Navigation path

Left navigation

Additional tools

Voornaamste elementen van de hervorming van het GLB

European Commission - MEMO/13/621   26/06/2013

Other available languages: EN FR DE DA ES IT SV PT FI EL CS ET HU LT LV MT PL SK SL BG RO HR

Europese Commissie

MEMO

Brussel, 26 juni 2013

Voornaamste elementen van de hervorming van het GLB

De Commissie, de Raad en het Europees Parlement (EP) hebben vandaag een politiek akkoord bereikt over de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Dit akkoord moet nog formeel worden goedgekeurd door de Raad en het EP als een overeenstemming in eerste lezing zodra de teksten in alle talen zijn geformaliseerd. Het akkoord is gebaseerd op de voorstellen van de Commissie van oktober 2011 (zie IP/11/1181 en MEMO/11/685) en heeft betrekking op vier basisverordeningen van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid: i) over de rechtstreekse betalingen, ii) over de integrale gemeenschappelijke marktordening (GMO), iii) over plattelandsontwikkeling en iv) over de financiering, het beheer en de monitoring van het GLB (deze laatste is een horizontale verordening). Bepaalde onderwerpen zullen afzonderlijk worden behandeld tijdens de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2014‑2020. Het betreft dan met name de overheveling van middelen tussen de eerste pijler (rechtstreekse betalingen) en de tweede pijler (plattelandsontwikkeling), de toewijzing van de nationale enveloppes voor rechtstreekse betalingen en plattelandsontwikkeling, de medefinancieringsniveaus en het thema plafonnering & degressiviteit.

Hieronder volgt een samenvatting van de voornaamste elementen van deze voorstellen.

1. Rechtstreekse betalingen

Met het oog op een eerlijkere verdeling van de steun, zal in het kader van het GLB‑systeem voor rechtstreekse betalingen niet langer gebruik worden gemaakt van de historische referenties als basis voor de toewijzingen per lidstaat – en per landbouwer in de lidstaat. Hierdoor zullen de betalingen dichter bij elkaar komen te liggen en worden de verschillen zowel tussen de lidstaten onderling als binnen de lidstaten kleiner (de zogenoemde "convergentie"). Bovendien zal door de invoering van een vergroeningsbetaling (30 % van de beschikbare nationale enveloppe wordt slechts uitbetaald als bepaalde duurzame landbouwmethoden worden toegepast) een aanzienlijk deel van de subsidies worden gebruikt als beloning voor landbouwers die collectieve milieugoederen leveren. De verlening van alle betalingen blijft afhankelijk van de naleving van bepaalde milieuvoorschriften en andere regels

De basisbetalingsregeling (BBR) De lidstaten zullen 70 % van hun nationale enveloppe voor rechtstreekse betalingen uittrekken voor de nieuwe basisbetalingsregeling. Niet in dit percentage verrekend zijn de bedragen die worden geoormerkt voor de aanvullende betaling voor jonge landbouwers, de aanvullende betaling voor probleemgebieden, de regeling voor kleine landbouwers, de herverdelingstoeslag en "gekoppelde" betalingen. Voor de EU-12 wordt de einddatum voor de eenvoudigere forfaitaire regeling inzake één enkele areaalbetaling (REAB) uitgebreid tot 2020.

Interne convergentie De lidstaten die de toewijzingen nog laten afhangen van historische referenties, moeten hiervan afstappen en ervoor zorgen dat de niveaus van de betalingen per hectare dichter bij elkaar komen te liggen. Zij kunnen hiervoor kiezen tussen een nationale of een regionale benadering (gebaseerd op administratieve of agronomische criteria). Hoe dan ook moet uiterlijk in 2019 een regionaal/nationaal niveau worden bereikt of moet worden gegarandeerd dat de betalingen voor landbouwbedrijven die minder dan 90 % van het gemiddelde regionale/nationale niveau ontvangen, geleidelijk worden verhoogd en dat de betaling voor elke landbouwer tegen 2019 ten minste 60 % van het regionale/nationale gemiddelde bedraagt. De bedragen voor landbouwbedrijven die meer dan het regionale/nationale gemiddelde ontvangen, worden evenredig aangepast. Bovendien krijgen de lidstaten de mogelijkheid eventuele "verliezen" tot 30 % te beperken.

De lidstaten hebben ook het recht om een herverdelingstoeslag voor de eerste hectaren toe te passen. Dit houdt in dat zij tot 30 % van hun enveloppe over de landbouwers kunnen herverdelen. De landbouwers krijgen deze steun voor de eerste 30 hectare van hun landbouwbedrijf (bij meer dan 30 hectare is de referentie de gemiddelde omvang van de landbouwbedrijven in de betrokken lidstaat). Deze maatregel zal een aanzienlijk herverdelingseffect hebben. Een andere optie bestaat in de toepassing van een maximumbetaling per hectare.

Jonge landbouwers Om de verjonging in de landbouwsector aan te moedigen, moet de basisbetaling voor nieuwe jonge landbouwers (jonger dan 40) gedurende de eerste vijf jaar na vestiging worden verhoogd met 25 %. Deze – voor elke lidstaat verplichte – maatregel wordt bekostigd met maximaal 2 % van de middelen uit de nationale enveloppe en komt bovenop andere maatregelen voor jonge landbouwers in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's.

Regeling voor kleine landbouwers Facultatief voor de lidstaten: landbouwers die steun aanvragen, kunnen besluiten deel te nemen aan de regeling voor kleine landbouwers en krijgen dan een door de betrokken lidstaat vastgestelde jaarlijkse betaling tussen 500 EUR en 1 250 EUR, ongeacht de omvang van hun bedrijf. De lidstaten kunnen kiezen uit verschillende methoden voor de berekening van de jaarlijkse betaling. Een van de opties is dat de landbouwers gewoon het bedrag krijgen dat ze normaal zouden ontvangen. Dit komt voor de betrokken landbouwers en de nationale overheden neer op een enorme vereenvoudiging. De deelnemers aan deze regeling krijgen minder stringente voorschriften in het kader van de randvoorwaarden opgelegd en worden vrijgesteld van de vergroening. De totale kosten voor de regeling voor kleinschalige landbouwers mogen niet meer bedragen dan 10 % van de nationale enveloppe, tenzij een lidstaat ervoor kiest te garanderen dat kleine landbouwers precies hetzelfde ontvangen als wat hun toekomt zonder de regeling. Bovendien zullen in het kader van de plattelandsontwikkeling naast financiële middelen voor adviesverlening aan kleinschalige landbouwers met het oog op economische ontwikkeling, ook herstructureringssubsidies voor regio's met een groot aantal dergelijke bedrijven ter beschikking worden gesteld.

"Gekoppelde" optie Om de potentieel nadelige gevolgen van de interne convergentie voor specifieke sectoren in bepaalde regio's op te vangen en om rekening te houden met de bestaande omstandigheden, zullen de lidstaten beperkte bedragen aan "gekoppelde" betalingen ter beschikking kunnen stellen, namelijk in de vorm van een betaling die gekoppeld is aan een specifiek product. Indien de betrokken lidstaat momenteel 0 tot 5% van de nationale enveloppe aan gekoppelde steun besteedt, mag voor de hierboven bedoelde bedragen niet meer dan 8 % van de nationale enveloppe worden uitgetrokken. Dit percentage mag oplopen tot 13 %, als het huidige aandeel van de gekoppelde steun hoger ligt dan 5 %. De Commissie kan een hoger percentage goedkeuren indien dat gerechtvaardigd is. Bovendien bestaat de mogelijkheid om voor eiwithoudende gewassen 2 % "gekoppelde" steun te verlenen.

Gebieden met natuurlijke beperkingen (GNB's) / Probleemgebieden (PG's) De lidstaten (of de regio's) kunnen een aanvullende betaling ten bedrage van maximaal 5 % van de nationale enveloppe toekennen voor GNB's (zoals gedefinieerd in de voorschriften inzake plattelandsontwikkeling). Deze betaling is facultatief en doet niets af aan de opties die de GNB's en PG's ter beschikking staan in het kader van de plattelandsontwikkeling.

Vergroening Naast de betaling in het kader van de BBR/REAB zal elk bedrijf een betaling per hectare ontvangen als compensatie voor het toepassen van bepaalde klimaat- en milieuvriendelijke landbouwmethoden. Hiervoor zullen de lidstaten 30 % van de nationale enveloppe gebruiken. De vergroeningsvoorschriften zijn dwingend. Worden deze niet nageleefd, dan zullen financiële sancties worden opgelegd die in sommige gevallen het bedrag de vergroeningsbetaling overschrijden. Zo zullen hardnekkige overtreders – na een overgangsperiode – tot 125 % van hun vergroeningsbetaling verliezen.

De drie geplande basismaatregelen voor de vergroening zijn:

  1. de instandhouding van blijvend grasland; en

  2. gewasdiversificatie (een landbouwer moet ten minste 2 gewassen telen indien zijn bouwland meer dan 10 ha groot is en ten minste 3 gewassen indien het meer dan 30 ha groot is. Het hoofdgewas mag niet meer dan 75 % van het bouwland bestrijken en de twee hoofdgewassen niet meer dan 95 %;

  3. behoud van "ecologisch aandachtsgebied" met een omvang van ten minste 5 % van het bouwland van het landbouwbedrijf voor bedrijven die groter zijn dan 15 hectare (blijvend grasland niet meegerekend) – d.w.z. akkerranden, heggen, bomen, braakland, landschapskenmerken, biotopen, bufferstroken, bebost gebied. Dit cijfer wordt na verslaglegging door de Commissie in 2017 en na indiening van een wetgevingsvoorstel opgetrokken tot 7 %.

Vergroeningsequivalentie Om diegenen die op het gebied van milieu en duurzaamheid reeds inspanningen leveren, niet te bestraffen, voorziet het akkoord in een "vergroeningsequivalentiesysteem" waarbij de toepassing van reeds ingevoerde klimaatvriendelijke methoden worden beschouwd als vervanging van deze basisvereisten. Zo worden aan biologisch producerende landbouwers bijvoorbeeld geen aanvullende vereisten opgelegd aangezien hun methoden aantoonbaar voor een duidelijk ecologisch voordeel zorgen. Bij anderen kunnen agromilieuregelingen maatregelen omvatten die als equivalent worden gezien. De nieuwe verordening bevat een lijst van dergelijke equivalente maatregelen. Om "dubbele financiering" van de maatregelen te voorkomen, moet bij het verlenen van betalingen via plattelandsontwikkelingsprogramma’s rekening worden gehouden met de basisvereisten inzake vergroening [zie de sectie i.v.m. plattelandsontwikkeling hieronder].

Financiële discipline: Mits het MFK wordt goedgekeurd en afgezien van de aparte beslissing voor begrotingsjaar 2014, is afgesproken om in de toekomst een drempelwaarde van 2000 EUR toe te passen bij elke verlaging van de jaarlijkse rechtstreekse betalingen waartoe in het kader van de financiële discipline wordt beslist (wanneer de betalingsramingen hoger zijn dan de beschikbare begroting voor de eerste pijler). De verlaging is met andere woorden NIET van toepassing op de eerste 2000 EUR van de rechtstreekse betaling voor elke landbouwer. Op die manier kan zo nodig ook de marktcrisisreserve worden gespekt [zie horizontale verordening].

"Actieve landbouwers" Om een aantal juridische leemten te vullen waardoor een aantal bedrijven rechtstreekse betalingen hebben kunnen aanvragen hoewel hun hoofdactiviteit geen landbouwactiviteit is, wordt de definitie van actieve landbouwer strenger. Er is een nieuwe, bindende negatieve lijst van beroepsactiviteiten opgesteld die niet in aanmerking kunnen komen voor rechtstreekse betalingen (luchthavens, spoorwegondernemingen, waterbedrijven, vastgoeddiensten en sport‑ en recreatieterreinen) tenzij de afzonderlijke betrokken bedrijven kunnen aantonen dat ze daadwerkelijk landbouwactiviteiten uitoefenen. De lidstaten zullen de negatieve lijst zelf verder kunnen aanvullen.

Subsidiabele hectaren Krachtens de regelgeving zou 2015 als nieuw referentiejaar voor het areaal worden vastgesteld, maar om speculatie te vermijden zal een verband worden gelegd met de begunstigden van rechtstreekse betalingen in 2013. Lidstaten waar het gedeclareerde subsidiabele areaal sterk is toegenomen, mogen het aantal betalingsrechten dat in 2015 zal worden toegewezen, beperken tot hetzij 135 % hetzij 145 % van het aantal in 2009 gedeclareerde hectaren.

2. Mechanismen voor marktbeheer

Aangezien de melkquota in 2015 verstrijken, zal met de hervorming een eind komen aan de suikerquotaregeling op 30 september 2017. Dit is in overeenstemming met de in het kader van de suikerhervorming van 2005 aangekondigde plannen om een einddatum vast te stellen voor de quotaregeling en de sector extra tijd te geven om zich aan te passen. Dit zal het concurrentievermogen van de EU-producenten zowel op de interne als op de wereldmarkt verhogen (gezien de beperkte uitvoermogelijkheden voor de EU als gevolg van de WTO-voorschriften in het kader van quota) en zo de sector een langetermijnperspectief bieden. Een ruim aanbod op de interne EU-markten tegen redelijke prijzen komt ook de tussen- en eindgebruikers van suiker ten goede. Met het oog op meer zekerheid blijven de standaardbepalingen voor overeenkomsten tussen suikerfabrieken en telers behouden. Na de afschaffing van de quota blijft witte suiker in aanmerking komen voor particuliere‑opslagsteun. De meeste ontwikkelingslanden behouden een onbeperkte en rechtenvrije toegang tot de EU-markt.

Wat de wijnproductie betreft, volgt het akkoord de hervorming van 2006, waar werd beslist om eind 2015 de regeling van aanplantrechten voor wijnstokken stop te zetten en vanaf 2016 een systeem van aanplantvergunningen in te voeren (zoals in december laatstleden aanbevolen door de Groep op hoog niveau inzake wijn (zie IP/13/1378) en de toename van het wijnbouwareaal te beperken tot maximaal 1 % per jaar.

Andere wijzigingen aan de integrale-GMO-verordening zijn bedoeld om de marktgerichtheid van de EU-landbouw te verbeteren in het licht van toenemende concurrentie op de wereldmarkten en tegelijkertijd landbouwers bij externe onzekerheden een doeltreffend vangnet te bieden (samen met rechtstreekse betalingen en opties voor risicobeheer in het kader van plattelandsontwikkeling). De bestaande systemen voor openbare interventie en particuliere-opslagsteun worden herzien met als doel deze slagvaardiger en doeltreffender te maken, bijv. aan de hand van technische aanpassingen voor rundvlees en zuivel. Voor de zuivelsector komen deze veranderingen bovenop het in de verordening verwerkte "melkpakket" van 2012 en de versteviging van de marktpositie van de landbouwers.

Daarnaast worden nieuwe vrijwaringsclausule voor alle sectoren ingevoerd die de Commissie in staat moet stellen noodmaatregelen te nemen als reactie op algemene marktverstoringen (zoals de maatregelen naar aanleiding van de E-coli-crisis in mei-juli 2011). Deze maatregelen zullen worden gefinancierd uit een crisisreserve die wordt gefinancierd uit een jaarlijkse verlaging van de rechtstreekse betalingen. De middelen die niet zijn gebruikt voor crisismaatregelen, zullen het volgende jaar aan de landbouwers worden terugbetaald. In geval van een ernstige marktcrisis kan de Commissie de producentenorganisaties of brancheorganisaties de toestemming geven om, mits bepaalde garanties in acht zijn genomen, collectief tijdelijke maatregelen te nemen (bijvoorbeeld uit de handel nemen of opslag door particuliere marktdeelnemers) om de betrokken sector te stabiliseren.

De schoolfruitregeling en de schoolmelkregeling moeten worden verlengd en het jaarlijkse budget voor de schoolfruitregeling wordt verhoogd van 90 miljoen EUR naar 150 miljoen EUR per jaar.

Om de onderhandelingspositie van de landbouwers in de voedselketen te verbeteren, zet de Commissie in op een betere organisatie van de sectoren, met mogelijkheid tot een beperkt aantal afwijkingen van het mededingingsrecht van de EU. De voorschriften over de erkenning van producentenorganisaties en brancheorganisaties bestrijken nu alle sectoren – met extra opties voor de oprichting van dergelijke organisaties met financiering uit hoofde van de plattelandsontwikkeling (zie verderop). Bovendien zullen de landbouwers, wanneer bepaalde voorwaarden en garanties in acht zijn genomen, de kans krijgen collectief contracten af te sluiten voor de levering van olijfolie, rundvlees, granen en bepaalde andere akkergewassen. De Commissie zal richtsnoeren opstellen met betrekking tot bepaalde aspecten die verband houden met het mededingingsrecht.

Omwille van de vereenvoudiging en de marktgerichtheid wordt een aantal minder belangrijke of ongebruikte regelingen afgeschaft (steun voor de verwerking van magere melk en mageremelkpoeder in diervoeder en caseïne, gekoppelde steun voor zijderupsen).

3. Plattelandsontwikkeling

Voor plattelandsontwikkeling blijft men bij het huidige, succesvolle basisconcept: lidstaten of regio’s blijven hun eigen meerjarenprogramma’s ontwikkelen op basis van het pakket maatregelen dat beschikbaar is op EU-niveau, maar zullen deze aanpassen aan de noden van hun eigen ruraal gebied. Deze programma’s zullen worden meegefinancierd uit de nationale enveloppes – de medefinancieringsbedragen en ‑percentages zullen worden behandeld in het kader van het MFK. De nieuwe voorschriften voor de tweede pijler bieden een flexibelere benadering dan momenteel het geval is. Maatregelen worden niet langer op EU-niveau ingedeeld in "assen" met minimumfinancieringsvereisten voor elke as. In plaats daarvan zullen de lidstaten/regio’s op basis van een degelijke analyse zelf beslissen op welke maatregelen ze een beroep doen (en hoe) om de vastgestelde doelstellingen voor zes bredere "prioriteiten" en de bijbehorende "aandachtsgebieden" (subprioriteiten) te halen. De zes prioriteiten bestrijken de volgende domeinen: stimuleren van kennisoverdracht en innovatie; bevordering van het concurrentievermogen van alle landbouwbranches en duurzaam bosbeheer; stimuleren van de organisatie van de voedselketen, inclusief verwerking en afzet, en stimuleren van risicobeheer; herstel, instandhouding en verbetering van de ecosystemen; bevordering van doelmatig gebruik van hulpbronnen en overgang naar een koolstofarme economie; bevordering van maatschappelijke cohesie, armoedebestrijding en economische ontwikkeling in plattelandsgebieden. De lidstaten zullen ten minste 30 % van hun uit de EU‑begroting komende plattelandsontwikkelingsbudget moeten besteden aan bepaalde maatregelen op het gebied van grondbeheer en bestrijding van de klimaatverandering, en ten minste 5 % aan de LEADER‑aanpak.

Het plattelandsontwikkelingsbeleid zal ook nauwer samenwerken met andere beleidsterreinen middels een gemeenschappelijk strategisch kader op EU-niveau en partnerschapsovereenkomsten op nationaal niveau die betrekking hebben op alle soorten steun die in de betrokken lidstaat wordt verleend uit de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen: ELFPO, EFRO, Cohesiefonds, ESF en EFMZV) in de betrokken lidstaat.

In de nieuwe periode zullen lidstaten/regio’s ook de mogelijkheid hebben om thematische subprogrammas te ontwikkelen om bijzondere aandacht te verlenen aan jonge landbouwers, kleine landbouwbedrijven, berggebieden, vrouwen in plattelandsgebieden, matiging van/aanpassing aan de klimaatverandering, biodiversiteit en korte voorzieningsketens. In sommige gevallen zullen er binnen subprogramma's hogere steunpercentages beschikbaar zijn.

Het gestroomlijnde pakket maatregelen zal voortbouwen op de sterke punten van de maatregelen in de huidige periode. Ze zullen onder andere betrekking hebben op:

  1. Innovatie: Verschillende plattelandsontwikkelingsmaatregelen, zoals "kennisoverdracht", "samenwerking" en "investeringen in materiële activa" moeten de verwezenlijking van dit kernthema (en meer in het bijzonder het geplande Europese Partnerschap voor innovatie voor de productiviteit en duurzaamheid van de landbouw – EIP) dichterbij brengen. De bedoeling van dit partnerschap is het efficiënte gebruik van hulpbronnen te bevorderen, de productiviteit te stimuleren en te komen tot een emissiearme, klimaatvriendelijke en veerkrachtige ontwikkeling van de land- en bosbouw. Deze doelstellingen kunnen onder andere worden bereikt door een nauwere samenwerking tussen de landbouwsector en de onderzoekswereld om de resultaten op het gebied van technologie sneller ingang te doen vinden bij de landbouwers.

  2. Kennis "een op kennis gebaseerde landbouw": Versterkte maatregelen op het gebied van landbouwadviesdiensten (ook gekoppeld aan matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, milieu-uitdagingen en economische ontwikkeling en opleiding).

  3. Herstructurering van landbouwbedrijven / Investering/ Modernisering: Hiervoor zijn nog steeds subsidies beschikbaar – soms met hogere steunpercentages voor maatregelen die verband houden met het EIP of gezamenlijke projecten.

  4. Jonge landbouwers - Maatregelen kunnen worden gecombineerd tot een pakket dat bijvoorbeeld naast vestigingssteun (tot 70 000 EUR) ook algemene investeringen in materiële activa, steun voor opleidings- en adviesdiensten kan omvatten.

  5. Kleine landbouwers: Per klein landbouwbedrijf kan tot 15 000 EUR opstartsteun worden toegekend.

  6. Toolkit voor risicobeheer: Verzekering en onderlinge fondsen – oogstverzekering, weerschadeverzekering, verzekering tegen dierziekten [nu beschikbaar krachtens artikel 68 van de eerste pijler] – uitgebreid met een inkomenstabiliseringsinstrument (in het kader waarvan tot 70 % van het verlies uit een onderling fonds kan worden vergoed indien het inkomen met 30 % is gedaald).

  7. Producentengroeperingen / organisaties: Steun voor de oprichting van groepen/organisaties die over een bedrijfsplan beschikken en onder de definitie van kmo's vallen.

  8. Agromilieu- en klimaatgerelateerde betalingen: Gemeenschappelijke contracten; koppeling aan geschikte opleiding/informatie; meer flexibiliteit bij contractverlenging.

  9. Biologische landbouw: Nieuwe afzonderlijke maatregelen voor meer zichtbaarheid.

  10. Bosbouw: Meer/gestroomlijnde steun via subsidies en jaarlijkse betalingen.

  11. Berggebieden: Voor berggebieden en landbouwgrond boven 62 °NB, kan het steunbedrag tot 450 EUR per hectare bedragen (ten opzichte van de huidige 250 EUR per hectare).

  12. Andere gebieden met natuurlijke en andere specifieke beperkingen: Nieuwe afbakening voor gebieden met natuurlijke beperkingen – met ingang van uiterlijk 2018 – op basis van 8 biofysische criteria. Flexibiliteit voor de lidstaten om in het belang van de instandhouding of verbetering van het milieu tot 10 % van hun landbouwareaal aan te wijzen als gebied met specifieke beperkingen.

  13. Samenwerking: Meer mogelijkheden om technologische, ecologische en commerciële samenwerking te steunen (zoals proefprojecten, gemeenschappelijke milieuregelingen, ontwikkeling van korte voorzieningsketens en plaatselijke markten).

  14. Niet‑landbouwactiviteiten: Opstartsteun en subsidies voor de ontwikkeling van micro- en kleine ondernemingen.

  15. Basisdiensten en dorpsvernieuwing: Investeringen in breedbandinfrastructuur en hernieuwbare energie kunnen verder gaan dan het kleinschalige; verplaatsing van activiteiten / verbouwen van gebouwen.

  16. LEADER: meer nadruk op bewustmaking en andere voorbereidende steun voor strategieën; bevorderen van flexibiliteit om met andere fondsen op lokaal gebied te werken, namelijk in de vorm van stedelijke - landelijke samenwerking. NB: LEADER zal in het kader van de volgende ESI-fondsen worden gebruikt als het raamwerk voor door de gemeenschap aangestuurde plaatselijke ontwikkeling: EFRO, ESF, EFMZV en ELFPO.

4. Horizontale verordening

Controle: In gebieden waar blijkens vorige controles goede resultaten zijn geboekt (dit wil zeggen: waar de regels in acht zijn genomen), wordt het controleregime versoepeld. In gebieden met problemen daarentegen wordt dit regime aangescherpt.

Bedrijfsadviesdiensten: De lijst van onderwerpen waarover de lidstaten de landbouwers verplicht advies zullen moeten geven is uitgebreid en omvat niet enkel meer de randvoorwaarden, maar ook groene rechtstreekse betalingen, de voorwaarden voor het onderhoud van land dat in aanmerking komt voor rechtstreekse betalingen, de kaderrichtlijn water en de richtlijn duurzaam gebruik van pesticiden, alsook bepaalde maatregelen voor plattelandsontwikkeling.

Randvoorwaarden: Alle rechtstreekse betalingen, bepaalde betalingen voor plattelandsontwikkeling en bepaalde betalingen voor wijnstokken blijven afhankelijk van een aantal wettelijke vereisten met betrekking tot milieu, klimaatverandering, een goede landbouwconditie van de grond, gezondheid van mens, plant en dier en dierenwelzijn. Een aantal voorschriften is geschrapt van die lijst omdat ze onduidelijke of niet‑controleerbare verplichtingen voor de landbouwers bevatten. Het akkoord bevestigt dat de kaderrichtlijn water en de richtlijn duurzaam gebruik van pesticiden zullen worden geïntegreerd in de regeling voor de randvoorwaarden zodra is aangetoond dat deze richtlijnen in alle lidstaten correct worden toegepast en de verplichtingen voor de landbouwers duidelijk zijn omschreven.

Crisisreserve: Elk jaar zal met middelen die voortvloeien uit de toepassing van de financiële discipline, een crisisreserve van 400 miljoen EUR (in prijzen van 2011) worden aangelegd. Wordt dit bedrag niet voor een crisissituatie gebruikt, dan krijgen de landbouwers het gedurende het volgende jaar uitbetaald in de vorm van rechtstreekse betalingen.

Transparantie: De lidstaten zullen volledige duidelijkheid moeten bieden over alle begunstigden – met uitzondering van de bedrijven die in aanmerking komen voor de regeling voor kleine landbouwers in die lidstaat.

Monitoring en evaluatie van het GLB: De Commissie zal uiterlijk eind 2018 - en daarna elke 4 jaar - een verslag voorleggen over de mate waarin het GLB de hoofddoelstellingen heeft bereikt - rendabele voedselproductie, duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en een evenwichtige territoriale ontwikkeling).

5. Andere elementen

Aanpassing: Met het oog op de tenuitvoerlegging moeten sommige aspecten, met name betreffende de integrale‑GMO‑verordening, worden goedgekeurd op grond van artikel 43, lid 3, en andere op grond van artikel 43, lid 2.

Overgangsmaatregelen: De bedoeling is dat alle nieuwe verordeningen in werking treden op 1 januari 2014 en de Commissie kan beginnen met het opstellen van de uitvoeringsbepalingen voor deze verordeningen van de Raad. Gezien de noodzakelijke voorbereidingen is het echter reeds duidelijk dat de betaalorganen van de lidstaten niet voldoende tijd zullen hebben om ervoor te zorgen dat de nodige administratieve regelingen en controles voor het nieuwe systeem van rechtstreekse betalingen tegen begin volgend jaar (wanneer de GBCS-formulieren naar de landbouwers worden gezonden) op poten staan. Daarom heeft de Commissie een afzonderlijk voorstel opgesteld om voor de rechtstreekse betalingen in 2014 een overgangsjaar in te lassen. De nieuwe elementen als vergroening en de aanvullende betalingen voor jonge landbouwers zullen dus pas vanaf 2015 van toepassing zijn. Ook worden de lidstaten aangemoedigd om aan hun meerjarenprogramma's voor plattelandsontwikkeling te werken, die begin volgend jaar zouden moeten worden goedgekeurd. Voor sommige jaarlijkse elementen, zoals agromilieubetalingen, dienen echter ook overgangsregels te gelden om te vermijden dat er onderbrekingen zijn in dit type regelingen.

Voor nadere informatie:

Documenten en informatie over de voorstellen voor de GLB-hervorming zijn beschikbaar op het volgende adres: http://ec.europa.eu/agriculture/cap-post-2013/index_en.htm

IP/13/613

MEMO/13/631


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website