Navigation path

Left navigation

Additional tools

Europese Commissie - Informatieblad

EU-begroting: het gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2020

Brussel, 1 juni 2018

De Europese Commissie heeft vandaag voorstellen gedaan voor verordeningen die het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) moeten moderniseren en vereenvoudigen.

Het gaat om een verordening betreffende strategische plannen voor het GLB (een nieuwe aanpak voor rechtstreekse betalingen aan boeren, steun voor plattelandsontwikkeling en sectorale steunprogramma's), een verordening betreffende de integrale gemeenschappelijke marktordening (GMO) en een horizontale verordening inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het GLB. Deze voorstellen geven gestalte aan de ideeën voor de toekomst van het GLB, zoals uiteengezet in de Mededeling over de toekomst van voedsel en landbouw, door de Commissie ingediend in november 2017.

Waarom het gemeenschappelijk landbouwbeleid hervormen?

Het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) bestaat sinds 1962 en heeft altijd voldaan aan zijn oorspronkelijke doelstelling om het inkomen van de boeren te ondersteunen en om te zorgen voor veilig en betaalbaar voedsel van goede kwaliteit voor de Europese burger. Doordat het GLB steeds is aangepast, is het nog steeds relevant. De wereld staat niet stil, en ook de uitdagingen waarvoor de boeren en de samenleving als geheel staan, komen steeds sneller op ons af. Klimaatverandering, fluctuerende prijzen, politieke en economische onzekerheid, de trek naar de stad en het toenemende belang van de wereldhandel: boeren passen zich voortdurend aan de veranderende omstandigheden aan en het is aan de wetgevers om hen door deze veranderingen te loodsen met steun op de middellange en lange termijn gebaseerd op duidelijke en eenvoudige regels.

Het GLB neemt het voortouw in de transitie naar een duurzamere landbouw. Het moet de sector weerbaarder maken en het inkomen van boeren en de levensvatbaarheid van de landbouw ondersteunen. Het moet ervoor zorgen dat de landbouw ten volle zijn rol kan spelen met betrekking tot het milieu en klimaatverandering en het moet goed inspelen op digitale innovaties die de dagelijkse werkzaamheden van boeren vergemakkelijken, administratieve rompslomp verminderen en de broodnodige generatievernieuwing in de sector kunnen bevorderen. Meer dan de helft van de EU-bevolking woont in plattelandsgebieden en er zijn inspanningen nodig om deze gebieden aantrekkelijk en leefbaar te houden, onder andere met groei en banen, maar ook met infrastructuur, mobiliteit en basisdiensten. De landbouw in de EU draagt bij tot de economische dynamiek en het sociaal-cultureel leven in plattelandsgebieden. Het GLB doet hetzelfde door in heel Europa duurzame landbouw te blijven ondersteunen en te blijven investeren in de ontwikkeling van plattelandsgebieden en -gemeenschappen.

De vandaag ingediende wetgevingsvoorstellen gaan over de invoering van een vereenvoudigd en gemoderniseerd beleid dat beter tegemoet komt aan de deze uitdagingen en doelstellingen.

Welk budget is beschikbaar voor het GLB 2021-2027?

Het voorstel van de Commissie voor het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027 omvat voor het GLB 365 miljard euro (in lopende prijzen). Dit is gemiddeld 28,5% van de totale begroting van de EU in de periode 2021-2027. Van het GLB-budget is 265,2 miljard euro bestemd voor rechtstreekse betalingen, 20 miljard euro voor maatregelen ter ondersteuning van de markt (ELGF) en 78,8 miljard euro voor plattelandsontwikkeling (ELFPO).

Daar bovenop komt nog eens 10 miljard euro van het EU-onderzoeksprogramma Horizon Europa, voor specifiek onderzoek op het gebied van voeding, landbouw, plattelandsontwikkeling en de bio-economie.

Wat zijn de doelstellingen van het toekomstige GLB 2021-2027?

Het toekomstige GLB zal gericht zijn op negen algemene doelstellingen die aansluiten bij het economische, ecologische en sociale belang van dit beleid:

  1. bijdragen aan een leefbaar landbouwbedrijfsinkomen en aan veerkracht in de hele EU (ter ondersteuning van de voedselzekerheid);
  2. vergroten van de marktgerichtheid en van het concurrentievermogen, onder meer door sterker te focussen op onderzoek, technologie en digitalisering;
  3. verbeteren van de positie van boeren in de waardeketen;
  4. bijdragen tot matiging van en aanpassing aan klimaatverandering en tot duurzame energie;
  5. bevorderen van duurzame ontwikkeling en efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen, zoals water, bodem en lucht;
  6. bijdragen tot de bescherming van de biodiversiteit, versterken van ecosysteemdiensten en in stand houden van habitats en landschappen;
  7. aantrekken van jonge boeren en vergemakkelijken van bedrijfsontwikkeling in plattelandsgebieden;
  8. bevorderen van de werkgelegenheid, groei, sociale inclusie en lokale ontwikkeling in plattelandsgebieden, met inbegrip van bio-economie en duurzame bosbouw;
  9. beter inspelen op de maatschappelijke vraag op het gebied van voedsel en gezondheid, waaronder veilig, volwaardig en duurzaam voedsel, en op het gebied van dierenwelzijn.

Het bevorderen van kennis, innovatie en digitalisering in de landbouw en in plattelandsgebieden is een horizontale doelstelling.

Hoe kunnen deze doelstellingen worden bereikt?

Het toekomstige GLB zal meer opleveren voor de burger en tegelijkertijd de manier waarop het beleid werkt aanzienlijk vereenvoudigen en moderniseren, zowel voor de boeren als voor de lidstaten. De nadruk zal niet zozeer op regels en naleving komen te liggen, maar eerder op vooruitgang en concrete resultaten. De overgang van een "one size fits all"-benadering naar een aanpak op maat betekent dat het beleid dichter bij degenen die het praktisch uitvoeren komt te liggen. Deze aanpak geeft de lidstaten meer vrijheid om te beslissen wat de beste manier is om de gemeenschappelijke doelstellingen te bereiken en tegelijkertijd in te spelen op de specifieke behoeften van boeren, plattelandsgemeenschappen en de maatschappij in het algemeen.

Op EU-niveau zal de nadruk liggen op:

  • het vaststellen van gemeenschappelijke doelstellingen;
  • het vaststellen van noodzakelijke interventies en een gemeenschappelijke reeks instrumenten die door de lidstaten kunnen worden ingezet om de gemeenschappelijke doelstellingen te verwezenlijken;
  • het in stand houden van de interne markt en een gelijk speelveld voor alle boeren in de hele Unie;
  • zorgen voor waarborgen die garanderen dat het beleid doet wat het moet doen;
  • het bepalen van indicatoren om de voortgang te beoordelen.

De lidstaten kunnen de instrumenten aanpassen aan hun eigen specifieke behoeften. Zij moeten in een alomvattend strategisch plan voor het GLB beschrijven hoe zij van plan zijn dit te doen.

In zo'n strategisch GLB-plan beschrijft elke lidstaat hoe het aan de algemene doelstellingen van het GLB wil voldoen, met inachtneming van de eigen specifieke behoeften. Elke lidstaat bepaalt zijn strategie en legt uit hoe acties in het kader van de beide pijlers zullen bijdragen tot het bereiken van deze doelstellingen. In het plan worden ook de streefdoelen voor het bereiken van die doelstellingen vastgesteld; de vooruitgang bij het bereiken van die streefdoelen wordt beoordeeld door de lidstaat en gecontroleerd door de Europese Commissie in een nieuwe jaarlijkse monitoring- en evaluatieronde.

Elk afzonderlijk strategisch GLB-plan moet voorafgaande goedkeuring van de Europese Commissie krijgen om ervoor te zorgen dat het in overeenstemming is met de EU-wijde doelstellingen, de gemeenschappelijk aard van het beleid respecteert, de interne markt niet verstoort en niet leidt tot buitensporige lasten voor begunstigden of overheden.

Hoe worden de resultaten beoordeeld?

Op EU-niveau wordt een gemeenschappelijke reeks resultaatindicatoren overeengekomen om te zorgen voor een gelijk speelveld voor boeren in alle lidstaten.

Elk jaar zullen de landen een verslag indienen bij de Commissie om aan te tonen welke vooruitgang zij hebben geboekt op basis van deze specifieke resultaatindicatoren. De Commissie beoordeelt de verslagen en kan zo nodig aanbevelingen doen met het oog op betere prestaties.

Er zal ook een nieuw systeem van mogelijke sancties en beloningen worden ingevoerd om ervoor te zorgen dat de lidstaten vooruitgang boeken. Zo kunnen lidstaten die voldoen aan hun doelstellingen op het gebied van klimaat, milieu en biodiversiteit aan het einde van de MFK-periode een beloning krijgen van maximaal 5% van hun toewijzing voor plattelandsontwikkeling. Maar wanneer uit het jaarlijkse voortgangsverslag blijkt dat er onvoldoende vooruitgang wordt geboekt, zal de Commissie in staat zijn om in te grijpen om ervoor te zorgen dat de financiering beter op resultaten wordt gericht. Dit kan bijvoorbeeld met een specifiek actieplan dat het nationale programma weer op schema brengt, door de opschorting van de betalingen en/of door herprogrammering, afhankelijk van de aard van de tegenvallende prestaties.

Hoe maakt dit het makkelijker voor boeren en nationale overheden? En hoe zorgt dit ervoor dat het GLB gemoderniseerd wordt?

Boeren weten beter dan wie ook welke hulp zij nodig hebben om hun prestaties te verbeteren. Met de nieuwe strategische GLB-plannen kunnen de lidstaten samenwerken met boeren om te bepalen wat er op nationaal en regionaal niveau moet worden gedaan om de overeengekomen EU-doelstellingen te bereiken, met meer flexibiliteit bij de keuze van de meest passende maatregelen om resultaten te bereiken. De brede maatregelen die op EU-niveau zijn overeengekomen worden ook gestroomlijnd; zo omvat het GLB acht grote actieterreinen voor plattelandsontwikkeling (milieu en klimaat; jonge boeren; instrumenten voor risicobeheer; kennis en informatie, enz.) in plaats van de huidige 69 maatregelen en submaatregelen. Zo krijgen de lidstaten meer eigen verantwoordelijkheid over de wijze waarop zij het best kunnen voldoen aan de algemene doelstellingen. Dit is eenvoudiger en doeltreffender dan een al te rigide "one size fits all"-benadering.

De Commissie zal er ook voor zorgen dat governancesystemen in alle lidstaten doeltreffend werken, waardoor zij zelf kunnen beslissen of voorstellen in aanmerking komen voor EU-steun, in plaats van de subsidiabiliteitsvoorwaarden van elke afzonderlijke projectbegunstigde te controleren, zoals nu het geval is.

Het nieuwe GLB zal het gebruik van nieuwe technologieën door zowel boeren als nationale overheidsdiensten aanmoedigen, om hun werk eenvoudiger te maken. Zo zal er een nieuw monitoringsysteem worden ontwikkeld, waarmee landbouwactiviteiten het hele jaar door voortdurend op afstand kunnen worden geobserveerd. Dit vervangt de traditionele controles ter plaatse, die veel tijdrovender zijn. Ook het gebruik van andere digitale instrumenten wordt gestimuleerd, zoals de zogenaamde geospatiale aanvraag (GSA), die gebruik maakt van satelliettechnologie en waarmee boeren nauwkeurige gegevens over hun land krijgen. Daardoor maken ze minder fouten in hun verklaringen en voorkomen zij sancties. Verder zullen de lidstaten het aanvraagformulier voor directe steun al zo veel en betrouwbaar mogelijk vooraf invullen, bijvoorbeeld met gegevens uit het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen, wat de boeren ook veel tijd bespaart.

Het nieuwe GLB verplicht lidstaten ertoe om boeren een systeem van landbouwadviesdiensten te bieden, dat hen kan adviseren over allerlei kwesties die in de verordening zelf aan de orde komen. Het gaat bijvoorbeeld om advies over: alle eisen en voorwaarden op landbouwbedrijfsniveau die voortvloeien uit het strategisch GLB-plan van elk land; hoe landbouwbedrijven de milieuwetgeving op het gebied van water, pesticiden, schone lucht, enz. kunnen naleven; risicobeheer; toegang tot innovatie en technologie. Deze adviesdiensten worden volledig geïntegreerd in de landbouwkennis en -innovatiesystemen (AKIS) van de lidstaten, waar ook onderzoekers, organisaties van boeren en andere belanghebbenden bij betrokken zijn

Krijgen alle boeren in hele EU dezelfde behandeling?

Het nieuwe GLB-kader voorziet in een verdere convergentie van de rechtstreekse betalingen tussen de lidstaten door het verschil tussen het EU-subsidieniveau per hectare en 90% van het EU-gemiddelde te halveren. Daarmee maakt de Commissie haar belofte om de rechtstreekse betalingen eerlijker te verdelen, al gedeeltelijk waar.

Hoe wordt er gezorgd voor een eerlijke verdeling van de betalingen aan boeren en aan kleinere en middelgrote landbouwbedrijven?

Rechtstreekse betalingen blijven een essentieel onderdeel van het beleid, aangezien het inkomen van de boeren moet worden ondersteund om te komen tot een slimme en veerkrachtige landbouwsector.

De Commissie stelt voor om betalingen boven 60 000 euro te verlagen en een verplichte bovengrens in te voeren voor betalingen boven 100 000 euro per landbouwbedrijf. De loonkosten worden hierbij volledig in aanmerking genomen. De bedoeling ervan is te zorgen voor een eerlijker verdeling van de betalingen.

De vrijgekomen middelen worden herverdeeld binnen elke lidstaat, ofwel via herverdelende rechtstreekse betalingen, ofwel door plattelandsontwikkeling. Dit moet er in de eerste plaats voor zorgen dat een groter aandeel van de rechtstreekse betalingen wordt bij kleine en middelgrote landbouwbedrijven terechtkomt. De lidstaten krijgen ook de mogelijkheid om kleine boeren een vast bedrag per jaar te geven, wat voor de betrokkenen natuurlijk veel eenvoudiger is omdat ze niet elk jaar een aanvraag hoeven in te dienen. De lidstaten mogen zelf bepalen wat de definitie van kleine boer is, omdat de landouwsector in elk land anders is.

Elk land moet ook strengere definities hanteren om ervoor te zorgen dat alleen echte boeren steun krijgen. Ook hiervan wordt de precieze invulling aan de lidstaten zelf overgelaten (behoudens goedkeuring door de Commissie in het strategische GLB-plan). Ze kunnen daarbij rekening houden met factoren zoals inkomen, arbeidsintensiviteit, de doelstelling van het bedrijf en/of inschrijving in bedrijvenregisters. De definitie moet ervoor zorgen dat er geen steun gaat naar wie landbouw niet als hoofdactiviteit bedrijft. De verordening bepaalt wel dat de overeengekomen definitie in elke lidstaat boeren met meerdere activiteiten(d.w.z. boeren die actief landbouw bedrijven, maar die ook niet-agrarische activiteiten buiten het bedrijf uitoefenen) niet automatisch mag uitsluiten.

Hoe profiteren jonge boeren van het toekomstige GLB?

Jongeren warm maken voor het boerenbedrijf en hen helpen een levensvatbaar bedrijf op te richten is een van de grootste prioriteiten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van na 2020. Jonge boeren komen in aanmerking voor allerlei maatregelen, deels verplicht, deels vrijwillig:

  • De lidstaten reserveren minimaal 2% van hun nationale budget voor rechtstreekse betalingen voor steun voor de vestiging van jonge boeren, hetzij in de vorm van een toeslag op hun basisinkomen, hetzij als vestigingssteun; ze mogen daarvoor ook meer geld uittrekken, als daaraan behoefte bestaat.
  • De maximale vestigingssteun voor jonge boeren en starters op het platteland wordt opgetrokken tot 100 000 euro.
  • In het strategisch GLB-plan van elk land moet uitdrukkelijk worden aangegeven hoe jonge boeren worden aangetrokken en gesteund, en ook hoe de nationale en EU-steun daarvoor consequenter en doeltreffender kan worden gebruikt.
  • Het budget voor plattelandsontwikkeling mag worden gebruikt om regelingen te financieren ter bevordering van de aankoop en overdracht van land, voor jonge boeren traditioneel een belangrijke hinderpaal. Bij dit soort regelingen kan worden gedacht aan: samenwerkingsvormen zoals partnerschappen tussen generaties van boeren; diensten in verband met erfopvolging of overnameplanning; makelaarsdiensten bij de aankoop van grond; innovatieve nationale of regionale organisaties die zich inzetten voor het bevorderen en faciliteren van diensten om jongere en oudere boeren bijeen te brengen, enz.
  • Jonge boeren zullen in aanmerking blijven komen voor investeringssteun en kennisoverdracht en/of opleidingen in het kader van de fondsen voor plattelandsontwikkeling.
  • De lidstaten mogen financiële regelingen treffen om het bedrijfskapitaal aan te vullen van jonge boeren, die er vaak niet in slagen genoeg kapitaal bijeen te brengen vanwege de grote investeringen en het lage rendement in de aanloopfase. De Commissie verruimt ook de samenwerking met de Europese Investeringsbank (EIB), met name via het adviesplatform fi-compass, om lering te treken uit de ervaringen en de goede werkwijzen op het gebied van specifieke regelingen voor jonge boeren.

Hoe steunt het nieuwe GLB milieu- en klimaatactie?

Drie van de negen specifieke doelstellingen van het toekomstig GLB hebben betrekking op milieu en klimaat. Ze gaan in op de problemen met klimaatverandering, natuurlijke hulpbronnen, biodiversiteit, habitats en landschappen.

In hun strategische GLB-plannen moeten de lidstaten aangeven hoe zij deze doelstellingen denken te bereiken en hoe zij ervoor zullen zorgen dat hun boeren aan alle milieu- en klimaateisen voldoen. Zij moeten ook specificeren hoe zij hun strategie bekostigen uit de twee GLB-pijlers. Elk jaar moeten zij doelstellingen vaststellen en de vooruitgang meten.

Op verschillende manieren zal ervoor worden gezorgd dat de ambities ten aanzien van klimaat, milieu en biodiversiteit ver genoeg gaan:

Een nieuw systeem van "conditionaliteit" koppelt alle inkomenssteun voor boeren (en andere areaal- en diergebonden betalingen) aan de toepassing van milieu- en klimaatvriendelijke landbouwpraktijken. De steun wordt afhankelijk gemaakt van strengere normen en dat is een verbetering ten opzichte van de huidige GLB-regels.

De lidstaten worden verplicht om, ten laste van het nationale budget voor rechtstreekse betalingen, een nieuw stelsel van zogenaamde ecoregelingen op te zetten, waaraan boeren vrijwillig kunnen deelnemen. Deze ecoregelingen dienen om de milieu- en klimaatdoelstellingen van het GLB te realiseren op andere manier dan bij de overige relevante instrumenten en ze gaan verder dan wat al op grond van de conditionaliteitseisen wordt verlangd. De afzonderlijke lidstaten mogen zelf bepalen hoe deze ecoregelingen eruit komen te zien. Te denken valt bijvoorbeeld aan een ecoregeling voor het werken zonder meststoffen om de waterkwaliteit te bevorderen. Het kan gaan om een toeslag op de rechtstreekse betalingen aan de boer, of om een op zichzelf staande regeling waarbij de betalingen gebaseerd zijn op de extra kosten en de gederfde inkomsten voor de boer.

De lidstaten worden verplicht om ten minste 30% van hun plattelandsontwikkelingsbudget te bestemmen voor milieu en klimaatmaatregelen. Het budget voor plattelandsontwikkeling zal worden gebruikt om klimaat- en milieuacties te ondersteunen, met name de zogenaamde agromilieuklimaat- of AMK-verbintenissen, die eveneens bindend zijn voor de lidstaten en facultatief voor de boeren. Het budget voor plattelandsontwikkeling kan ook worden gebruikt voor een reeks andere maatregelen, zoals kennisoverdracht, milieuvriendelijke investeringen, innovatie en samenwerking. Voor dergelijke steun kunnen boeren, bosbeheerders en ander belanghebbenden partijen op het platteland in aanmerking komen.

De financiering van milieugerelateerde maatregelen in gebieden met natuurlijke beperkingen (zoals berg- en kustgebieden) komt bovenop de 30% van het budget voor plattelandsontwikkeling.

Overeenkomstig de verbintenissen ten aanzien van de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, zal dankzij de GLB-maatregelen 40% van het totale GLB-budget een bijdrage aan klimaatactie leveren.

Wat is de rol van onderzoek, innovatie en nieuwe technologieën in het toekomstige GLB?

Het toekomstige GLB stimuleert extra investeringen in kennis en innovatie, en biedt boeren en plattelandsgemeenschappen de gelegenheid om daarvan te profiteren. Het belangrijkste instrument voor de ondersteuning van innovatie binnen het nieuwe GLB blijft het Europees innovatiepartnerschap (EIP-AGRI), vooral met steun voor innovatie van onderaf door operationele groepen. De aanpak van het EIP-AGRI voor innovatie is gericht op uitwisseling van kennis, waarbij alle actoren in het proces op interactieve wijze betrokken zijn.

Het EU-onderzoeksprogramma Horizon Europa levert een extra bedrag van 10 miljard euro voor specifiek onderzoek op het gebied van voeding, landbouw, plattelandsontwikkeling en de bio-economie. Horizon Europa krijgt een centrale rol bij het gezamenlijk creëren van de kennis die nodig is voor de modernisering van de landbouwsector. De synergie tussen Horizon Europa (met transnationale projecten) en het GLB (met projecten op regionaal/lokaal niveau en de GLB-netwerken) helpt om een systeem van landbouwkennis en -innovatie op te bouwen waardoor innovatieve methoden sneller door alle partijen in landelijke gebieden kunnen worden toegepast.

Wat is een gemeenschappelijke marktordening (GMO)? Waarom gelden die alleen voor bepaalde sectoren?

Een gemeenschappelijke marktordening (GMO) is een verzameling regels waarmee de interne markt voor landbouwproducten wordt georganiseerd. Deze regels hebben betrekking op allerlei aspecten: het vangnet voor de markt (overheidsinterventie en steun voor particuliere opslag), buitengewone maatregelen bij marktverstoringen, handelsnormen, melk-, groente- en fruitregeling voor scholieren, handelsbepalingen een aantal operationele programma's voor bepaalde sectoren: groenten en fruit, bijenteelt, wijn, hop en olijven.

De meeste van de GMO-verordeningen blijven in het toekomstige GLB ongewijzigd, enkele uitzonderingen daargelaten. Een belangrijke verandering is dat bovengenoemde operationele programma's moeten worden opgenomen in het strategisch GLB-plan en dat de lidstaten de mogelijkheid hebben om (voor zover zij dat nodig vinden) voor andere sectoren eveneens operationele programma's (ook wel sectorale steunmaatregelen genoemd) op te stellen. Dat kan voor alle landbouwsectoren, van granen en vlees tot levende planten en bomen, behalve ethylalcohol en tabak. De lidstaten kunnen tot 3% van hun budget voor pijler 1 voor deze sectorale steunmaatregelen reserveren. Deze regelingen steunen producenten die via producentenorganisaties met elkaar in contact treden om gezamenlijk actie te ondernemen voor een beter milieu of een betere positie in de voedselvoorzieningsketen.

Krijgen bepaalde sectoren specifieke steun?

Specifieke productsectoren die het moeilijk hebben, blijven extra steun krijgen om hun concurrentievermogen, duurzaamheid en kwaliteit te verbeteren (de zogenaamde gekoppelde inkomenssteun). Voorwaarde is wel dat deze sectoren vanuit economisch, sociaal of milieu-oogpunt belangrijk zijn.

De Commissie stelt voor vast te houden aan de bestaande lijst van mogelijk in aanmerking komende sectoren, d.w.z. sectoren die sinds 2012 in aanmerking komen voor vrijwillige gekoppelde steun (meest recente lijst). Bovendien stelt zij voor de lijst uit te breiden met niet-voedingsgewassen (behalve hakhout met korte omlooptijd en bomen) die worden gebruikt voor de vervaardiging van potentiële vervangers van fossiele brandstoffen.

In aanmerking komende lidstaten kunnen maximaal 10% van hun rechtstreekse betalingen bestemmen voor gekoppelde inkomenssteun. Nog eens 2% kan worden gereserveerd voor steun voor eiwithoudende gewassen.

Geldt er een speciale regeling voor de ultraperifere gebieden van de EU?

Vanwege de moeilijke omstandigheden voor de landbouw in de ultraperifere regio's van de EU kunnen boeren daar extra steun van het GLB krijgen. Het voorstel is om voor deze gebieden — de Franse overzeese departementen (Guadeloupe, Frans Guyana, Martinique, Réunion, Saint-Martin en Mayotte), de Azoren en Madeira, en de Canarische Eilanden — zeven jaar lang een bedrag van 627,63 miljoen euro per jaar te reserveren.

De rechtstreekse betalingen aan boeren in de ultraperifere regio's blijven ruim boven de steunniveaus in andere gebieden liggen.

In dit cijfer zijn de extra middelen voor deze regio's die ten laste van de begroting voor plattelandsontwikkeling komen, niet meegerekend. Die kunnen worden gebruikt voor acties voor herstel, behoud en verruiming van de biodiversiteit in de land- en bosbouw, en voor het bevorderen van de economische ontwikkeling van plattelandsgebieden in deze ultraperifere regio's. De EU-bijdrage aan regelingen voor plattelandsontwikkeling in deze gebieden is verhoogd tot 70%, tegen 40% elders.

Hoe helpt het nieuwe GLB boeren om crisissen en risico's het hoofd te bieden?

Het GLB helpt boeren nu al om te gaan met hun onzekere bestaan door middel van inkomenssteun (rechtstreekse betalingen), marktmaatregelen, steun voor risicobeheer, en opleiding en investeringen in het kader van plattelandsontwikkeling.

Het nieuwe GLB handhaaft deze aanpak, zij het met enkele verbeteringen:

  • De huidige regels voor overheidsinterventie, particuliere opslag en buitengewone maatregelen zijn niet gewijzigd en blijven de mogelijkheid bieden om boeren te helpen wanneer dat nodig is.
  • Lidstaten kunnen in de toekomst maximaal 3% van hun pijler 1-toewijzing bestemmen voor hulp aan andere sectoren dan die die al profiteren van steun van sectorale programma's (zoals groente en fruit, wijn of olijfolie). De bedoeling is acties van producentenorganisaties ter bevordering van onder meer concurrentievermogen, duurzaamheid en risico-/crisisbeheersing te stimuleren.
  • De huidige praktijk van het reserveren van een deel van het totale pijler 1-budget wordt in stand gehouden om een "landbouwreserve"op te bouwen. Die kan worden gebruikt voor marktmaatregelen en buitengewone steunmaatregelen. De totale reserve zal minstens 400 miljoen euro per jaar bedragen. De reserve wordt gevormd door de crisisreserve van 2020 (in het kader van het huidige GLB en het huidige MFK) door te schuiven naar 2021; in de jaren daarop worden alle onbenutte fondsen doorgeschoven naar het volgende jaar. Door niet elk jaar de ongebruikte gelden terug te geven aan de lidstaten en een nieuwe reserve aan te leggen, maar in plaats daarvan de reserve gewoon door te schuiven naar het volgend jaar wordt de administratieve rompslomp aanzienlijk beperkt.
  • De lidstaten moeten instrumenten voor risicobeheer ondersteunen in het kader van plattelandsontwikkeling om boeren te helpen productie- en inkomensgerelateerde risico's waarop zij geen vat hebben, te beheersen. Deze vorm van steun, die wordt toegekend in de vorm van een tegemoetkoming in de premies voor verzekeringen en onderlinge fondsen die productie- en de inkomensrisico's afdekken, wordt verplicht voor alle lidstaten. Steun voor andere maatregelen, zoals investeringen en opleidingen om boeren te helpen risico's te voorkomen of op te vangen, wordt verplicht in het kader van de plattelandsontwikkeling.
  • Op EU-niveau komt er een gezamenlijk platform voor risicobeheer waarop alle betrokkenen, van landbouwers en overheidsinstanties tot onderzoeksinstellingen en particulieren, kennis, ervaring en goede werkwijzen kunnen uitwisselen.
  • Ook wordt het mogelijk om financieringsinstrumenten te gebruiken om de toegang tot bedrijfskapitaal, te vergemakkelijken, bijvoorbeeld om boeren te helpen om een tijdelijk tekort aan liquiditeit als gevolg van een onverwachte crisis op te vangen.
  • Horizon 2020 zal bijdragen aan de financiering van onderzoek op het gebied van risicobeheer, bedrijfsdigitalisering en intelligent gebruik van big data in de landbouw, terwijl het Europees innovatiepartnerschap (EIP-AGRI) ook projecten op het gebied van risicobeheer kan ondersteunen.

Hoe zal het nieuwe GLB bijdragen tot de toekomst van plattelandsgebieden?

Meer dan de helft van de EU-bevolking woont op het platteland. Daarom is het van belang het platteland aantrekkelijke, dynamisch en levensvatbaar te houden. Dat betekent hoogwaardige banen, economische groei, goede infrastructuur, mobiliteit en basisdiensten. De landbouw staat in vele plattelandsgemeenschappen centraal en dus ook, vanwege de steun die het bied aan boeren en plattelandsgemeenschappen, het GLB.

De vereenvoudiging van het beleid voor plattelandsontwikkeling, met globale doelstellingen die op EU-niveau worden bepaald en met meer ruimte voor de lidstaten om hun maatregelen toe te snijden op specifieke behoeften, zorgt ervoor dat de steun voor plattelandsontwikkeling in de hele EU doeltreffend blijft. Door het medefinancieringspercentage voor de lidstaten te verhogen, kunnen zij ambitieuzer te werk gaan bij het investeren in plattelandsgebieden.

Daarom ook gaat het geld voor plattelandsontwikkeling in de toekomst daarheen waar het een echte meerwaarde kan bieden — ontwikkeling van de lokale, plattelands- en landbouweconomie — en moeten andere EU-fondsen zich richten op grote infrastructuurprojecten, zoals breedbandinternet. Een belangrijk element van het toekomstige plattelandsontwikkelingsbeleid is het promoten van de ontwikkeling van "slimme dorpen in plattelandsgebieden", samen met een betere lokale infrastructuur.

Wat is het verschil tussen lopende prijzen en constante prijzen en hoeveel wordt er nu echt bespaard met de toekomstige GLB-begroting? Hoe wordt het GLB-budget verdeeld over de lidstaten?

De Commissie heeft zich transparanter dan ooit getoond door haar voorstel voor de nieuwe EU-langetermijnbegroting van 2 mei voor het eerst zowel in lopende prijzen als in constante prijzen van 2018 te presenteren.

Maar de werkelijke bedragen die de eindbegunstigden ontvangen zijn gebaseerd op de lopende prijzen. De jaarlijkse EU-begroting wordt goedgekeurd in lopende prijzen en de lidstaten moeten hun begrotingsbijdrage in lopende prijzen betalen.

Dezelfde methodiek is in het verleden ook voor de GLB-begroting gebruikt, waardoor de bedragen van de huidige voorstellen direct vergelijkbaar zijn met die van voorgaande begrotingen.

Constante prijzen, waarbij de inflatie buiten beschouwing blijft, worden gebruikt om de economische impact van investeringen over een langere periode met elkaar te vergelijken. Het is gemakkelijk om over te schakelen van constante naar lopende prijzen en omgekeerd omdat de Commissie in haar berekeningen uitgaat van een vaste jaarlijkse inflatie van 2%, een percentage dat zij representatief acht voor de verwachte werkelijke inflatie.

De voorstellen houden een besparing van 5% op de GLB-begroting in op basis van lopende prijzen; in constante prijzen voor 2018 komt dit overeen met een bezuiniging van ongeveer 12%.

 

Toewijzingen per lidstaat in lopende prijzen (in miljoen EUR)

 

Rechtstreekse betalingen

Markten

Plattelandsontwikkeling

TOTAAL

BE

3 399,2

3,0

470,2

3 872,4

BG

5 552,5

194,5

1 972,0

7 719,0

CZ

5 871,9

49,5

1 811,4

7 732,9

DK

5 922,9

2,1

530,7

6 455,6

DE

33 761,8

296,5

6 929,5

40 987,8

EE

1 243,3

1,0

615,1

1 859,4

IE

8 147,6

0,4

1 852,7

10 000,7

EL

14 255,9

440,0

3 567,1

18 263,1

ES

33 481,4

3 287,8

7 008,4

43 777,6

FR

50 034,5

3 809,2

8 464,8

62 308,6

HR

2 489,0

86,3

1 969,4

4 544,6

IT

24 921,3

2 545,5

8 892,2

36 359,0

CY

327,3

32,4

111,9

471,6

LV

2 218,7

2,3

821,2

3 042,1

LT

3 770,5

4,2

1 366,3

5 140,9

LU

224,9

0,2

86,0

311,2

HU

8 538,4

225,7

2 913,4

11 677,5

MT

31,6

0,1

85,5

117,1

NL

4 927,1

2,1

512,1

5 441,2

AT

4 653,7

102,4

3 363,3

8 119,4

PL

21 239,2

35,2

9 225,2

30 499,6

PT

4 214,4

1 168,7

3 452,5

8 835,6

RO

13 371,8

363,5

6 758,5

20 493,8

SI

903,4

38,5

715,7

1 657,6

SK

2 753,4

41,2

1 593,8

4 388,4

FIN

3 567,0

1,4

2 044,1

5 612,5

SE

4 712,5

4,1

1 480,9

6 197,4

 

Toewijzingen per lidstaat in lopende prijzen (in miljoen EUR)

 

Rechtstreekse betalingen

Markten

Plattelandsontwikkeling

TOTAAL

BE

3 020,8

2,6

417,9

3 441,3

BG

4 930,2

172,8

1 752,4

6 855,4

CZ

5 218,2

44,0

1 609,7

6 871,9

DK

5 263,5

1,8

471,6

5 736,9

DE

30 003,0

263,5

6 158,0

36 424,5

EE

1 102,4

0,9

546,6

1 650,0

IE

7 240,5

0,4

1 646,4

8 887,3

EL

12 668,8

391,0

3 170,0

16 229,8

ES

29 750,3

2 921,7

6 228,2

38 900,2

FR

44 464,1

3 385,1

7 522,4

55 371,6

HR

2 207,7

76,7

1 750,1

4 034,5

IT

22 146,8

2 262,1

7 902,2

32 311,0

CY

290,8

28,8

99,5

419,1

LV

1 967,4

2,0

729,7

2 699,2

LT

3 343,9

3,7

1 214,2

4 561,7

LU

199,9

0,2

76,5

276,5

HU

7 587,8

200,6

2 589,1

10 377,4

MT

28,0

0,1

75,9

104,1

NL

4 378,5

1,8

455,0

4 835,4

AT

4 135,6

91,0

2 988,8

7 215,5

PL

18 859,5

31,3

8 198,2

27 088,9

PT

3 741,0

1 038,6

3 068,1

7 847,7

RO

11 869,7

323,0

6 006,1

18 198,8

SI

802,8

34,2

636,1

1 473,1

SK

2 444,5

36,6

1 416,3

3 897,5

FIN

3 169,0

1,2

1 816,6

4 986,8

SE

4 187,7

3,7

1 316,0

5 507,4

 

Wat zijn de volgende stappen?

De voorstellen voor de drie verordeningen voor het nieuwe GLB voor de periode 2021-2027 worden voorgelegd aan het Europees Parlement en de Raad. De medewetgevers bepalen vervolgens hun standpunt over de voorstellen van de Commissie.

Een snel akkoord over de langetermijnbegroting van de EU en de bijbehorende voorstellen per sector is van groot belang om al op korte termijn resultaten op het terrein te kunnen boeken en de boeren de zekerheid en voorspelbaarheid te bieden die nodig is om zakelijke en investeringsbeslissingen te kunnen nemen.

Ontstaat er weer vertraging, zoals aan het begin van de huidige begrotingsperiode 2014-2020, dan kan dat betekenen dat boeren en nationale overheden niet kunnen profiteren van de geringere bureaucratische rompslomp, de grotere flexibiliteit en de doeltreffendere resultaten van het nieuwe GLB. Uitstel van de goedkeuring van de toekomstige begroting betekent ook uitstel van misschien wel duizenden nieuwe projecten in de hele EU die boeren en plattelandsgemeenschappen kunnen helpen problemen aan te pakken, variërend van een betere bescherming van het milieu tot het aantrekken van nieuwe boeren.

Als nog in 2019 overeenstemming wordt bereikt over de volgende langetermijnbegroting, is het mogelijk deze naadloos te laten aansluiten op de huidige langetermijnbegroting (2014-2020). Dat draagt bij tot de voorspelbaarheid en continuïteit van de financiering, en daar is iedereen bij gebaat.

MEMO/18/3974

Contactpersoon voor de pers:

Voor het publiek: Europe Direct per telefoon 00 800 67 89 10 11 of e-mail


Side Bar