Navigation path

Left navigation

Additional tools

Het Erasmus-programma in 2011/2012: de cijfers toegelicht

European Commission - MEMO/13/647   08/07/2013

Other available languages: EN FR DE DA ES IT SV PT FI EL CS ET HU LT LV MT PL SK SL BG RO HR

Europese Commissie

MEMO

Brussel, 8 juli 2013

Het Erasmus-programma in 2011/2012: de cijfers toegelicht

Vandaag heeft de Europese Commissie nieuwe cijfers1 bekendgemaakt over het aantal studenten, docenten en andere personeelsleden uit het hoger onderwijs dat in het academisch jaar 2011/2012 aan het Erasmus-programma heeft deelgenomen (IP/13/657). Aan 252 827 Europese studenten en 46 527 personeelsleden uit het hoger onderwijs werden Erasmus-beurzen toegekend om te studeren, stage te lopen, onderwijs te geven of een opleiding te volgen in het buitenland.

Erasmus biedt studenten uit het hoger onderwijs de mogelijkheid om een periode van drie tot twaalf maanden in een ander Europees land door te brengen – voor studies of voor een stage bij een bedrijf of een andere organisatie. Elke student die ingeschreven is bij een deelnemende instelling voor hoger onderwijs in een van de 33 Erasmus-landen (de lidstaten van de EU, IJsland, Liechtenstein, Noorwegen. Turkije en Zwitserland) komt hiervoor in aanmerking. Ook studenten die een kortlopende hogere beroepsopleiding volgen, kunnen steun uit het programma krijgen.

Nieuw record: meer dan 250 000 Erasmus-studenten in één jaar

Sinds het programma van start ging, is het aantal studenten met een Erasmus-beurs gestaag gegroeid. De kaap van 200 000 werd voor het eerst overschreden in 2009/2010 en de 252 827 studenten die in 2011/2012 voor studie of opleiding naar het buitenland trokken, zijn goed voor een nieuw record en een groeicijfer van 9 % op jaarbasis in vergelijking met het jaar ervoor (het equivalente groeicijfer voor 2010/2011 bedroeg 8,5 % op jaarbasis).

Diagram 1: Aantal Erasmus-studenten per jaar van 1987/1988 tot en met 2011/2012

Diagram 2: Erasmus voor studentenmobiliteit – relatieve verandering van het aantal studenten per uitzendland tussen 2010/2011 en 2011/2012

Uit diagram 2 blijkt dat het aantal Erasmus-studenten in bijna alle landen is toegenomen. De grootste stijging van het aantal uitgaande studenten werd geregistreerd in Kroatië (+62 %), dat vanaf 2009/2010 deel uitmaakt van het programma. Daarna komen Denemarken (+20 %), Slovenië en Turkije (elk +17 %). In 11 landen lag de toename hoger dan het gemiddelde van 8,3 %.

Drie landen, Cyprus, IJsland en Roemenië, vertoonden een daling van het aantal Erasmus-studenten (tussen -0,6 % en -2,7 %) in vergelijking met het voorgaande jaar.

Erasmus-kampioenen

Spanje zond het grootste aantal studenten naar het buitenland, zowel voor studie als voor stages (39 545), gevolgd door Duitsland (33 363) en Frankrijk (33 269).

Spanje was met 39 300 gaststudenten tevens de populairste bestemming, gevolgd door Frankrijk (28 964) en Duitsland (27 872). Het Verenigd Koninkrijk ontving bijna tweemaal zoveel studenten (25 760) als het zelf naar het buitenland stuurde (13 662).

Studenten van 3 189 instellingen voor hoger onderwijs namen deel aan uitwisselingen; dit is een stijging van 5 % ten opzichte van het voorgaande jaar.

Diagram 3: Erasmus voor studentenmobiliteit – gemiddeld maandelijks EU-beursbedrag

Het gemiddelde maandelijkse EU-beursbedrag was ongeveer even hoog (252 euro) als het voorgaande jaar (250 euro). Bovenstaand diagram geeft de gemiddelde maandelijkse beursbedragen voor de uitgezonden studenten weer. De Commissie stelt per gastland een plafond vast voor het maandelijkse beursbedrag aan de hand van de kosten van levensonderhoud in dat land; maar het exacte bedrag van de toelage voor elk geval wordt bepaald door de nationale agentschappen en de instellingen voor hoger onderwijs die het programma beheren.

In 2011/2012 hebben 336 studenten met bijzondere behoeften of handicaps bijkomende steun ontvangen om deel te nemen aan Erasmus-uitwisselingen, tegenover 254 in 2010/2011.

Stijging van 7,5 % voor Erasmus-studies

Erasmus biedt studenten de mogelijkheid om een periode van drie tot twaalf maanden van hun studietraject (op bachelor-, master of doctoraal niveau) aan een instelling voor hoger onderwijs in een ander land door te brengen.

In 2011 gingen 204 744 Erasmus-studenten (van in totaal 252 827 Erasmus-studenten) naar het buitenland in het kader van hun studies. Dit is een stijging van 7,5 % in vergelijking met 2010/2011. Het aantal studenten dat voor studies naar het buitenland ging, is in zes landen gedaald (Bulgarije, Cyprus, Estland, IJsland, Liechtenstein en Roemenië), terwijl in 11 landen een meer dan gemiddelde groei werd vastgesteld. Zwitserland, dat sinds 2011/2012 aan het programma deelneemt, zond 2 514 studenten uit voor studies.

Spanje zond het grootste aantal studenten naar het buitenland voor studies (34 103), gevolgd door Duitsland (27 593) en Frankrijk (25 924). Spanje bleef de populairste bestemming voor studies in het buitenland en ontving 30 580 Erasmus-studenten, gevolgd door Frankrijk (23 173) en Duitsland (19 120).

Luxemburg, Liechtenstein en Spanje zonden de meeste studenten uit in verhouding tot de grootte van hun studentenpopulatie.

Gemiddeld gingen de studenten 6,3 maanden in het buitenland studeren en het gemiddelde beursbedrag bedroeg 234 euro (tegen 226 euro in het jaar ervoor).

Sociale wetenschappen, bedrijfskunde en rechten waren voor Erasmus-studenten de populairste vakgebieden (41,4 %), gevolgd door menswetenschappen en kunsten (21,9 %) en technische wetenschappen en bouwkunde (15,1 %).

Stijging van 18 % voor Erasmus-stages (traineeships)

Sinds 2007 biedt Erasmus studenten de mogelijkheid om in het buitenland werkervaring op te doen bij bedrijven of andere organisaties. In 2011/2012 heeft één op vijf Erasmus-studenten, 48 083 van de 252 827, voor deze optie gekozen. Dat is een stijging van 18 % ten opzicht van het jaar daarvoor. De gemiddelde duur van een stage bedroeg 4,3 maanden en de studenten ontvingen een maandelijks EU-beursbedrag van gemiddeld 361 euro (minder dan de 366 euro in 2010/2011).

Evenals in de voorgaande jaren was Frankrijk het land dat het grootste aantal studenten uitzond voor een Erasmus-stage (7 345), gevolgd door Duitsland (5 770) en Spanje (5 442). Spanje was met 7 807 gaststudenten de populairste bestemming voor Erasmus-stages, gevolgd door het Verenigd Koninkrijk (7 736) en Duitsland (6 655).

Om stages in het buitenland te stimuleren, kan een instelling voor hoger onderwijs een stageconsortium oprichten. Deze consortia omvatten instellingen voor hoger onderwijs en andere organisaties, zoals bedrijven of verenigingen. Er werden 93 stageconsortia gefinancierd in 12 landen (BG, CZ, DE, GR, ES, FR, IT, NL, AT, PL, PT, FI). Deze consortia organiseerden meer dan 15 % van alle buitenlandse werkstages in het kader van Erasmus in 2011/2012.

Bij de Erasmus-stages was de grootste groep studenten afkomstig uit de richtingen sociale wetenschappen, bedrijfskunde en rechten (31,9 %), gevolgd door technische wetenschappen en bouwkunde (17,1 %) en menswetenschappen en kunsten (16,9 %).

Hoeveel hogeronderwijsstudenten (bachelors en masters) zijn er in de landen die aan Erasmus deelnemen? Hoeveel daarvan hebben in 2011/2012 hun studies (gedeeltelijk) in het buitenland gevolgd?

Op een totale studentenpopulatie van meer dan 24 miljoen in de 33 deelnemende landen heeft in 2011/2012 ongeveer 1 % een Erasmus-mobiliteitsbeurs voor studenten gekregen.

Als wordt aangenomen dat de gemiddelde studieduur in het hoger onderwijs vier tot vijf jaar bedraagt (bachelors en masters), krijgt naar schatting zo'n 4,5 % van alle Europese studenten op een bepaald moment tijdens hun hogere opleiding een Erasmus-beurs. Daarvan gaat 68 % naar bachelorstudenten, 28 % naar masterstudenten, 1 % naar studenten op doctoraal niveau en 3 % naar studenten die een kortlopende hogere studie volgen.

Met Erasmus-steun of andere openbare of particuliere middelen brengt ongeveer 10 % van het totale aantal studenten zijn studies geheel of gedeeltelijk in het buitenland door, of heeft dit reeds gedaan.

Op een bijeenkomst in Boekarest (Roemenië) op 26 en 27 april 2012 (IP/12/394) hebben de voor het hoger onderwijs verantwoordelijke ministers uit 47 Europese landen de mobiliteitsstrategie van Bologna goedgekeurd, waarin is bepaald dat in 2020 ongeveer 20 % van de afgestudeerden uit het Europese hoger onderwijs een deel van zijn studies in het buitenland zal hebben gedaan. De Europese Unie heeft dezelfde benchmark in november 2011 goedgekeurd.

Erasmus intensieve taalcursussen (EILC)

Erasmus biedt ook gespecialiseerde taalcursussen aan voor de in de EU minder gebruikte en onderwezen talen om de studenten te helpen bij de voorbereiding van hun studies of stages in het buitenland. De cursussen worden georganiseerd in de landen waar deze talen als officiële taal gebruikt worden. Er worden geen cursussen aangeboden voor de meest courante talen zoals Duits, Engels, Frans en Spaans (Castiliaans).

Sinds de introductie van de EILC's is het aantal cursussen waarvoor door Erasmus steun wordt verstrekt aanzienlijk gestegen. In 2011/2012 werden in 26 landen voor in totaal 6 631 Erasmus-studenten (+13 %) zo'n 435 cursussen georganiseerd (een stijging van +11 % ten opzichte van 392 in het jaar daarvoor).

De populairste bestemmingen voor de EILC's waren Italië, Portugal, België (Vlaanderen), Turkije en Zweden. Het hoogste percentage inkomende studenten dat deelnam aan een taalcursus werd opgetekend in Slovenië, waar 19,1 % van alle inkomende Erasmus-studenten deelnam, gevolgd door Kroatië (12,7 %). De deelnamepercentages lagen in IJsland, Roemenië, Griekenland en Estland tussen de 10 en 11 %.

Erasmus voor personeelsmobiliteit (onderwijsopdrachten en personeelsopleiding)

Ook biedt Erasmus onderwijzend personeel uit het hoger onderwijs en werknemers uit particuliere ondernemingen de mogelijkheid om voor een periode van één dag tot zes weken te gaan lesgeven in het buitenland. Daarnaast kan ieder wetenschappelijk en niet-wetenschappelijk personeelslid van een instelling in het hoger onderwijs voor een periode van vijf dagen tot zes weken in het buitenland een opleiding volgen.

In het academisch jaar 2011/2012 heeft Erasmus 46 527 onderwijzende en niet‑onderwijzende personeelsleden uit instellingen voor hoger onderwijs gesteund om in het buitenland les te geven of een opleiding te volgen. Dit is een jaarlijkse toename van 8,6 %.

Topland voor het uitzenden van personeel was Polen (6 312), gevolgd door Spanje (4 654) en Duitsland (3 937). De favoriete bestemming in het kader van personeelsmobiliteit was Spanje (4 554), gevolgd door Duitsland (4 491) en Italië (3 876).

In 2011/2012 vormden mannen 50,5 % van het personeel dat aan Erasmus deelnam. Aan 16 personeelsleden met bijzondere behoeften werd bijkomende steun toegekend om aan de Erasmus-uitwisselingen deel te nemen (tegenover 13 in het jaar daarvoor). De gemiddelde duur van dergelijke mobiliteitsperioden bedroeg 5,7 dagen en het gemiddelde beursbedrag – bovenop het gebruikelijke salaris – bedroeg 713 euro (een stijging ten opzichte van de 662 euro in 2010/2011).

In totaal hebben 2 336 instellingen voor hoger onderwijs deelgenomen aan mobiliteitsactiviteiten, dat is een stijging van 3,6% in vergelijking met het jaar ervoor.

Onderwijsopdrachten winnen nog steeds aan populariteit

Erasmus biedt het onderwijzend personeel uit het hoger onderwijs en werknemers uit particuliere ondernemingen de mogelijkheid om voor een periode van één dag – ten minste vijf onderwijsuren – tot zes weken te gaan lesgeven aan een hogereonderwijsinstelling in een ander land. Het aantal docenten dat op deze manier uit Erasmus steun krijgt is gestaag gegroeid en sinds het programma in 1997/1998 van start ging, zijn al meer dan 300 000 personeelsuitwisselingen financieel gesteund. Van de 46 527 ondersteunde personeelsuitwisselingen in 2011/2012 ging het in 33 323 gevallen om onderwijsopdrachten (+5,4 % meer dan het jaar daarvoor).

Topland voor het uitzenden van personeel was Polen met 3 994 gesteunde onderwijsopdrachten, gevolgd door Spanje (3 256) en Duitsland (3 110). De populairste bestemmingen voor onderwijsopdrachten waren Spanje (3 258), Duitsland (3 149), en Italië (2 903).

De meeste mobiele docenten waren afkomstig uit de volgende vakgebieden: menswetenschappen en kunsten (32 %), sociale wetenschappen, bedrijfskunde en rechten (22 %), technische wetenschappen en bouwkunde (14 %). Docenten brachten gemiddeld 5,5 dagen in het buitenland door om colleges te geven; er is een lichte maar constante daling waargenomen sinds 2000/2001, toen het gemiddelde 6,9 dagen bedroeg. De gemiddelde beurs per onderwijsopdracht – bovenop het gebruikelijke salaris – bedroeg 686 euro, een stijging van 6,3 % in vergelijking met het voorgaande jaar (645 euro).

Er werden 422 onderwijsopdrachten uitgevoerd door personeel van ondernemingen dat door instellingen voor hoger onderwijs in andere Europese landen werd uitgenodigd om er te gaan lesgeven ( +19 % in vergelijking met het jaar daarvoor).

Personeelsopleiding vertoont aanzienlijke groei

Sinds de start in 2007 is de populariteit van het steunprogramma voor de opleiding van personeel opmerkelijk toegenomen. Van de 46 527 ondersteunde personeelsuitwisselingen in 2011/2012 ging het in 13 204 gevallen om personeelsopleiding (+18 % meer dan het jaar daarvoor). Deze uitwisselingen zijn bestemd voor zowel universitair als niet-universitair personeel, met inbegrip van het personeel van de administratieve en ondersteunende diensten.

3 336 personeelsleden uit het hoger onderwijs volgden in 2011/2012 een opleiding in het buitenland (+13,2 % meer dan het jaar daarvoor).

Polen heeft het grootste aantal personeelsleden (2 318) naar het buitenland gestuurd voor opleiding, gevolgd door Spanje (1 398) en Duitsland (827). Duitsland was de populairste bestemming (1 342) gevolgd door Spanje (1 296) en het Verenigd Koninkrijk (1 214).

De duur van de opleiding voor personeel bedroeg gemiddeld 6,1 dagen. Er namen meer vrouwen dan mannen deel aan de opleidingen voor personeel (69,5 %); vrouwen maakten 42,9 % van de deelnemers uit bij de onderwijsopdrachten.

Aantal intensieve Erasmus-programma's blijft stijgen

Erasmus biedt docenten en studenten de kans thematische studieprogramma's bij te wonen, die van tien dagen tot zes weken kunnen duren. De EU financiert de organisatie van deze zogeheten intensieve programma's, zoals de reiskosten en de dagvergoeding voor de deelnemers.

De landen die het grootste aantal dergelijke programma's organiseerden waren Italië met 60 cursussen (13 % van het totale aantal), gevolgd door Duitsland (43) en Frankrijk (35). De populairste vakgebieden waren sociale wetenschappen, bedrijfskunde en rechten (26 %); technische wetenschappen en bouwkunde (18 %). Intensieve programma's op het gebied van wiskunde en informatica, evenals menswetenschappen en kunsten, waren elk goed voor een aandeel van 15 %. De gemiddelde duur van de intensieve programma's bedroeg 11,5 dagen.

In 2011/2012 werden 462 intensieve Erasmus-programma's georganiseerd (een stijging van 14 % in vergelijking met de 404 in het voorgaande jaar). Hieraan hebben 16 806 studenten (zowel internationale als nationale studenten) en 5 663 docenten deelgenomen.

Erasmus-samenwerkingsprojecten tussen universiteiten

Het Erasmus-programma bevordert door middel van de financiering van samenwerkingsprojecten tevens de modernisering van het Europees hoger onderwijs. Met deze tussen één en drie jaar durende projecten wordt via grensoverschrijdende samenwerking tussen de instellingen voor hoger onderwijs en de belanghebbenden de hervorming van het beleid gestimuleerd. De aanvragen worden eenmaal per kalenderjaar ingediend en jaarlijks wordt ongeveer 20 miljoen euro aan deze projecten toegewezen.

Veel van de door dit onderdeel van het Erasmus-programma gefinancierde projecten hebben bijgedragen aan belangrijke ontwikkelingen in het beleid. Zo was het Europees systeem voor het verzamelen en overdragen van studiepunten (ECTS) oorspronkelijk een Erasmus-project en werd het pas later een van de belangrijkste instrumenten ter bevordering van de mobiliteit. (ECTS kent op basis van de studiebelasting en vastgestelde leerresultaten aan elk onderdeel van een studieprogramma studiepunten toe. Dit maakt het voor studenten eenvoudiger in verschillende programma's behaalde studiepunten te verzamelen en het vereenvoudigt de erkenning van de studie in het buitenland bij hun eigen instelling.)

Het aantal aanvragen voor samenwerkingsprojecten tussen universiteiten neemt van jaar tot jaar toe. In 2012 werden 250 aanvragen ingediend (een stijging ten opzichte van de 197 in 2011). Daarvan werden er 57 geselecteerd voor financiering. Dit betekent dat gemiddeld 22,8 % positief geëvalueerd wordt. Het Verenigd Koninkrijk heeft het grootste aantal voorstellen ingediend (35), gevolgd door België (25) en Finland (24). België was het succesvolst op het gebied van goedgekeurde projecten, 11 projecten kregen groen licht.

Hoeveel geeft de EU uit aan het Erasmus-programma?

In de huidige begrotingsperiode (2007-2013) heeft de EU 3,1 miljard euro voor het Erasmus-programma uitgetrokken. In 2011/2012 bedroeg de totale begroting ongeveer 494 miljoen euro, waarvan 473 miljoen euro gebruikt werd voor de ondersteuning van de mobiliteit van studenten en personeel.

Het grootste gedeelte van de Erasmus-begroting wordt beheerd door de nationale agentschappen in de deelnemende landen. Erasmus steunt ook multilaterale projecten en netwerken ten belope van circa 20 miljoen euro (ongeveer 4 % van de begroting). Deze worden centraal beheerd door het Uitvoerend Agentschap voor onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) in Brussel.

De onderstaande tabel geeft het totale bedrag aan Erasmus-middelen weer dat elk jaar aan mobiliteit wordt besteed.

Tabel 1: Gedecentraliseerde middelen voor Erasmus die aan de nationale agentschappen zijn toegewezen

Jaar

Jaarlijkse Erasmus-begroting voor

mobiliteit van studenten en personeel in miljoen euro

Wijziging, op jaarbasis

1988

13,00

1989

26,84

106,46 %

1990

32,88

22,50 %

1991

43,86

33,39 %

1992

62,88

43,37 %

1993

67,88

7,95 %

1994

72,78

7,22 %

1995

73,46

0,93 %

1996

74,3

1,14 %

1997

70,00

-5,79 %

1998

100,27

43,24 %

1999

100,27

0,00 %

2000

111,79

11,49 %

2001

116,19

3,94 %

2002

121,9

4,91 %

2003

142,53

16,92 %

2004

168,00

17,87 %

2005

200,96

19,62 %

2006

245,75

22,29 %

2007

372,25

51,48 %

2008

416,36

11,85 %

2009

415,37

-0,24 %

2010

434,83

4,68 %

2011

473,91

8,99 %

2012

547,26

15,48 %

2013

547,14

-0,02 %

Hoe worden de Erasmus-middelen op nationaal niveau toegewezen?

Het totale Erasmus-budget wordt op basis van de onderstaande factoren onder de deelnemende landen verdeeld:

  • bevolking: aantal studenten, afgestudeerden en docenten in het hoger onderwijs (niveau 5-6 van de Internationale standaardclassificatie van het onderwijs, ISCED). De gegevens worden aangeleverd door Eurostat;

  • kosten van levensonderhoud en afstand tussen hoofdsteden: worden gebruikt als correctiefactoren bij de factor bevolking;

  • indicator van eerdere prestaties: wordt berekend op basis van het aantal in het verleden uitgezonden personeelsleden en studenten (op basis van de laatst beschikbare gegevens).

Hoe wordt het maandelijkse EU-beursbedrag bepaald?

Erasmus-beurzen zijn bedoeld om een deel van de extra woon- en reiskosten in het buitenland te dekken. Erasmus-studenten betalen geen inschrijvingsgeld aan de gastinstelling in het buitenland.

In elk land wijzen de nationale agentschappen de ter beschikking gestelde middelen toe aan de instellingen voor hoger onderwijs. Een nationaal agentschap kan beslissen om hogere beurzen toe te kennen aan een kleiner aantal studenten (zoals bijvoorbeeld in Bulgarije, Cyprus en Turkije gebeurt), of lagere beurzen aan een groter aantal studenten (zoals bijvoorbeeld in Frankrijk en Italië). Het moet zich wel houden aan het plafond voor beurzen dat door de Europese Commissie voor elk land van bestemming wordt vastgelegd (zie de gids voor het programma Een Leven Lang Leren).

Op basis van factoren zoals de aangevraagde bedragen en de resultaten uit het verleden wijzen de nationale agentschappen de middelen toe aan de aanvragende instellingen. Binnen een door het nationale agentschap vastgestelde marge die van land tot land verschilt, kan de instelling dan beslissen welk bedrag het precies betaalt aan de studenten (en hoeveel de week- of dagbijdrage voor personeel bedraagt).

Het maandelijkse beursbedrag is afhankelijk van het land van bestemming en van het type mobiliteit. Zo wordt vaak een hoger beursbedrag toegekend voor stages dan voor studies in het buitenland.

De Erasmus-beurs van de Europese Unie kan worden aangevuld met medefinanciering uit diverse nationale, regionale en lokale bronnen.

De nationale agentschappen of de instellingen voor hoger onderwijs kunnen het beursbedrag voor studenten uit minder bevoorrechte milieus verhogen.

In 2011/2012 varieerde het gemiddelde maandelijkse EU-beursbedrag voor studentenmobiliteit van 123 euro voor Spaanse studenten tot 641 euro voor studenten uit Letland. Het gemiddelde maandelijkse beursbedrag over alle landen bedroeg 252 euro.

Hoe kunnen studenten en personeelsleden een Erasmus-beurs aanvragen?

Het Erasmus-programma staat open voor alle studenten van hogeronderwijsinstellingen met een Erasmus University Charter in een van de deelnemende landen. De meeste instellingen voor hoger onderwijs in Europa – bijna 5 000 – hebben het Erasmus University Charter ondertekend.

Om een aanvraag voor een Erasmus-studieperiode of -stage in te dienen, moet men eerst contact opnemen met het bureau buitenland van de eigen instelling en een studie- of stageovereenkomst invullen. Deze documenten bakenen het programma af dat de student tijdens zijn studie- of stageperiode moet volgen. Zij moeten worden goedgekeurd en ondertekend door de eigen instelling, de gastinstelling of –onderneming en door de student zelf. Hierdoor wordt volledige academische erkenning door de eigen instelling van het tijdens de Erasmus-periode naar behoren afgewerkte programma vereenvoudigd en gewaarborgd.

Erasmus-studie: wie een deel van zijn studie in het buitenland wil volgen, moet ten minste in het tweede jaar hoger onderwijs zitten.

Erasmus-stages: studenten kunnen een Erasmus-stage volgen vanaf het eerste jaar van hun studie in het hoger onderwijs.

Looptijd: Elke periode in het buitenland duurt, voor zowel studies als stages, 3 tot 12 maanden; gecombineerde perioden in het buitenland mogen in totaal niet langer dan 24 maanden duren. Voor studenten die een kortlopende hogere beroepsopleiding volgen, bedraagt de minimumduur voor een stage twee maanden.

Erasmus voor personeelsleden: het onderwijzend personeel moet aan de thuisinstelling een door de gastinstelling goedgekeurd lesprogramma voorleggen. Personeelsleden die een Erasmus-opleidingsbeurs willen aanvragen, moeten eveneens hun opleidingsprogramma laten goedkeuren door hun eigen instelling en de gastinstelling of -onderneming.

Hoe komt een universiteit in aanmerking voor deelname aan het Erasmus-programma?

Een universiteit of een andere instelling voor hoger onderwijs moet een aantal beginselen en andere verplichtingen uit het Erasmus University Charter onderschrijven voor zij kan deelnemen aan de Erasmus-projecten voor mobiliteit of samenwerking. De nadruk ligt op het verzekeren van een hoog kwaliteitsniveau. De gastinstelling mag inkomende Erasmus-studenten geen inschrijvingsgeld aanrekenen, en na terugkeer naar de thuisinstelling moeten succesvol afgelegde vakken of stages automatisch volledig worden erkend.

Waarom draagt het programma de naam Erasmus?

Het Erasmus-programma is genoemd naar de filosoof, theoloog en humanist Desiderius Erasmus van Rotterdam (1466-1536). Erasmus, die tijdens de Reformatie leefde, geniet ruime bekendheid als tegenstander van het dogmatisme.

Erasmus heeft tijdens zijn zoektocht naar kennis, ervaring en inzicht uit de contacten met andere landen in verschillende delen van Europa gewoond en gewerkt.

Het acroniem ERASMUS kan ook worden gelezen als EuRopean Community Action Scheme for the Mobility of University Students (actieprogramma van de Europese Gemeenschap inzake de mobiliteit van studenten), zoals in het eerste besluit tot vaststelling van het programma (Besluit 87/327/EEG van de Raad van 15 juni 1987 tot vaststelling van het communautaire actieprogramma inzake de mobiliteit van studenten).

Voor meer informatie

Zie ook IP/13/657

Meer over het Erasmus-programma

Statistieken over Erasmus

1 :

De onderstaande statistieken hebben alleen betrekking op het Erasmus-programma. Zij omvatten geen andere Europese programma's voor hoger onderwijs, zoals de Tempus- en Erasmus Mundus-programma's, die verschillende samenwerkingsdoelstellingen met verschillende delen van de wereld nastreven.


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website