Navigation path

Left navigation

Additional tools

Europese Commissie

MEMORANDUM

Brussel, 15 januari 2014

Europese Commissie houdt vast aan vrij verkeer van personen

(zie ook IP/13/1151)

Ruim 14 miljoen EU-burgers zijn duurzaam gevestigd in een andere lidstaat en daarmee is het vrije verkeer – de mogelijkheid overal in de EU te kunnen wonen, werken en studeren – het EU-recht dat Europeanen het meest waarderen. De belangrijkste motivatie voor Europese burgers om gebruik te maken van het vrije verkeer is werkgerelateerd, gevolgd door gezinsredenen. Van alle EU-burgers die in 2012 in een ander EU-land woonden ("mobiele EU-burgers"), behoorde meer dan driekwart (78 %) tot de bevolking in de werkende leeftijd (15-64 jaar), in vergelijking met circa 66 % van de eigen onderdanen. Gemiddeld lag de arbeidsparticipatie van mobiele EU-burgers (67,7 %) hoger dan die van onderdanen van het betreffende land (64,6 %).

Mobiele EU-burgers zonder baan (namelijk studenten, gepensioneerden, werkzoekenden en niet-actieve gezinsleden) vertegenwoordigen slechts een klein deel van het totale aantal mobiele EU-burgers. Bovendien had 64 % van hen eerder wel gewerkt in hun huidige land van verblijf. 79 % woont in een huishouden waarvan ten minste één lid een baan heeft. Het algemene percentage inactieven onder mobiele EU-burgers daalde tussen 2005 en 2012 van 34,1 % tot 30,7 %.

Het vrije verkeer van burgers, dat verankerd ligt in de EU-verdragen, is een integrerend onderdeel van de eengemaakte markt en een wezenlijk element van het succes ervan: het stimuleert de economische groei doordat mensen over de grens kunnen reizen en winkelen. Daarnaast komt het vrije verkeer van werknemers niet alleen de werknemers zelf ten goede, maar profiteert ook de economie van de lidstaten ervan doordat vaardigheden en vacatures in de arbeidsmarkt van de EU beter op elkaar kunnen worden afgestemd. Ondanks de economische crisis zijn er vandaag de dag in de EU nog steeds ongeveer 2 miljoen onvervulde vacatures.

De op 25 november door de Europese Commissie goedgekeurde mededeling over het vrije verkeer benadrukt de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de lidstaten en de EU-instellingen om de rechten van EU-burgers om in een ander EU-land te wonen en te werken te handhaven en schetst concrete acties om de lidstaten hierbij te ondersteunen en tevens te helpen om gebruik te maken van de voordelen die het vrije verkeer biedt. Het beleidsdocument verduidelijkt de rechten van EU-burgers op vrij verkeer en toegang tot sociale voorzieningen, en ook wordt ingegaan op de problemen die door sommige lidstaten naar voren zijn gebracht met betrekking tot de uitdagingen die mobiliteit voor de lokale overheden kan opleveren.

1. Rechtskader voor het vrije verkeer

Wat is het vrije verkeer van werknemers?

EU-werknemers profiteren al sinds de jaren zestig van de vrijheid om in een andere lidstaat te werken: dit recht was al aan het begin van de Europese opbouw verankerd in de EU-verdragen. Het is nu vastgelegd in artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Dit omvat onder andere het recht om niet te worden gediscrimineerd op grond van nationaliteit wat de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden betreft.

Verordening (EU) nr. 492/2011 beschrijft het recht van werknemers op vrij verkeer en definieert specifieke gebieden waarop discriminatie op grond van nationaliteit verboden is, in het bijzonder wat betreft toegang tot werk, arbeidsvoorwaarden, sociale en fiscale voordelen, toegang tot opleiding, lidmaatschap van vakbonden, huisvesting en toegang van kinderen tot onderwijs.

De bestrijding van discriminatie van werknemers uit andere lidstaten en de bewustmaking van het recht van EU-onderdanen om in een ander EU-land te werken, zijn de belangrijkste doelstellingen van het voorstel voor een richtlijn om het vrije verkeer van werknemers te vergemakkelijken dat de Commissie eind april 2013 heeft gepresenteerd (zie IP/13/372, MEMO/13/384 en SPEECH/13/373); deze richtlijn zal naar verwachting in loop van de komende weken formeel worden vastgesteld door de Raad van de EU en het Europees Parlement.

Arbeidsmobiliteit in de EU is niet alleen goed voor werknemers, maar ook voor de economieën van de lidstaten. Ook de gastlanden varen er wel bij, omdat bedrijven op deze manier vacatures kunnen vervullen die anders niet vervuld zouden worden, en zo de goederen en diensten kunnen produceren die zij anders niet zouden kunnen produceren. De landen van herkomst van de burgers hebben er ook baat bij, omdat werknemers die anders minder goed werk zouden kunnen vinden, aan een baan komen en hun gezin in hun thuisland kunnen onderhouden, en daarbij vaardigheden en ervaringen opdoen die zij anders niet zouden hebben. Wanneer mobiele werknemers later terugkeren naar hun land van herkomst, profiteren zij van deze ervaring.

Wat is het vrije verkeer van burgers?

Twintig jaar geleden met het Verdrag van Maastricht werd het recht op vrij verkeer erkend voor alle EU-burgers, ongeacht of zij economisch actief zijn of niet, als een van de fundamentele vrijheden die zij krachtens het EU-recht genieten (artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie). Het raakt de kern van het burgerschap van de EU.

De specifieke voorschriften en voorwaarden voor vrij verkeer en verblijf zijn vastgelegd in een richtlijn waarover die de lidstaten in 2004 overeenstemming hebben bereikt (Richtlijn 2004/38/EG).

Vrij verkeer is het meest gewaardeerde recht in de Europese Unie: voor 56 % van de Europese burgers is het vrije verkeer het meest positieve resultaat van de Europese Unie. Meer en meer Europeanen maken dan ook gebruik van dit recht en wonen in een andere lidstaat: eind 2012 woonden naar schatting 14,1 miljoen EU-burgers gedurende een jaar of langer in een andere dan hun eigen lidstaat. uit de Eurobarometer-enquêtes blijkt dat meer dan twee derde (67 %) van de Europeanen meent dat het vrije verkeer van personen binnen de EU economische voordelen heeft voor hun land.

Voor wie geldt het recht van vrij verkeer?

Eerste drie maanden: Elke EU-burger heeft het recht om zonder voorwaarden of formaliteiten maximaal drie maanden in een ander EU-land te verblijven.

Na de eerste drie maanden: Om langer dan drie maanden in een ander EU-land te mogen verblijven, moeten EU-burgers voldoen aan bepaalde voorwaarden, afhankelijk van hun status in het EU-gastland:

Werknemers en zelfstandigen, en hun gezinsleden, hebben een verblijfsrecht zonder voorwaarden.

Werkzoekenden hebben een verblijfsrecht van zes maanden zonder voorwaarden en formaliteiten, of zelfs langer als zij werk blijven zoeken in het gastland en een reële kans maken op een baan. Werkzoekenden kunnen hun werkloosheidsuitkering uit de lidstaat van herkomst voor een minimum van drie maanden exporteren terwijl zij werk zoeken in een ander EU-land als zij zich eerst als werkloze hebben ingeschreven in hun lidstaat van herkomst.

Studenten en andere economisch niet-actieve personen (werklozen, gepensioneerden, enz.) hebben het recht langer dan drie maanden te verblijven als zij voor zichzelf en hun gezin over voldoende bestaansmiddelen beschikken om niet ten laste van het stelsel van sociale bijstand van het EU-gastland te komen, en een ziektekostenverzekering hebben.

Na vijf jaar: Na vijf jaar ononderbroken wettig verblijf krijgen EU-burgers en hun gezinsleden het recht van verblijf op een permanente basis in het EU-gastland. Nadat zij dit recht hebt verworven, is dit niet langer onderworpen aan de voorwaarden die in de vijf jaar daarvoor golden.

2. Sociale bijstand en uitkeringen

Wie heeft recht op sociale bijstand?

Sociale bijstand is een minimumuitkering en bestaat meestal uit uitkeringen die de kosten van levensonderhoud dekken of bijstand die wordt uitbetaald voor bijzondere omstandigheden in het leven.

EU-burgers die legaal in een ander EU-land verblijven, moeten gelijk worden behandeld als onderdanen van het gastland. Dankzij het beginsel van gelijke behandeling hebben zij daarom meestal recht op uitkeringen en sociale en fiscale voordelen, waaronder sociale bijstand, die het EU-gastland aan de eigen onderdanen toekent.

Wel kent het EU-recht waarborgen ten aanzien van de toegang tot sociale bijstand voor economisch niet-actieve mobiele EU-burgers, om een onredelijke financiële belasting voor het gastland te vermijden.

Eerste drie maanden: Het EU-gastland is volgens de EU-wetgeving niet verplicht gedurende de eerste drie maanden van verblijf sociale bijstand toe te kennen aan economisch niet-actieve EU-burgers.

Van drie maanden tot vijf jaar: Economisch niet-actieve EU-burgers komen in de praktijk waarschijnlijk niet in aanmerking voor een sociale bijstandsuitkering, aangezien zij eerst bij de nationale instanties hadden moeten aantonen dat zij over voldoende bestaansmiddelen beschikten om het verblijfsrecht te verkrijgen (zie hierboven).

Indien zij een sociale bijstandsuitkering aanvragen, bijvoorbeeld omdat hun economische situatie daarna is verslechterd, moet hun verzoek worden beoordeeld in het licht van hun recht op gelijke behandeling. Maar ook hier voorziet de EU-wetgeving in waarborgen:

Ten eerste kan in specifieke gevallen het aanvragen van sociale bijstand aanleiding geven tot een redelijke twijfel van de zijde van de nationale instanties dat de betrokkene mogelijk een onredelijke belasting voor het socialebijstandsstelsel is geworden.

Verder kan de lidstaat aan de toekenning van sociale bijstand of een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie (ofwel uitkeringen die elementen van sociale uitkeringen en sociale bijstand bevatten en onder Verordening (EG) nr. 883/2004 vallen) de voorwaarde verbinden dat de burger voldoet aan de eisen voor het verkrijgen van het wettelijk verblijfsrecht voor een periode van meer dan drie maanden. De lidstaat kan echter niet automatisch weigeren deze voordelen aan niet-actieve EU-burgers toe te kennen en er mag niet automatisch vanuit worden gegaan dat zij niet over voldoende bestaansmiddelen beschikken en dus geen recht op verblijf hebben.

De nationale instanties moeten de individuele situatie beoordelen, rekening houdend met een aantal factoren (bedrag, duur, tijdelijke aard van de problemen, zwaarte van de lasten voor het nationale bijstandsstelsel).

Als de instanties op basis van een dergelijke individuele beoordeling concluderen dat de betrokken personen een onredelijke belasting vormen, kunnen zij hun verblijfsrecht beëindigen.

Na vijf jaar: EU-burgers die het duurzaam verblijfsrecht hebben verkregen, hebben op dezelfde wijze recht op sociale bijstand als onderdanen van het EU-gastland. De EU-wetgeving voorziet niet in afwijkingen van dit beginsel.

Wie heeft recht op sociale uitkeringen?

Bekende uitkeringen van de sociale zekerheid zijn ouderdomspensioenen, pensioenen voor nabestaanden, uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid, uitkeringen bij ziekte, geboortetoelagen, werkloosheidsuitkeringen, gezinstoeslagen of de gezondheidszorg.

De lidstaten stellen zelf hun socialezekerheidsregelgeving op al naar gelang hun eigen omstandigheden. De EU coördineert de socialezekerheidsregelgeving (Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009) alleen maar in de mate die nodig is om ervoor te zorgen dat de EU-burgers hun rechten op sociale zekerheid niet verliezen als zij binnen de EU verhuizen.

Dit betekent dat de wetgeving in het gastland bepaalt in welke uitkeringen wordt voorzien, onder welke voorwaarden deze worden toegekend (rekening houdend met de gewerkte periode bijvoorbeeld), voor hoe lang en hoeveel er wordt uitbetaald. Het recht op een uitkering verschilt derhalve in verschillende EU-landen.

Verordening (EG) nr. 883/2004 zorgt er slechts voor dat mobiele burgers van de EU na een verhuizing beschermd blijven door sociale zekerheid, met name door te bepalen welk van de betrokken lidstaten verantwoordelijk is voor de sociale zekerheid.

Werknemers — al dan niet werkzaam in loondienst — en hun gezinsleden vallen onder het socialezekerheidsstelsel van het gastland, en wel onder dezelfde voorwaarden als nationale onderdanen, omdat zij net als alle andere nationale werknemers via premies en belastingen bijdragen aan de openbare middelen waarmee de prestaties worden gefinancierd.

Voor mobiele EU-burgers die niet werken in het gastland, kan de regel van het land waar de werknemer werkzaam is, niet worden toegepast omdat er per definitie geen land is waar zij werken. Op grond van de EU-wetgeving inzake de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels wordt de lidstaat van verblijf pas verantwoordelijk voor de sociale zekerheid als de burgers aan het strikte criterium van de gewone verblijfplaats voldoen, waaruit blijkt dat zij een echte band hebben met de lidstaat in kwestie. Dit strikte criterium zorgt ervoor dat burgers die niet werken, pas toegang tot sociale zekerheid in een andere lidstaat krijgen als zij hun belangencentrum serieus naar dat land hebben verplaatst (bijvoorbeeld omdat hun gezin er woont).

3. Invloed van mobiele EU-burgers op de nationale socialezekerheidsstelsels

Volgens cijfers van de lidstaten en een in oktober 2013 gepubliceerde studie van de Europese Commissie maken in de meeste EU-landen EU-burgers uit andere lidstaten niet vaker gebruik van een uitkering dan de onderdanen van het gastland zelf. In de onderzochte landen ontvangen mobiele EU-burgers wel vaker een woonsubsidie of gezinsgerelateerde uitkering.

In het specifieke geval van uitkeringen zoals sociale pensioenen, invaliditeitsuitkeringen en premievrije werkloosheidsuitkering die worden gefinancierd uit algemene belastingen en niet uit premies van de ontvanger (ook wel bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties genoemd) blijkt uit de studie dat economisch niet-actieve mobiele EU-burgers slechts een zeer klein deel van de uitkeringsgerechtigden uitmaken en dat die aanvragen zeer geringe gevolgen hebben voor de nationale begrotingen. Zij maken nog geen 1 % van alle uitkeringsgerechtigden (van een nationaliteit van een EU-lidstaat) uit in zes onderzochte landen (Bulgarije, Estland, Griekenland, Malta, Oostenrijk en Portugal) en tussen 1 % en 5 % in vijf andere landen (Duitsland, Finland, Frankrijk, Nederland en Zweden).

Uit de studie bleek verder het volgende:

de overgrote meerderheid van de EU-onderdanen die naar een ander EU-land verhuizen, doet dat om daar te gaan werken;

de arbeidsparticipatie van deze mobiele EU-burgers is de afgelopen zeven jaar toegenomen;

mobiele EU-burgers hebben vaker een baan dan onderdanen van het gastland (deels omdat meer mobiele EU-burgers dan onderdanen in de leeftijdsgroep van 15-64 jaar vallen);

niet-werkende mobiele EU-burgers vormen een heel klein deel van de totale bevolking van elke lidstaat en tussen 0,7 % en 1,0 % van de totale bevolking van de EU.

de uitgaven in verband met de gezondheidszorg die aan niet-werkende mobiele EU-burgers wordt verleend, zijn zeer laag in verhouding tot de totale gezondheidszorguitgaven (gemiddeld 0,2 %) of de omvang van de economie van de gastlanden (gemiddeld 0,01 % van het bbp).

  • Mobiele EU-burgers vertegenwoordigen een zeer klein aandeel van de begunstigden van niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties – uitkeringen die kenmerken van zowel sociale zekerheid als sociale bijstand hebben: minder dan 1 % van alle begunstigden (die EU-burgers zijn) in zes landen (Bulgarije, Estland, Griekenland, Malta, Oostenrijk en Portugal); tussen 1 % en 5 % in vijf andere landen (Duitsland, Finland, Frankrijk, Nederland en Zweden), en meer dan 5 % in België en Ierland (hoewel de cijfers voor Ierland op aanvragen gebaseerde ramingen zijn).

  • Er is geen statistische relatie tussen de omvang van de sociale zekerheid en de instroom van mobiele EU-burgers.

Belangrijkste kenmerken van mobiele EU-burgers zonder baan:

  • 64 % heeft eerder gewerkt in hun huidige land van verblijf;

  • 71 % zijn gepensioneerden, studenten en werkzoekenden;

79 % woont in een huishouden waarvan ten minste één lid een baan heeft.

Het meest recente onderzoek bevestigt de resultaten van andere studies die consequent aantonen dat werknemers uit andere lidstaten nettobetalers aan de overheidsfinanciën van het gastland zijn. EU-werknemers uit andere lidstaten betalen normaal gesproken meer aan de begroting van het gastland aan belastingen en sociale premies dan zij aan uitkeringen ontvangen, omdat het meestal jonger en economisch actiever zijn dan de eigen beroepsbevolking van het gastland. Het gaat onder andere om de International Migration Outlook 2013 van de OESO, de studie van het Centre for Research and Analysis of Migration "Assessing the Fiscal Costs and Benefits of A8 Migration to the UK"en de recente studie van het Centre for European Reform.

4. Hoe wordt omgegaan met mogelijk misbruik?

Welke hulpmiddelen biedt de EU-wetgeving de lidstaten om misbruik te voorkomen?

De EU-wetgeving omvat sterke waarborgen om te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van het recht van vrij verkeer.

De EU-regels voor het vrije verkeer van burgers stellen de lidstaten in staat doeltreffend de nodige maatregelen nemen om op te treden tegen misbruik (zoals schijnhuwelijken) en fraude (zoals vervalsing van documenten of andere kunstmatig gedrag of bedrog dat uitsluitend tot doel heeft het recht op vrij verkeer te verwerven, door de krachtens Richtlijn 2004/38/EG (artikel 35) verleende rechten te weigeren of te beëindigen. Deze maatregelen moeten evenredig zijn en zijn onderworpen aan de procedurele waarborgen die in de richtlijn zijn vastgelegd.

Nationale instanties kunnen individuele gevallen onderzoeken als zij een gegrond vermoeden van misbruik hebben, en als zij tot de slotsom komen dat er inderdaad sprake van misbruik is, kunnen zij het verblijfsrecht van de betrokken persoon intrekken en hem/haar het land uitzetten.

Bovendien kunnen de nationale instanties, na beoordeling van alle relevante omstandigheden en afhankelijk van de ernst van de overtreding (bijvoorbeeld vervalsing van een document, schijnhuwelijk met betrokkenheid van de georganiseerde misdaad), ook concluderen dat de betrokkene een reële, voortdurende en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt en hem/haar op grond daarvan niet alleen verwijderen, maar daarnaast een uitzettingsbesluit nemen — zodat hij/zij gedurende een bepaalde periode niet op het grondgebied mag terugkeren.

Wat stelt de Commissie voor om de punten van zorg van de lidstaten aan te pakken?

Op 25 november heeft de Commissie vijf concrete acties gepresenteerd die samenwerking tussen de lidstaten vereisen om succesvol te zijn. Dit zijn concrete voorbeelden van hoe de EU nationale en lokale overheden kan helpen optimaal gebruik te maken van de voordelen van het vrije verkeer van EU-burgers, gevallen van misbruik en fraude aan te pakken, de uitdagingen op het gebied van sociale integratie aan te gaan, en de beschikbare fondsen in de praktijk in te zetten.

  1. Het aanpakken van schijnhuwelijken: De Commissie zal nationale instanties helpen de EU-regels ten uitvoer leggen die hen in staat stellen misbruik van het recht op vrij verkeer tegen te gaan, door het opstellen van een handleiding over het tegengaan van schijnhuwelijken, die in het voorjaar van 2014 zal verschijnen.

  2. Het toepassen van de EU-regels voor de coördinatie van de sociale zekerheid: De Commissie heeft nauw samengewerkt met de lidstaten om de "gewone verblijfplaats"-toetsing te verduidelijken die in de EU-regelgeving voor de coördinatie van de sociale zekerheid (Verordening 883/2004/EG) wordt gebruikt. Een praktische gids hierover is op 13 januari 2014 verschenen (IP/14/13). De strikte criteria voor deze toetsing zorgen ervoor dat burgers die niet werken, pas toegang tot sociale zekerheid in een andere lidstaat krijgen als zij hun belangencentrum daadwerkelijk naar dat land hebben verplaatst (bijvoorbeeld doordat hun gezin er woont).

  3. Het aanpakken van de uitdagingen op het gebied van sociale integratie: De lidstaten te helpen het gebruik van het Europees Sociaal Fonds ter bevordering van sociale integratie verder te verbeteren: in de programmeringsperiode 2014-2020 moet ten minste 20 % van de ESF-toewijzing in elke lidstaat (vergeleken met het huidige aandeel van 17 %) worden besteed aan bevordering van de sociale integratie en de bestrijding van armoede en alle vormen van discriminatie. Bovendien zal het ESF ook kunnen worden gebruikt voor de financiering van capaciteitsopbouw voor alle belanghebbenden op nationaal, regionaal of lokaal niveau. Er zullen beleidsrichtsnoeren aan de lidstaten worden gegeven over zowel de oorsprong als de bestemming van mobiele EU-burgers, zodat programma’s voor sociale integratie kunnen worden ontwikkeld met de steun van het ESF. De Commissie zal zich blijven inspannen om te helpen bij het opbouwen van de capaciteit van de lokale overheden om doelmatig gebruik te maken van de Europese structuur- en investeringsfondsen.

  1. Het bevorderen van de uitwisseling van goede praktijken tussen de lokale overheden: De Commissie zal de lokale overheden helpen goede werkwijzen die in heel Europa zijn ontwikkeld uit te wisselen, om de regels voor het vrije verkeer toe te passen en beter opgewassen te zijn tegen de uitdagingen van sociale integratie. De Commissie zal een studie over het effect van het recht van vrij verkeer in zes grote steden uitvoeren, die op 11 februari 2014 zal worden gepresenteerd op een vergadering met burgemeesters uit heel Europa. De Commissie wil die vergadering benutten om burgemeesters te helpen bij het aanpakken van uitdagingen waarmee zij eventueel geconfronteerd kunnen worden in hun gemeenten, om hen in staat te stellen om goede praktijken uit te wisselen, en om hen te adviseren met betrekking tot het aanvragen van EU-financiering voor sociale integratie. Het Comité van de regio's zal als gastheer optreden.

  2. Ervoor zorgen dat de regels voor het vrije verkeer in de praktijk worden toegepast: de Commissie zal voor het einde van 2014 een online opleidingsmodule opzetten om medewerkers van de lokale overheden te helpen de rechten van de EU-burgers op vrij verkeer volledig te begrijpen en toe te passen. De Commissie heeft voorgesteld dat in alle lidstaten organen voor juridische ondersteuning en informatie worden opgericht voor mobiele EU-werknemers (zie IP/13/372). Op 17 januari 2014 zal de Commissie een voorstel presenteren om Eures – het Europese netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening – te moderniseren, zodat de rol en impact van de diensten voor arbeidsvoorziening op nationaal niveau wordt versterkt, de coördinatie van de arbeidsmobiliteit in de EU wordt verbeterd en Eures zich ontwikkelt tot een volwaardig instrument voor plaatsing en werving. Momenteel geeft 47 % van de EU-burgers aan dat de problemen die zij ondervinden wanneer zij naar een ander EU-land verhuizen, een gevolg zijn van het feit dat ambtenaren van de lokale overheden onvoldoende bekend zijn met het recht van de EU-burgers op vrij verkeer en verblijf.

Meer informatie

Studie van de Europese Commissie over het effect van niet-actieve mobiele EU-burgers op de sociale zekerheid:

http://ec.europa.eu/social/main.jsp?langId=nl&catId=89&newsId=1980&furtherNews=yes.com

Europese Commissie – Vrij verkeer in de EU

http://ec.europa.eu/justice/citizen/move-live/index_en.htm

Informatie over de coördinatie van de sociale zekerheid:

http://ec.europa.eu/social/main.jsp?langId=nl&catId=849

Homepage van Viviane Reding, vicevoorzitter van de Europese Commissie en EU-commissaris voor Justitie:

http://ec.europa.eu/reding

Homepage van László Andor, de EU-commissaris voor Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie:

http://ec.europa.eu/andor

Volg vicevoorzitter Reding op Twitter: @VivianeRedingEU

Volg commissaris Andor op Twitter: @LaszloAndorEU

Bijlage

Bijlage 1: Vrij verkeer is het meest gewaardeerde recht

Bron: Standard Eurobarometer 79, voorjaar 2013

Bijlage 2: Publieke perceptie van het vrije verkeer

Bron: Flash Eurobarometer 365 on 'European Union Citizenship', blz. 44

Bijlage 3: Hoeveel EU-burgers zijn mobiel?

Jaarlijkse grensoverschrijdende mobiliteit in de EU ten opzichte van de VS en Australië

Bron: OECD Economic Survey of the EU – 2012

Bijlage 4: Mobiele EU-burgers zijn vaker economisch actief dan de eigen onderdanen van de lidstaten

De grafiek is ingedeeld naar het aantal mobiele EU-burgers in de werkende leeftijd (15-64 jaar) die in het land wonen.

Bron: Eurostat, EU-arbeidskrachtenenquête (tabel lfsa_argan). NB: Alleen de belangrijkste landen van bestemming van mobiele EU-burgers zijn in de grafiek opgenomen. Deze 17 lidstaten vertegenwoordigden 99 % van de mobiele EU-burgers in 2012.


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website