Chemin de navigation

Left navigation

Additional tools

De belasting op financiële transacties (FTT) in het kader van nauwere samenwerking: vragen en antwoorden

Commission Européenne - MEMO/13/98   14/02/2013

Autres langues disponibles: FR EN DE ES IT PT EL ET LT SK SL

Europese Commissie

MEMO

Brussel, 14 februari 2013

De belasting op financiële transacties (FTT) in het kader van nauwere samenwerking: vragen en antwoorden

(zie ook IP/13/115)

Waarom heeft de Commissie voorgesteld om de belasting op financiële transacties ten uitvoer te leggen via nauwere samenwerking?

In haar oorspronkelijke voorstel van september 2011 wilde de Commissie de belasting op financiële transacties invoeren in alle 27 lidstaten (IP/11/1085). Na intensieve besprekingen in de Raad bleek evenwel dat er geen unanimiteit over dit voorstel kon worden bereikt op de korte termijn.

Een aantal lidstaten wilde echter absoluut werk maken van de FTT. In het najaar van 2012 hebben elf lidstaten commissaris Šemeta daarom officieel verzocht om een nauwere samenwerking te mogen aangaan op het gebied van belasting op financiële transacties, op basis van het Commissievoorstel van 2011.

De Commissie heeft deze verzoeken grondig getoetst aan de criteria voor nauwere samenwerking die in de Verdragen zijn vastgelegd. Op basis hiervan heeft zij in oktober 2012 een voorstel gedaan voor een besluit om toestemming te verlenen voor nauwere samenwerking op het gebied van de FTT (zie IP/12/1138). Dit besluit heeft in december de steun gekregen van het Europees Parlement en is in januari 2013 aangenomen door de Europese ministers van Financiën in de Raad ECOFIN.

Zodra de nauwere samenwerking groen licht had gekregen, kon de Commissie het FTT-voorstel voor de elf lidstaten verder uitwerken, en het is dit voorstel dat zij vandaag gepresenteerd heeft.

Wat is nauwere samenwerking?

Bij nauwere samenwerking besluit een groep van ten minste negen lidstaten om samen werk te maken van een initiatief dat door de Commissie is voorgesteld, als duidelijk is geworden dat er binnen redelijke termijn geen unanieme overeenstemming kan worden bereikt. Deze samenwerking geldt uitsluitend voor beleidsterreinen die unanimiteit vereisen, en de bedoeling ervan is een oplossing te bieden voor een situatie waarin sommige lidstaten niet verder kunnen gaan met een gemeenschappelijke aanpak omdat andere er terughoudend tegenover staan of er niet mee akkoord gaan.

In artikel 20 VEU en de artikelen 326 tot en met 334 VWEU zijn duidelijke bepalingen en voorwaarden in verband met nauwere samenwerking vastgesteld.

Nadere informatie over de procedure voor nauwere samenwerking kan worden geraadpleegd in MEMO/12/799.

Welke lidstaten zijn van plan om de gemeenschappelijke FTT ten uitvoer te leggen via nauwere samenwerking?

Elf lidstaten, die samen twee derde van het bbp van de EU vertegenwoordigen, hebben toestemming gekregen om in het kader van nauwere samenwerking een gemeenschappelijke belasting op financiële transacties in te voeren. Het gaat om België, Duitsland, Estland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Oostenrijk, Portugal, Slovenië en Slowakije.

Kunnen andere lidstaten later tot de FTT-groep toetreden, en hoe?

Ja. Een van de in de Verdragen vastgelegde voorwaarden voor nauwere samenwerking is dat iedere lidstaat die op een later tijdstip aan de samenwerking wil deelnemen, dat ook moet kunnen. In dat geval moet die lidstaat een verzoek indienen bij de Commissie, die dit aan de Verdragscriteria zal toetsen (zoals zij dat ook bij de oorspronkelijke verzoeken heeft gedaan).

Wat zijn de basiskenmerken van de FTT in het voorstel voor de elf lidstaten?

Zoals door de elf lidstaten werd gevraagd, neemt het huidige voorstel het toepassingsgebied en de doelstellingen van het oorspronkelijke FTT-voorstel van de Commissie in grote mate over.

De doelstellingen zijn ongewijzigd gebleven, namelijk:

- een versnippering van de eengemaakte markt, als gevolg van niet op elkaar afgestemde maatregelen waarbij de lidstaten elk hun eigen belasting op financiële transacties invoeren, voorkomen;

- ervoor zorgen dat de financiële sector een billijke en belangrijke bijdrage levert aan de overheidsfinanciën en aan het betalen van de crisis, met name omdat hij momenteel te laag wordt belast ten opzichte van andere sectoren;

- passende negatieve prikkels creëren voor financiële transacties die de financiële markten of de reële economie niet efficiënter maken.

Ook het toepassingsgebied van de FTT valt grotendeels samen met dat van het voorstel van 2011, en wel als volgt:

- de belasting heeft een zeer brede grondslag: zij omvat transacties, verricht door financiële instellingen, in alle financiële instrumenten en op alle financiële markten, zodra er een duidelijk economisch verband met de FTT-zone bestaat.

- de tarieven zijn laag: 0,1 % voor aandelen en obligaties, rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging, geldmarktinstrumenten, retrocessie­overeenkomsten en overeenkomsten inzake verstrekte effectenleningen, en 0,01 % voor derivaten. Dit zijn de voorgestelde minimumtarieven en de deelnemende lidstaten mogen hogere tarieven toepassen als zij dat willen. De belasting moet worden voldaan door iedere financiële instelling die bij de transactie betrokken is;

- courante financiële activiteiten van gewone burgers en bedrijven (bv. verzekerings­contracten, hypotheek- en bedrijfsleningen, creditcardtransacties, betalingsdiensten, deposito's, contante valutatransacties enz.) zijn van de FTT uitgesloten om de reële economie te beschermen;

- het bijeenbrengen van kapitaal (d.w.z. de primaire uitgifte van aandelen en obligaties en rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging) en bepaalde herstructureringen blijven buiten de heffing. Hetzelfde geldt voor financiële transacties met de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale centrale banken, de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF) en het Europese Stabiliteitsmechanisme (ESM);

- het "woonplaatsbeginsel" blijft een belangrijke pijler van het stelsel om te garanderen dat financiële transacties niet naar elders worden verschoven. Bij het woonplaatsbeginsel wordt gekeken naar wie er bij de transactie betrokken is en niet naar waar deze plaatsvindt. Als een financiële instelling die bij de transactie betrokken is, in de FTT-zone gevestigd is, of als zij optreedt namens een partij die in die zone gevestigd is, zal de transactie worden belast, waar ook ter wereld zij wordt verricht.

Om belastingontwijking nog beter te voorkomen, heeft de Commissie dit voorstel uitgebreid met het beginsel van de plaats van uitgifte. Dit betekent dat een transactie ook zal worden belast, ongeacht waar en ongeacht wanneer zij wordt verricht, als het gaat om financiële instrumenten die zijn uitgegeven in een van de deelnemende lidstaten.

Welke zijn de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het FTT-voorstel van 2011 en waarom zijn deze wijzigingen ingevoerd?

Alle wijzigingen in het nieuwe voorstel ten opzichte van dat van 2011 komen tegemoet aan een van de volgende twee doelstellingen: ofwel moeten zij meer juridische duidelijkheid verschaffen, waar dat nodig werd geacht, ofwel moeten zij de bepalingen ter bestrijding van misbruik en ontwijking intensiveren, zoals de elf deelnemende lidstaten hadden gevraagd. Dit zijn de belangrijkste wijzigingen:

- om ontwijking beter te bestrijden, is het beginsel van de plaats van uitgifte in het voorstel opgenomen (zie hierover verder). Daarnaast is er een algemene en een specifieke antimisbruikbepaling toegevoegd;

- de lidstaten en andere overheidsorganen zijn nu, wanneer zij zich bezighouden met het beheer van de overheidsschuld, uitdrukkelijk van het toepassingsgebied van de FTT uitgesloten;

- er is nu uitdrukkelijk bepaald dat de ECB, de EFSF en het ESM van de FTT zijn uitgesloten;

- voor belastingdoeleinden zal de ruil van financiële instrumenten voortaan worden aangemerkt als twee transacties, terwijl retrocessie- en omgekeerde retrocessie­overeenkomsten en overeenkomsten inzake verstrekte en opgenomen effectenleningen slechts als één transactie gelden, omdat zij uit economisch oogpunt gelijk zijn aan een (enkele) kredietverrichting;

- de uitgifte van aandelen en rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging en herstructureringen blijven nu ook buiten de heffing.

Zijn er nog altijd voordelen aan de FTT verbonden als niet alle lidstaten deze belasting toepassen?

Dat lijdt geen twijfel. De Commissie had weliswaar graag gezien dat de FTT in de gehele EU werd toegepast, maar toen dit onmogelijk bleek, was de keuze voor nauwere samenwerking de juiste beslissing. De doelstellingen die de Commissie had vastgesteld, zijn nog altijd geldig en haalbaar. Een gemeenschappelijke FTT zal ervoor zorgen dat de financiële sector een billijker bijdrage levert aan de overheidsfinanciën; de sector wordt momenteel in de EU jaarlijks voor zo'n 18 miljard euro te laag belast en heeft ook zeer sterk geprofiteerd van de reddingsoperaties die door de belastingbetaler zijn voor­gefinancierd. Ook zal de versnippering van de eengemaakte markt worden tegen­gegaan, omdat met de FTT één regeling voor de belasting van financiële transacties wordt opgezet die elf lidstaten dekt. Belangrijk is voorts dat de lidstaten die deelnemen aan de nauwere samenwerking op het gebied van de FTT, toegang zullen krijgen tot een omvangrijke nieuwe bron van inkomsten zonder dat de belastingdruk bij de gewone burger stijgt.

Hoeveel inkomsten zal de FTT naar verwachting opleveren? Hoe zullen deze worden aangewend?

De FTT die wordt voorgesteld in het kader van de nauwere samenwerking, zal naar verwachting 30 tot 35 miljard euro per jaar opleveren, wat overeenkomt met 1 % van de belastinginkomsten van de deelnemende lidstaten.

De Commissie heeft voorgesteld om een deel van de inkomsten te gebruiken als een eigenmiddelenbron voor de EU-begroting, waardoor de nationale bni-bijdragen van de deelnemende lidstaten in dezelfde orde van grootte zouden dalen. De inkomsten voor de nationale begrotingen zouden kunnen worden aangewend om de overheidsfinanciën te helpen consolideren, in groeibevorderende activiteiten te investeren of toezeggingen op het gebied van ontwikkelingshulp na te komen. Maar uiteindelijk zijn het de deelnemende lidstaten die over de besteding van de FTT-inkomsten zullen beslissen.

Bestaat het risico dat de financiële sectoren in de deelnemende lidstaten zich verplaatsen naar lidstaten of niet‑EU‑landen die deze gemeenschappelijke FTT niet toepassen?

Ook het vandaag gepresenteerde voorstel bevat krachtige maatregelen om het risico van verplaatsing te beperken. Met name het "woonplaatsbeginsel" garandeert dat een transactie wordt belast wanneer een bij de transactie betrokken partij in de FTT‑zone is gevestigd, ongeacht waar ter wereld de transactie zelf plaatsvindt. Dit betekent dat financiële marktdeelnemers de FTT alleen kunnen ontwijken als zij bereid zijn zich elders te vestigen, al hun klanten in de elf lidstaten opgeven en zich onthouden van elke interactie met financiële instellingen die in de deelnemende lidstaten zijn gevestigd. De kans op verplaatsing is hierdoor erg onwaarschijnlijk, zeker ook gezien het lage tarief van de voorgestelde FTT en het feit dat de deelnemende landen samen goed zijn voor twee derde van het bbp van de EU.

Toch heeft de Commissie in het vandaag gepresenteerde voorstel maatregelen getroffen om de waarborgen tegen verplaatsingen nog verder te versterken. Op grond van het plaats-van-uitgiftebeginsel worden financiële instrumenten die in de elf lidstaten zijn uitgegeven, belast wanneer zij worden verhandeld, ook als de daarbij betrokken partijen niet in de FTT-zone zijn gevestigd. Ook dit neemt elke prikkel weg om zich elders te vestigen en zo de belasting te ontwijken.

Financiële instellingen kunnen de belasting dus alleen ontwijken als zij hun klantenbestand in de FTT‑jurisdictie opgeven wat financiële instrumenten betreft, en als zij niet langer handelen in financiële producten die daar worden uitgegeven.

Eerbiedigt de voorgestelde FTT de desbetreffende territorialiteitsregels?

Ja. De voor de elf lidstaten voorgestelde FTT is volledig in overeenstemming met het internationale recht en met de fiscale beginselen van de EU. Het belasten van grensoverschrijdende diensten is in fiscaal beleid een algemeen aanvaard beginsel. Ter vergelijking hoe dit in zijn werk gaat, kan de btw als voorbeeld dienen. Wanneer een Belg via internet van een Amerikaans bedrijf software koopt, wordt deze software naar Belgisch tarief belast.

Bovendien zijn tal van nationale belastingen op de financiële sector gebaseerd op het plaats-van-uitgiftebeginsel en daarmee van toepassing op transacties die buiten hun eigen grondgebied plaatsvinden, zodra het verhandelde financiële product op hun grondgebied is uitgegeven. Hetzelfde geldt voor de voorgestelde FTT. Zolang er een duidelijk verband is tussen de transactie en het grondgebied van een deelnemende lidstaat, is het rechtmatig om deze belasting te heffen. Het voorstel bevat niettemin een algemene regel die de tot voldoening van de FTT gehouden persoon de mogelijkheid geeft te bewijzen dat het verband tussen de transactie en dat grondgebied ("economische-realiteitsbepaling") onvoldoende is en dat de belasting daarom niet hoeft te worden voldaan.

Wat zal het gevolg van de FTT voor groei en werkgelegenheid zijn?

Uit de meest recente analyses van de Commissie is gebleken dat de FTT niet tot verlies van werkgelegenheid zal leiden. Wat de economische gevolgen betreft, zorgt de FTT op de lange termijn naar verwachting voor een daling van 0,28 % van het bbp. Maar door op een slimme manier de FTT-inkomsten weer terug in de economie te brengen, kan de FTT mogelijk zelfs een positief effect van 0,2 % op het bbp hebben. Beide cijfers zijn het resultaat van cumulatieve effecten over perioden van tientallen jaren, gebaseerd op economische modellen. Belangrijker dan deze cijfers is het feit dat de invoering van een FTT geen negatieve gevolgen voor de groei of werkgelegenheid heeft.

Zal de FTT de gewone burger treffen?

De voorgestelde FTT laat de courante financiële activiteiten van gewone burgers en bedrijven buiten de heffing om hen, en de reële economie, te beschermen. In feite is de FTT zeer specifiek op de financiële sector gericht. Het voorstel heeft alleen betrekking op transacties waar financiële instellingen bij betrokken zijn, en ongeveer 85 % van de transacties vindt uitsluitend plaats tussen financiële instellingen.

Bovendien zijn de voorgestelde minimumbelastingtarieven erg laag om grote domino-effecten op de reële economie door stijgende kapitaalkosten te voorkomen. De financiële instellingen zullen uiteraard, net als bij andere kosten die zij maken, moeten nagaan of zij een dergelijke belasting zelf op zich nemen of doorberekenen, rekening houdend met de marktomstandigheden/concurrentie. Maar zelfs als de financiële sector een deel van de kosten aan zijn klanten doorberekent, zal het resultaat niet disproportioneel zijn. Een burger die bijvoorbeeld voor 10 000 EUR aan aandelen koopt, betaalt slechts 10 EUR belasting op de transactie.

Zal de FTT de niet-financiële sector treffen? En hoe zit dat met de traditionele investeringsbanken?

De dagelijkse financiële activiteiten van ondernemingen buiten de financiële sector zijn uitgezonderd van de voorgestelde FTT. Als het mkb of grotere bedrijven geld nodig hebben en dit van banken lenen, of als zij nieuwe aandelen of bedrijfsobligaties uitgeven, is dus geen belasting verschuldigd. Evenmin is belasting verschuldigd bij een fusie‑ of overnameactiviteit, of een management-buy-out waarbij financiële instellingen een belangrijke faciliterende rol spelen.

Alleen als financiële instellingen in staat zijn de kosten van de belasting aan hun zakelijke klanten door te berekenen, zou een beperkte kostenverhoging kunnen ontstaan. Deze zou echter vrij beperkt blijven aangezien de meeste gevolgen door de financiële sector zelf zullen moeten worden geabsorbeerd, omdat 85 % van alle transacties plaatsvindt tussen financiële instellingen onderling, zonder dat een klant van buiten in beeld komt.

Zal de FTT worden toegepast op pensioenfondsen, en kan dit een negatief effect hebben op pensioenen en gepensioneerden?

Pensioenfondsen vallen inderdaad onder het toepassingsgebied van de FTT. Zij zijn belangrijke actoren op de financiële markten, en zij concurreren rechtstreeks met andere beleggingsfondsen, zoals indexfondsen die de effectenbeurzen of obligatiemarkten zeer nauwgezet volgen. Het effect kan echter uiterst gering zijn, al naar gelang de opbouw van de beleggingsportefeuille en de investeringsstrategie (bijvoorbeeld frequentere handel tegenover minder frequente handel). Pensioenfondsen beschikken doorgaans over een gespreide beleggingsportefeuille en beleggen hun geld in financiële instrumenten (voornamelijk obligaties), maar ook in middelen die niet door de FTT worden beïnvloed, zoals contanten/valuta, deposito´s, onroerend goed, leningen, goud en zilver, enz.

Behoudende pensioenfondsen met volledige kapitaaldekking volgen doorgaans beleggingsstrategieën met een laag risico, wat zich hoofdzakelijk uit in het kopen van obligaties en aandelen op het moment dat deze worden uitgegeven, en zij houden deze tot het einde van hun looptijd. Dergelijke transacties behoren niet tot het toepassingsgebied van deze belasting.

Pensioenfondsen die veel verhandelen, zullen vaker met de belasting geconfronteerd worden. De FTT zou echter een afschrikkend effect kunnen hebben op het draaien van een hoge omzet en een prikkel kunnen geven tot een meer op de lange termijn gerichte omgang met fondsen. Dit zou op zijn beurt kunnen leiden tot een aanzienlijke vermindering van de beheersvergoedingen van die fondsen waarin pensioenfondsen vaak beleggen.

Wat zijn de gevolgen voor niet‑deelnemende lidstaten van een FTT in het kader van nauwere samenwerking?

Vóór de Commissie voorstelde dat de elf lidstaten via nauwere samenwerking verder mochten met de FTT, heeft zij grondig getoetst dat aan de voorwaarden in de Verdragen was voldaan.

Tot deze criteria behoorde de bepaling dat de niet‑deelnemende landen wat hun verplichtingen, rechten en bevoegdheden betreft, geen negatieve gevolgen mogen ondervinden van de nauwere samenwerking, noch dat de eengemaakte markt te maken mag krijgen met concurrentie‑ of andere verstoringen. De analyse van de Commissie was in alle opzichten positief.

De niet‑deelnemende lidstaten zullen bovendien profiteren van de verbeteringen in de eengemaakte markt door een geharmoniseerde FTT in elf lidstaten op het gebied van vereenvoudiging en administratieve lastenverlichting voor bedrijven.

Wat zal het gevolg voor de eengemaakte markt zijn van een FTT via nauwere samenwerking?

De door elf lidstaten toegepaste FTT zal positief uitpakken voor de eengemaakte markt. Een gemeenschappelijk FTT-systeem, gedeeld door elf lidstaten, vermindert het aantal uiteenlopende nationale benaderingen om de financiële sector te belasten. Dit zorgt voor minder concurrentieverstoringen, minder mogelijkheden om de belasting te ontwijken, meer transparantie en inlichtingenuitwisseling tussen de deelnemende landen, en minder nalevingskosten voor bedrijven en marktdeelnemers overal in de EU.

Wanneer zal de FTT door de elf lidstaten ten uitvoer worden gelegd?

Volgens het vandaag gepresenteerde voorstel zal de FTT voor de elf lidstaten op 1 januari 2014 van kracht worden. Of deze voorgestelde datum van tenuitvoerlegging wordt gehaald, hangt uiteraard af van de vraag of de Raad tijdig overeenstemming over het voorstel bereikt. Het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité en de nationale parlementen zullen ook worden geraadpleegd, en dan zal nationale omzetting nodig zijn.


Side Bar

Mon compte

Gérez vos recherches et notifications par email


Aidez-nous à améliorer ce site