Chemin de navigation

Left navigation

Additional tools

Het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en de landbouw in Europa – Veelgestelde vragen

Commission Européenne - MEMO/13/631   28/06/2013

Autres langues disponibles: FR EN DE DA ES IT SV PT FI EL CS ET HU LT LV MT PL SK SL BG RO HR

Europese Commissie

MEMO

Brussel, 26 juni 2013

Het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en de landbouw in Europa – Veelgestelde vragen

Landbouw in Europa: een overzicht

Hoe landelijk is de EU?

Meer dan 77 % van het grondgebied van de EU bestaat uit platteland (47 % landbouwgrond en 30 % bossen). Ongeveer de helft van de EU-bevolking (landbouwgezinnen en anderen) woont in rurale gebieden.

Hoeveel landbouwers zijn er in de EU?

12 miljoen (fulltime). De 15 miljoen landbouwbedrijven en levensmiddelenondernemingen – die voor hun grondstoffen sterk afhankelijk zijn van de landbouwers – leveren samen 6 % van het BBP van de EU op en tekenen samen voor 46 miljoen banen.

Welke soorten landbouw zijn er in de EU?

Zeer veel verschillende, bijvoorbeeld intensieve, conventionele en biologische. Door de toetreding van nieuwe landen uit Midden- en Oost-Europa tot de EU is die diversiteit nog groter geworden.

Vaak gaat het om familiebedrijven die van de ene op de andere generatie worden doorgegeven.

Er zijn in Europa zo’n 12 miljoen landbouwers en het gemiddelde bedrijf is zo'n 15 hectare groot (ter vergelijking: in de VS zijn er nauwelijks 2 miljoen landbouwers met gemiddeld 180 hectare).

Is er een specifiek "Europees landbouwmodel"?

Ja. De EU steunt landbouwers die zorgen voor voedselzekerheid (in de context van de klimaatverandering) en een duurzame en evenwichtige ontwikkeling van alle landelijke gebieden in Europa, ook in regio's met slechte productieomstandigheden.

Die landbouw moet bijgevolg multifunctioneel zijn: beantwoorden aan de vraag van de consument (voldoende, betaalbaar, gevarieerd, goed en veilig voedsel), het milieu beschermen en een billijk landbouwinkomen garanderen.

Tegelijkertijd moeten de landbouwgemeenschappen en landschappen in stand worden gehouden als een waardevol onderdeel van Europa’s erfgoed.

In juni 2013 is op politiek niveau afgesproken dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid vanaf 2014 meer aandacht zal besteden aan de diversiteit van de Europese landbouw.

Waar vind ik statistieken over de landbouw in de EU?

Onder het kopje statistieken, en op de EUROSTAT-website.

Basisgegevens over het GLB

Wat is het GLB?

Dankzij het GLB kunnen de Europese boeren voorzien in de behoeften van 500 miljoen Europeanen. De belangrijkste doelstellingen zijn een billijke levensstandaard voor de landbouwers en een stabiele, veilige en betaalbare voedselvoorziening voor de consument.

Het GLB is sinds de start in 1962 veel veranderd en blijft zich ontwikkelen. Met de hervorming van juni 2013 worden drie prioriteiten nagestreefd:

  1. een rendabele voedselproductie;

  2. duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen;

  3. een evenwichtige ontwikkeling van de landelijke gebieden in de EU.

Wie geeft leiding aan het GLB?

De Europese Commissie doet voorstellen en werkt hiervoor samen met alle belanghebbenden (hoofdzakelijk via allerlei adviesgroepen). Als het om nieuwe wetgeving gaat, gaan die voorstellen naar de Raad van landbouwministers van de 27 EU-landen, en naar het Europees Parlement.

Voor het dagelijks functioneren van het GLB ligt de verantwoordelijkheid bij de lidstaten. De Rekenkamer van de EU speelt een grote rol bij het toezicht op de uitgaven.

Hoe wordt het budget besteed?

Het GLB-budget wordt gebruikt ter financiering van drie soorten steun:

  1. inkomenssteun voor de landbouwers en steun voor de toepassing van duurzame landbouwmethoden: de landbouwers krijgen rechtstreekse betalingen als ze zich houden aan de strenge eisen inzake voedselveiligheid, milieu, diergezondheid en dierenwelzijn. Deze inkomenssteun wordt volledig door de EU betaald en is goed voor 70 % van de totale GLB-begroting. Naar aanleiding van de hervorming van juni 2013 zal 30 % van de rechtstreekse betalingen pas aan de landbouwer worden uitgekeerd als deze duurzame landbouwmethoden gebruikt die bevorderlijk zijn voor de bodemkwaliteit, de biodiversiteit en het milieu. Het gaat dan bijvoorbeeld over diversificatie van het bodemgebruik, behoud van blijvend grasland of behoud van ecologisch aandachtsgebied op de landbouwbedrijven.

  2. marktondersteuningsmaatregelen: bijvoorbeeld als slechte weersomstandigheden de markt destabiliseren. Voor deze betalingen wordt minder dan 10 % van de GLB-begroting gebruikt.

  3. plattelandsontwikkelingsmaatregelen: maatregelen om landbouwers te helpen bij de modernisering van hun bedrijf, zodat ze beter kunnen concurreren en tegelijk kunnen zorgen voor een goed milieu, diversifiëring naar andere dan landbouwactiviteiten en een leefbare plattelandsgemeenschap. Deze maatregelen worden gedeeltelijk door de lidstaten bekostigd, zijn veelaal over meerdere jaren gespreid en zijn goed voor ca. 20 % van de totale GLB‑begroting.

Deze drie soorten steun hangen nauw samen en moeten dan ook samenhangend worden beheerd. Rechtstreekse betalingen geven landbouwers bijvoorbeeld de nodige inkomenszekerheid, maar vergoeden hen ook voor de levering van milieugoederen aan de samenleving. Bovendien wordt met de plattelandsontwikkelingsmaatregelen de modernisering van de landbouwbedrijven bevorderd en de diversificatie van de economische bedrijvigheid in landelijke gebieden gestimuleerd.

Wie bepaalt de omvang van het GLB-budget?

Het budget wordt jaarlijks vastgesteld door de Raad en het Europees Parlement. Om de langetermijnuitgaven onder controle te houden, wordt er gewerkt met een meerjarig financieel kader. De bedragen voor het GLB zijn ondergebracht in rubriek 2 van het meerjarig kader (getiteld "Duurzame groei – natuurlijke hulpbronnen"). In rubriek 2 is een maximum vastgesteld voor de middelen die aan de "eerste pijler" van het GLB (bestaande uit rechtstreekse steun en marktmaatregelen) mogen worden besteed. De plattelandsontwikkelingsmaatregelen vormen de "tweede pijler" van het GLB en worden gefinancierd uit het totaalbedrag voor rubriek 2. Het lopend financieel kader is van toepassing op de periode 2007‑2013 en het volgende op de periode 2014‑2020.

Worden alle boeren gelijk behandeld?

Omdat het gemeenschappelijk landbouwbeleid evolueert en gebruik wordt gemaakt van "historische referenties", kunnen tussen de landbouwbedrijven, lidstaten en regio's scherpe verschillen in steunniveau worden genoteerd.

Een van doelstellingen van de GLB‑hervorming van 2013 bestaat er nu net in de verschillen in steunniveaus tussen lidstaten, regio's en landbouwers gedurende de periode 2014‑2020 te beperken. Kortom: het GLB moet billijker worden.

De huidige situatie in een bepaalde lidstaat of regio die vóór 2004 tot de EU behoorde, is terug te voeren op de oorspronkelijke regeling: wat een landbouwer toen aan steun ontving, was afhankelijk van de steun die hij tijdens de referentieperiode 2000‑2002 had ontvangen, van de beteelde oppervlakte en van het steunmodel dat zijn lidstaat hanteerde. Resultaat: een landbouwer kan 50 euro steun per hectare ontvangen terwijl zijn buurman voor een perceel met precies dezelfde agronomische kenmerken 1000 euro krijgt.

Sinds de GLB‑hervorming van 2003 kunnen de "oude" lidstaten de rechtstreekse betalingen aan landbouwers herverdelen en kiezen voor individuele, regionale of gecombineerde betalingen. Het "regionale" en het gemengde model kunnen het als oneerlijk ervaren beleid corrigeren. Duitsland is de enige van de 15 "oude" lidstaten die volledig heeft afgezien van de toepassing van historische referenties.

In de landen die na 2004 bij de EU zijn gekomen, bestaan de rechtstreekse betalingen uit een vast bedrag per hectare voor alle landbouwers.

Sinds 1999 heeft de Europese Commissie herhaaldelijk voorgesteld de rechtstreekse steun aan een maximum te koppelen om zo tot een billijker verdeling van deze steun te komen. Dit voorstel is door een aantal lidstaten afgewezen.

Op EU‑niveau zullen bovendien inspanningen worden geleverd om het verschil in niveau van de rechtstreekse betalingen tussen de landbouwers in de verschillende lidstaten te verkleinen. Naar aanleiding van de in juni 2013 genomen beslissingen zal de GLB‑begroting zo worden verdeeld dat uiterlijk in 2019 geen enkele lidstaat minder ontvangt dan 75 % van het EU‑gemiddelde1.Binn Binnen een lidstaat of regio zullen de verschillen in steunniveau tussen de landbouwbedrijven worden gereduceerd: de steun per hectare mag uiterlijk in 2019 niet minder bedragen dan 60 % van het gemiddelde van de steun die per administratief of agronomisch gebied wordt verleend. Om de kleine en middelgrote bedrijven extra te helpen, kunnen de lidstaten hogere steunbedragen betalen voor de "eerste hectaren" van een landbouwbedrijf. Voor de nieuwe lidstaten kan de regeling inzake een enkele areaalbetaling (REAB) worden verlengd tot 2020.

Stimuleert het GLB de modernisering van de Europese landbouw?

Ja. Er zijn veel stimulerende maatregelen voor modernisering en verbetering van bedrijven, verwerking en afzet van producten en verbetering van de kwaliteit door duurzame en milieuvriendelijke landbouwmethoden. Vanaf 2014 komen daar nieuwe GLB‑maatregelen bij om collectieve investeringen te stimuleren, kleine bedrijven te helpen zich te ontwikkelen en de overdracht van landbouwtechnische kennis tussen landbouwers te bevorderen via een Europees partnerschap voor innovatie in de landbouwsector.

Wordt er gefraudeerd met het GLB?

Volgens gegevens van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) ging in de periode 2006-2010 gemiddeld 0,02 % van de GLB-begroting verloren door fraude. De afgelopen jaren heeft de EU haar begrotingscontrole verscherpt.

Controleert iemand of het GLB zijn doelstellingen haalt?

Ja. De doeltreffendheid van het GLB wordt grondig geëvalueerd. Voordat de Commissie wetsvoorstellen doet, raadpleegt ze altijd de belanghebbenden en de burger en maakt ze een effectbeoordeling. Ook geeft ze vaak opdracht voor onafhankelijke studies over de prestaties van de verschillende onderdelen van het GLB en over wat kan worden verbeterd.

Waarom rechtstreekse betalingen?

Rechtstreekse betalingen dragen ertoe bij dat een zekere stabiliteit in het inkomen van landbouwers overal in de EU wordt gegarandeerd en de landbouw in de EU in stand wordt gehouden. Dit houdt landbouwbedrijven op lange termijn levensvatbaar en beschermt hen tegen al te grote prijsschommelingen. Gemiddeld 30 % van het landbouwinkomen in de EU komt uit de rechtstreekse betalingen. De afgelopen jaren is het aandeel van de rechtstreekse betalingen in het landbouwinkomen vanwege crisissituaties toegenomen tot soms wel 60 %. Deze ontwikkeling heeft zich onder meer voorgedaan in Zweden, Ierland en Denemarken tijdens de crisis van 2008/2009.

Met de rechtstreekse betalingen wordt de landbouwer ook beloond voor werk dat niet wordt doorgerekend in de prijs die hij op de markt voor zijn producten krijgt, maar wel goederen oplevert die van essentieel belang zijn voor alle Europeanen. Als gevolg van de GLB‑hervorming van 2013 zal 30 % van de rechtstreekse steun voor de landbouwer pas worden uitbetaald als hij doeltreffende landbouwmethoden gebruikt om de biodiversiteit, de bodemkwaliteit en het milieu in het algemeen in stand te houden. Het gaat dan bijvoorbeeld over diversificatie van het bodemgebruik, behoud van blijvend grasland of behoud van ecologisch aandachtsgebied op de landbouwbedrijven.

Landbouwers krijgen de rechtstreekse steun overigens alleen als ze zich houden aan strenge normen op het gebied van milieu, voedselveiligheid, gezondheid van gewassen en dieren en dierenwelzijn, en als ze hun grond productierijp houden. Dit zijn de zogenaamde randvoorwaarden. Worden deze regels niet in acht genomen, dan kan de uitbetaling worden opgeschort en kan de landbouwer worden bestraft.

Hoe werken de landbouwmarkten in de EU?

Het GLB ziet erop toe dat landbouwers produceren wat de markt vraagt, maar het biedt ook veiligheidsmechanismen, zeg maar "vangnetten", om te voorkomen dat economische, gezondheids- of weersproblemen een volledige branche uitschakelen. Voorbeelden hiervan zijn overheidsinterventie (nationale interventiebureaus kopen overschotten op de markt op) en steun voor particuliere opslag (om de markt te stabiliseren).

De hervorming van juni 2013 heeft deze instrumenten gemoderniseerd. Naar aanleiding van de toenemende frequentie en ernst van crisissituaties is een specifieke reserve aangelegd om crisismaatregelen te financieren die verder gaan dan gewone marktinterventie, en een krachtdadiger noodmechanisme. Voorts wordt steun uitgetrokken om onderlinge fondsen en verzekeringsmechanismen in het leven te roepen die de landbouwers in staat moeten stellen beter te anticiperen en te reageren op crisissituaties.

Tot slot zijn nieuwe mechanismen ingevoerd om landbouwers aan te moedigen lid te worden van branche- en brancheoverkoepelende organisaties. Verder bekijkt de Commissie de hele voedselproductieketen vanuit het streven naar meer transparantie over prijzen en handelspraktijken tussen de verschillende spelers.

Stimuleert het GLB jongeren om landbouwer te worden?

Het aantal landbouwers in Europa daalt gestaag omdat het werk gecompliceerd is en de opstart van een landbouwbedrijf zware investeringen vergt. Momenteel zijn 4,5 miljoen landbouwers in Europa (of 30 % van het totale aantal) ouder dan 65. Slechts 6 % is jonger dan 35. Het is dan ook zaak het beroep aantrekkelijker te maken en jonge beginnende landbouwers te helpen.

Om dat doel te bereiken en jongeren aan te moedigen de fakkel van de oudere generatie over te nemen, zijn in het GLB mechanismen voor het verlenen van vestigingssteun opgenomen. Naar aanleiding van de GLB‑hervorming van 2013 wordt overigens een nieuw type steun voor jonge landbouwers ingevoerd: jongeren krijgen gedurende de eerste vijf jaar van hun bedrijfsactiviteit een bonus ter waarde van 25 % van het bedrag van de rechtstreekse betaling.

Plattelandsontwikkeling

Wat houdt plattelandsontwikkeling in?

In het kader van het GLB is plattelandsontwikkeling een middel om het platteland leefbaar te houden door investerings-, moderniserings- en andere programma’s in landelijk gebied te steunen. Het gaat daarbij niet alleen om landbouwactiviteiten.

Wie beheert de plattelandsontwikkeling?

De EU-landen kiezen de maatregelen die bij hun behoeften passen en beheren de programma's ook zelf. De EU betaalt een deel van de kosten (medefinanciering).

Hoeveel kost het en waar komt het geld vandaan?

Het totale GLB-budget voor alle 28 lidstaten voor de periode 2014-2020 bedraagt 95 miljard euro (huidig prijsniveau).

Dit geld zit in het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO).

Hoe wordt het geld gebruikt?

Vanaf 2014 wordt het ELFPO samen met het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Cohesiefonds (CF) en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) ondergebracht in het nieuwe gemeenschappelijk strategisch kader om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te halen (duurzame, slimme en inclusieve groei).

Het geld voor plattelandsontwikkeling mag zowel voor landbouw- als niet‑landbouwactiviteiten worden gebruikt, mits de volgende zes prioriteiten worden nagestreefd:

  1. kennisoverdracht en innovatie;

  2. concurrentievermogen;

  3. organisatie van de voedselketen en risicobeheer;

  4. herstel, instandhouding en verbetering van ecosystemen;

  5. doelmatig gebruik van hulpbronnen en overgang naar een koolstofarme economie;

  6. sociale inclusie, armoedebestrijding en economische ontwikkeling in plattelandsgebieden.

De lidstaten of de regio's kunnen ook subprogramma’s ontwerpen met een hoger steunpercentage voor sectoren die in een bijzondere situatie verkeren, jonge boeren, kleine bedrijven, berggebieden en korte aanvoerketens.

Kunnen de plattelandsontwikkelingsprogramma's worden aangepast aan de specifieke omstandigheden in een regio?

Elke lidstaat stelt een nationale strategie voor plattelandsontwikkeling op. Op regionaal niveau kunnen specifieke programma's worden ontworpen en toegepast.

Wat is het verschil tussen plattelandsontwikkeling onder het GLB en het regionaal beleid?

Het regionaal beleid van de EU is vooral bedoeld om de armste regio’s van de EU te helpen, terwijl de programma’s voor plattelandsontwikkeling zich richten op alle landelijke gebieden in alle EU-landen.

Met de plattelandsontwikkelingsmaatregelen worden niet alleen de landbouwers, maar ook de andere spelers van de rurale economie gesteund, zoals boseigenaren, landbouwwerkers, kleine en middelgrote bedrijven en lokale verenigingen.

Wat is "Leader"?

"Leader" is een programma om de plattelandseconomie te versterken door de plaatselijke spelers aan te moedigen lokaal actief te worden, zonder dat daarvoor kant-en-klare maatregelen worden opgelegd. De aanpak begint dus bij de basis en wordt niet van hogerhand opgelegd. De lidstaten moeten volgens de huidige regels tenminste 5 % van hun plattelandsontwikkelingsbudget aan Leader-projecten uitgeven.

Kan plattelandsontwikkeling bijdragen tot de bescherming van het milieu?

Alle plattelandsontwikkelingsprogramma's moeten maatregelen bevatten om de natuurlijke hulpbronnen en landschappen op het platteland in de EU te beschermen en te verbeteren.

Geld voor de plattelandsontwikkeling wordt uitgekeerd in ruil voor, en ter compensatie van, acties die niet alleen het platteland in de EU beschermen en behouden, maar ook de klimaatverandering helpen aanpakken:

  1. behoud van de waterkwaliteit;

  2. duurzaam grondbeheer;

  3. bebossing ter preventie van erosie en overstromingen.

Wat is het nut van het GLB?

Waarom hebben we op EU‑niveau een "gemeenschappelijk" landbouwbeleid nodig?

De steun voor de landbouwsector wordt bijna uitsluitend uit de EU‑begroting gefinancierd. De meeste andere sectoren daarentegen vallen onder nationaal beleid. Het is belangrijk dat het beleid voor een sector die ons continu van levensmiddelen voorziet en een sleutelrol speelt in het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en in de economische ontwikkeling van het platteland, op Europees wordt vastgesteld in plaats van in elke lidstaat afzonderlijk.

Alle EU-landen staan achter deze doelstellingen, die niet kunnen worden bereikt zonder financiële steun voor de landbouw en het platteland.

Daarom moet er een Europees beleid zijn om te komen tot eerlijke voorwaarden en gemeenschappelijke doelstellingen, beginselen en regels. Een gemeenschappelijk landbouwbeleid zorgt er ook voor dat de begrotingsmiddelen efficiënter worden benut dan wanneer elk land zijn eigen beleid bepaalt.

Naast het waarborgen van een eengemaakte markt zijn er nog meer doelstellingen die een transnationale benadering vergen, zoals cohesie tussen lidstaten en regio’s en de aanpak van grensoverschrijdende milieukwesties en mondiale problemen op het gebied van klimaatbescherming, waterbeheer, biodiversiteit, veilig voedsel en diervoeder, dierengezondheid en -welzijn, gezondheid van gewassen, volksgezondheid en consumentenbescherming.

Waarom hebben landbouwers steun van de overheid nodig?

In tegenstelling tot wat men in sommige landen denkt, word je van boeren niet echt rijk, integendeel. De boer investeert er zijn tijd en geld in, maar wat hij ervoor terugkrijgt, hangt helemaal af van de economie, de gezondheid van zijn dieren of gewassen en het weer. Die zware menselijke en financiële investeringen werpen pas maanden of zelfs jaren later hun vruchten af, en garanties zijn er niet.

Door boeren inkomenssteun te geven, kunnen zij overal in de EU voedsel blijven produceren en openbare diensten leveren die niet door de markt worden vergoed: milieubescherming, dierenwelzijn, goed en veilig voedsel enz.

De levering van deze "openbare diensten" is des te belangrijker omdat de EU-normen tot de strengste ter wereld behoren. Daarom is levensmiddelen produceren in Europa ook duurder dan in landen waar de lat niet zo hoog ligt.

Zonder overheidssubsidie zouden de boeren in Europa niet kunnen concurreren met boeren elders in de wereld, als ze tenminste willen voldoen aan de eisen van de Europese consument. Ook de gevolgen van de klimaatverandering worden steeds merkbaarder, en die zullen duurzame landbouw nog duurder maken.

Wat kost het GLB?

Hoeveel kost het GLB aan de belastingbetaler?

Elke EU‑burger betaalt gemiddeld 30 cent per dag voor het GLB. Het aandeel van het GLB‑budget in de jaarbegroting van de EU bedroeg in 2011 43 %, wat neerkomt op 58 miljard euro. In 1984 was dat nog 72 %. Sindsdien blijft het budget dalen, en dat terwijl het aantal landbouwers na de verschillende uitbreidingen van de EU sinds 1992 is verdubbeld.

Alles bij elkaar kost het totale GLB minder dan 1 % van de totale overheidsuitgaven van alle EU-landen samen. Bovendien zijn alle overheidsuitgaven voor landbouw in de EU op Europees niveau gebundeld, iets wat in geen enkele andere sector zo is geregeld. Ter vergelijking: de EU-landen besteden drie keer zoveel aan defensie.

Waarom wordt bijna 40 % van de EU-begroting uitgegeven aan landbouw, en niet aan andere sectoren?

Landbouw is de enige sector waar alleen EU-geld naar toe gaat. De EU-landen hoeven dus zelf niets bij te leggen. Voor andere beleidsgebieden, zoals onderzoek, onderwijs en opleiding, vervoer, defensie, pensioenen en gezondheidszorg, geeft de EU niets of nauwelijks iets uit en berust de verantwoordelijkheid inzake zowel financiering als uitvoering uitsluitend of voor het grootste deel bij de lidstaten.

In ruil voor die financiële middelen garandeert het GLB dat de Europese burger altijd over voldoende levensmiddelen van goede kwaliteit kan beschikken, en dat het milieu en het landschap worden beschermd.

Hoe wordt het GLB gefinancierd?

Het GLB wordt uit de algemene EU-begroting betaald. GLB-uitgaven voor plattelandsontwikkeling worden gedeeld door de lidstaten en de EU.

De EU-begroting zelf wordt voornamelijk gefinancierd met de "eigen middelen" van de EU: douanerechten, heffingen, btw en inkomsten gebaseerd op het bruto nationaal inkomen (BNI) van EU-landen.

Wie krijgt er geld en hoeveel?

Omwille van de transparantie en om zich te verantwoorden moet elke lidstaat sinds 2009 een lijst van begunstigden van GLB-betalingen publicer6en. Na een klacht van Duitse boeren bij het Europees Hof van Justitie is het sinds november 2010 echter niet meer verplicht om daarbij ook alle persoonlijke gegevens van de begunstigden bekend te maken. Dat werd namelijk beschouwd als een inbreuk op de privacy. Meer in het bijzonder oordeelde het Hof dat de namen van de begunstigden niet hoeven te worden vermeld. De Commissie blijft achter het transparantiebeginsel staan en heeft nieuwe regels voorgesteld die met dit vonnis rekening houden. Naar aanleiding van de hervorming van juni 2013 wordt de transparantieplicht weer ingevoerd, weliswaar met inachtneming van de beginselen van evenredigheid die door het Hof zijn aangehaald. Kleine landbouwers die zeer kleine bedragen ontvangen, vallen niet onder deze plicht.

Ik betaal belasting maar ben geen boer, welk voordeel heeft het GLB dan voor mij?

Het GLB is voordelig voor iedereen. Als de EU haar boeren steunt, profiteert de hele samenleving daarvan. Zo is ze zeker van een aanbod van betaalbare levensmiddelen. Elk EU-huishouden besteedt gemiddeld 15 % van zijn budget aan levensmiddelen, dat is de helft ten opzichte van 1960.

Door met het GLB duurzame landbouw te bevorderen, helpen we niet alleen het milieu, maar ook ons rijke en diverse platteland en ons uitgebreide aanbod aan levensmiddelen in stand te houden.

Hervorming van het GLB

Wat is er met de laatste hervormingen bereikt?

De meest substantiële hervormingen van het GLB begonnen in 1992. In 2003 werd de band tussen subsidies en productie losgelaten. Boeren zijn sindsdien niet meer verplicht om in ruil voor subsidies levensmiddelen te produceren waar geen markt voor is. Ze moeten nu produceren wat de markt en de consumenten vragen, nieuwe winstgevende markten zoeken en marktniches exploiteren.

Boeren ontvangen nu inkomenssteun, op voorwaarde dat ze goed voor hun grond zorgen en zich houden aan milieu-, dierenwelzijns- en voedselveiligheidsvoorschriften. Doen ze dat niet, dan worden ze op hun betalingen gekort.

Het nieuwe GLB is inmiddels veel beter afgestemd op een open wereld, zoals onder meer blijkt uit het feit dat de Wereldhandelsorganisatie 90 % van de rechtstreekse betalingen als niet‑handelsverstorend beschouwt.

Het GLB biedt de consument een ruime keus aan voedsel van hoge kwaliteit.

De Commissie blijft zich inspannen om het GLB te moderniseren, te stroomlijnen en te vereenvoudigen.

Nu de subsidies niet meer aan de productie gekoppeld zijn, hebben boeren toch enige financiële zekerheid en meer vrijheid om in te spelen op signalen van de markt.

De EU heeft de marktinstrumenten van het GLB (zoals openbare interventieaankopen) aangepast zodat ze nu als vangnetten werken, zonder de normale marktsignalen te blokkeren. Het plattelandsontwikkelingsbeleid helpt boeren hun bedrijven te herstructureren en voor het milieu te zorgen, wat goed is voor de dynamiek in plattelandsgebieden.

Welke zijn de grote lijnen in het GLB voor de periode na 2013?

In 2013 is een nieuwe hervorming van het GLB vastgesteld, die op 1 januari 2014 in werking zal treden. Alle elementen van de hervorming zullen vanaf 1 januari 2014, met uitzondering van de nieuwe structuur voor de rechtstreekse betalingen, aangezien hiervoor de jaarcyclus van de rechtstreekse betalingen in aanmerking moet worden genomen: de landbouwers doen hun jaarlijkse GLB‑aangifte namelijk in het voorjaar. Op basis van die aangifte worden de rechtstreekse betalingen in het kader van de nieuwe structuur in 2015 verricht, inclusief onder meer de groene betalingen en de aanvullende steun voor jonge landbouwers.

De nieuwe hervorming gaat u en mij aan. Om deze hervorming voor te bereiden, is de Commissie de dialoog aangegaan met het maatschappelijk middenveld en de andere betrokken partijen. Uit een breed openbaar debat van april tot juli 2010 (waarop bijna 6000 burgers en organisaties reageerden) en de daaropvolgende intensieve politieke besprekingen in de Raad van ministers en het Europees Parlement zijn de grote lijnen voor de hervorming van het GLB na 2013 naar voren gekomen. Op 12 oktober 2011 heeft de Commissie wetsvoorstellen ingediend.

Wat verandert er bij de nieuwe hervorming?

  1. De rechtstreekse betalingen worden nog doelgerichter om landbouwers een billijk inkomen te garanderen en te belonen voor hun maatschappelijke bijdrage (bijvoorbeeld door het milieu te beschermen). Ook gaat er meer steun naar regio’s waar de omstandigheden om landbouw te bedrijven moeilijker zijn, en naar jonge, beginnende boeren.

  2. De mechanismen voor het beheer van de markt worden eenvoudiger, doeltreffender en flexibeler.

  3. Bij plattelandsontwikkeling komt de nadruk te liggen op verbetering van de concurrentiepositie en bevordering van innovatie.

Tot slot krijgen boeren meer mogelijkheden om het hoofd te bieden aan prijs- en inkomensschommelingen.

Voedselprijzen

Waarom krijgen landbouwers steun in een periode van hoge voedselprijzen?

Wat de boer voor zijn producten krijgt, is maar een fractie van wat de consument ervoor betaalt. Het graan maakt bijvoorbeeld maar 5 % uit van de prijs van een brood. Tegenover een verhoging van de prijs die de consument moet betalen, staat niet noodzakelijk een stijging van het inkomen van de landbouwers. Bovendien nemen de productiekosten voor de landbouwers toe en zijn landbouwers bijzonder gevoelig voor de steeds frequentere en extremere markt‑ en prijsschommelingen. Zo is de energierekening van de landbouwbedrijven de afgelopen jaren met maar liefst 223 % gestegen en is de prijs voor meststoffen met 163 % toegenomen. De landbouwprijzen daarentegen zijn met gemiddeld slechts 50 % gestegen.

Maakt biobrandstof levensmiddelen duurder?

Tot nu toe blijkt uit studies dat de productie van biobrandstof in de EU geen bepalende rol speelt in de stijging van de voedselprijzen. Amper 1 % van de graanproductie in de EU wordt gebruikt voor ethanol. Van het Europese koolzaad gaat wel zo’n twee derde naar biodiesel, maar de totale koolzaadproductie van de EU is maar goed voor 2 % van de wereldwijde vraag. Hoe dan ook, de EU moet investeren in de tweede en derde generatie biobrandstoffen.

Het GLB en het milieu

Welke gevolgen heeft de landbouw voor het milieu?

De landbouw kan tot een duurzaam milieu bijdragen, maar kan het milieu ook in gevaar brengen. Het GLB heeft de belangrijke taak te zorgen voor evenwicht tussen die twee uitersten. Die rol zal de komende jaren alleen nog maar toenemen.

Hoe draagt het GLB bij tot een beter milieu?

Als gevolg van de GLB‑hervorming die in juni 2013 is vastgesteld, zal elke lidstaat, elk gebied, elke landbouwer aan de hand van eenvoudige maatregelen die hun nut hebben bewezen, zijn bijdrage leveren tot de duurzaamheid en de strijd tegen de klimaatverandering. In de periode 2014‑2020 wordt meer dan 100 miljard euro geïnvesteerd om de landbouw te helpen het hoofd te bieden aan uitdagingen in verband met bodemkwaliteit, waterkwaliteit, biodiversiteit en klimaatverandering.

  • "Vergroening": 30 % van de rechtstreekse betalingen zal slechts worden betaald indien gebruik wordt gemaakt van de volgende drie milieuvriendelijke landbouwmethoden: diversificatie van het bodemgebruik, behoud van blijvend grasland en behoud van eerst 5 % en vervolgens 7 % ecologisch aandachtsgebied vanaf 2018. In de plaats hiervan mogen ook maatregelen worden genomen die uit milieuoogpunt op zijn minst gelijkwaardig zijn.

  • Ten minste 30 % van de begroting voor plattelandsontwikkelingsprogramma's moet gaan naar agromilieumaatregelen, steun voor de biologische landbouw of projecten in verband met investeringen of innovatiemaatregelen die het milieu ten goede komen.

  • De agromilieumaatregelen worden versterkt. Zij moeten de in het kader van de vergroening gesteunde methoden aanvullen. De programma's op dit gebied moeten ambitieuzer worden en dus doeltreffender bijdragen tot de bescherming van het milieu (waarborg dat niet dubbel wordt gefinancierd).

Wat doet de EU om biologische landbouw te bevorderen?

De biologische landbouw respecteert de natuurlijke cyclus van planten en dieren. Deze landbouwmethode wordt beschermd door strenge productievoorschriften die in de Europese wetgeving zijn vastgesteld. Bovendien moet de biologische landbouw zich houden aan regelgeving over etikettering en traceerbaarheid, met als doel de kwaliteit en de authenticiteit van de biologische producten, ongeacht het land van herkomst, te waarborgen.

De EU heeft een speciaal Europees logo ontworpen voor biologische producten die aan de EU-normen voor biologische landbouw voldoen. Bioboeren en producenten van biologische levensmiddelen mogen het logo alleen gebruiken als ze zijn gecertificeerd.

De lidstaten kunnen in hun programma’s voor plattelandsontwikkeling ook speciale steun toekennen aan conventionele boeren die de overstap naar biologische landbouw willen maken. De mogelijkheden in dit verband zullen na 2013 verder worden uitgebreid. Zo voorziet de hervorming in specifieke steun voor de biologische landbouw en in steun die niet alleen bestemd is om van conventionele naar biologische landbouw over te schakelen, maar ook om die overschakeling te bestendigen.

Valt bosbouw ook onder het GLB?

Commerciële bosbouw valt niet onder het GLB, maar de EU erkent de gunstige impact van goed beheerd bosgebied voor het landschap en de biodiversiteit. Daarom is er in het GLB wel steun voor boeren die hun landbouwgrond gedeeltelijk herbebossen.

Het GLB en de handel

Staat de EU open voor de invoer van levensmiddelen?

De EU heeft de afgelopen twintig jaar veel gedaan om haar markt toegankelijker te maken. Ruim twee derde van de ingevoerde landbouwproducten haalt ze in ontwikkelingslanden: meer dan de Verenigde Staten, Australië, Japan, Canada en Nieuw-Zeeland samen. Dankzij bilaterale overeenkomsten met tal van landen gelden er lage invoertarieven voor landbouwproducten en de 50 armste landen van de wereld kunnen zonder invoerrechten onbeperkt invoeren in de EU.

Zijn er nieuwe importbelemmeringen nodig om onze boeren en ons voedsel te beschermen?

Als wij nieuwe belemmeringen invoeren, zullen onze handelspartners dat ook doen. Europa's concurrentievoordeel ligt bij hoogwaardige verwerkte voedingsmiddelen. De markten in ontwikkelingslanden, China en India incluis, bieden daarbij grote mogelijkheden voor uitbreiding.

De beste manier om de voedselzekerheid te waarborgen is het behoud van evenwichtige handelsbetrekkingen met onze partners. We kunnen onze boeren het best beschermen door hen dankzij een stabiel inkomen effectief te laten concurreren op de wereldmarkt, en dat is exact wat het GLB beoogt.

Het GLB en de ontwikkelingslanden

20 jaar geleden gaf de EU nog bijna 10 miljard euro per jaar uit aan exportsubsidies. In 2011 was dat nog maar 160 miljoen euro. Die exportsubsidies gaan bovendien niet zozeer naar ontwikkelingslanden maar vooral naar het Middellandse-Zeegebied en de rest van Europa. Slechts een zeer klein deel van de gesubsidieerde goederen gaat naar Afrika.

Vanaf 2014, zo is afgesproken, zal het mechanisme voor exportsubsidies slechts in uitzonderlijke omstandigheden worden ingezet.

Hebben ontwikkelingslanden echt baat bij de handelsconcessies van de EU?

De EU heeft met veel ontwikkelingslanden afspraken over voorkeurstarieven. De EU geeft op het gebied van handel meer steun aan ontwikkelingslanden dan de rest van de wereld bij elkaar, bijna 1 miljard euro in de afgelopen 3 jaar.

De EU importeert 71 % van de landbouwexport van ontwikkelingslanden (goed voor zo’n 59 miljard euro tussen 2008 en 2010), meer dan de VS, Canada, Japan, Nieuw-Zeeland en Australië samen. Alleen al uit Afrika importeert de EU voor meer dan 12 miljard euro (15 % van de totale EU-import). Ongeveer een derde van de export van ontwikkelingslanden komt in de EU terecht.

Hoe pakt de EU de handel met ontwikkelingslanden aan?

De EU is voor multilaterale handelsregels waar iedereen, en ontwikkelinglanden in het bijzonder, van profiteert. Daarom is ze van mening dat ontwikkelde landen sneller en meer moeten snijden in de douanerechten dan ontwikkelingslanden.

Voedselveiligheid en voedselzekerheid

Is ons voedsel veilig?

De EU heeft de voedselveiligheid sinds de voedselschandalen van de jaren 90 aanzienlijk verbeterd met voorschriften in verband met hygiëne, gezondheid van plant en dier, en residuen van toevoegingsmiddelen en bestrijdingsmiddelen in voedsel, om maar enkele voorbeelden te noemen. De levensmiddelenwetgeving in Europa behoort tot de strengste ter wereld.

Hoe waarborgt de EU de voedselkwaliteit?

De voedselkwaliteit wordt gewaarborgd middels voorschriften voor, onder meer, de etikettering, het in de handel brengen en de kwaliteit, de bescherming van geografische aanduidingen, de verplichte vermelding van voedingsinformatie op verpakkingen, kwaliteitslabels en normen op het gebied van dierenwelzijn.

De EU heeft niet alleen hygiënevoorschriften vastgesteld, die de veiligheid van de producten garanderen, maar ook:

  1. handelsnormen waaraan producten moeten voldoen als ze in de EU worden verkocht;

  2. optionele kwaliteitsaanduidingen op etiketten;

  3. Europese kwaliteitsregelingen, waarmee producten met een specifieke kwaliteit worden aangeduid:

  • "beschermde oorsprongsbenaming" (BOB) of "beschermde geografische aanduiding" (BGA) voor kwaliteitsproducten uit een bepaalde streek;

  • "gegarandeerde traditionele specialiteit" (GTS),

  1. een speciaal EU-logo voor biologische producten die aan strenge eisen voldoen;

  2. richtsnoeren voor een betere werking van kwaliteitscertificeringsregelingen die waarborgen dat het product bepaalde kenmerken vertoont of op de juiste wijze wordt geproduceerd.

Gezondheid en welzijn van dieren

Hoe worden dieren behandeld?

Met haar wetgeving inzake welzijn van landbouwdieren erkent de EU dat dieren wezens met gevoel zijn en niet onnodig mogen lijden. De regels zijn gebaseerd op het principe dat dieren op vijf punten vrij moeten zijn:

  1. vrij van honger en dorst;

  2. vrij van ongemak;

  3. vrij van pijn, verwondingen en ziekte;

  4. vrij om normaal gedrag te vertonen;

  5. vrij van angst en spanning.

Het Voedsel- en Veterinair Bureau van de Commissie inspecteert bedrijven om te controleren of de EU-wetgeving inzake dierenwelzijn in alle EU-landen correct wordt toegepast.

Het GLB geeft boeren ook subsidie om hun dieren meer welzijn te bieden dan het strikte minimum:

  1. GLB-steun wordt alleen uitbetaald als de landbouwers aan de minimumeisen inzake dierenwelzijn voldoen. Wie hierin tekort schiet, kan het recht op deze steunbetalingen geheel of gedeeltelijk verliezen;

  2. wie investeert om zijn houderijsysteem te verbeteren (onder meer door betere behuizing) kan voor extra subsidie in aanmerking komen.

Voor biologische veeteelt gelden de strengste normen inzake dierenwelzijn. Daardoor is het duurder om levensmiddelen te produceren in Europa dan in landen die niet zo streng zijn. Zonder overheidssubsidie zouden de Europese boeren op lange termijn maar moeilijk kunnen overleven bij de huidige wereldwijde concurrentie.

De EU is ook begaan met het welzijn van dieren buiten Europa en vraagt er ook actief aandacht voor, door het bij internationale handel als toegevoegde waarde te bevorderen.

Hoe beschermt de EU de gezondheid van dieren?

De veterinaire regels van de EU zijn bindend voor alle lidstaten en worden op basis van ervaring en expertise voortdurend aangescherpt.

MEMO/13/621

IP/13/613

1 :

Dit punt moet worden goedgekeurd tijdens de besprekingen over het meerjarig financieel kader.


Side Bar

Mon compte

Gérez vos recherches et notifications par email


Aidez-nous à améliorer ce site