Navigation path

Left navigation

Additional tools

Other available languages: EN FR DE DA IT SV PT FI EL

[Graphic in PDF & Word format]


RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE

NL

C/05/289

Brussel, 21-22 november 2005

14172/05 (Presse 289)

PERSMEDEDELING

2691e zitting van de Raad
Algemene Zaken en Externe Betrekkingen
Externe Betrekkingen
Brussel, 21-22 november 2005

Voorzitter de heer Jack Straw
minister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken
de heer Douglas Alexander
onderminister van Europese Zaken

van het Verenigd Koninkrijk

* Enkele punten op het gebied van externe betrekkingen werden zonder debat aangenomen tijdens de 2690e zitting van de Raad Algemene Zaken (14171/05 Presse 288).

Voornaamste resultaten van de Raadszitting
Op basis van de overeenkomst over bewegingsvrijheid en toegang tussen de Israëlische regering en de Palestijnse Autoriteit, die hij als een belangrijke doorbraak verwelkomde, kwam de Raad overeen dat de EU de in de overeenkomst voorgestelde rol van derde partij op zich moet nemen, en hij besloot dat met spoed een EVDB-missie moet worden opgezet om toezicht te houden op de verrichtingen aan de grenspost bij Rafah. De Raad hechtte tevens zijn goedkeuring aan de benoeming van generaal-majoor Pietro Pistolese tot hoofd van de missie, keurde een operationeel concept voor deze missie goed en zag uit naar de snelle inzet van een eerste team toezichthouders, zodat zo spoedig mogelijk kan worden begonnen met de werkzaamheden bij Rafah.
Ter gelegenheid van de tiende verjaardag van het vredesakkoord van Dayton/Parijs, toonde de Raad zich ten zeerste verheugd over de in Bosnië en Herzegovina geboekte vorderingen, en hij machtigde de Commissie om zo spoedig mogelijk onderhandelingen te openen over een stabilisatie- en associatieovereenkomst. De Raad:
  • kwam tevens overeen een vervolgmissie op de EU-politiemissie in BiH (EUPM) in te stellen waarvan de opdracht meer gericht is op ondersteuning van de bestrijding, op een meer pro-actieve manier, van de georganiseerde criminaliteit en de uitvoering van de politiehervorming;
  • evalueerde de militaire operatie van de EU, Althea, nu deze het eerste jaar met succes heeft afgesloten, en hij stemde in met de aanbeveling van de hoge vertegenwoordiger Javier Solana dat de getalsterkte van de strijdkrachten in het komende jaar nagenoeg ongewijzigd moet blijven;
  • kwam overeen dat de SVEU een grotere rol krijgt bij de coördinatie van alle EU-instrumenten in Bosnië en Herzegovina.
In het vooruitzicht van de WTO-conferentie van ministers in Hong Kong bevestigde de Raad de doelstelling dienaangaande, namelijk een alomvattende, evenwichtige en ambitieuze handelsovereenkomst met een ambitieus ontwikkelingsperspectief. Hij besprak een pakket "hulp voor handel"-maatregelen waardoor ontwikkelingslanden profijt zouden kunnen trekken van de overeenkomst.
De Raad bereikte tevens overeenstemming over aanpassingen van het kader van het EU-ontwikkelingsbeleid, in het licht van de wijzigingen die zich de afgelopen jaren zowel in de EU als op internationaal niveau hebben voorgedaan.
In zijn zesmaandelijkse evaluatie van ontwikkelingen in het Europees veiligheids- en defensiebeleid, waarbij de ministers van Defensie aanwezig waren, nam de Raad nota van vooruitgang op gebied van militaire vermogens, onder andere met betrekking tot EU-gevechtstroepen en de werkzaamheden van het Europees Defensieagentschap (EDA).
In de marge van de zitting van de Raad:
  • bereikte het EDA-bestuur overeenstemming over een vrijwillige gedragscode inzake overheidsopdrachten op defensiegebied, teneinde de concurrentie op de Europese markt voor defensieapparatuur, die vanaf juli 2006 van start gaat, aan te moedigen.
  • Tijdens een conferentie over de verbetering van de civiele vermogens benadrukten de ministers de steeds belangrijkere rol van civiele crisisbeheersing bij de ondersteuning van internationale vrede en veiligheid door de EU, en herhaalden zij hun gehechtheid aan de verdere ontwikkeling van de civiele crisisbeheersing.

INHOUD1

DEELNEMERS 4

BESPROKEN PUNTEN

WESTELIJKE BALKAN 7

– Conclusies van de Raad 7

– Bosnië en Herzegovina - Stabilisatie- en associatieovereenkomst 9

– EU-waarnemingsmissie 9

EUROPEES VEILIGHEIDS- EN DEFENSIEBELEID - Conclusies van de Raad 9

HANDELSBELEID - ONTWIKKELINGSAGENDA VAN DOHA - Conclusies van de Raad 12

VREDESPROCES IN HET MIDDEN-OOSTEN - Conclusies van de Raad 12

IRAK 14

IRAN 14

MIGRATIE EN EXTERNE BETREKKINGEN - Conclusies van de Raad 14

EU-STRATEGIE VOOR AFRIKA - Conclusies van de Raad 17

HERZIENING VAN HET KADER VOOR HET EU-ONTWIKKELINGSBELEID 26

EFFECTIVITEIT VAN HET EXTERNE OPTREDEN VAN DE EU - Conclusies van de Raad 26

HULP VOOR HANDEL 30

DIVERSEN 30

– ASEM: Ontmoetingen Azië-Europa 30

– Bulgaarse verpleegsters in Libië 30

– Aardbeving in Pakistan 30

– Ethiopië en Eritrea 30

IN DE MARGE VAN DE RAADSZITTING 31

ANDERE GOEDGEKEURDE PUNTEN

Zie persmededeling "Algemene Zaken: 14172/05 (Presse 289).

DEELNEMERS

De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd:

België:

de heer Karel DE GUCHT minister van Buitenlandse Zaken

de heer André FLAHAUT minister van Landsverdediging

de heer Armand DE DECKER minister van Ontwikkelingssamenwerking

de heer Didier DONFUT staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken

Tsjechië:

de heer Cyril SVOBODA minister van Buitenlandse Zaken

de heer Karel KÜHNL minister van Defensie

de heer Vladimír MÜLLER vice-minister van Buitenlandse Zaken, belast met EU-zaken

de heerMr Tomaš POJAR vice-minister van Buitenlandse Zaken, belast met bilaterale betrekkingen

Denemarken:

de heer Per Stig MØLLER minister van Buitenlandse Zaken

de heer Søren Gade JENSEN minister van Defensie

mevrouw Ulla TØRNÆS minister van Ontwikkelingssamenwerking

Duitsland:

de heer Klaus SCHARIOTH staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

de heer Erich STATHER staatssecretaris, ministerie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling

Estland:

de heer Urmas PAET minister van Buitenlandse Zaken

de heer Jürgen LIGI minister van Defensie

Griekenland:

de heer Spilios SPILIOTOPOULOS minister van Defensie

de heer Ioannis VALINAKIS staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

de heer Evripidis STYLIANIDIS staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Spanje:

de heer Alberto NAVARRO GONZÁLEZ staatssecretaris voor de Europese Unie

de heer Francisco PARDO PIQUERAS staatssecretaris van Defensie

mevrouw Leire PAJÍN IRAOLA staatssecretaris van Internationale Samenwerking

Frankrijk:

de heer Philippe DOUSTE-BLAZY minister van Buitenlandse Zaken

mevrouw Michèle ALLIOT-MARIE minister van Defensie

mevrouw Catherine COLONNA toegevoegd minister van Europese Zaken

Ierland:

de heer Dermot AHERN minister van Buitenlandse Zaken

de heer Willie O'DEA minister van Defensie

de heer Conor LENIHAN onderminister, ministerie van Buitenlandse Zaken (belast met ontwikkelingshulp en mensenrechten)

Italië:

de heer Gianfranco FINI vice-minister-president en minister van Buitenlandse Zaken

de heer Antonio MARTINO minister van Defensie

de heer Alfredo Luigi MANTICA staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Cyprus:

de heer George IACOVOU minister van Buitenlandse Zaken

de heer Kyriakos MAVRONIKOLAS minister van Defensie

de heer Costas MILTIADES vertegenwoordiger bij het Politiek en Veiligheidscomité

Letland:

de heer Artis PABRIKS minister van Buitenlandse Zaken

de heer Edgars RINKĒVIČS staatssecretaris, ministerie van Defensie

mevrouw Maija MANIKA onderstaatssecretaris, Economische Betrekkingen en Beleid inzake ontwikkelingssamenwerking, ministerie van Buitenlandse Zaken

Litouwen:

de heer Antanas VALIONIS minister van Buitenlandse Zaken

de heer Gediminas KIRKILAS minister van Defensie

Luxemburg:

de heer Jean ASSELBORN vice-minister-president, minister van Buitenlandse Zaken en Immigratie

de heer Nicolas SCHMIT gedelegeerd minister van Buitenlandse Zaken en Immigratie

de heer Jean-Louis SCHILTZ minister van Ontwikkelingssamenwerking en Humanitaire Acties, gedelegeerd minister van Communicatie

Hongarije:

de heer Ferenc SOMOGYI minister van Buitenlandse Zaken

de heer Etele BARÁTH minister zonder portefeuille, belast met Europese Zaken

de heer László FAPÁL administratief staatssecretaris, ministerie van Defensie

de heer Andràs BÁRSONY politiek staatssecretaris, ministerie van Buitenlandse Zaken

Malta:

de heer Michael FRENDO minister van Buitenlandse Zaken

de heer Anthony ABELA staatssecretaris, kabinet van de minister-president

Nederland:

de heer Bernard BOT minister van Buitenlandse Zaken

de heer Henk KAMP minister van Defensie

de heer Atzo NICOLAÏ minister voor Europese Zaken

mevrouw Agnes van ARDENNE-van der HOEVEN minister voor Ontwikkelingssamenwerking

Oostenrijk:

mevrouw Ursula PLASSNIK minister van Buitenlandse Zaken

de heer Günther PLATTER minister van Defensie

Polen:

de heer Stefan MELLER minister van Buitenlandse Zaken

de heer Radoslaw SIKORSKI minister van Defensie

de heer Jaroslaw PIETRAS staatssecretaris, dienstchef Comité voor Europese Integratie

Portugal:

de heer Diogo FREITAS DO AMARAL minister van Buitenlandse Zaken

de heer Luís AMADO minister van Defensie

de heer João GOMES CRAVINHO staatssecretaris van Buitenlandse Zaken en Samenwerking

Slovenië:

de heer Dimitrij RUPEL minister van Buitenlandse Zaken

de heer Karl Viktor ERJAVEC minister van Defensie

Slowakije:

de heer Eduard KUKAN minister van Buitenlandse Zaken

de heer Juraj LIŠKA minister van Defensie

Finland:

de heer Erkki TUOMIOJA minister van Buitenlandse Zaken

de heer Seppo KÄÄRIÄINEN minister van Defensie

de heer Mari KIVINIEMI minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkeling

Zweden:

mevrouw Laila FREIVALDS minister van Buitenlandse Zaken

mevrouw Leni BJÖRKLUND minister van Defensie

mevrouw Carin JÄMTIN minister, ministerie van Buitenlandse Zaken, belast met ontwikkelingssamenwerking

de heer Lars DANIELSSON staatssecretaris, toegevoegd aan de minister-president

de heer Lars-Olof LINDGREN staatssecretaris, ministerie van Industrie, Werkgelegenheid en Verkeer

Verenigd Koninkrijk:

de heer Jack STRAW minister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken

de heer John REID minister van Defensie

de heer Hilary BENN minister van Internationale Ontwikkeling

de heer Douglas ALEXANDER onderminister van Europese Zaken

de heer Gareth THOMAS staatssecretaris, ministerie van Internationale Ontwikkeling

Commissie:

de heer Franco FRATTINI vice-voorzitter

de hee Louis MICHEL lid

mevrouw Benita FERRERO-WALDNER lid

Secretariaat-generaal van de Raad:

de heer Javier SOLANA secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger voor het GBVB

De regeringen van de toetredende staten waren als volgt vertegenwoordigd:

Bulgarije:

de heer Ivailo KALFIN vice-minister-president en minister van Buitenlandse Zaken

de heer Vesselin BLIZNAKOV minister van Defensie

mevrouw Meglena KUNEVA minister voor Europese Zaken

mevrouw Evgenia KOLDANOVA vice-minister van Economische Zaken

Roemenië:

de heer Teodor ATANASIU minister van Defensie

BESPROKEN PUNTEN

WESTELIJKE BALKAN

  • Conclusies van de Raad

De ministers van Defensie bespraken EUFOR Althea, de militaire operatie van de EU in Bosnië en Herzegovina.

De Raad nam de volgende conclusies aan:

"BOSNIË EN HERZEGOVINA

1. Ter gelegenheid van de tiende verjaardag van het vredesakkoord van Dayton/Parijs, dat een historische bijdrage heeft geleverd aan vrede en stabiliteit in de regio, heeft de Raad de ontwikkelingen in Bosnië en Herzegovina geëvalueerd. Hij juicht de vorderingen toe die Bosnië en Herzegovina in de tien jaar na het einde van de oorlog heeft gemaakt.

2. Het verheugt de Raad ten zeerste dat de vorderingen van Bosnië en Herzegovina van dien aard zijn dat de Commissie heeft kunnen aanbevelen dat onderhandelingen over een stabilisatie- en associatieovereenkomst worden geopend. De Raad heeft de Commissie gemachtigd zo spoedig mogelijk onderhandelingen te starten.

3. De opening van de onderhandelingen is een historisch moment in de ontwikkeling van Bosnië en Herzegovina: het is de eerste belangrijke stap op de weg naar betrekkingen in de vorm van een overeenkomst met de EU. Het is tevens een bewijs van het vaste voornemen van de EU om haar agenda van Thessaloniki, die stelt dat de toekomst van de Westelijke Balkan in de EU ligt, volledig uit te voeren. Het maakt ook duidelijk welke weg Bosnië en Herzegovina reeds heeft afgelegd in de tien jaar na het vredesakkoord van Dayton/Parijs, en het vormt een belangrijk moment in de overgang van de regio van stabilisatie naar EU-lidmaatschap. De Raad neemt er tot zijn tevredenheid nota van dat alle landen in de regio voldoende vorderingen hebben gemaakt om betrekkingen in de vorm van een overeenkomst met de EU aan te knopen, dan wel daarover onderhandelingen te voeren.

4. De Raad memoreert dat de snelheid van de toenadering van Bosnië en Herzegovina tot de EU zal afhangen van het tempo waarin het land de hervormingen aanneemt en uitvoert die nodig zijn om een goed functionerende en levensvatbare staat te worden, en van het tempo waarin het zich voegt naar de criteria van Kopenhagen en de voorwaarden van het stabilisatie- en associatieproces. De Raad is van oordeel dat het tempo en de voltooiing van de onderhandelingen met name zullen afhangen van de vorderingen van Bosnië en Herzegovina met de uitbouw van zijn wetgevend kader en bestuurlijk vermogen, de uitvoering van de politiehervorming conform de overeenkomst van oktober 2005 over de hervorming van de politiediensten, de aanneming en toepassing van de nodige wetgeving voor een publieke openbare omroep en de volledige medewerking met het ICTY. De Raad en de Commissie zullen, vóór het afsluiten van de onderhandelingen, gezamenlijk de prestaties van Bosnië en Herzegovina op deze gebieden evalueren.

5. Herinnerend aan de Resoluties 1503 en 1534 van de VN-Veiligheidsraad benadrukt de Raad te verwachten dat Bosnië en Herzegovina thans resoluut zal optreden om alle voortvluchtige beklaagden, met name Ratko Mladic en Radovan Karadzic, eindelijk te doen berechten. Volledige samenwerking met het ICTY is van essentieel belang om een duurzame verzoening in het land en de regio te bewerkstelligen en een fundamenteel obstakel voor de opneming van het land in de EU weg te nemen.

6. Bosnië en Herzegovina is thans waarlijk de weg ingeslagen die leidt naar de EU. De Raad moedigt alle partijen in Bosnië en Herzegovina aan, de dynamiek die uitgaat van de opening van de onderhandelingen aan te grijpen om vastberaden te werken aan de gemeenschappelijke hervormingsagenda en daarbij het volledige potentieel van het land ten voordele van al zijn burgers te benutten. De Raad bevestigt dat de EU paraat blijft om Bosnië en Herzegovina te ondersteunen in de verwezenlijking van zijn ambitie: toenadering tot de EU.

7. De Raad spreekt zijn erkentelijkheid uit voor het werk van de speciale vertegenwoordiger van de EU (SVEU) en hoge vertegenwoordiger, Lord Ashdown, die een cruciaal aandeel heeft gehad in de vorderingen van Bosnië en Herzegovina. De Raad is overeengekomen dat de SVEU een grotere rol krijgt in de coördinatie van alle EU-instrumenten in Bosnië en Herzegovina, en hij heeft de SVEU verzocht zicht te houden op de inspanningen van de EU om de rechtsstaat te versterken. Deze ontwikkelingen getuigen van de veranderende betrekkingen tussen de EU en Bosnië en Herzegovina. De Raad ziet uit naar een grotere rol voor de SVEU bij de overgang van het Bureau van de Hoge Vertegenwoordiger naar een door de SVEU geleide missie in Bosnië en Herzegovina.

8. De Raad heeft de politiemissie van de EU in Bosnië en Herzegovina (EUPM) geëvalueerd, en had lof voor haar bijdrage aan het creëren van een duurzame politiestructuur in het land. De Raad komt overeen een vervolgmissie in te stellen waarvan de opdracht meer gericht is op ondersteuning van de bestrijding, op een meer pro-actieve manier, van de georganiseerde criminaliteit en de uitvoering van de politiehervorming, in nauwe samenwerking met andere EU-actoren en lokale rechtshandhavingsinstanties. De Raad verwelkomt in deze context de recente besluiten van Bosnië en Herzegovina over de herstructurering van de politiediensten, herinnert aan de drie door de Commissie goedgekeurde fundamentele beginselen die deze werkzaamheden moeten aansturen, en dringt er bij de autoriteiten op aan snel werk te maken van de uitvoering ervan.

9. De Raad heeft ook de militaire operatie van de EU (ALTHEA) geëvalueerd, nu deze het eerste jaar van haar werking met succes heeft afgesloten. Het verheugt de Raad dat de operatie in positieve zin heeft bijgedragen tot het garanderen van een veilige omgeving in Bosnië en Herzegovina, en hij herhaalde dat een continue militaire aanwezigheid van de EU daartoe in dit stadium van essentieel belang blijft. Hij merkte op dat de operatie een praktische voorbeeld was van het strategische partnerschap met de NAVO op het gebied van crisisbeheersing. Hij stemt in met de aanbeveling van de SG/HV dat de getalsterkte van de strijdkrachten in het komende jaar nagenoeg ongewijzigd moet blijven, alsmede dat besluiten over de toekomstige omvang en structuur van de EUFOR op een evaluatie van de situatie in het veld moeten worden gebaseerd. Voorts bevestigde de Raad dat de opdracht van de EUFOR de komende zes maanden ongewijzigd moet blijven. Indien er duurzame vorderingen worden gemaakt met het stabilisatie- en associatieproces, zullen de ministers, op basis van een evaluatie van de gevolgen van de verkiezingen in 2006, de opties voor de toekomstige aanwezigheid van de EUFOR in Bosnië en Herzegovina bekijken.

10. De Raad wil alle EU-instrumenten op een samenhangende manier inzetten om Bosnië en Herzegovina in staat te stellen de oorlog voorgoed achter zich te laten en vorderingen te maken op de weg naar een betere toekomst als modern, democratisch land in Europa. De Raad roept de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina op ten volle deel te nemen aan dit proces."

  • Bosnië en Herzegovina - Stabilisatie- en associatieovereenkomst

De Raad nam een besluit aan waarbij de Commissie wordt gemachtigd om te onderhandelen over een stabilisatie- en associatieovereenkomst met Bosnië en Herzegovina.

  • EU-waarnemingsmissie

De Raad besloot tevens om het mandaat van de EU-waarnemingsmissie in de Westelijke Balkan, alsmede het mandaat van het hoofd van de EU-waarnemersmissie, te verlengen tot eind 2006 (zie persmededeling "Algemene Zaken", doc. 14171/05).

EUROPEES VEILIGHEIDS- EN DEFENSIEBELEID - Conclusies van de Raad

De Raad besprak, in aanwezigheid van de ministers van Defensie, de recente vooruitgang op EVDB-gebied, en nam de volgende conclusies aan:

"A. Militaire vermogens

Hoofddoel 2010

De Raad heeft de behoeftencatalogus 2005 goedgekeurd. Daarin wordt omschreven welke militaire vermogens en welke strijdmacht de EU nodig heeft om de taken uit te voeren die haar krachtens het Verdrag betreffende de EU (artikel 17, lid 2) en de Europese veiligheidsstrategie toevallen en om de doelstellingen van Hoofddoel 2010 te verwezenlijken. De resterende lacunes ten opzichte van het Hoofddoel van Helsinki staan in deze catalogus. De uitgangspunten bij de strategische planning en de illustratieve scenario's die in de catalogus worden gehanteerd vormen de basis voor de verdere vaststelling van de militaire behoeften en vervolgens van de militaire vermogens. De werkzaamheden die hebben geleid tot de behoeftencatalogus 2005 zijn gevalideerd door middel van computerondersteunde operationele analyse. Deze catalogus is verfijnder dan de vorige behoeftencatalogus.

De behoeftencatalogus 2005 is een belangrijke stap in het proces van vermogensopbouw van Hoofddoel 2010. De overeengekomen militaire behoeften worden erin opgesomd en de lidstaten zal worden verzocht aan de hand daarvan toezeggingen te doen, met gebruikmaking van de vragenlijst van het Hoofddoel. Zodra deze toezeggingen zijn vergeleken en geanalyseerd, kunnen de resterende vermogenstekorten worden vastgesteld en bestreden. Er wordt verder gewerkt aan de ontwikkeling van een instrument van gegevensverzameling en een operationeel analyse-instrument voor EU-gebruik om aan de specifieke behoeften van de EU te voldoen .

De behoeftencatalogus 05 is gericht op de ontwikkeling van een kwalitatieve aanpak van de vermogensplanning waarom in Hoofddoel 2010 wordt gevraagd. Er wordt opnieuw de nadruk gelegd op snel inzetbare, in hoge mate interoperabele strijdkrachten die indien nodig langdurig ingezet kunnen worden bij operaties, door het rouleren van troepen en de terbeschikkingstelling van de noodzakelijke voorbereidende, ondersteunende en logistieke onderdelen. In deze catalogus wordt rekening gehouden met het streven van de EU om simultaan meerdere operaties te kunnen uitvoeren, en dus verscheidene operaties tegelijk te laten plaatsvinden, met een verschillend niveau van betrokkenheid.

Het gebruik van referentie-eenheden voor vermogen, ter aanduiding van de militaire eenheden of middelen die nodig zijn om het vermogen te leveren, helpt de lidstaten om zich een idee te vormen van de kwalitatieve aspecten bij de totstandbrenging van effectief vermogen en om hun toezeggingen voor Hoofddoel 2010 te bepalen. De illustratieve scenario's omvatten enkele elementen voor een mogelijke reactie van de EU op zowel door de mens veroorzaakte als natuurlijke rampen, en een realistische beoordeling van de terroristische dreiging, waarvoor vermogens moeten worden ontwikkeld met het oog op planning.

Geïntegreerd voortgangsrapport van militaire vermogens

De Raad heeft nota genomen van het Geïntegreerd voortgangsrapport van militaire vermogens, opgesteld conform het vermogensontwikkelingsmechanisme van de EU, dat het vermogensverbeteringsschema omvat waarin de voortgang uit hoofde van het Europees vermogensactieplan (ECAP) wordt opgetekend.

Van dit schema is een overzicht opgesteld ter informatie van het publiek en de media. In dit verband erkende de Raad dat sedert de voortgangscatalogus van Helsinki 2003 verdere progressie bij de vermogensontwikkeling is gemaakt, maar benadrukte hij dat bij de ontwikkeling van militaire vermogens verdere vooruitgang dringend nodig is om de huidige lacunes te dichten en de daaruit voortvloeiende, hoofdzakelijk kwalitatieve, beperkingen en restricties aan te pakken.

Door de steeds actievere rol van het Europees Defensieagentschap, in samenwerking met het Militair Comité en bijgestaan door de Militaire Staf van de EU, en in nauwe coördinatie met het Politiek en Veiligheidscomité, zal dit werk extra vaart krijgen.

Snelle reactie

Met betrekking tot snelle reactie nam de Raad nota van het succesvolle resultaat van de conferentie over de coördinatie van de gevechtsgroepen op 8 november. Hij juichte met name het akkoord van Griekenland, Bulgarije, Roemenië en Cyprus toe om de overblijvende lacunes in de toezeggingen van de lidstaten in de tweede helft van 2007 op te vullen. Daardoor zal de EU vanaf januari 2007 over een volledig operationele capaciteit beschikken om twee snellereactieoperaties met gevechtsgroepen uit te voeren, en zal zij beide operaties vrijwel tegelijk kunnen starten. De Raad was ook verheugd over de voortgang die zijn nevenorganen hebben gemaakt bij de implementatie van het concept gevechtsgroepen, met name inzake de aspecten strategische bewegingen en vervoer, logistieke kwesties en gezondheidszorg en medische ondersteuning De Raad ziet uit naar verdere vorderingen bij de resterende knelpunten. De Raad ziet uit naar verdere vorderingen bij de resterende knelpunten.

De Raad heeft er kennis van genomen dat de Groep vermogens EU-NAVO verder heeft gesproken over vraagstukken betreffende een coherente en synergetische ontwikkeling van militaire vermogens in de EU en bij de NAVO in gevallen waarin sprake is van eisen die elkaar overlappen, onder meer wat betreft EU-gevechtsgroepen en NAVO-reactiemacht. Alle EU-lidstaten zijn over deze zaken ingelicht.

Europees Defensieagentschap

De Raad verwelkomde het rapport van het hoofd van het Agentschap over de activiteiten van dit jaar en nam met voldoening nota van de instelling van systematische EDA-processen om vermogenstekorten weg te werken. De Raad juichte de voortgang toe bij het stimuleren van concurrentie en bij het consolideren van de Europese markt voor defensieapparatuur, en kwam overeen dat het Agentschap volgend jaar veel tijd moet besteden aan de hoofdprojecten van 2005 en de vervolgwerkzaamheden. Verdere prioriteiten zullen tijdens de bovengenoemde systematische processen vanzelf naar voren komen.

De Raad drong er bij het Agentschap ook op aan de werkzaamheden in 2006 toe te spitsen op de opstelling van een gedegen en werkbaar financieel kader voor 2007-2009 - dat door de Raad unaniem moet worden goedgekeurd - om verdere voortgang te kunnen maken, in samenwerking met de deelnemende lidstaten, het EUMC en andere bevoegde Raadsinstanties, en verder betrekkingen te blijven aangaan met derde landen, organisaties en entiteiten als bepaald in artikel 25 van het gemeenschappelijk optreden betreffende de EDA.

B. EU-concept inzake alomvattende planning als onderdeel van de civiel-militaire coördinatie

De Raad nam er nota van dat het PVC nota had genomen van het EU-Concept voor alomvattende planning als praktisch kader voor de effectieve coördinatie van de plannen door de EU-actoren voor crisisbeheersing, volgens de overeengekomen EU-crisisbeheersingsprocedures die door dit concept onverlet worden gelaten. Het concept is weergegeven in een "levend document" dat in het licht van de ervaring zal worden gewijzigd. De Raad onderstreepte dat het van belang is bij de planning van EU-betrokkenheid bij crisisbeheersingsactiviteiten de daarin geschetste aanpak te volgen.

De Raad nam er met instemming nota van dat reeds wordt gewerkt aan een volledig overzicht van de EU-betrokkenheid in de DRC.

De Raad onderstreept dat verdere operationalisering van het concept nodig is vanuit de ervaring en lering die is opgedaan bij lopende EU-operaties en -acties. De Raad is ingenomen met het voornemen van de SG/HV en de Commissie ook de inspanningen te bundelen om onder het Oostenrijkse voorzitterschap één algemeen overzicht te verstrekken van alle EU-activiteiten in elk van de volgende drie gebieden: Atjeh; Sudan/Darfur en Bosnië en Herzegovina.

De Raad erkende ook dat verder moet worden gewerkt aan de verbetering van de civiel-militaire samenwerking, met name wat betreft het beheer van de operaties.

C. EU-Concept voor EVDB-steun voor de hervorming van de veiligheidssector (SSR)

De Raad nam er nota van dat het PVC overeenstemming heeft bereikt over een EU-Concept voor EVDB-steun voor de hervorming van de veiligheidssector (SSR), en memoreerde dat steun voor SSR in partnerlanden een kerndoelstelling van EU-optreden is, zoals bepaald in de Europese veiligheidsstrategie (ESS). Een concreet voorbeeld hiervan is de lopende EVDB-missie ter ondersteuning van SSR in de DRC (EUSEC RD Congo). De Raad onderstreepte dat dit concept de planning en uitvoering van EVDB-missies in het veld zal vergemakkelijken.

De Raad nam er voorts nota van dat de EU-steun voor de SSR gebaseerd zal zijn op democratische normen, internationaal aanvaarde mensenrechtenbeginselen, de rechtsstaat, inachtneming van de eigen inbreng en samenhang met andere terreinen van het externe optreden van de EU. De Raad was ingenomen met het voornemen van de Commissie om een EG-concept voor SSR te ontwikkelen dat eerste pijler-activiteiten bestrijkt, en kwam overeen dat moet worden nagedacht over de samenvoeging van deze twee onderdelen onder een overkoepelend EU-concept voor SSR."

HANDELSBELEID - ONTWIKKELINGSAGENDA VAN DOHA - Conclusies van de Raad

De Raad nam de volgende conclusies aan:

"1. De Raad heeft, in het vooruitzicht van de conferentie van ministers in Hong Kong, geluisterd naar een uiteenzetting van de Commissie over de jongste ontwikkelingen in de onderhandelingen. Hij memoreerde zijn conclusies van 18 oktober 2005, en met name de toezegging van de Commissie dat de Raad volledig wordt ingelicht over de ontwikkelingen in de onderhandelingen, en dat de Commissie handelt overeenkomstig het mandaat dat zij van de Raad heeft gekregen. In dit verband is de Raad ingenomen met de bevestiging door de Commissie dat over katoen zal worden onderhandeld op basis van de kaderovereenkomst van 30 juli 2004.

2. De Raad bevestigde andermaal de doelstelling, namelijk een alomvattend, evenwichtig en ambitieus akkoord voor elk van de voornaamste elementen van de agenda van Doha en tussen al die elementen onderling . In het licht van zijn inzet voor de behoeften van de ontwikkelingslanden, en met name de minst ontwikkelde landen, gaf de Raad uiting aan zijn steun voor een ambitieus ontwikkelingspakket in Hong Kong.

3. De Raad bevestigde dat hij tijdens de gehele duur van de conferentie in speciale zitting bijeen zal komen om de Commissie eventueel noodzakelijke richtsnoeren te geven in de eindfase van de onderhandelingen, alsmede om, zoals te doen gebruikelijk, een standpunt in te nemen ten aanzien van een eventuele uit de onderhandelingen resulterende ontwerp-verklaring van de ministeriële WTO-conferentie en om eventuele besluiten te nemen die in dit verband zijn vereist. "

VREDESPROCES IN HET MIDDEN-OOSTEN - Conclusies van de Raad

De Raad nam de volgende conclusies aan:

"1. De Raad herinnert aan zijn gedetailleerde conclusies van 7 november. Hij wijst beide partijen opnieuw op het belang om voortvarend te blijven aansturen op volledige uitvoering van de routekaart.

2. De Raad juicht de overeenkomst over bewegingsvrijheid en toegang tussen de Israëlische regering en de Palestijnse Autoriteit toe. Deze kwesties zijn van fundamenteel belang voor de verbetering van humanitaire situatie in Gaza en essentieel voor de bevordering van vreedzame economische ontwikkeling. De overeenkomst betekent een belangrijke doorbraak. Prioriteit heeft nu ervoor te zorgen dat de daarin gedane toezeggingen in realiteit omgezet worden. Op basis van de overeenkomst en de gedetailleerde planning van de EU met de partijen, is de Raad het er over eens dat de EU de in de overeenkomst voorgestelde rol van derde partij op zich moet nemen. Daarom besluit hij om met spoed een EVDB-missie op te zetten om toezicht te houden op het verkeer aan de grenspost bij Rafah en juicht hij toe dat de EU steun verleent om de Palestijnse capaciteit inzake grensbeheer te vergroten. De Raad hecht zijn goedkeuring aan de benoeming van generaal-majoor Pietro Pistolese tot hoofd van de missie, keurt het operationeel concept voor de EU-missie goed en ziet uit naar de snelle inzet van een eerste team toezichthouders, zodat zo spoedig mogelijk kan worden begonnen met de werkzaamheden bij Rafah. De Raad verwacht dat het team spoedig versterking zal krijgen zodat de EU-missie volledig operationeel wordt en de grensovergang volledig kan worden opengesteld. De Raad neemt er nota van dat van de Israëlische regering en de Palestijnse Autoriteit uitnodigingen worden verwacht, waarop de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger zal antwoorden, en hij zal ervoor zorgen dat de nodige regelingen worden getroffen. De Raad neemt er ook nota van dat door de steun van de Gemeenschap aan de Palestijnse Autoriteit wordt doorgegaan met de opbouw van de noodzakelijke capaciteit, via opleiding, apparatuur en technische bijstand.

3. De Raad juicht toe dat op 25 januari 2006 meerpartijenverkiezingen voor de Palestijnse Wetgevende Raad zullen worden gehouden. De Raad onderstreept dat vrije en eerlijke verkiezingen een onontbeerlijke stap in het proces van consolidering van democratische instellingen zijn.

4. De Raad dringt er bij de Palestijnse Autoriteit op aan ervoor te zorgen dat alle voorschriften van de kieswet worden nageleefd. De Raad verheugt zich in dit verband over de gedragscode voor politieke partijen en spoort alle partijen aan de regels daarvan na te leven. De Raad neemt er nota van de onafhankelijke Palestijnse Centrale Verkiezingscommissie als enige verantwoordelijk moet zijn voor de organisatie van de verkiezingen. De Raad dringt er bij Israël op aan volledig samen te werken met de Palestijnse Autoriteit om de voorbereiding en het verloop van de verkiezingen te faciliteren. Waar het de Raad met name om gaat is de bewegingsvrijheid voor alle kandidaten, verkiezingsmedewerkers en kiezers, ook in bezet Oost-Jeruzalem, waar het Israël oproept de verkiezingsreglementen dringend te verbeteren, onder meer om kiezersregistratie, de toegang tot de stembureaus en de campagnevoering effectief te vergemakkelijken. De Raad dringt er bij de Israëli's en de Palestijnen op aan uitvoering te geven aan de aanbevelingen in het eindrapport van de door de heer Rocard geleide EU-verkiezingswaarnemingsmissie met het oog op de presidentsverkiezingen van januari 2005 uit te voeren.

5. De Raad is ingenomen met de verklaringen van de Palestijnse Autoriteit waarin geweld wordt veroordeeld en de Palestijnse groepen die zich schuldig gemaakt hebben aan terrorisme, worden aangespoord hun activiteiten te staken en zich aan te sluiten bij het democratisch proces. De Raad memoreert het standpunt van de EU dat alle facties, inclusief Hamas, geweld moeten afzweren, het bestaansrecht van Israël moeten erkennen en moeten ontwapenen. Uiteindelijk mogen degenen die deelnemen aan het politieke proces geen gewapende activiteiten ontplooien, omdat die activiteiten volstrekt niet te verzoenen zijn met de opbouw van een democratische staat.

6. De EU is bereid de Palestijnse autoriteit financieel, technisch en politiek te steunen bij de verkiezingen, en een waarnemingsmissie te sturen die, in verbinding met andere leden van het kwartet en internationale gemeenschap, zal beoordelen of het verkiezingsproces volgens de internationale beginselen voor echte democratische verkiezingen verloopt. De leden van de EU-verkiezingswaarnemingsmissie zullen contacten hebben met alle kandidaten, die echter beperkt blijven tot hetgeen strikt noodzakelijk is voor een bevredigend en geloofwaardig toezicht op de verkiezingen. De verkiezingswaarnemers van de EU nemen geen deel aan politieke discussies met kandidaten van welke partij ook die geen verband houden met het verkiezingsproces,

7. De Raad onderstreept andermaal zeer bezorgd te zijn over de activiteiten van de Israëli's in en rond Oost-Jeruzalem, onder meer het optrekken van de scheidingsmuur, de bouw van nederzettingen en het slopen van huizen. Dit verkleint de kans op een overeenkomst over de definitieve status van Jeruzalem, dreigt elke oplossing die gebaseerd is op het naast elkaar bestaan van twee levensvatbare staten fysiek onmogelijk te maken en is in strijd met het internationale recht. In het licht hiervan draagt de Raad de betrokken Raadsinstanties op een gedetailleerde analyse van de EU over Oost-Jeruzalem voor te leggen, zodat deze in de volgende RAZEB kan worden goedgekeurd en openbaar gemaakt."

IRAK

Tijdens de lunch beraadden de ministers zich op de toestand in Irak in het vooruitzicht van de voor december geplande verkiezingen, alsook op toekomstige stappen in de betrekkingen tussen de EU en Irak, onder meer op het gebied van contractuele betrekkingen, een mogelijke verlenging/uitbreiding van de rechtsstaatmissie EUJUST LEX, en de politieke dialoog.

IRAN

Tijdens de lunch bespraken de ministers het nucleaire vraagstuk op basis van een uiteenzetting over de stand van zaken door de hoge vertegenwoordiger Javier Solana en in het vooruitzicht van de bijeenkomst van de Raad van Beheer van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, die op 24 november begint. Er zal verdere coördinatie plaatsvinden tussen de missiehoofden in Wenen.

MIGRATIE EN EXTERNE BETREKKINGEN - Conclusies van de Raad

De Raad nam de volgende conclusies aan:

"1. De Raad bevestigt dat het voor de EU belangrijk is haar inspanningen op migratiegebied internationaal op te voeren in partnerschap met derde landen. De Raad erkent dat het migratievraagstuk een evenwichtige, brede aanpak behoeft, en dat de voordelen van migratie zowel voor de derde landen en de EU als voor de migranten zelf moeten worden verstrekt, waarbij tegelijk moet worden gezorgd voor een gecoördineerd optreden tegen illegale migratie, mensenhandel en mensensmokkel. Voorts onderkent hij dat de mensenrechten van migranten, met name vrouwen, moeten worden beschermd. De Raad benadrukt andermaal de waarde van samenwerking op het gebied van migratie en externe betrekkingen tussen de departementen binnenlandse zaken, buitenlandse zaken en ontwikkeling.

2. De Raad erkent dat migratie een essentieel onderdeel van de ontwikkelingsagenda en het ontwikkelingsbeleid kan vormen. De Raad verwelkomt in dit verband de mededeling van de Commissie van 1 september 2005, getiteld "Migration and Development: Some concrete orientations", als een belangrijke eerste stap in de richting van grotere samenhang tussen de externe dimensie van het EU-migratiebeleid en het EU-ontwikkelingsbeleid. De Raad wijst erop dat de verbanden tussen migratie en ontwikkeling complex zijn, maar dat een effectief beheerde migratie zeer positieve gevolgen kan hebben voor het gastland en het land van herkomst. De Raad verzoekt de Commissie een actieve rol te spelen bij de bevordering van een geïntegreerde en samenhangende aanpak van migratie en ontwikkeling, onder meer door de betrokkenheid van migranten zelf te stimuleren.

3. De Raad zal als eerste stap de inspanningen van de Commissie steunen om concrete vorm te geven aan de beleidsaanzetten in de Commissiemededeling, met name wat betreft overmakingen van migranten, de diaspora en "brain drain"-vraagstukken. De Raad is het erover eens dat veiligere, gemakkelijkere en goedkopere overmakingskanalen belangrijk zijn en dat het effect hiervan op de ontwikkeling moet worden vergroot, alsook dat de rol van de diaspora als factor voor ontwikkeling in hun landen van herkomst moet worden vergemakkelijkt, onder meer door ontwikkelingsmaatregelen, en dat snelle maatregelen ter bevordering van integratie in dit verband belangrijk zijn.

4. De Raad verzoekt de Commissie passende regelingen uit te werken, zodat migratie- en ontwikkelingsdeskundigen uit de lidstaten zich verder kunnen beraden op de Commissiemededeling en beste praktijken kunnen uitwisselen. De Commissie moet in samenwerking met de lidstaten maatregelen nemen voor de spoedige uitvoering van de in de mededeling vervatte voorstellen, en moet regelmatig aan de Raad rapporteren over de gemaakte vorderingen. De Raad verzoekt in dit verband de Commissie om zijn ideeën over tijdelijke en circulaire migratie en terugkeer uit te werken en ter overweging aan de lidstaten voor te leggen, met name in het licht van de lopende besprekingen over het groenboek over economische migratie, en over de wijze waarop de negatieve gevolgen van de braindrain op kwetsbare sectoren kunnen worden verzacht. De Raad, die het belang erkent van migratie als ontwikkelingsfactor voor alle betrokkenen, ziet uit naar het actieplan over economische migratie dat de Commissie voor eind 2005 zal indienen. De Raad verzoekt de Commissie tevens om van migratie- en ontwikkelingsvraagstukken een integrerend deel te maken van de dialoog, het partnerschap en de samenwerking met de betrokken landen of hun regionale organisaties, onder de in het Haags Programma genoemde voorwaarden. Meerjarenprogramma's voor samenwerking met partners (d.w.z. landelijke en regionale strategieën en actieplannen) op bilateraal en regionaal niveau moeten waar passend specifieke bepalingen over samenwerking bij migratiekwesties bevatten.

5. De Raad wijst op de noodzaak van een aanpak waarin regionale en pan-Afrikaanse aspecten van migratie aan bod komen, teneinde de dialoog en de samenwerking tussen landen van herkomst en doorreis en de EU te vergemakkelijken. De Raad is het erover eens dat de werkzaamheden betrekking moeten hebben op een brede en evenwichtige agenda die een langetermijnstrategie voor de aanpak van de oorzaken van migratie, waaronder crisissen of post-crisissituaties, moet omvatten. De Raad is van oordeel dat hiervoor een aanpak per geval moet worden gevolgd, waarbij de EU samenwerkt met Afrikaanse staten om lacunes vast te stellen waar de EU hun inspanningen op het gebied van migratie- en asielvraagstukken kan steunen. De Raad steunt de opneming van maatregelen voor migratiebeheer in de alomvattende EU-strategie voor Afrika die de Europese Raad naar verwacht in december 2005 zal goedkeuren.

6. De Raad dringt er bij de Commissie op aan de dialoog en de samenwerking met belangrijke landen van herkomst en doorreis en relevante regionale organisaties in Afrika verder te ontwikkelen, in nauwe samenwerking met de lidstaten. Die dialoog en samenwerking zouden betrekking kunnen hebben op, bijvoorbeeld, het vergroten van de capaciteit voor migratiebeheer, het verbeteren van de overmakingskanalen, het onder de aandacht brengen van legale migratiekanalen, het behandelen van problemen in verband met braindrain, het verbeteren van vluchtelingenbescherming en van de toegang tot duurzame oplossingen (onder meer via regionale beschermingsprogramma's), het bestrijden van illegale migratie, het onderhandelen over overnameovereenkomsten en ervoor zorgen dat bestaande overnameverplichtingen worden uitgevoerd, het bestrijden van mensenhandel en mensensmokkel en het verzekeren van de terugkeer. De EU zal de samenwerking op dit gebied via haar beleid bevorderen, en aldus tot uiting brengen dat deze problematiek voor de EU en haar lidstaten van cruciaal belang is.

7. De Raad verwelkomt de mededeling van de Commissie over het mechanisme voor monitoring en evaluatie van de situatie in derde landen op het gebied van de bestrijding van illegale immigratie van 28 juli 2005, waarmee een begin wordt gemaakt met de uitvoering van maatregelen ter bestrijding van illegale immigratie, zoals is gevraagd tijdens de Europese Raden van Sevilla en Thessaloniki. Volgens de Raad is het belangrijk dat wordt gezorgd voor een ijkpunt waaraan de doeltreffendheid van de samenwerking ter bestrijding van illegale immigratie kan worden getoetst, en dat wordt aangegeven op welke terreinen verder moet worden gewerkt. De Raad verzoekt de Commissie door te gaan met het monitoring- en evaluatieproces en daarbij, in nauwe samenwerking met de lidstaten, het mechanisme te verfijnen en in aanmerking komende landen aan te wijzen, en te zorgen voor samenhang met de nationale en de regionale strategiedocumenten van de EU. De Raad verzoekt de Commissie om uiterlijk in december 2006 haar volgende monitoring- en evaluatieverslag bij de Raad in te dienen.

8. De Raad wijst erop dat de Overeenkomst van Cotonou, de stabilisatie- en associatieovereenkomsten, de actieplannen in het kader van het nabuurschapsbeleid en de Euromediterrane associatieovereenkomsten reeds voorzien in samenwerking voor een breed scala van met migratie verband houdende vraagstukken. De Raad steunt de toegenomen aandacht voor migratie in het kader van het proces van Barcelona met het oog op de bevordering van een alomvattende aanpak voor het doeltreffende beheer van migratiestromen. In dit verband is de Raad verheugd over de intensivering van de samenwerking inzake migratiekwesties, ook op het gebied van terugkeerbeheer, tussen de EU en zijn buurlanden.

9. De Raad verwelkomt stappen om de inzet van de EU inzake migratievraagstukken bij internationale en regionale instanties te versterken. De Raad neemt nota van de werkzaamheden van de Wereldcommissie voor internationale migratie (GCIM) en van haar op 5 oktober 2005 gepubliceerde rapport. De Raad verzoekt de Commissie de aanbevelingen van de GCIM te analyseren, met inachtneming van de huidige inspanningen en de beleidsinitiatieven van de EU op het gebied van migratie, zodat de EU ten volle kan bijdragen en deelnemen aan de follow-up van het werk van de GCIM. Daarmee wordt ook bijgedragen aan de input van de EU in de VN-dialoog op hoog niveau inzake migratie en ontwikkeling in 2006. De Raad beveelt de EU en de lidstaten aan om op internationaal niveau actief te blijven bijdragen aan het debat over verbanden tussen migratie en andere beleidsgebieden.

10. De Raad neemt nota van de lopende werkzaamheden in de Commissie en de Raad ter verwezenlijking, uiterlijk eind 2005, van de in het Haags Programma geformuleerde doelstelling, namelijk het bereiken van een akkoord over een strategie die alle externe aspecten van het Uniebeleid betreffende vrijheid, veiligheid en recht bestrijkt. In die strategie moet een evenwichtige aanpak van het migratievraagstuk tot uiting komen en moeten de in deze conclusies door de Raad vastgestelde prioriteiten worden opgenomen.

11. De Raad benadrukt dat het van belang is dat migratiekwesties voldoende tot uiting komen in het beleid inzake externe betrekkingen, het algehele beleidskader van de EU en in haar financiële middelen. De EU moet tevens haar migratiedoelstellingen ten aanzien van derde landen kunnen verwezenlijken. Om ervoor te zorgen dat de EU zijn politieke toezeggingen kan nakomen, moet bij wijze van prioriteit het belang van gestructureerde programma's betreffende migratiebeheer voldoende in acht worden genomen in de nieuwe financiële instrumenten; hierbij moet worden voorzien in een duidelijke beheersvorm die een gemakkelijke toegang tot financiële middelen mogelijk maakt."

EU-STRATEGIE VOOR AFRIKA - Conclusies van de Raad

De Raad wisselde van gedachten over de voorbereiding van een EU-strategie voor Afrika waaraan de Europese Raad tijdens de bijeenkomst op 15 en 16 december zijn goedkeuring moet hechten.

Aan het eind van het debat concludeerde de voorzitter van de Raad dat er consensus over de volgende punten bestaat:

  • de noodzaak van meer ondersteuning van vrede en veiligheid, onder meer door een wezenlijke en langdurige aanvulling van de EU-vredesfaciliteit voor Afrika;
  • het belang van goed bestuur;
  • het belang van handel en regionale integratie voor de groei;
  • de instelling van een infrastructuurfaciliteit EU-Afrika;
  • een versterkte bijstand in de strijd tegen aids;
  • een verhoging van de hulpfondsen voor gezondheid, diensten en onderwijs, onder meer via het Europees Ontwikkelingsfonds;
  • het belang van een eigen inbreng van Afrika in de context van de strategie;
  • het belang van uitvoering en resultaten, en de noodzaak van een voortdurend toezicht door de Europese Raad.

De voorzitter verwelkomde het voornemen van het komende Oostenrijkse voorzitterschap om, in coördinatie met de daaropvolgende voorzitterschappen, de werkzaamheden met betrekking tot de nieuwe strategie voort te zetten.

De Raad nam de volgende conclusies aan:

"1. De Raad neemt nota van de rapporten van het Millenniumproject van de VN en van de Commissie voor Afrika, de resultaten van de Millenniumevaluatietop, inclusief de toezegging om de speciale behoeften van Afrika aan te pakken, en andere recente internationale toezeggingen voor Afrika, waaronder die welke zijn gedaan tijdens de G8-top in Gleneagles, het forum voor het partnerschap met Afrika, het forum op hoog niveau in Parijs en de top van de Afrikaanse Unie (AU) in Sirte.

2. De Raad herinnert aan zijn conclusies van mei 2005 en de conclusies van de Europese Raad van juni 2005 waarin om een langetermijnstrategie voor Afrika wordt gevraagd. De Raad verklaart dat hij gecommitteerd blijft aan de bestaande EU-overeenkomsten met Afrika, met name de onlangs herziene Overeenkomst van Cotonou, de Samenwerkingsovereenkomst voor handelsontwikkeling tussen de EU en Zuid-Afrika, het Euro-mediterrane Partnerschap, het Europese nabuurschapsbeleid en de daarmee verband houdende financiële instrumenten van de EG [1].

3. De Raad verwelkomt de mededeling van de Commissie over een EU-strategie voor Afrika en de weg naar een Europees-Afrikaans pact om de ontwikkeling van Afrika te bespoedigen, en het document van de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger als centrale bijdragen tot de strategie waarover de Europese Raad zich in december 2005 moet buigen. Hij begroet ook het rapport over een ontwikkelingsstrategie voor Afrika van het Europees Parlement. De Raad komt overeen vooral aandacht te besteden aan de hieronder besproken gebieden. De Raad neemt nota van een aantal andere voorstellen die in deze conclusies niet aan de orde komen en ziet uit naar meer informatie van en meer dialoog met de Commissie, de SG/HV en het Parlement daarover.

Algemene benadering

4. De Raad verzoekt om een uitgebreide strategie, op basis van gedeelde waarden en overeengekomen VN-beginselen, waaronder ontwikkeling, veiligheid en mensenrechten, die alle Afrikaanse landen bestrijkt, met inachtneming van landspecifieke behoeften, zoals die onder meer omschreven worden in nationale armoedebestrijdingsstrategieën, waarin een aanpak wordt bepleit met prioriteitstelling die gericht is op de bevordering van vrede en veiligheid en duurzame economische en sociale ontwikkeling in Afrika via de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen (MDG's) en de implementatie van de millenniumverklaring, waarin de Europese veiligheidsstrategie in aanmerking wordt genomen en die streeft naar samenhang tussen beleidsgebieden en regionale benaderingen, rekening houdend met de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking in alle beleidssectoren van de EU.

5. De Raad verzoekt voorts om een strategie die de eigen Afrikaanse inbreng en de wederzijdse verantwoording vergroot, ook op het gebied van politiek en economisch bestuur, via instellingen en het maatschappelijke middenveld in Afrika, binnen het internationale recht, met name met volledige inachtneming van mensenrechtennormen en in samenwerking met mensenrechtenmechanismen. Een strategie die sterk gericht is op de AU, NEPAD en doeltreffende subregionale organisaties, die alle landen oproept de hoofdverantwoordelijkheid voor de eigen ontwikkeling op zich te nemen en de rol erkent die de nationale beleidsinitiatieven en ontwikkelingsstrategieën spelen om dit te bewerkstelligen. Een strategie die de publieke opinie in Europa en Afrika weet aan te spreken, die leiderschap van en coördinatie binnen de EU omvat, waarbij de waarde van de afzonderlijke inspanningen van de lidstaten wordt erkend, ook de specifieke meerwaarde van de lidstaten die onlangs een politiek en economisch overgangsproces hebben doorgemaakt, die de politieke dialoog met Afrika intensiveert, mede door een zo spoedig mogelijk te houden top EU-Afrika in Lissabon. Een strategie die benadrukt dat Afrika een belangrijke partner is bij de bevordering van effectief multilateralisme en die de internationale coördinatie en de efficiëntie van de hulp ter ondersteuning van Afrika verbetert, waarbij het VN-systeem en de internationale financiële instellingen, andere donoren en snel groeiende economieën betrokken worden.

Maatregelen ter ondersteuning daarvan:

Vrede en veiligheid

6. Verbreding en intensivering van de politieke dialoog tussen de EU en de AU en de samenwerking op het gebied van vrede en veiligheid, met inbegrip van crisisbeheersing, en inzake multilaterale kwesties zoals de VN-Commissie voor vredesopbouw, de verantwoordelijkheid tot bescherming en terrorismebestrijding. Structurering van deze politieke dialoog via vergaderingen op EU- of AU-niveau, met betrokkenheid van de EU-missiehoofden. Verbetering van het gezamenlijk toezicht en de gezamenlijke rapportage over deze verwante onderwerpen door de EU-missiehoofden met het oog op een betere beleidsrespons van de EU. Intensivering van de samenwerking met de VN, de AU en subregionale organisaties op het gebied van conflictpreventie en vredesondersteuning, ook wat betreft goed bestuur en mensenrechten. In verband hiermee de dialoog EVDB/Euromed ontwikkelen.

7. GBVB- en EVDB-instrumenten, -beleidsinitiatieven en -activiteiten (incl. opleiding en onderwijs van EU-deskundigen) benutten, ontwikkelen en verfijnen, voortbouwend op het EVDB-actieplan voor Afrika, met eventueel per geval de inzet van door de EU geleide civiele, militaire of gezamenlijke civiel-militaire missies (inclusief operaties waarbij gevechtsgroepen van de EU betrokken zijn) ter ondersteuning van de doelstellingen inzake crisisbeheersing van de VN of de AU. Zoeken naar een meer uitgebreide en samenhangende aanpak om synergie tot stand te brengen tussen GBVB/EVDB, instrumenten, beleidsvormen en activiteiten van de eerste pijler, en de aanpak van afzonderlijke lidstaten, onder meer wat betreft de versterking van de Afrikaanse capaciteiten voor vredesondersteuning. Het EVDB is een van de voornaamste instrumenten die de EU tot haar beschikking heeft en moet daarom de nodige middelen krijgen.

8. In dit verband steun verlenen aan de AU, subregionale organisaties en nationale regeringen en die steun toetsen, ter versterking van hun vermogen voor vroegtijdige waarschuwing, bemiddeling, en hun analytische en operationele capaciteit, en voor het ondernemen van vredeshandhavende en vredesondersteunende operaties, en zodoende het besluit van de VN-vergadering op hoog niveau inzake een langetermijnplan (10 jaar) voor capaciteitsopbouw in Afrika uitvoeren. Dit zal met name het volgende omvatten:

  • een overeenkomst die de Afrikaanse Vredesfaciliteit op de lange termijn van middelen voorziet en die ervoor zorgt dat het effect daarvan ter plekke maximaal is en langdurig aanhoudt;
  • adviserende, technische, plannings- en logistieke ondersteuning en samenwerking met de AU en subregionale organisaties bij het opstellen van een ruime opleidingsagenda met civiele en militaire aspecten, onder meer door ondersteuning van opleidingscentra in Afrika (met inachtneming van ideeën over een "Europeanisering" van het RECAMP-project;
  • ondersteuning van regionale dialoog en verzoening in het kader van conflictoplossing en vredesopbouw;
  • ondersteuning van de vorming van de Afrikaanse stand-by-troepenmacht, aanvankelijk via door de AU georganiseerde workshops; en
  • ondersteuning van verantwoordelijkheid tot bescherming, om te zorgen voor de bescherming van mensen tegen genocide, oorlogsmisdaden, etnische zuiveringen en misdaden tegen de menselijkheid.

9. De stroom van illegale wapens en hun financiering blijven bestrijden. Conform de EU-strategie ter bestrijding van de illegale accumulatie van en handel in handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en munitie daarvoor, zal de EU derde landen aanmoedigen zich aan te sluiten bij de EU-gedragscode betreffende wapenuitvoer, effectieve controlesystemen voor grensbeheer ondersteunen, mechanismen ontwikkelen om de informatie over illegale handel waarover zij beschikt, te benutten, overwegen restrictieve maatregelen te nemen om wapentransacties te ontmoedigen, de opname van gemeenschappelijke minimumnormen voor de controle op wapentransacties in een verscherpt VN-Actieprogramma ondersteunen, regionale initiatieven ter bestrijding van illegale handel in SALW ondersteunen en de spoedige totstandkoming van een internationaal verdrag tot instelling van gemeenschappelijke normen voor de wereldhandel in conventionele wapens ondersteunen.

10. Nader aandacht besteden aan de hulpbronnen die tot conflicten leiden, om ervoor te zorgen dat hout, water, diamanten, olie en andere mineralen in Afrika vrede en welvaart bevorderen, en niet leiden tot oorlog en leed. Steun aan het proces van Kimberley handhaven en verbeteren.

11. De inspanningen voor conflictpreventie opvoeren, de uitbarsting van conflicten in Afrika helpen voorkomen via de ontwikkeling van een brede aanpak van conflictpreventie, die zich moet uitstrekken tot beleidsvormen en maatregelen op het gebied van veiligheid, ontwikkeling en democratisch bestuur om de achterliggende oorzaken van conflicten en instabiliteit (bijvoorbeeld armoede, uitsluiting en discriminatie van etnische of religieuze minderheden) tijdig en effectief aan te pakken, en de overgang van conflicten naar vrede en ontwikkeling te vergemakkelijken en te verhinderen dat landen opnieuw in een gewelddadig conflict verwikkeld raken. Bij conflictpreventie moeten ook de bedreigingen voor de veiligheid worden aangepakt die ertoe kunnen leiden dat grote groepen mensen uit conflictgebieden wegtrekken.

12. De inzet voor wederopbouw na het conflict verbeteren, zodat beëindigde oorlogen niet opnieuw losbarsten, met name via ondersteuning van een effectieve VN-commissie voor vredesopbouw. Inspanningen leveren voor wederopbouw na het conflict via politieke en praktische ondersteuning op lange termijn. Meer aandacht zal worden besteed aan een meer coherente overgang van kortetermijn- naar langetermijnstrategieën en -ondersteuning. De inspanningen blijven ondersteunen voor wederopbouw en consolidatie van de instellingen in voormalige mislukte staten en helpen voorkomen dat die staten ineenstorten.

13. Coherente regionale en nationale strategieën voor ontwapening, demobilisatie en reïntegratie (DDR) ondersteunen en verdere uitvoering, in partnerschap met de AU, subregionale organisaties en nationale regeringen, van de hervorming van de veiligheidssector (SSR), voortbouwend op de ervaring van de EU in de Democratische Republiek Congo. Gelet op de toenemende betrokkenheid van de EU bij SSR-activiteiten, plannen ontwikkelen voor geïntegreerde militaire en civiele SSR-teams. De 4R-strategie van de VN-commissie voor de rechten van de mens ondersteunen (repatriëring, reïntegratie, rehabilitatie en wederopbouw). De uitvoering ondersteunen van het beleid van de EU op het gebied van samenhang van noodhulp, rehabilitatie en ontwikkeling (LRRD).

14. De toepassing van Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad inzake vrouwen, vrede en veiligheid aanmoedigen door ervoor te zorgen dat er rekening wordt gehouden met het genderperspectief bij de planning, uitvoering en evaluatie van de gevolgen van een conflict, de behoeften van de verschillende actoren in een conflict, en het niveau en de aard van de deelneming aan de besluitvorming bij de preventie, beheersing en oplossing van conflicten, met inbegrip van vredesprocessen en onderhandelingen, met inachtneming van het EU-actieplan tot uitvoering van Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad.

15. Op basis van eerdere en nog lopende activiteiten de korte-, middellange- en langetermijngevolgen van gewapende conflicten voor kinderen effectief en grondig aanpakken met behulp van de verschillende instrumenten die de EU ter beschikking staan, overeenkomstig Resoluties 1460 en 1539 van de VN-Veiligheidsraad inzake kinderen en gewapende conflicten en de EU-richtsnoeren inzake kinderen en gewapende conflicten.

16. De Afrikaanse inspanningen op het gebied van terrorismebestrijding ondersteunen door het verlenen van technische bijstand en verbeterde informatie-uitwisseling. Afrikaanse landen bijstaan bij het nakomen van hun internationale verplichtingen inzake terrorismebestrijding en deze tevens actief oproepen mee te werken aan internationale inspanningen op het gebied van terrorismebestrijding, met name met de VN. De samenwerking tussen de EU en Afrika en binnen Afrika bij de bestrijding van georganiseerde criminaliteit, alle vormen van arbeidsuitbuiting en gedwongen arbeid en drugs verbeteren.

17. De kwestie van de proliferatie van massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen aanpakken. De volledige nakoming en de nationale uitvoering door Afrikaanse partners van bestaande internationale verplichtingen ondersteunen. Bevorderen dat zij toegang krijgen tot andere relevante internationale instrumenten en regelingen voor exportcontrole, en deze uitvoeren. Samenwerken bij de ontwikkeling van effectieve systemen van nationale exportcontrole.

Mensenrechten

18. De steun van de EU voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten opvoeren, onder meer als basisvereiste voor de totstandbrenging van democratie, goed bestuur en rechtsstaat door middel van intensivering van de samenwerking tussen de EU en Afrika binnen het mensenrechtenstelsel, onder meer door de behandeling van dringende kwesties in internationale mensenrechtenfora, aanmoediging van de toetreding tot de mensenrechteninstrumenten van de VN en naleving van de mechanismen daarvan, ondersteuning van de ontwikkeling en versterking van de nationale rechtsstelsels en nationale instellingen voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten in samenwerking met de bestaande nationale, regionale en VN-mechanismen, ondersteuning van de organisaties van het maatschappelijk middenveld en het aangaan van een dialoog over mensenrechtenkwesties. In overeenstemming met onder meer de EU-richtsnoeren inzake mensenrechten monitoring van de uitvoering van de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling, en verdedigers van de mensenrechten.

Bestuur

19. De EU-steun voor de versterking van de capaciteit van de Afrikaanse Unie, subregionale organisaties en landen opvoeren.

20. Bestuur stimuleren via ondersteuning van de Afrikaanse inspanningen in coördinatie met de inspanningen van andere donoren, met inbegrip van steun voor de bestuursagenda van de AU en NEPAD en voor het Afrikaanse Peer Reviewmechanisme (APRM), door middel van i) ondersteuning van de APRM-structuren ter vergemakkelijking van zelfbeoordeling en lering in alle landen ii) ontwikkeling van een EU-bestuursinitiatief ter ondersteuning van de uitvoering van de hervormingen waartoe het APRM-proces aanleiding geeft en iii) voortzetting van de implementatie van een bestuursfaciliteit uit hoofde van het toekomstige Europese nabuurschaps- en partnerschapsinstrument.

21. De opbouw van effectieve en geloofwaardige centrale instellingen ondersteunen, onder meer politie, rechtsstelsels en nationale parlementen, en een dialoog starten met de nationale regeringen en lokale autoriteiten ter ondersteuning van de decentralisatieprocessen.

22. De rechtsstaat ondersteunen en straffeloosheid bestrijden, onder meer via het Internationaal Strafhof.

23. Het gebruik van een evaluatiekader voor het beheer van de overheidsfinanciën (PFM) en de uitvoering van een krachtiger aanpak ter ondersteuning van PFM-hervormingen bevorderen. Waar passend begrotingsondersteuning voortzetten voor het terugdringen van armoede en de verantwoordelijkheid en het reactievermogen van regeringen, parlementen, lokale autoriteiten en overheidsinstanties doen toenemen, onder meer door steun aan het maatschappelijk middenveld.

24. Zorgen voor de spoedige bekrachtiging van het VN-Verdrag inzake corruptiebestrijding en volledige uitvoering van de desbetreffende OESO-overeenkomsten, met name wat betreft de bestrijding van het omkopen van buitenlandse overheidsfunctionarissen bij internationale zakentransacties. Politieke en financiële steun verlenen aan Afrikaanse regeringen, regionale organen en maatschappelijke organisaties die corruptie bestrijden.

25. Het bestuur bij de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen helpen verbeteren . Dat omvat de verdere ontwikkeling van het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën (EITI) en steun voor landen en bedrijven die dit implementeren, alsmede uitvoering van het actieplan inzake FLEGT (wetshandhaving, bestuur en handel in de bosbouw).

26. De verdere ontwikkeling aanmoedigen van een transparante en participatieve democratie, onder meer door ondersteuning van de nationale parlementen en door een meer coherente aanpak van de politieke dialoog en verkiezingswaarnemingsmissies.

Economische groei en regionale integratie en handel

27. De nationale en regionale strategieën voor groei en armoedebestrijding ondersteunen die de macro-economische stabiliteit bevorderen, de particuliere investeringen aanmoedigen en economische groei voor allen bevorderen, waarbij gezorgd wordt voor directe participatie van de armen. Blijven bijdragen tot het opvangen van de effecten van exogene schokken, met name sterke schommelingen van de grondstoffenprijzen, via de uitvoering van EU-programma's zoals het EU-actieplan inzake landbouwgrondstoffen en het katoenpartnerschap EU-Afrika.

28. Afrikaanse initiatieven ondersteunen om een beter investeringsklimaat en meer kansen voor het bedrijfsleven te creëren, waardoor mede wordt bijgedragen tot welvaart en werkgelegenheid voor de armen. Investeringen in Afrika bevorderen, waaronder maatregelen voor de plattelandseconomie en maatregelen om een markt voor landbouwproducten tot stand te brengen. De OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen in Afrika en andere relevante instrumenten en initiatieven promoten die de maatschappelijke verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven bevorderen, en publiek-private partnerschappen en het MKB via lokale instellingen ondersteunen.

29. De randvoorwaarden scheppen voor een Afrika met betere verbindingen via de ontwikkeling van een infrastructuurpartnerschap EU-Afrika in coördinatie met andere donoren, in aanvulling op het nieuwe Infrastructuurconsortium voor Afrika. Het partnerschap moet de bestaande EU- en Afrikaanse initiatieven op het gebied van water en sanitaire voorzieningen, energie en ICT overkoepelen, onder meer door het aanpakken van de digitale kloof en door ervoor te zorgen dat mensen toegang hebben tot diensten.

30. Erop aandringen dat de ontwikkelingsagenda van Doha een ambitieus en evenwichtig resultaat oplevert, waarbij geleidelijke handelsliberalisering wordt gecombineerd met krachtiger multilaterale regels, zorgen voor een speciale gedifferentieerde behandeling, met name voor de minst ontwikkelde landen, en het verlies van preferenties aanpakken, op zo'n manier dat de voordelen van ontwikkeling gemaximaliseerd worden en Afrika zoveel mogelijk wordt opgenomen in het multilaterale handelssysteem, hetgeen bijdraagt tot de millenniumdoelstellingen.

31. De onderhandelingen over economische partnerschapsovereenkomsten ondersteunen als ontwikkelingsinstrumenten die de toegang tot de Europese markten zullen verbeteren, de ACS-landen zullen helpen om te integreren op de wereldmarkten, hun regionale integratie zullen bevorderen, zullen helpen om transparante en voorspelbare regels op te stellen voor de bevordering van investeringen en groei, en voor de liberalisering van diensten die essentieel zijn voor hun ontwikkeling. De geleidelijke totstandkoming van de EUROMED-vrijhandelszone (tussen de Noord-Afrikaanse landen en de EU en tussen de Noord-Afrikaanse landen onderling) ondersteunen in het kader van het proces van Barcelona. De deelneming van de ultraperifere gebieden aan het proces van regionale integratie in Afrika bevorderen, als voorgesteld in de mededeling van de Commissie van mei 2004.

32. Financiële steun verlenen voor de opbouw van handelscapaciteit en de uitvoering van hervormingen aan de aanbodzijde die gekoppeld zijn aan de implementatie van de economische partnerschapsovereenkomsten en de WTO. Landen ondersteunen die geconfronteerd worden met aanpassingen die noodzakelijk zijn wegens de uitvoering van de economische partnerschapsovereenkomsten of regionale en multilaterale liberaliseringsinspanningen via speciaal aangepaste EU-instrumenten. Betere mechanismen instellen en implementeren voor de monitoring van de ontwikkelingsdoelstellingen binnen het proces van de Europese partnerschapsovereenkomsten.

33. Een ambitieus resultaat van de onderhandelingen over de Europese partnerschapsovereenkomsten nastreven, met als doel een aanmerkelijke verbetering van de toegang voor ACS-producten tot de EU-markten. Met het oog op de liberaliseringsinspanningen die de Afrikaanse landen moeten leveren, de doelstellingen asymmetrie en flexibiliteit ondersteunen, met name wat betreft de overgangsperioden en vrijwaringsmaatregelen, conform de ontwikkelingsbehoeften en de WTO-vereisten. Afrikaanse landen helpen te voldoen aan de voorschriften en normen en de niet-tarifaire handelsbelemmeringen te verminderen. Streven naar vereenvoudiging van de oorsprongregels en deze ontwikkelingsvriendelijk maken.

34. Doorgaan met de uitvoering van het initiatief "Alles-behalve-wapens" en de minst ontwikkelde Afrikaanse landen helpen om hier voordeel uit te halen. In het kader van de Doha-onderhandelingen of meer in het algemeen, andere ontwikkelde landen en belangrijke ontwikkelingslanden aanmoedigen om dit voorbeeld te volgen.

Milieu

35. Duurzame ontwikkeling stimuleren door milieuprioriteiten op te nemen in ontwikkelingsstrategieën, teneinde internationaal overeengekomen doelstellingen en streefcijfers inzake milieuduurzaamheid te bereiken. Speciale aandacht besteden aan geïntegreerd beheer van de watervoorraden (onder meer door uitvoering van het actieplan van Johannesburg, het EU-waterinitiatief en de ACS-EG waterfaciliteit en steun voor het Afrikaanse netwerk van organisaties van waterbassins), energie voor duurzame ontwikkeling en de ACS-EG energiefaciliteit, bosbeheer en ontbossing, bescherming en ontwikkeling van de visserij, behoud van biodiversiteit, goed beheer van chemische stoffen en rampenparaatheid.

36. De effecten van klimaatverandering tegengaan, onder meer door de Afrikaanse inspanningen voor de uitvoering van de desbetreffende VN-overeenkomsten te ondersteunen overeenkomstig het EU-actieplan inzake klimaatverandering en ontwikkeling. Woestijnvorming en bodemaantasting bestrijden door de bevordering van het gebruik van nationale actieplannen, waaronder lokale capaciteitsopbouw, in het kader van het VN-verdrag ter bestrijding van woestijnvorming.

Ontwikkelingshulp

37. Via de bestaande mechanismen toezicht houden op de uitvoering van de ontwikkelingshulpdoelstellingen die de Raad in mei 2000 overeengekomen is, waaronder specifieke toezeggingen voor Afrika, en overeengekomen initiatieven voor schuldverlichting.

38. Rekening houden met het evolutieve ontwikkelingsbeleid van de EU.

39. Zorgen voor de spoedige uitvoering voor Afrika van de aanbevelingen van de EU-Groep harmonisatie en de toezeggingen van Parijs. Het EU-optreden in Afrika meer harmoniseren en transparanter maken op basis van eigen inbreng en afstemming. De EU-hulp resultaatgericht maken, de beginselen van complementariteit en wederzijdse verantwoording ondersteunen, de vereenvoudiging van regels en procedures bespoedigen, en waar mogelijk en passend gemeenschappelijke EU-regelingen treffen.

40. Zorgen voor effectievere en voorspelbare financiële steun van de EU aan Afrika, onder meer door zo spoedig mogelijk een akkoord over het vervolg van het 9e EOF te bereiken, op basis van de toezeggingen die gedaan zijn tijdens de gezamenlijke ACS-EG-Raad van februari 2005. In de toekomstige EG-begrotingen voldoende middelen voor Noord-Afrika uittrekken.

41. Ervoor zorgen dat de EU-bijstand rekening houdt met onder meer de specifieke behoeften van kwetsbare staten en staten die net een conflict achter de rug hebben.

42. Nota nemen van de plannen van enkele lidstaten, in het kader van de Millenniumevaluatietop, om innovatieve financieringsmechanismen te ontwikkelen en te implementeren, waaronder de toepassing van een heffing op vliegtuigtickets om de financiering van ontwikkelingsprojecten mogelijk te maken, in het bijzonder in de gezondheidssector.

Investeren in mensen

43. De nationale onderwijsstelsels versterken, onder meer door bij te dragen tot het Fast Track Initiative inzake onderwijs om ervoor te zorgen dat zowel meisjes als jongens toegang hebben tot gratis verplicht basisonderwijs van goede kwaliteit. Steun aan onderwijs als levenslang leerproces.

44. De ontwikkeling van Europees-Afrikaanse netwerken van universiteiten en kenniscentra bevorderen, in samenwerking met de vlaggenschipprogramma's van de AU inzake hoger onderwijs, wetenschap en technologie, waaronder steun aan het Nyerere-programma voor studenten in heel Afrika.

45. De gezondheidsstelsels in Afrika versterken, onder meer door de tekorten aan personeel in de gezondheidssector aan te pakken, om er mede voor te zorgen dat alle Afrikanen toegang hebben tot basisgezondheidszorg die gratis is of betaalbaar voor de armen.

46. Blijven bijdragen aan het mondiaal fonds ter bestrijding van AIDS, tuberculose en malaria (GFATM), en daarbij het aandeel van de EU in de mondiale bijdragen en haar leidende rol inzake overdraagbare ziektes handhaven. De verspreiding van met insecticide behandelde klamboes en daarmee verband houdende voorzieningen blijven ondersteunen. Onderzoek en ontwikkeling van vaccins aanmoedigen en zorgen voor een bredere immunisering en voor de ontwikkeling van microbiciden en medicijnen voor HIV/AIDS, malaria, tuberculose en andere overdraagbare ziekten voor 2010. De landen ondersteunen om de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten te verbeteren, onder meer door iedereen vóór 2010 toegang te geven tot behandeling en verzorging voor HIV/AIDS, conform de agenda van Caïro van de Internationale Bevolkings- en Ontwikkelingsconferentie (ICPD). HIV/AIDS beschouwen als een probleem dat in alle beleidssectoren moet worden opgenomen.

47. Door de landen georganiseerde en door humanitaire programma's gefinancierde vangnetten voor bevolkingsgroepen met chronische voedseltekorten versterken en een effectief voedselveiligheidsbeleid ondersteunen. In het bijzonder trachten kwetsbare staten en staten die net een conflict achter de rug hebben hierbij te betrekken. In dit verband zou moeten worden nagedacht over een multilaterale aanpak onder leiding van de VN.

48. De genderproblematiek in alle beleidsinitiatieven voor Afrika integreren, en oog hebben voor de belangrijke rol van vrouwen bij de economische groei en ontwikkeling, voor het belang van gendergelijkheid in het onderwijs en voor het feit dat vrouwen onevenredig getroffen worden door conflicten (zie punt 14 hierboven), door armoedegerelateerde ziekten en door het gebrek aan gezondheidszorg voor moeders.

49. De rechten van kinderen en van andere kwetsbare groepen in de samenleving, waaronder mensen met een handicap, bevorderen overeenkomstig de desbetreffende VN-overeenkomsten.

50. Versterking van het vermogen van de EU om te reageren op rampen via ECHO en via ononderbroken bilaterale kanalen, met inachtneming van de centrale coördinerende rol van de VN. EU-steun aan het Centraal Revolverend Noodhulpfonds van de VN overwegen.

Migratie

51. Overeenstemming bereiken over benaderingen van migratie om de voordelen van migratie voor alle partners te optimaliseren in een geest van partnerschap, onder meer door:

  • een evenwichtige dialoog aan te gaan over de brede migratieproblematiek, in partnerschap met de Afrikaanse Unie, regionale organisaties en Afrikaanse staten;
  • capaciteit op te bouwen voor een betere migratiebeheersing, onder meer door het verlenen van technische en financiële bijstand;
  • de dieperliggende oorzaken van migratie, zoals armoede en onveiligheid, aan te pakken;
  • de koppeling aan ontwikkeling en gezamenlijke ontwikkeling te stimuleren om transfers door geldtransactiekantoren veiliger, gemakkelijker en goedkoper te maken teneinde hun ontwikkelingseffect te vergroten, de rol van de diaspora als ontwikkelingsfactor in het thuisland te vergemakkelijken, het belang te erkennen van vroegtijdige integratiebevorderende maatregelen, de mogelijkheden voor tijdelijke of circulaire migratie te bezien, ook binnen Afrika, en het effect van competentieverlies in kwetsbare sectoren te lenigen;
  • mensensmokkel, mensenhandel en illegale immigratie te bestrijden, onder meer door de hand te houden aan de overnameverplichtingen overeenkomstig onder meer artikel 13 van de Overeenkomst van Cotonou.

Overeenkomen ontheemden en vluchtelingen beter te beschermen en meer toegang te geven tot duurzame oplossingen, overeenkomstig de desbetreffende internationale instrumenten.

De EU zal de samenwerking op dit gebied via haar beleid bevorderen, en aldus tot uiting brengen dat deze problematiek voor de EU en haar lidstaten van cruciaal belang is.

Vervolgstappen

52. Ons engagement voor steun aan duurzame ontwikkeling in Afrika is langlopend en alomvattend. De Raad ziet uit naar de aanneming van een geïntegreerde EU-strategie voor Afrika tijdens de Europese Raad van december, met inachtneming van de bijdragen van de Commissie en de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger. De Raad zal voortbouwen op de bestaande mechanismen om, in overleg met de Afrikaanse partners, de voortgang bij de EU-strategie te monitoren en te toetsen. De dialoog EU-Afrika moet worden verbreed en geïntensiveerd. In dit verband moet het houden van een tweede top EU-Afrika voor de EU een prioriteit blijven. De Commissie en de SG/HV wordt verzocht te rapporteren over de voortgang binnen hun bevoegdheidsgebied, met een beoordeling aan de hand van overeengekomen voortgangsindicatoren die in overeenstemming zijn met de internationale maatregelen voor Afrika, waarbij de bijdrage van de EU-missiehoofden op dit gebied met instemming wordt begroet. Zij moeten ook een input verstrekken voor de jaarlijkse rapportagemechanismen van de EU en het oriënterend debat. De Raad geeft het Comité van permanente vertegenwoordigers opdracht de algehele vooruitgang regelmatig te peilen."

HERZIENING VAN HET KADER VOOR HET EU-ONTWIKKELINGSBELEID

De Raad bereikte, in overeenstemming met de Commissie, een consensus over een ontwerp-verklaring getiteld "de Europese consensus inzake ontwikkeling", die erop gericht is het kader van het EU-ontwikkelingsbeleid aan te passen (14820/05). Hij sprak de hoop uit dat het Europees Parlement zich zou kunnen aansluiten bij deze gemeenschappelijke verklaring.

Het kader voor het EU-ontwikkelingsbeleid wordt geboden door het EG-Verdrag en de "ontwikkelingsbeleidsverklaring" waarin de kern van het beleid is geformuleerd en de basisbeginselen worden vastgesteld die ten grondslag liggen aan de communautaire aanpak van ontwikkelingssamenwerking. De herziene verklaring is bedoeld om rekening te houden met veranderingen die zich zowel in de EU als op internationaal niveau sinds de aanneming ervan in november 2000 hebben voorgedaan.

De nieuwe gemeenschappelijke verklaring is tweeledig opgevat:

  • in het eerste deel, "de EU-visie op ontwikkeling", worden de doelstellingen, beginselen en methoden uiteengezet aan de hand waarvan de EU op communautair en nationaal niveau het ontwikkelingsbeleid uitvoert;
  • in het tweede deel, "het ontwikkelingsbeleid van de Europese Gemeenschap", worden richtsnoeren gegeven voor de uitvoering op communautair niveau.

EFFECTIVITEIT VAN HET EXTERNE OPTREDEN VAN DE EU - Conclusies van de Raad

De Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, hebben op basis van een discussienota van het voorzitterschap hun zesde jaarlijkse debat over de verbetering van de effectiviteit van het externe optreden van de EU gehouden. Zij namen de volgende conclusies aan:

"1. De Raad onderkent dat de transactiekosten voor het ontvangen van hulp voor de partnerlanden te hoog zijn, en nog zullen stijgen naarmate nieuwe hulp op gang komt, tenzij de donoren meer aandacht besteden aan de kwaliteit van de hulp en de aard van het partnerschap;

2. De Raad bevestigt dat de EU, in haar hoedanigheid van wereldleider in de verstrekking van ontwikkelingshulp, met de ambitie een positieve bijdrage aan de uitbanning van armoede en de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen te leveren, volledig toegerust moet zijn om snel groeiende ontwikkelingshulpvolumes te verstrekken op een wijze die goede praktijken ondersteunt en de door de regeringen van onze partnerlanden opgezette processen en systemen krachtiger maakt.

3. In dat verband bevestigt de Raad andermaal zijn voornemen om de toezeggingen die in november 2004 in de RAZEB, in maart 2005 tijdens het High Level Forum van Parijs van de DAC over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp en opnieuw in september 2005 tijdens de Millenniumevaluatietop zijn gedaan, in concrete actie te vertalen door de betrokken partnerlanden meer invloed op het ontwikkelingsproces te geven en haar ondersteuning op de ontwikkelingsstrategieën en de instellingen en procedures van de partnerlanden toe te snijden; door te ijveren voor meer geharmoniseerde, transparante en collectieve EU-acties; door resultaatgerichtheid en een wederzijdse verantwoordingsplicht; en door een meer gedecentraliseerde verstrekking van de hulp te bevorderen.

De Europese ontwikkelingshulp effectiever maken

4. De Raad erkent de noodzaak van monitoring van de vorderingen met betrekking tot de recentelijk gedane toezeggingen inzake de verbetering van de effectiviteit van de Europese ontwikkelingshulp. Daarom roept de Raad de Commissie en de lidstaten op, zich ervoor in te zetten dat begin 2006 een systeem beschikbaar is voor monitoring door de DAC van de vorderingen ten opzichte van de indicatoren van de Verklaring van Parijs. De Raad dient ook de aanvullende toezeggingen die de EU in de RAZEB van november 2004 en in Parijs heeft gedaan, te monitoren en de vorderingen te evalueren in het kader van de jaarlijkse toetsing van de Monterrey-doelstellingen die in april 2006 begint, en in het jaarverslag over het externe optreden van de Gemeenschap.

5. De Raad steunt de opvatting dat de lidstaten en de Commissie vaker moeten deelnemen in een gezamenlijke meerjarenprogrammering, gebaseerd op de ontwikkelingsstrategieën van de partnerlanden, en bij voorkeur aangestuurd door het partnerland, als een essentieel gegeven voor de bevordering van een effectievere ontwikkelingshulp. Dit zou geleidelijk, zodra de nationale context zich hiervoor leent, voor alle Europese officiële ontwikkelingshulp moeten gaan gelden. Gezamenlijke meerjarenprogrammering zal de weg effenen voor beleidscoördinatie, harmonisatie van procedures en mogelijkheden en besluiten met betrekking tot complementariteit. Hierbij dient de EU de zeggenschap en de leidende rol van de partnerlanden in een meerjarenprogrammering waarbij alle donoren zijn betrokken, te eerbiedigen. Afstemming op de meerjarenprogrammeringscycli van de partnerlanden (strategieën voor armoedebestrijding en budgetteringsprocessen) vergroot de mogelijkheden om de meerjarenprogrammeringsprocedures van de lidstaten en de Commissie te synchroniseren. In dit verband wordt aanbevolen dat de lidstaten en de Commissie hun eigen procedures flexibiliseren. De Raad verzoekt de Commissie om voor februari 2006 een voorstel in te dienen voor een geactualiseerd gemeenschappelijk kader voor landenstrategiedocumenten, opdat de Raad dit in het voorjaar van 2006 kan bespreken. De Raad ziet uit naar de volgende generatie landenstrategieën van de Gemeenschap, die steeds meer gebaseerd zullen zijn op het herziene gemeenschappelijk kader voor landenstrategiedocumenten.

6. De Raad wil elkaar wederzijds ondersteunende acties van EU-donoren en andere donoren ter plaatse bevorderen, om doublures te voorkomen, een meer gerichte hulp te waarborgen, de transactiekosten te verlagen en een optimaal effect te bewerkstelligen. In dit verband kunnen de mogelijkheden van regelingen inzake gedelegeerde samenwerking en hoofddonoren worden onderzocht. Ter ondersteuning van zulke acties zullen, waar dat haalbaar en geschikt is, EU-routekaarten worden opgesteld ter ondersteuning van de nationale harmonisatieplannen.

7. De Raad wijst op de behoefte aan betere kwaliteits-, resultaat- en effectindicatoren voor het meten van de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen. In dit verband verheugt de Raad zich over het beoordelingskader van de Commissie, gebaseerd op 10 indicatoren voor de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen, en hij spoort ertoe aan dit kader te gebruiken bij de programmering van de komende landenstrategieën van de Gemeenschap.

Bevordering van een doelmatiger toewijzing van de middelen

8. Aangezien de Gemeenschap de derde verstrekker van officiële ontwikkelingshulp ter wereld is, verzoekt de Raad de Commissie haar uiterste best te doen om de partners te helpen de millenniumdoelstellingen te verwezenlijken, onder meer door haar steun voor lage-inkomenslanden te verhogen, zoals bepaald in de Verklaring over het ontwikkelingsbeleid voor 2005[2];

9. De Raad bevestigt andermaal het belang van de toepassing van objectieve en transparante standaardcriteria voor de toewijzing van de middelen, gebaseerd op behoeften en prestaties, binnen de totale geografische en thematische toewijzingen van de communautaire buitenlandse hulp. Er moet rekening worden gehouden met de bijzondere moeilijkheden waarmee landen in crisis of in een conflictsituatie te kampen hebben, evenals met de specifieke aard van de verschillende programma's. De Raad verzoekt de Commissie de lidstaten zo vroeg mogelijk in 2006 deelgenoot te maken van haar criteria voor de toewijzing van middelen aan landen, en wijst erop hoe belangrijk het is die criteria toe te passen vanaf het begin van de door de volgende financiële vooruitzichten bestreken periode.

10. De Raad onderkent de behoefte van de partnerlanden aan een voorspelbare ontwikkelingsfinanciering voor de langere termijn; derhalve spoort hij de Commissie aan om voor april 2006 met gedetailleerde voorstellen te komen voor een nieuw mechanisme voor flexibele en geharmoniseerde langetermijnbegrotingssteun, gericht op de best presterende arme landen;

11. De Raad erkent dat de voorspelbaarheid van de hulp verbeterd moet worden, en roept zowel de lidstaten als de Commissie op, zich daarvoor meer in te spannen. De Raad verzoekt de lidstaten en de Commissie om, telkens wanneer dat mogelijk is, indicatieve prognoses bekend te maken van de hulp per type (volgens de DAC-criteria) en per land voor de volgende drie jaar, en zo mogelijk ook voor een langere periode.

Bevordering van een efficiënter beheer van de communautaire ontwikkelingshulp

12. De Raad is ingenomen met de hervormingen op het gebied van het externe optreden van de Gemeenschap sedert 2000, en is van mening dat de genomen maatregelen een positieve uitwerking op de effectiviteit van de communautaire ontwikkelingshulp hebben gehad. De Raad is ook ingenomen met de beoordeling van de herziening van alle communautaire strategieën, en hij is het erover eens dat het programmeringskader, en de mechanismen die zijn ingesteld om strategieën te ontwikkelen, de gerichtheid en de coherentie van de communautaire ontwikkelingshulp hebben verbeterd. De Raad verzoekt de Commissie de Raad jaarlijks op de hoogte te brengen van het verdere effect van haar hervormingsinspanningen;

13. De Raad beklemtoont het belang van een aanpak per land in de ontwikkelingshulp, waarbij de besluiten dicht bij de begunstigden en in partnerschap met de belanghebbenden worden genomen. De Raad juicht de overdracht van het beheer van de steun aan de delegaties van de Commissie derhalve toe, en beschouwt dit als een cruciale stap op weg naar een effectievere en beter op de behoeften inspelende communautaire ontwikkelingshulp. De Raad verzoekt de Commissie het personeelsbestand en het competentiegamma van haar delegaties verder uit te breiden, zonder de competentiebasis in haar hoofdzetel te versmallen, en om te onderzoeken hoe de financiële bevoegdheden van de delegaties kunnen worden vergroot om zo hun positie in de contacten met de regeringen van de partnerlanden en met donoren te versterken.

14. De Raad merkt op dat de communautaire hulpverlening nog steeds wordt belemmerd door gecompliceerde voorschriften en procedures. Derhalve verzoekt de Raad de Commissie haar systemen en voorschriften, met inbegrip van haar financiële reglementen, verder te rationaliseren en te stroomlijnen, teneinde haar rol in medefinanciering, gezamenlijke donoracties en nationale harmonisatie-inspanningen te vergemakkelijken, de kwaliteit van haar acties verder te bevorderen, en haar te helpen hulp te verstrekken overeenkomstig de beste praktijken, onder meer ook via begrotingssteun, in het kader van de volgende financiële vooruitzichten;

15. De Raad verheugt zich over de gestage verbetering van de financiële prestaties sedert 2000, en verzoekt de Commissie streefcijfers vast te stellen om haar oude nog betaalbaar te stellen bedragen (RAL of "reste à liquider") en slapende vastleggingen zoveel mogelijk weg te werken en het tempo van de uitvoering in alle regio's verder op te voeren.

16. De Raad wijst op het belang van concentratie van de communautaire ontwikkelingshulp in de partnerlanden om het effect ervan de optimaliseren en een zo efficiënt mogelijk gebruik van de middelen te bevorderen. De Raad verzoekt de Commissie om bij de programmering van de volgende generatie landenstrategieprogramma's dit beginsel nauwgezet in acht te nemen.

17. De Raad verheugt zich over de toezegging van de Commissie om haar hervormingsinspanningen verder te zullen intensiveren, met bijzondere aandacht voor het effect, de kwaliteit en meer overdracht van taken, voortbouwend op de verworvenheden van het hervormingsprogramma van 2000, met als doel de Commissie te voorzien van de juiste instrumenten om een effectievere ontwikkelingshulp van betere kwaliteit te verstrekken. De Raad verzoekt de Commissie hem op de hoogte te houden van de vorderingen die zij bij de intensivering van haar hervormingsinspanningen maakt.

Versterking van de rol van de EU in middeninkomenslanden

18. De Raad erkent de noodzaak om de meest effectieve hulpmix aan de partnerlanden te bieden op basis van de specifieke omstandigheden van elk land. Derhalve verzoekt de Raad de Commissie en de Europese Investeringsbank om voorstellen op te stellen voor een meer samenhangende inzet van leningen en voor externe schenkingen bedoelde middelen van de Gemeenschap, met inbegrip van een grotere rol voor leningen indien daarvoor de juiste economische en politieke omstandigheden aanwezig zijn, alsook passende maatregelen te ontwikkelen om het opzetten van projecten voor financiering via leningen te stimuleren, en deze denkbeelden in 2006 voor te leggen aan de Raad;

19. De Raad verzoekt de Commissie haar doeleinden en rol in het gebruik van officiële ontwikkelingshulp voor middeninkomenslanden duidelijk te formuleren, en daarbij een onderscheid te maken tussen lagere middeninkomenslanden en hogere middeninkomenslanden, met vermelding van: bijzondere voordelen van haar optreden in de verschillende omstandigheden; het geheel van haar doelstellingen, beleidsmaatregelen en benaderingen en het effect ervan, onder meer op armoede en ongelijkheid; de manier waarop zij de toezeggingen van Parijs inzake de effectiviteit van ontwikkelingshulp nakomt; de criteria volgens welke zij haar middelen toewijst en het aandeel van haar ontwikkelingshulp dat specifiek gericht is op de bestrijding van armoede en ongelijkheid."

HULP VOOR HANDEL

De Raad hield een oriënterend debat over een pakket "hulp voor handel"-maatregelen dat door het voorzitterschap is voorgesteld met het oog op de versterking van de uitvoercapaciteit van ontwikkelingslanden, alsmede van de handelsgerelateerde hulp van de EU en de internationale gemeenschap (14617/05).

Het initiatief is bedoeld om de ontwikkelingslanden te helpen profijt te trekken van maatregelen die in het kader van de WTO-ontwikkelingsagenda van Doha moeten worden voorgelegd aan de ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie van 13 tot en met 18 december in Hong Kong.

De Raad was ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat zij de hulp voor handel jaarlijks met 1 miljard euro wil verhogen, en hij steunde de aanneming van een ambitieuze strategie om de middelen voor de ontwikkeling van de handel te verhogen.

Hij verzocht het Comité van permanente vertegenwoordigers om de werkzaamheden voort te zetten, zodat de Raad tijdens de zitting op 12 december conclusies over de hulp voor handel kan aannemen.

DIVERSEN

  • ASEM: Ontmoetingen Azië-Europa

De Raad besprak in het kort het vraagstuk van de ASEM-ontmoetingen die in 2006 in Europa moeten worden gehouden. Het onderwerp zal grondiger worden besproken op werkniveau.

  • Bulgaarse verpleegsters in Libië

De Bulgaarse minister lichtte zijn collega's in over de meest recente ontwikkelingen betreffende het Bulgaarse medische personeel dat wordt vastgehouden in Libië.

  • Aardbeving in Pakistan

De Raad nam nota van opmerkingen van de Deense minister over de hulpverlening aan de slachtoffers van de recente aardbeving in Pakistan. Hij hield een korte gedachtewisseling.

  • Ethiopië en Eritrea

De Nederlandse minister lichtte zijn collega's in over de recente escalatie van de spanningen tussen Ethiopië en Eritrea.

IN DE MARGE VAN DE RAADSZITTING

In de marge van de Raad vonden de volgende bijeenkomsten plaats:

  • Conferentie over de verbetering van de civiele vermogens (zie verklaring in doc. 14713/05);
  • Bestuur van het Europees Defensieagentschap (zie de persmededeling van het EDA-bestuur van 21 november);
  • Trojka van de ministers van Defensie met Turkije, IJsland, Kroatië en Noorwegen;
  • Raad EU-Europese Economische Ruimte (zie conclusies in doc. 14739/05);
  • Ministeriële vergadering inzake de Noordelijke dimensie (zie persmededeling 14701/05);
  • Associatieraad EU-Jordanië;
  • Associatieraad EU-Marokko;

ANDERE GOEDGEKEURDE PUNTEN

Zie persmededeling "Algemene Zaken: 14172/05 (Presse 289).


[1] Over alle mogelijke nieuwe toewijzingen van EG-middelen voor 2007 wordt nog gedebatteerd in het kader van de besprekingen over de financiële vooruitzichten, onverminderd de financierings- en uitvoeringsbesluiten.

[2] Zie doc. 14820/05 DEVGEN 229 RELEX 678 ACP 155.


Side Bar