstelsels vóór 2010 tot een kwaliteitsreferentie op wereldniveau te maken. De Europese Raad was het erover eens dat verbeterde kwaliteit, vergemakkelijking van universele toegang, en openstelling voor de buitenwereld de drie grondbeginselen van dit programma moeten zijn.

(4) In de resolutie van de Raad inzake levenslang leren van 27 juni 2002 [26] wordt de lidstaten verzocht samenwerking en effectieve maatregelen voor de validering van leerresultaten te bevorderen, hetgeen van cruciaal belang is om bruggen te slaan tussen formeel, niet-formeel en informeel leren, en derhalve een voorwaarde is voor de verwezenlijking van een Europese ruimte voor een leven lang leren.

(5) Op basis van het gezamenlijke werkdocument Pathways towards Validation and Recognition of Education, Training and Learning in the Youth Field (Wegen naar de validering en erkenning van onderwijs, opleiding en leren in de jeugdsector) van de Commissie en de Raad van Europa heeft de conferentie "Bridges for Recognition" (Bruggen voor erkenning) van januari 2005 in Leuven een aanpak voor de evaluatie en de erkenning van onderwijs, opleiding en leren in de jeugdsector ontwikkeld, en de noodzaak van een betere validering van niet-formeel leren beklemtoond.

(6) In de omvangrijke werkzaamheden van de Raad van Europa op het gebied van niet-formeel en informeel leren, zoals met een Europees Portfolio voor jeugdleiders en jeugdwerkers, wordt de nadruk gelegd op de waarde van dit soort educatieve ervaring, alsook op de behoefte aan erkenning daarvan, met name gezien het belang van een leven lang leren.

(7) In de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 28 mei 2004 [27] wordt overeenkomstig de verklaring van Kopenhagen van 30 november 2002 gepleit voor:

  • de aanneming van een reeks gemeenschappelijke Europese beginselen voor het identificeren en valideren van niet-formeel en informeel leren;
  • de ontwikkeling en de verspreiding van Europese instrumenten voor de erkenning van niet-formeel en informeel leren.

(8) In de conclusies van de Raad van 21 februari 2005 [28] wordt de Europese Raad opgeroepen het Europees pact voor de jeugd in de tussentijdse evaluatie van de strategie van Lissabon op te nemen en richtsnoeren voor concrete maatregelen vast te stellen.

(9) In de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 23 maart 2005, die zijn goedkeuring heeft gehecht aan het Europees pact voor de jeugd, wordt gesteld dat er een strategie en maatregelen op jeugdgebied moeten worden uitgewerkt die volledig in de strategie van Lissabon passen. Een van de doelstellingen is om op het gebied van transparantie en vergelijkbaarheid van beroepskwalificaties nauwere samenwerking tussen de lidstaten tot stand te brengen en niet-formele en informele vormen van leren te erkennen.

(10) In de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 15 november 2005 [29], wordt nader ingegaan op de uitvoering van het Europees pact voor de jeugd en de bevordering van actief burgerschap, en worden richtsnoeren voor actie vastgesteld.

(11) De conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 16 en 17 juni 2005 bevatten een voorstel voor geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid (2005-2008), waarvan de uitvoering van het Europees pact voor de jeugd een onderdeel vormt.

(12) In het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma "JEUGD IN ACTIE" [30] is een sleutelrol weggelegd voor Europese samenwerking bij het bevorderen van niet-formeel en informeel leren.

(13) In het gezamenlijk verslag van de Raad en de Commissie "Modernisering van onderwijs en opleiding: een pijler voor welvaart en sociale samenhang in Europa over de met het werkprogramma "Onderwijs en opleiding 2010" geboekte vooruitgang" [31] wordt onderstreept dat het van belang is een evenwicht te vinden tussen de sociale en de economische doelstellingen van het beleid inzake onderwijs en opleiding, alsmede uiteenlopende leerpartnerschappen uit te bouwen waarbij personen uit zowel de formele als de niet-formele sector betrokken worden;

ZICH ERVAN BEWUST dat:

(1) het werk en de prestaties van jongeren en degenen die in jeugdwerk en jeugdorganisaties actief zijn, meer erkenning verdienen om de waarde en de zichtbaarheid ervan te vergroten, en naar behoren in aanmerking moeten worden genomen door werkgevers, het formeel onderwijs en het maatschappelijk middenveld in het algemeen;

(2) niet-formele en informele leeractiviteiten in de jeugdsector een aanvulling zijn op het formele onderwijs- en opleidingenstelsel, gekenmerkt worden door een participatieve aanpak waarbij de lerende centraal staat, op vrijwillige basis worden toegepast en derhalve nauw aansluiten bij de behoeften, de ambities en de belangstellingssfeer van jongeren; deze leervormen een aanvullende leerbron en een opstapmogelijkheid naar formeel onderwijs en formele opleidingen bieden en daardoor van bijzonder belang zijn voor jongeren met minder kansen;

(3) niet-formeel en informeel leren in de jeugdsector zich afspelen in een ruime en gevarieerde waaier van omgevingen, en dat er voor de zelfontwikkeling van jongeren en hun sociale, culturele en professionele integratie specifieke en passende methodes en instrumenten nodig zijn;

(4) de openbare en particuliere investeringen in de jeugdsector op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau een belangrijke economische en sociale impact hebben;

(5) het sociale en economische belang van de jeugdsector voor de hand ligt, gezien de potentiële invloed ervan op de ontwikkeling van sleutelcompetenties die van praktisch belang zijn voor de arbeidsmarkt, en omdat deze bevorderlijk zijn voor participatie, actief burgerschap en sociale verantwoordelijkheid.

ERKENNEN dat:

(6) niet-formeel en informeel leren belangrijke elementen van het leerproces zijn en effectieve instrumenten zijn om leren aantrekkelijk te maken, de bereidheid om een leven lang te leren te ontwikkelen en de sociale integratie van jongeren te bevorderen;

(7) niet-formeel en informeel leren ervoor kunnen zorgen dat jongeren aanvullende kennis, vaardigheden en competenties verwerven, en kunnen bijdragen tot hun persoonlijke ontwikkeling, sociale integratie en actief burgerschap, en op die manier hun vooruitzichten op werk verbeteren;

(8) niet-formele en informele leeractiviteiten in de jeugdsector een aanzienlijke meerwaarde kunnen hebben voor de samenleving, de economie en de jongeren zelf; de bijdrage die deze activiteiten leveren, moet derhalve beter zichtbaar worden gemaakt, en beter worden begrepen, erkend en ondersteund;

(9) het programma "JEUGD" en het toekomstige programma "JEUGD IN ACTIE" een belangrijke bijdrage leveren tot de verwerving van competenties en derhalve sleutelinstrumenten zijn doordat ze jongeren mogelijkheden tot niet-formeel en informeel leren in een Europese dimensie bieden.

VERZOEKEN DE LIDSTATEN EN DE COMMISSIE om:

(1) rekening houdend met de bijzondere situatie in elke lidstaat, de ontwikkeling aan te moedigen van een vergelijkbaar, transparant en op jongeren toegesneden element van Europass voor de vaststelling en de erkenning van de vaardigheden en de competenties die jongeren via niet-formele en informele leeractiviteiten hebben verworven, dat aan getuigschriften of andere erkenningsinstrumenten zou kunnen worden gehecht of daar een integrerend deel van zou kunnen uitmaken, zodat derden - met name in een andere lidstaat - gemakkelijker begrijpen wat het oorspronkelijke getuigschrift zegt over de door de houder ervan verworven kennis, vaardigheden en competenties;

(2) met dit instrument het identificeren mogelijk te maken van de competenties die zijn verworven en daadwerkelijk worden gebruikt, zodat ze op de arbeidsmarkt worden erkend;

(3) overheidsinstanties en NGO's ertoe aan te sporen gebruik te maken van vergelijkbare, transparante instrumenten voor de erkenning van de competenties van degenen die in jeugdwerk en jeugdorganisaties actief zijn, en die zo nodig aan te passen, overeenkomstig het Europees Portfolio voor jeugdleiders en jeugdwerkers dat momenteel door de Raad van Europa wordt ontwikkeld;

(4) de specifieke bijdrage te erkennen en te ondersteunen die jeugdorganisaties en andere niet-gouvernementele organisaties, binnen hun respectieve bevoegdheden, leveren door niet-formele en informele leeractiviteiten aan te bieden;

(5) te bevorderen dat de gemeenschappelijke Europese beginselen voor het identificeren en valideren van vormen van niet-formeel leren worden toegepast op de specifieke behoeften in de jeugdsector;

(6) verder onderzoek te stimuleren naar de impact van niet-formeel en informeel leren dat wordt aangeboden door degenen die in de jeugdsector en in jeugdorganisaties werkzaam zijn, met name naar de bijdrage daarvan aan de samenleving en de economie, onder meer door ten volle gebruik te maken van de informatie die het Europees Kenniscentrum voor jeugdbeleid te bieden heeft;

(7) de sociale partners aan te moedigen de kwaliteit en de diversiteit van niet-formeel en informeel leren voor jongeren, alsmede de maatschappelijke en economische meerwaarde daarvan te erkennen;

(8) vernieuwende partnerschappen tussen de aanbieders van formeel en niet-formeel leren te bevorderen, teneinde pedagogische benaderingswijzen te ontwikkelen die aantrekkelijk kunnen zijn voor verschillende groepen lerenden;

(9) de toegang tot Europass en soortgelijke op nationaal en op Europees niveau bestaande instrumenten te bevorderen en jongeren ertoe aan te sporen er eigener beweging gebruik van te maken."

EXTERNE BETREKKINGEN

Belarus - Aanneming van financiële beperkende maatregelen door de Raad

De Raad heeft een gemeenschappelijk standpunt tot wijziging van Gemeenschappelijk Standpunt 2006/276/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde functionarissen van Belarus vastgesteld, waarbij alle tegoeden en economische middelen worden bevroren van personen die verantwoordelijk zijn voor de schendingen van de internationale verkiezingsnormen en het hardhandig optreden tegen het maatschappelijk middenveld en de democratische oppositie in verband met de presidentsverkiezingen van 19 maart 2006, alsmede van in de bijlage opgesomde natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of instanties die met hen zijn geassocieerd (8818/06). In het gemeenschappelijk standpunt is tevens bepaald dat aan of ten behoeve van de betrokken personen geen tegoeden of economische middelen direct of indirect ter beschikking mogen worden gesteld.

Het gemeenschappelijk standpunt bevat een lijst van 36 betrokkenen, waaronder president Loekasjenko.

Deze maatregelen zijn aangenomen ter aanvulling op reisbeperkingen ten aanzien van president Loekasjenko, andere leiders en bepaalde functionarissen van Belarus, die zijn ingesteld bij het op 10 april door de Raad vastgesteld Gemeenschappelijk Standpunt 2003/276/GBVB[32].

Op dat ogenblik had de Raad te kennen gegeven dat kon worden besloten tot verdere gerichte maatregelen (zie de conclusies van de Raad van 10 april inzake Belarus in persmededeling 7939/06).

De Raad nam tevens een verordening aan tot uitvoering van deze maatregelen op communautair niveau (8847/06).

Voor meer informatie zie persmededeling 9531/06.

Betrekkingen met Monaco

De Raad heeft ingestemd met het door de Europese Gemeenschap in te nemen standpunt in het Gemengd Comité EG-Monaco inzake het reglement van orde.

ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

ACS-EU-Raad van ministers in Papoea-Nieuw-Guinea, 1 en 2 juni

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan een ontwerp van voorlopige agenda voor de 31e vergadering van de ACS-EU-Raad van ministers die op 1 en 2 juni te Port Moresby, Papoea-Nieuw-Guinea, zal plaatsvinden.

De ministeriële vergadering zal zich bezighouden met aangelegenheden van gemeenschappelijk belang zoals economische partnerschapsovereenkomsten, handel en ontwikkelingssamenwerking, migratie en EU-strategieën voor ACS-regio's.

De Raad hechtte tevens zijn goedkeuring aan een ontwerp van gemeenschappelijke verklaring ACS-EU over klimaatverandering en ontwikkeling, die tijdens de vergadering zal worden afgelegd.

VIA DE SCHRIFTELIJKE PROCEDURE AANGENOMEN BESLUIT

Europese Centrale Bank - Benoeming van een lid van de directie

De staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten die de euro als munt hebben, hebben op 19 mei via de schriftelijke procedure ingestemd met het besluit tot benoeming van de heer Jürgen Stark tot lid van de directie van de Europese Centrale Bank voor een tijdvak van acht jaar met ingang van 1 juni, ter vervanging van de heer Otmas Issing, wiens mandaat op 31 mei verstrijkt.

TRANSPARANTIE

Toegang van het publiek tot documenten

De Raad heeft de volgende teksten aangenomen:

  • het antwoord op de brief die de Europese ombudsman aan de Raad heeft toegezonden betreffende de follow-up van klacht 2172/2005/MHZ (8773/06);
  • het antwoord op confirmatief verzoek 22/c/01/06 (8729/06).


[1] Tijdens de zitting van de Raad Onderwijs, Jeugdzaken en Cultuur van 14-15 november 2005 had de Raad een partieel politiek akkoord over het voorstel bereikt.

[2] Besluit 1419/1999/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 (PB L 166 van 1.7.1999, blz. 1).

[3] Besluit van de Raad van 17 december 1999 (PB C 9 van 13.1.2000, blz. 1).

[4] PB L 30 van 2.2.2004, blz. 6.

[5] PB L 270 van 7.10.1998, blz. 48.

[6] Richtlijn 89/552/EEG van de Raad (PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG (PB L 202 van 30.7.1997, blz. 60).

[7] Identificatie van de aanbieder van mediadiensten, de bescherming van minderjarigen, het verbod op het aanzetten tot haat, de bevordering van culturele diversiteit, bepaalde kwalitatieve restricties voor en herkenbaar maken van commerciële communicatie.

[8] Voorschriften inzake herkenbaarheid en afscheiding, alsmede inzake de invoeging van televisiereclame en telewinkelen, inzake de tijdslimiet en de voorschriften inzake televisie-uitzendingen die uitsluitend gewijd zijn aan reclame en telewinkelen.

[9] Doc. SN 100/1/00 REV 1, punt 27.

[10] PB C 50 van 23.2.2002, blz. 1.

[11] SN 100/1/02 REV 1.

[12] Aangenomen door de Raad (Onderwijs) van 14 februari 2002 (PB C 142 van 14.6.2002, blz. 1).

[13] PB C 141 van 10.6.2005, blz. 7.

[14] 11704/05 - COM(2005) 356 def.

[15] 13425/05 - COM(2005) 548 def.

[16] 14908/05 - COM(2005) 596 def.

[17] "Common European Framework of Reference for Languages: Learning, teaching, assessment" (gemeenschappelijk Europees referentiekader voor talen: leren, onderwijzen, beoordelen), zoals ontwikkeld door de Raad van Europa.

[18] Het Verenigd Koninkrijk kon zijn voorbehoud voor parlementaire behandeling nog niet intrekken.

[19] De Commissie had 13,620 miljard euro (in contantprijzen) voorgesteld (11587/04).

[20] Comenius: 13%, Erasmus: 40%, Leonardo: 25%, Grundtvig: 3%.

[21] 15796/05.

[22] 15796/05.

[23] Punt 13 van de conclusies van de Europese Raad van december 2005 (15914/1/05).

[24] Tijdens de zitting van de Raad Onderwijs, Jeugdzaken en Cultuur van 14-15 november 2005 had de Raad een partieel politiek akkoord over het voorstel bereikt.

[25] 14441/01 - COM(2001) 681 def.

[26] PB C 163 van 9.7.2002, blz. 1.

[27] 9600/04.

[28] PB C 85 van 7.4.2005, blz. 5.

[29] PB C 292 van 24.11.2005, blz. 5.

[30] 11586/04 - COM(2004) 471 def.

[31] PB C 79 van 1.4.2006, blz. 1.

[32] PB L 101 van 11.4.2006, blz. 5.


Side Bar