Navigation path

Left navigation

Additional tools

Europese Commissie - Informatieblad

Regionale ontwikkeling en cohesiebeleid na 2020: Vraag en antwoord

Straatsburg, 29 mei 2018

Regionale ontwikkeling en cohesiebeleid na 2020: Vraag en antwoord

Zie IP/18/3885

  1. Een modern cohesiebeleid voor alle regio's

De Commissie stelt voor om het cohesiebeleid te moderniseren. Het doel is om economische en sociale convergentie te stimuleren, en daarbij de regio's te helpen ten volle te profiteren van de mondialisering en hen uit te rusten met de juiste instrumenten om fors en duurzaam te groeien. Alle regio's blijven in aanmerking komen voor financiering in het kader van het cohesiebeleid in Europa, en nog steeds op basis van drie categorieën: minder ontwikkelde, overgangs- en meer ontwikkelde regio's.

Wat zijn de nieuwe investeringsprioriteiten van het cohesiebeleid?

Na de elf "thematische doelstellingen" die in de periode 2014-2020 richting hebben gegeven aan het cohesiebeleid, zullen de beschikbare middelen thans worden ingezet aan de hand van vijf beleidsdoelstellingen waarvoor de EU het best geplaatst is om resultaten te boeken:

1) een slimmer Europa middels innovatie, digitalisering, economische transformatie en ondersteuning voor kleine en middelgrote ondernemingen;

2) een groener, koolstofvrij Europa waarin de Overeenkomst van Parijs wordt uitgevoerd en wordt geïnvesteerd in energietransitie, hernieuwbare energiebronnen en de strijd tegen klimaatverandering;

3) een beter verbonden Europa met strategische vervoers- en digitale netwerken;

4) een meer sociaal Europa waarin resultaten worden geboekt met betrekking tot de Europese pijler van sociale rechten en kwalitatief hoogstaand werk, onderwijs, vaardigheden, sociale inclusie en gelijke toegang tot gezondheidszorg worden ondersteund;

5) een Europa dat dichter bij de burger staat door lokaal geleide ontwikkelingsstrategieën te ondersteunen en bij te dragen aan duurzame stedelijke ontwikkeling in de hele EU.

De meeste investeringen in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds zullen gericht zijn op de eerste twee doelstellingen: een slimmer Europa en een groener Europa. De lidstaten zullen afhankelijk van hun relatieve welvaart 65 tot 85 % van hun toegewezen middelen uit hoofde van deze twee fondsen investeren in deze prioriteiten.

De "thematische concentratie", d.w.z. de verdeling van de middelen aan de hand van beleidsdoelstellingen, zal niet langer op regionaal niveau, maar op nationaal niveau plaatsvinden. Hierdoor komt er meer ruimte voor flexibiliteit bij het ontwerpen van individuele programma's van EU-fondsen, om ze beter af te stemmen op specifieke regionale behoeften.

In overeenstemming met het engagement van de Commissie dat zij heeft opgenomen in haar voorstel voor de volgende langetermijnbegroting van de EU moeten investeringen uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds helpen bij het behalen van de doelstelling om minstens 25 % van de gehele EU-begroting uit te trekken voor klimaatmaatregelen. De mate waarin de cohesiebeleidsprogramma's bijdragen aan het behalen van deze doelstelling zal worden opgevolgd.

Hoe zullen de middelen worden toegewezen?

De nieuwe toewijzingsmethode voor de middelen bouwt verder op de "formule van Berlijn", die door de Europese Raad is vastgesteld in 1999. Deze omvat drie verschillende berekeningsmethoden voor de drie verschillende categorieën van regio's (minder ontwikkelde regio's, overgangsregio's en meer ontwikkelde regio's).

Deze methode houdt rekening met het verschil tussen het bbp per hoofd van de bevolking van een regio en het EU-gemiddelde om zo een beeld te geven van de regionale welvaart. Tevens wordt rekening gehouden met sociale, economische en territoriale uitdagingen, zoals werkloosheid, lage bevolkingsdichtheid en, voor meer ontwikkelde regio's, het onderwijsniveau. De methode is tijdens de opeenvolgende programmeringsperioden al aangepast in overeenstemming met de evolutie van de sociale en economische cohesie in Europa.

Vandaag stelt de Commissie een aanpassing van de methode voor om rekening te houden met de evolutie van regionale verschillen gedurende de afgelopen jaren, om middelen vooral te blijven toekennen aan regio's die de grootste achterstand ten opzichte van de rest van de EU moeten inlopen en om voor iedereen een eerlijke behandeling te garanderen.

Het toewijzingssysteem van het cohesiebeleid is daarom enigszins aangepast om middelen vooral toe te blijven kennen aan minder ontwikkelde regio's en meer financiële steun te verlenen aan regio's die voor een industriële transitie staan. Het is nog steeds hoofdzakelijk gebaseerd op het bbp per hoofd van de bevolking, maar behelst ook nieuwe criteria voor alle categorieën van regio's – jeugdwerkloosheid, laag onderwijsniveau, klimaatverandering en de opvang en integratie van migranten – met het oog op een betere afspiegeling van de sociaal-economische situatie in de praktijk. Ten slotte stelt de Commissie een "vangnet" voor om al te abrupte wijzigingen van de aan een lidstaat toegewezen middelen te vermijden.

Wat het Cohesiefonds betreft, is de methode niet veranderd: lidstaten met een bni per hoofd van de bevolking dat lager is dan 90 % van het EU-gemiddelde, krijgen steun uit het Cohesiefonds.

  1. Een eenvoudiger en flexibeler kader voor het cohesiebeleid

Vereenvoudiging was voor de Commissie het leidende beginsel bij de voorbereiding van de nieuwe cohesiebeleidsregels voor de periode 2021-2027. Reeds vroeg in haar beleidstermijn, in 2015, heeft de Commissie-Juncker, tevens als voorbereiding van het kader voor na 2020, een Groep op hoog niveau van onafhankelijke deskundigen opdracht gegeven om concrete voorstellen te doen om de toegang tot en het gebruik van EU-fondsen te vereenvoudigen.

De behoefte aan minder, beknoptere, duidelijkere regels werd verder benadrukt in de discussienota van de Commissie van juni 2017 over de toekomst van de EU-financiën en bevestigd door EU-burgers in een openbare raadpleging in januari 2018 – 80 % van de respondenten vroeg om eenvoudigere regels en om minder administratieve lasten voor de begunstigden van EU-fondsen.

Wat flexibiliteit betreft, hebben de migratie- en vluchtelingencrisis van 2015 maar ook steeds vaker voorkomende natuurrampen duidelijk gemaakt dat cohesiebeleidsregels snellere en efficiëntere reacties op onvoorziene gebeurtenissen mogelijk moeten maken.

Waarom één gemeenschappelijk rulebook voor zeven verschillende fondsen?

De versnippering van de regels voor de verschillende EU-fondsen die in partnerschap met de lidstaten worden geïmplementeerd ("gedeeld beheer"), heeft het werk van de instanties die de programma's beheren ingewikkeld gemaakt en bedrijven en ondernemers ontmoedigd om een aanvraag te doen voor EU-financiering uit verschillende bronnen.

De Commissie doet nu een voorstel voor één gemeenschappelijk rulebook voor zeven in gedeeld beheer geïmplementeerde EU-fondsen: het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds+, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa.

Specifieke verordeningen zullen een aantal bepalingen toevoegen die noodzakelijk zijn om tegemoet te komen aan de bijzonderheden van de afzonderlijke fondsen, teneinde rekening te houden met hun verschillende motiveringen, doelgroepen en uitvoeringsmethoden.

Dit gemeenschappelijk rulebook zal het werk van zowel programmamanagers als begunstigden gemakkelijker maken. Het zal voor de herwaardering van achtergestelde stedelijke gebieden ook synergieën mogelijk maken, bijvoorbeeld tussen het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Europees Sociaal Fonds+ in het kader van geïntegreerde stadsontwikkelingsplannen.

Het Fonds voor asiel en migratie kan samen met fondsen voor het cohesiebeleid lokale integratiestrategieën voor migranten en asielzoekers financieren; het Fonds voor asiel en migratie kan zich richten op de kortetermijnbehoeften na aankomst (bijvoorbeeld ontvangst en gezondheidszorg), terwijl de fondsen voor het cohesiebeleid de sociale en professionele integratie op lange termijn kunnen ondersteunen.

Daarnaast maken nieuwe bepalingen ook eenvoudigere synergieën mogelijk met andere begrotingsinstrumenten van de EU, zoals het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, het innovatieprogramma Horizon Europa, het EU-instrument voor leermobiliteit Erasmus+ en LIFE, het programma voor milieu- en klimaatactie.

Hoe maken jullie het leven gemakkelijker voor kleine ondernemingen die steun uit EU-fondsen ontvangen?

Door meer zogenaamde "vereenvoudigde kostenopties" beschikbaar te maken. Dit betekent dat begunstigden niet langer elke factuur of elk bonnetje moeten indienen, maar gebruik kunnen maken van ramingen, zoals vaste tarieven of prijzen voor bepaalde kostencategorieën, personeel en andere bedrijfskosten zoals verzekeringen of huur. Zij kunnen ook worden terugbetaald op basis van de behaalde resultaten.

Hoe worden audit- en controleprocedures vereenvoudigd?

1) In het begin van de programmeringsperiode zal het niet nodig zijn om de tijdrovende aanwijzingsprocedure van de instanties die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van cohesiebeleidsprogramma's zoals in de periode 2014-2020 nog eens over te doen. De lidstaten kunnen het bestaande uitvoeringssysteem laten doorrollen.

2) Voor programma's met een vlot lopend beheer- en controlesysteem en een goede reputatie (bv. laag foutenpercentage) stelt de Commissie voor om meer te vertrouwen op de bestaande nationale controleprocedures.

3) Het principe van één enkele audit wordt uitgebreid. Dit betekent dat begunstigden zoals kleine ondernemingen en ondernemers slechts één enkele controle moeten ondergaan in plaats van verschillende, mogelijk niet volledig gecoördineerde audits.

Hoe zullen jullie met minder controles de regelmatigheid van de uitgaven garanderen?

De voorstellen van de Commissie voor de toekomstige cohesiebeleidsregels houden het evenwicht tussen verantwoording, vereenvoudiging en resultaten. Ook met lichtere procedures zal de Commissie zeer strikte regels behouden voor een goed beheer van EU-fondsen.

Nationale instanties zullen hun eigen auditstrategieën moeten vaststellen. Daarnaast zal er in het belang van kwaliteitsborging nog steeds een minimale auditregeling bestaan tussen de Commissie en de lidstaten.

In welke zin is het nieuwe kader flexibeler gemaakt?

1) Via een tussentijdse evaluatie

Wanneer de programma's voor de programmeringsperiode 2021-2027 worden goedgekeurd, zullen enkel de toegewezen middelen voor de jaren van de periode 2021-2024 aan prioriteiten worden gekoppeld. De middelen voor de overige twee jaar – 2026 en 2027 – zullen worden toegewezen na een grondige tussentijdse evaluatie in 2024 die aanleiding zal geven tot een herprogrammering in 2025. Om de programma's te evalueren, zullen de lidstaten rekening houden met vier elementen:

  • de uitdagingen die worden vastgesteld in de desbetreffende landspecifieke aanbevelingen die in 2023 en 2024 zijn aangenomen in het kader van het Europees semester;
  • de sociaal-economische situatie van de betrokken lidstaat of regio;
  • de gemaakte vorderingen ten aanzien van de mijlpalen van het prestatiekader van de programma's; en
  • de resultaten van de technische aanpassing, die in 2024 zal worden doorgevoerd en aanleiding zal geven tot een herziening van de nationale cohesiebeleidsenveloppes op basis van de meest recente statistieken.

2) Door de mogelijkheid om middelen over te dragen van de ene naar de andere prioriteit binnen het programma van een EU-fonds, zonder dat formele toestemming van de Commissie vereist is. De drempel voor een dergelijke overdracht is vastgesteld op 5 % van de begroting voor een prioriteit.

3) Een speciale bepaling waardoor het bij een natuurramp mogelijk zal zijn om vanaf de eerste dag middelen te mobiliseren.

  1. Een diepere territoriale dimensie om beter tegemoet te komen aan specifieke regionale behoeften

Hoe zal het cohesiebeleid beter tegemoetkomen aan specifieke regionale behoeften?

Veel van de grote uitdagingen van het volgende decennium – de bestrijding van uitsluiting, de klimaatverandering of de integratie van migranten – moeten in de steden en grootstedelijke gebieden van Europa worden aangepakt. Daarom stelt de Commissie voor om de stedelijke dimensie van het cohesiebeleid verder te versterken.

6 % van het budget van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling zal voor investeringen in duurzame stedelijke ontwikkeling op nationaal niveau worden gereserveerd. Het kader voor de periode 2021-2027 creëert ook het "Stedelijk Europa"-initiatief, een nieuw instrument voor samenwerking tussen steden, innovatie en capaciteitsopbouw in het kader van alle thematische prioriteiten van de Stedelijke Agenda voor de EU (o.a. integratie van migranten, huisvesting, luchtkwaliteit, stedelijke armoede en energietransitie).

Bovendien zal de Commissie in overeenstemming met de vijfde doelstelling van het cohesiebeleid, "Een Europa dat dichter bij de burger staat", verder steun verlenen aan lokaal geleide groeistrategieën die ontwikkeld zijn op het niveau dat het dichtst bij de burger staat.

Deze lokale strategieën in het kader van de bestaande instrumenten "geïntegreerde territoriale investeringen" en "door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling" moeten worden ontwikkeld en goedgekeurd door de verantwoordelijke lokale of territoriale instanties, die meer moeten worden betrokken bij of verantwoordelijk moeten worden gemaakt voor de selectie van door de EU gefinancierde projecten. "Door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling" moet structurele verandering ondersteunen en de lokale innovatiecapaciteit stimuleren.

Hoe zal het cohesiebeleid samenwerking over de grenzen heen stimuleren?

In de periode 2021-2027 zal interregionale en grensoverschrijdende samenwerking in de eerste plaats worden vergemakkelijkt doordat het voor een regio mogelijk wordt, voor alle vijf de beleidsdoelstellingen, om delen van haar eigen toewijzing van financiering van projecten elders in Europa samen met andere regio's te gebruiken. Dit is in zekere zin de invoering van de toegevoegde waarde van "Interreg"-programma's in alle programma's in het kader van het cohesiebeleid.

Ondertussen zal het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling doorgaan met het financieren van specifieke "Interreg"-programma's. De voornaamste nieuwigheden voor de periode 2021-2027 zijn:

1) Een sterkere nadruk op institutionele samenwerking en gezamenlijke openbare diensten

9.5 miljard euro uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling wordt toegewezen aan Interreg-programma's in de periode 2021-2027. De middelen worden meer gericht op de landgrenzen tussen lidstaten, waar veel grensoverschrijdende interactie is. Interreg-investeringen ondersteunen meer institutionele samenwerking en bevorderen de ontwikkeling van gezamenlijke diensten van algemeen belang.

Om de levenskwaliteit van de 150 miljoen burgers in EU-grensgebieden te verbeteren, stelt de Commissie voor om de lidstaten te helpen om de resterende belemmeringen voor grensoverschrijdende samenwerking weg te nemen door het mogelijk te maken om op vrijwillige basis en in overeenstemming met de bevoegde instanties de regels van een bepaalde lidstaat voor een specifiek in de tijd begrensd project of initiatief ook te laten gelden in een naburige lidstaat. Dit zou bijvoorbeeld de totstandkoming van meer grensoverschrijdende vervoersinfrastructuur of gezondheidszorginstellingen kunnen bevorderen.

2) Het scheppen van nieuwe pan-Europese innovatieclusters

Naast de nieuwe mogelijkheid voor regio's om gezamenlijke projecten te ontwikkelen, samen met hun eigen programma's, creëren de cohesiebeleidsregels voor de periode 2021-2027 de Interregionale Investeringen voor Innovatie, een instrument dat is geïnspireerd door het succes van het Vanguard-initiatief en de pilootactie voor interregionale partnerschappen voor innovatie in de periode 2014-2020.

Regio's met overeenkomende "slimme specialisaties" krijgen meer financiële steun om samen te werken en er worden meer beleidsmakers, onderzoekers, ondernemers en andere actoren op het vlak van innovatie bij betrokken. Het doel is om de schaal te vergroten van "rendabele" interregionale projecten die kunnen zorgen voor Europese waardeketens in prioritaire sectoren zoals big data, bio-economie, hulpbronnenefficiëntie, geconnecteerde mobiliteit of geavanceerde fabricage.

Gaat de Commissie door met het PEACE-programma?

Het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling voorziet daarnaast ook al meer dan twintig jaar in specifieke financiering voor grensoverschrijdende programma's ter ondersteuning van vrede en verzoening in Noord-Ierland en de Ierse grensregio. De Commissie is voornemens een voortzetting van deze programma's voor te stellen, op basis van hun bestaande beheersstructuren. Een nieuw PEACE+-programma, dat het Interreg-programma voor Noord-Ierland en de grensgebieden van Ierland omvat, zal bijdragen aan de economische en sociale stabiliteit in deze regio's.

Zullen de ultraperifere gebieden nog steeds bijzondere steun krijgen?

De EU zal bijzondere steun blijven verlenen aan haar negen ultraperifere gebieden (de Azoren, de Canarische Eilanden, Frans-Guyana, Guadeloupe, Madeira, Martinique, Mayotte, Réunion en Sint-Maarten) om hen te helpen hun specifieke territoriale, economische en maatschappelijke uitdagingen het hoofd te bieden.

Overeenkomstig de nieuwe strategie voor de ultraperifere gebieden, die in oktober 2017 is voorgesteld, zullen deze regio's de middelen krijgen om hun buitengewone troeven, zoals blauwe groei, ruimtewetenschappen en hernieuwbare energie, verder te ontwikkelen en van de voordelen van de mondialisering te profiteren.

1) Zij blijven een extra toewijzing uit de EU-fondsen ontvangen[1]. *

2) Er zal meer flexibiliteit worden toegekend voor de verdeling van middelen per beleidsdoel ("thematische concentratie").

3) Ultraperifere regio's zullen nieuwe, speciale steun in het kader van de Interreg-programma's voor 2021-2027 ontvangen om hun integratie in de regionale ruimten te verdiepen en om de samenwerking onderling of met derde buurlanden en partnerlanden te intensiveren.

  1. Een sterkere koppeling aan het Europees Semester en het economisch bestuur van de Unie

Om te zorgen dat de EU-investeringen performant zijn en dat elke op het terrein gespendeerde euro resultaten oplevert, is een gepast macro-economisch kader en een ondernemingsvriendelijk klimaat vereist. In de beoordelingsperiode 2014-2020 ondersteunt het cohesiebeleid reeds structurele hervormingen en gepaste economische beleidsmaatregelen. Ten eerste via zogenaamde "ex-antevoorwaarden" waaraan de lidstaten moesten voldoen om in aanmerking te komen voor financiering, en ten tweede via macro-economische conditionaliteit waardoor het beleid gekoppeld wordt aan essentiële EU-mechanismen voor economisch bestuur.

In het voorstel van de Commissie voor het toekomstige cohesiebeleid wordt deze koppeling nog verder versterkt. Dit zal bijdragen aan een groeivriendelijk klimaat in Europa, waardoor het volledige potentieel van investeringen, zowel op EU-niveau als nationaal, regionaal en lokaal, kan worden ontsloten. Het zal tevens zorgen voor volledige complementariteit en coördinatie met het nieuwe, verbeterde steunprogramma voor hervormingen.

Wat zijn de nieuwe randvoorwaarden?

Wat de "randvoorwaarden" betreft, wordt de aanpak van de ex-antevoorwaarden die voor de programmeringsperiode 2014-2020 werden ingevoerd, voortgezet. Het voorstel omvat een twintigtal voorwaarden, wat overeenkomt met ongeveer de helft van het aantal voorwaarden in de vorige periode. Zij bestrijken gelijkaardige thematische domeinen als in de periode 2014-2020, zoals energie-efficiëntie, en ze omvatten nog steeds strategieën voor slimme specialisatie die richting moeten geven aan investeringen in onderzoek en innovatie.

Er zijn ook vier horizontale randvoorwaarden op het vlak van openbare aanbestedingen, overheidssteun en met betrekking tot de toepassing van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

De aan de randvoorwaarden gekoppelde procedures zijn gelijkaardig maar vereenvoudigd; zo is het in geval van niet-naleving niet verplicht om een actieplan in te dienen. De lidstaten zullen evenwel geen betalingsverzoeken aan de Commissie kunnen sturen voor door de EU gefinancierde projecten die gekoppeld zijn aan niet-vervulde randvoorwaarden. Aan deze randvoorwaarden moet gedurende de hele periode voldaan zijn.

Hoe is de koppeling aan het Europees Semester en het economisch bestuur van de Unie versterkt?

De landspecifieke aanbevelingen van het Europees semester zullen in de periode 2021-2027 twee keer in aanmerking worden genomen: eerst als een routekaart voor de programmering van de fondsen en de opzet van de cohesiebeleidsprogramma's aan het begin van de periode 2021-2027;

vervolgens zullen de meest recente landspecifieke aanbevelingen ook als leidraad dienen voor een tussentijdse evaluatie van de programma's in 2024 om in het licht van nieuwe of aanhoudende uitdagingen aanpassingen door te voeren. In de loop van de periode moeten de lidstaten regelmatig hun vorderingen in de uitvoering van de programma's ter ondersteuning van de landspecifieke aanbevelingen aan de Commissie voorleggen.

Macro-economische conditionaliteit wordt gehandhaafd om ervoor te zorgen dat de EU-investeringen in een gepast belastingklimaat kunnen plaatsvinden. Wanneer een lidstaat nalaat doeltreffende of corrigerende actie te ondernemen in het kader van belangrijke EU-mechanismen voor economisch bestuur (de procedure bij buitensporige tekorten, de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden) of nalaat de maatregelen uit te voeren die in het kader van een macro-economisch aanpassingsprogramma zijn vereist, zal de Commissie aan de Raad een voorstel voorleggen tot opschorting van alle of een deel van de verbintenissen of betalingen voor een of meerdere programma's van die lidstaat. De Commissie kan echter, wegens uitzonderlijke economische omstandigheden of naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van de betrokken lidstaat, aanbevelen dat de Raad de opschorting annuleert.

  1. Efficiënt financieel beheer en sterkere regels voor beter presterende EU-investeringen

Uit ervaringen in het verleden is gebleken hoe belangrijk het is om investeringen op het terrein op tijd op te starten en een vlot tempo aan te houden bij de uitvoering ervan. Op die manier kunnen door de EU gefinancierde projecten zo snel mogelijk tastbare resultaten opleveren voor de burger.

Daarnaast heeft de lancering van het open gegevensplatform over het cohesiebeleid in de periode 2014-2020 het beheer van EU-fondsen naar een nieuw niveau van transparantie en verantwoording getild. De burger kon de evolutie van projectselectie en betalingspercentages volgen en nagaan hoe de investeringen van de EU het deden ten aanzien van vooraf bepaalde doelstellingen. In de periode 2021-2027 zal het dankzij nieuwe rapportageverplichtingen voor de lidstaten voor de burger mogelijk worden om de voortgang bijna op het moment zelf te volgen.

Hoe zal de Commissie toezien op de resultaten en de vorderingen van investeringen?

Bij de hierboven beschreven tussentijdse evaluatie zal rekening worden gehouden met de vorderingen in het licht van de doelstellingen die aan het begin van de periode voor elk programma zijn vastgesteld. Indien nodig kan dit aanleiding geven tot herprogrammering.

Daarnaast worden de jaarlijkse uitvoeringsverslagen vervangen door een jaarlijkse toetsing in de vorm van een beleidsdialoog tussen de instanties die het programma beheren en de Commissie over belangrijke kwesties op het vlak van uitvoering en resultaten. De lidstaten zullen de Commissie om de twee maanden uitvoeringsgegevens sturen die zullen worden opgenomen in het open gegevensplatform over het cohesiebeleid en op die manier beschikbaar zullen zijn voor de burger.

Wat zijn de nieuwe regels inzake vrijmakingen?

Er is sprake van een vrijmaking als na een zekere periode waarin door geen enkele lidstaat aanspraak is gemaakt op een aan een programma toegezegde som – d.w.z. de Commissie ontving geen facturen met betrekking tot dit bedrag – deze middelen niet langer beschikbaar zijn voor het programma en terugkeren naar de begroting van de EU. Dit mechanisme is ontworpen om een efficiënte, vlotte uitvoering van de programma's te garanderen.

In het nieuwe kader wordt teruggekeerd naar de "n+2 (jaren)"-regel, in plaats van de "n+3"-regel die in de periode 2014-2020 van toepassing was. Dit zal geleidelijk gebeuren om voldoende ruimte voor aanpassing te laten en zal zorgen voor strakker financieel beheer.

De doorrolregeling en de continuïteit, met de mogelijkheid om projecten uit de periode 2014-2020 geleidelijk in de nieuwe periode voort te zetten, zal een vlotte start van de programmeringsperiode mogelijk maken en het gemakkelijker maken om programma's succesvol te beheren in het licht van de vrijmakingsregel.

Om dezelfde reden zijn de bedragen van de voorfinanciering ook teruggeschroefd tot 0,5 % van de middelen die dat jaar in het kader van het programma worden uitbetaald, behalve in 2027, het laatste jaar van de nieuwe financieringsperiode.

Meer informatie:

Juridische teksten en informatiebladen

 

 

[1] Meer dan 1,6 miljard EUR in lopende prijzen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling wordt toegewezen aan ultraperifere en noordelijke dunbevolkte regio's. * [geactualiseerd op 6 juni 2018 om 11.00]

 

MEMO/18/3866

Contactpersoon voor de pers:

Voor het publiek: Europe Direct per telefoon 00 800 67 89 10 11 of e-mail


Side Bar