Navigation path

Left navigation

Additional tools

Other available languages: EN FR DE ES IT PT HU LT LV MT PL SL RO

Europese Commissie

MEMO

Brussel, 29 mei 2013

De Commissie neemt stappen in het kader van de buitensporigtekortprocedure

Welke besluiten heeft de Commissie vandaag genomen met betrekking tot de buitensporigtekortprocedure?

De Commissie heeft vandaag de Raad aanbevolen de buitensporigtekortprocedure (BTP) stop te zetten ten aanzien van vijf landen: Italië, Letland, Hongarije, Litouwen en Roemenië.

Daarnaast heeft de Commissie de Raad aanbevolen een BTP ten aanzien van Malta in te leiden.

Voorts heeft de Commissie aanbevelingen aan de Raad gegeven met het oog op de verlenging van de termijn voor het corrigeren van het buitensporige tekort in zes landen: Spanje, Frankrijk, Nederland, Polen, Portugal en Slovenië.

Bovendien heeft de Commissie aanbevolen dat de Raad besluit dat België niet effectief is opgetreden om een einde aan het buitensporige tekort te maken, en dat hij België aanmaant maatregelen te nemen om het buitensporige tekort te corrigeren.

Stopzetting/inleiding van een buitensporigtekortprocedure

Ten aanzien van hoeveel lidstaten loopt er momenteel een buitensporigtekortprocedure?

Er loopt op dit moment een buitensporigtekortprocedure (BTP) voor 20 EU-lidstaten. Dit betekent dat alle EU-lidstaten behalve Bulgarije, Duitsland, Estland, Luxemburg, Malta, Finland en Zweden onder een BTP vallen. Vandaag heeft de Commissie voorgesteld de BTP ten aanzien van Italië, Letland, Hongarije, Litouwen en Roemenië stop te zetten. Maar de Commissie heeft ook voorgesteld om een BTP ten aanzien van Malta in te leiden. Als de Raad zich achter de aanbevelingen van de Commissie schaart, zal het totale aantal landen ten aanzien waarvan een BTP loopt, dus dalen tot 16.

Wat is er nodig om een buitensporigtekortprocedure stop te zetten?

Een besluit tot stopzetting van een buitensporigtekortprocedure (EDP) wordt gebaseerd op een "duurzame correctie" van het buitensporige tekort. Van een dergelijke correctie is pas sprake als:

  1. (i) uit de gegevens die over het voorgaande jaar (in dit geval 2012) worden meegedeeld, een tekort blijkt dat lager ligt dan 3 % van het bbp, en

  2. (ii) de voorjaarprognoses van de diensten van de Commissie uitwijzen dat het tekort tijdens de prognoseperiode (momenteel 2013 en 2014) niet boven de referentiewaarde van 3 % van het bbp zal uitstijgen.

Als het tekort dicht bij de referentiewaarde blijft en de schuld onder 60 % van het bbp wordt gehouden, zal de Commissie ook rekening houden met de nettokosten van de uitvoering van pensioenhervormingen waarbij een verplichte tweede pijler met volledige kapitaaldekking wordt ingevoerd. Meer bepaald zal de Commissie er rekening mee houden of de overschrijding van de drempel van 3 % volledig kan worden toegeschreven aan de nettekosten van de uitvoering van de pensioenhervorming.

Waarom beveelt de Commissie de Raad aan de BTP ten aanzien van Italië, Letland, Hongarije, Litouwen en Roemenië stop te zetten?

De aanbevelingen van de Commissie zijn gebaseerd op de gegevens die Eurostat voor 2012 heeft gevalideerd, en op de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie. Een BTP kan worden stopgezet als uit de feitelijke gegevens blijkt dat het tekort in het referentiejaar (in dit geval 2012) teruggedrongen is tot minder dan 3 % van het bbp en als uit de prognoses van de Commissie blijkt dat het tekort tijdens de prognoseperiode (2013-2014) niet boven de drempel van 3 % van het bbp zal uitstijgen.

Italië

De BTP ten aanzien van Italië werd in 2009 ingeleid. Na in 2009 een piek van 5,5 % van het bbp te hebben bereikt, daalde het overheidstekort van Italië gestaag en bedroeg het 3,0 % van het bbp in 2012, d.i. de deadline die de Raad had vastgesteld. In het stabiliteitsprogramma voor 2013-2017, dat de Italiaanse regering op 10 april 2013 heeft vastgesteld en waarmee het parlement op 7 mei heeft ingestemd, wordt ervan uitgegaan dat het tekort in 2013 licht zal teruglopen tot 2,9 % van het bbp en vervolgens in 2014 zal dalen tot 1,8 % van het bbp. De diensten van de Commissie verwachten in hun voorjaarsprognoses 2013, bij ongewijzigd beleid, een tekort van 2,9 % van het bbp in 2013 en van 2,5 % van het bbp in 2014, wat lager is dan de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarde van 3 % van het bbp.

Letland

De BTP ten aanzien van Letland werd in 2009 ingeleid. Na de hoge overheidstekorten in 2009 en 2010 (respectievelijk 9,8 % en 8,1 % van het bbp), die ten dele een weerspiegeling waren van de maatregelen om de financiële sector te stabiliseren, begon het tekort in 2011 snel af te nemen. In dat jaar bedroeg het nog 3,6 % van het bbp. In 2012 daalde het tekort verder tot 1,2 % van het bbp, dus ruim onder de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarde van 3 % van het bbp. De diensten van de Commissie gaan er in hun voorjaarsprognoses 2013 van uit dat het overheidstekort, bij ongewijzigd beleid, in 2013 min of meer gelijk zal blijven op 1,2 % van het bbp en in 2014 zal afnemen tot 0,9 % van het bbp, wat dus ruim onder de referentiewaarde van 3 % van het bbp is.

Litouwen

De BTP ten aanzien van Litouwen werd in 2009 ingeleid. Na in 2009 een hoogtepunt van 9,4 % van het bbp te hebben bereikt, werd het overheidstekort van Litouwen teruggebracht tot 7,2 % van het bbp in 2010 en vervolgens tot 5,5 % van het bbp in 2011 en 3,2 % van het bbp in 2012. Aangezien het tekort van 3,2 % van het bbp kan worden geacht dicht bij de referentiewaarde van 3 % van het bbp te liggen en de schuldquote van Litouwen duurzaam lager is dan de referentiewaarde van 60 % van het bbp, kan voor Litouwen gebruik worden gemaakt van de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact op grond waarvan de directe nettokosten van de hervorming van een pensioenstelsel in aanmerking mogen worden genomen bij het beoordelen van de correctie van het buitensporige tekort. Als de nettokosten van de Litouwse hervorming van het pensioenstelsel in 2012 0,2 % van het bbp bedroegen, verklaren zij meteen waarom de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarde van 3 % van het bbp in dat jaar werd overschreden. De diensten van de Commissie verwachten in hun voorjaarsprognoses 2013 dat het overheidstekort bij ongewijzigd beleid zal blijven afnemen tot 2,9 % van het bbp in 2013 en 2,4 % van het bbp in 2014. Zo zal het tekort tijdens de prognoseperiode onder de referentiewaarde van 3 % van het bbp blijven.

Hongarije

De BTP ten aanzien van Hongarije werd in 2004 ingeleid. In 2012 kwam het overheidstekort dankzij een aanzienlijke begrotingsinspanning uit op 1,9 % van het bbp. Ook eenmalige inkomsten ter grootte van 0,75 % van het bbp droegen hierbij toe. In het Hongaarse convergentieprogramma voor 2013 wordt ervan uitgegaan dat het overheidstekort zowel in 2013 als in 2014 op 2,7 % van het bbp zal blijven. In hun voorjaarsprognoses 2013 verwachten de diensten van de Commissie evenwel een tekort van 3,0 % van het bbp in 2013 en van 3,3 % van het bbp in 2014, wat erop lijkt te wijzen dat het buitensporige tekort niet op duurzame wijze is beëindigd. Op 13 mei 2013, na de vrijgave van de voorjaarsprognoses, heeft de Hongaarse regering verdere corrigerende maatregelen genomen ten belope van (in brutocijfers) circa 0,3 % van het bbp voor 2013 en circa 0,7 % van het bbp voor 2014. In de geactualiseerde budgettaire beoordeling van de Commissie, waarin rekening is gehouden met de gevolgen van deze aanvullende corrigerende maatregelen, wordt een tekort verwacht van 2,7 % in 2013 en 2,9 % in 2014. Bijgevolg zal het tekort tijdens de prognoseperiode naar verwachting onder de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarde van 3 % van het bbp blijven.

Roemenië

De BTP ten aanzien van Roemenië werd in 2009 ingeleid. De recessie van 2009, die groter was dan verwacht, resulteerde in een aanzienlijke tegenvaller bij de overheidinkomsten, waardoor het overheidstekort tot 9 % van het bbp opliep, ondanks de inspanningen om de overheidsuitgaven te verlagen. Het tekort werd vervolgens gereduceerd tot 6,8 % van het bbp in 2010, 5,6 % van het bbp in 2011 en 2,9 % van het bbp in 2012, hetgeen lager is dan de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarde van 3 % van het bbp. In de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie wordt ervan uitgegaan dat het overheidstekort bij ongewijzigd beleid terugloopt tot 2,6 % van het bbp in 2013 en 2,4 % van het bbp in 2014. Zo zal het dus onder de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarde van 3 % van het bbp blijven.

Waarom beveelt de Commissie de Raad aan een BTP ten aanzien van Malta in te leiden?

Sinds Malta tot de EU is toegetreden, liepen ten aanzien van dit land twee buitensporigtekortprocedures (BTP). De eerste werd in juli 2004 ingeleid en in juni 2007 stopgezet. De tweede werd in juli 2009 ingeleid en in december 2012 stopgezet. Volgens de gegevens die de Maltese autoriteiten in april 2013 hebben meegedeeld, bedroeg het overheidstekort op Malta in 2012 3,3 % van het bbp, waarmee het boven de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarde van 3 % van het bbp uitkwam. Volgens het verslag van de Commissie op grond van artikel 126, lid 3, van het Verdrag, dat de eerste stap in de BTP is, ligt het tekort weliswaar dicht bij de referentiewaarde van 3 % van het bbp, maar kan de overschrijding van de referentiewaarde niet worden aangemerkt als zijnde van uitzonderlijke of tijdelijke aard in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. In hun voorjaarsprognoses 2013 gaan de diensten van de Commissie ervan uit dat het tekort in 2013 en 2014 nog steeds boven de referentiewaarde zal liggen en respectievelijk 3,7 % en 3,6 % van het bbp zal bedragen. Bovendien lag de schuldquote in 2012 hoger dan de referentiewaarde van 60 % van het bbp en heeft Malta onvoldoende vooruitgang geboekt om de benchmark voor de schuldreductie te halen overeenkomstig de voor de overgangsperiode gestelde eisen1. In het licht van het voorgaande beveelt de Commissie de Raad aan overeenkomstig artikel 126, lid 6, van het Verdrag te besluiten dat er een buitensporig tekort bestaat.

Wanneer moet Malta zijn buitensporig tekort corrigeren?

De Commissie beveelt de Raad aan op grond van artikel 126, lid 7, aanbevelingen tot Malta te richten opdat deze lidstaat uiterlijk in 2014 een einde aan de huidige buitensporigtekortsituatie maakt. Meer bepaald moet Malta een nominaal tekort halen van 3,4 % van het bbp in 2013 en 2,7 % van het bbp in 2014, wat neerkomt op een verbetering van het structurele saldo met 0,7 % van het bbp in 2013 en 0,7 % van het bbp in 2014. Dit aanpassingstraject zou het mogelijk maken het tekort uiterlijk in 2014 tot onder de referentiewaarde van 3 % van het bbp te brengen en tegelijk te waarborgen dat de schuldquote in een bevredigend tempo de referentiewaarde van 60 % van het bbp nadert.

Verlengingen van de termijn voor het corrigeren van het buitensporig tekort

Over welke landen gaat het? Wat is het nieuwe budgettaire aanpassingstraject?

Spanje

De Commissie beveelt aan de termijn voor Spanje met twee jaar te verlengen opdat het land uiterlijk in 2016 een einde aan de huidige buitensporigtekortsituatie maakt. Om uiterlijk in 2016 het nominale overheidstekort onder de referentiewaarde van 3 % van het bbp te brengen, moet Spanje, uitgaande van de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie, een verbetering van het structurele begrotingssaldo tot stand brengen ten belope van 1,1 % van het bbp in 2013, 0,8 % van het bbp in 2014, 0,8 % van het bbp in 2015 en 1,2 % van het bbp in 2016. De overeenkomstige nominale tekortdoelstellingen zijn 6,5 % van het bbp voor 2013, 5,8 % van het bbp voor 2014, 4,2 % van het bbp in 2015 en 2,8 % van het bbp voor 2016.

Frankrijk

De Commissie beveelt aan de termijn voor Frankrijk met twee jaar te verlengen opdat het land uiterlijk in 2015 een einde aan de huidige buitensporigtekortsituatie maakt. Frankrijk moet een nominaal tekort halen van 3,9 % van het bbp in 2013, 3,6 % in 2014 en 2,8 % in 2015, wat, uitgaande van de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie (verlengd tot 2015), neerkomt op een tot stand te brengen verbetering van het structurele saldo ten belope van 1,3 % van het bbp in 2013, 0,8 % in 2014 en 0,8 % in 2015.

Nederland

De Commissie beveelt aan de termijn voor Nederland met één jaar te verlengen opdat het land uiterlijk in 2014 een einde aan de huidige buitensporigtekortsituatie maakt. Nederland moet een nominaal tekort halen van 3,6 % van het bbp in 2013 en 2,8 % van het bbp in 2014, wat neerkomt op een verbetering van het structurele saldo met circa 0,6 % van het bbp in 2013 en circa 0,7 % van het bbp in 2014.

Polen

De Commissie beveelt aan de termijn voor Polen met twee jaar te verlengen opdat het land uiterlijk in 2014 een einde aan de buitensporigtekortsituatie maakt. Polen moet een nominaal tekort halen van 3,6 % van het bbp in 2013 en 3,0 % van het bbp in 2014, wat, uitgaande van de geactualiseerde voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie, neerkomt op een verbetering van het structurele saldo met ten minste 0,8 % van het bbp in 2013 en 1,3 % van het bbp in 2014.

Portugal

De Commissie beveelt aan de termijn voor Portugal met één jaar te verlengen opdat het land uiterlijk in 2015 een einde aan de huidige buitensporigtekortsituatie maakt. De Portugese autoriteiten moeten een nominaal tekort halen van 5,5 % van het bbp in 2013, 4,0 % van het bbp in 2014 en 2,5 % van het bbp in 2015, wat, uitgaande van de economische vooruitzichten voor Portugal die in mei 2013 door de diensten van de Commissie zijn geactualiseerd, neerkomt op een verbetering van het structurele saldo met 0,6 % van het bbp in 2013, 1,4 % van het bbp in 2014 en 0,5 % van het bbp in 2015.

Slovenië

De Commissie beveelt aan de termijn voor Slovenië met twee jaar te verlengen opdat het land uiterlijk in 2015 een einde aan de huidige buitensporigtekortsituatie maakt. Slovenië moet een nominaal overheidstekort halen van 4,9 % van het bbp in 2013 (3,7 % van het bbp exclusief eenmalige uitgaven ten belope van 1,2 % van het bbp voor de herkapitalisatie van de twee grootste banken), van 3,3 % van het bbp in 2014 en van 2,5 % van het bbp in 2015. Uitgaande van de geactualiseerde voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie komt dit neer op een verbetering van het structurele saldo met 0,75 % van het bbp in 2013, 0,5 % van het bbp in 2014 en 0,5 % van het bbp in 2015, zodat het nominale begrotingstekort uiterlijk in 2015 onder de drempel van 3 % van het bbp uitkomt.

Wat zijn de voorwaarden om meer tijd te krijgen om het buitensporige tekort te corrigeren?

Een lidstaat kan, zonder dat de BTP wordt verstrengd, meer tijd krijgen om een buitensporig tekort te corrigeren als aan twee voorwaarden wordt voldaan:

  1. er moet zich een onverwachte economische gebeurtenis hebben voorgedaan met een ernstige negatieve weerslag op de lidstaat ten aanzien waarvan een BTP loopt, waardoor de termijn voor het corrigeren van het buitensporig tekort niet meer kan worden gehaald;

  2. de lidstaat moet effectieve actie hebben ondernomen ("effectief gevolg hebben gegeven") om te voldoen aan de hem door de Raad gegeven aanbeveling of aanmaning.

Een lidstaat wordt geacht effectief gevolg te hebben gegeven als hij heeft gehandeld in overeenstemming met de aanbeveling van de Raad, zowel ten aanzien van de uitvoering van de vereiste maatregelen als ten aanzien van de uitvoering van de begroting. Als de nominale doelstellingen niet worden gehaald, worden de geleverde structurele inspanningen (gemeten aan de hand van de verandering in het structurele saldo, d.i. het begrotingssaldo na aftrek van het effect van de conjunctuurcyclus en van de impact van eenmalige en tijdelijke maatregelen) nauwgezet geanalyseerd om na te gaan of de lidstaat maatregelen van de vereiste omvang heeft vastgesteld.

Wanneer een lidstaat effectief gevolg heeft gegeven maar de termijn niet kan halen als gevolg van onverwachte gebeurtenissen met een ernstige negatieve weerslag op de openbare financiën, kan de Raad besluiten een herziene aanbeveling vast te stellen waarin hij de termijn voor de correctie van het buitensporige tekort verlengt.

Wat is de rechtsgrondslag voor de verlenging?

De rechtsgrondslag is artikel 3, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1467/97. Daarin is bepaald dat de Raad, op aanbeveling van de Commissie, krachtens artikel 126, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een herziene aanbeveling kan vaststellen als effectief gevolg is gegeven en zich onverwachte ongunstige economische gebeurtenissen met een ernstige negatieve weerslag op de openbare financiën hebben voorgedaan.

Wat zijn de volgende stappen?

De Commissie beveelt aan dat de Raad 1 oktober 2013 vaststelt als uiterste datum voor Spanje, Frankrijk, Nederland, Polen en Slovenië om effectief gevolg te geven (d.w.z. om maatregelen aan te kondigen of te nemen die lijken te volstaan om ervoor te zorgen dat voldoende vooruitgang wordt geboekt om het buitensporige tekort te corrigeren) en uitgebreid verslag uit te brengen over de consolidatiestrategie die zal worden gevolgd om hun respectieve doelstellingen te verwezenlijken. Voor Portugal gelden de voorwaarden van het economische aanpassingsprogramma.

Wat gebeurt er als de landen geen effectief gevolg geven?

Als de termijn waarin effectief gevolg moet worden gegeven, verstreken is, zal de Commissie de genomen maatregelen beoordelen en haar bevindingen aan de Raad meedelen. Als de beoordeling negatief is, zal de Commissie aanbevelen dat de Raad besluit dat geen effectief gevolg is gegeven (artikel 126, lid 8, van het Verdrag). In dat geval zal de Commissie voor lidstaten van de eurozone ook aanbevelen dat de Raad een stap verder gaat in de BTP en. de betrokken lidstaat een aanmaning stuurt (art. 126, lid 9, van het Verdrag).

Verdere stap in de BTP ten aanzien van België

Wat beveelt de Commissie aan voor België?

De Commissie beveelt aan dat de Raad enerzijds op grond van artikel 126, lid 8, besluit dat België geen effectief gevolg heeft gegeven aan de aanbeveling van de Raad van 2 december 2009 krachtens artikel 126, lid 7, en anderzijds op grond van artikel 126, lid 9, besluit België aan te manen maatregelen te treffen om het buitensporige tekort uiterlijk in 2013 te corrigeren.

Waarom concludeert de Commissie dat België geen effectief gevolg heeft gegeven?

De buitensporigtekortprocedure (BTP) ten aanzien van België werd in 2009 ingeleid en het land werd verzocht zijn buitensporige tekort uiterlijk in 2012 te corrigeren. Maar het tekort voor 2012 kwam uit op 3,9 % van het bbp. België corrigeerde dus zijn buitensporige tekort niet binnen de door de Raad aanbevolen termijn. Dit was gedeeltelijk toe te schrijven aan de dringende noodzaak de bankgroep Dexia eind 2012 te herkapitaliseren, hetgeen een negatieve impact van 0,8 % van het bbp op het overheidstekort had. Maar ook zonder deze transactie zou de termijn niet zijn gehaald.

De gemiddelde jaarlijkse budgettaire inspanning sinds 2010 bedraagt naar raming 0,3 % van het bbp, hetgeen significant kleiner is dan de door de Raad aanbevolen 0,75 % van het bbp. Ook na correctie voor de effecten van de herziene potentiële productiegroei en ontvangstenontwikkelingen is de aangepaste gemiddelde budgettaire inspanning minder dan de helft van de aanbevolen inspanning.

Volgens de huidige verwachtingen zullen de maatregelen die in het kader van de initiële begroting 2013 en de begrotingscontrole van maart 2013 zijn genomen, het tekort in 2013 onder 3 % van het bbp brengen. Volgens de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie is de veiligheidsmarge tegen het overtreden van de referentiewaarde van het Verdrag evenwel zeer nauw. Bovendien is de correctie momenteel nog niet duurzaam. Daarom is een verdere verlaging van het tekort voor 2013 tot 2,7 % van het bbp gerechtvaardigd met het oog op een duurzame verbetering van het overheidssaldo.

Wat is het nieuwe aanpassingstraject voor België?

De Commissie beveelt de Raad aan te besluiten dat België uiterlijk in 2013 een eind aan de huidige buitensporigtekortsituatie moet maken. België moet het nominale tekort reduceren tot 2,7 % van het bbp in 2013. Deze nominale verbetering komt, uitgaande van de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van Commissie, neer op een verbetering van het structurele saldo met 1 % van het bbp in 2013.

België moet uiterlijk op 21 september 2013 bij de Commissie een verslag indienen over de maatregelen die zijn getroffen om aan dit besluit te voldoen. De Commissie zal aan de hand van dit verslag nagaan welke vooruitgang is geboekt om het buitensporige tekort te corrigeren.

Algemeen

Wat is de volgende stap?

De ministers van Financiën zullen de aanbevelingen van vandaag bespreken op de vergadering van de Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin) van 21 juni in Luxemburg.

Wat zijn de belangrijkste elementen van de buitensporigtekortprocedure (BTP)?

De buitensporigtekortprocedure (BTP) is een op regels gebaseerde procedure die in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU, artikel 126) is vastgesteld om erop toe te zien dat de lidstaten een sterk tekortschietend begrotingsbeleid corrigeren. Er zijn twee belangrijke referentiewaarden, die bij overschrijding een criterium vormen op basis waarvan de inleiding van een BTP kan worden gerechtvaardigd: één voor het overheidstekort (3 % van het bbp) en één voor de bruto overheidsschuld (60 % van het bbp). Om erop toe te zien dat de buitensporige tekorten worden gecorrigeerd, worden tot de lidstaten die onder een buitensporigtekortprocedure vallen, aanbevelingen gericht die binnen een bepaalde termijn in acht moeten worden genomen.

De verschillende stappen in het kader van de BTP zijn opgenomen in het Verdrag en nader uitgewerkt in de regelgeving betreffende het stabiliteits- en groeipact (SGP) (Verordening (EG) nr. 1467/97). De BTP vormt het "corrigerende deel" van het SGP en wordt aangevuld met een "preventief deel" (omschreven in Verordening (EG) nr. 1466/97) dat procedures omvat om het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid te bevorderen en erop toe te zien dat vooruitgang wordt gemaakt bij het houdbaar maken van de begroting.

De BTP is, deels als reactie op de economische crisis, onlangs versterkt in het kader van de herziening van de architectuur van de economische governance in de EU. Met name heeft het wetgevingspakket dat bekend staat als het "sixpack", het economisch en budgettair toezicht in de EU grotendeels hervormd (MEMO/11/898).

Vallen de programmalanden onder de BTP?

Ja. Er lopen buitensporigtekortprocedures ten aanzien van Griekenland, Ierland, Portugal en Cyprus. Maar er zijn een aantal bepalingen om doublures bij de monitorings- en rapportageverplichtingen te voorkomen. De Commissie heeft al uitvoering gegeven aan dit beginsel, dat wordt bevestigd in een verordening van het twopack, dat op 30 mei in werking zal treden (MEMO/13/196). In het algemeen wordt met het twopack, dat uit twee verordeningen bestaat, beoogd het begrotingstoezicht en de coördinatie van het economische en budgettaire beleid in de eurozone verder te versterken. In tegenstelling tot de BTP is de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden niet van toepassing op lidstaten die onder een aanpassingsprogramma vallen.

Voor nadere informatie, zie:

http://ec.europa.eu/economy_finance/economic_governance/sgp/corrective_arm/index_en.htm.

1 :

Op grond van de regelgeving betreffende het sixpack, die in december 2011 in werking is getreden, begint voor een lidstaat die net een BTP achter de rug heeft, een overgangsperiode van drie jaar te lopen voordat het schuldcriterium volledig van toepassing wordt. In die overgangsperiode moet evenwel voldoende vooruitgang worden geboekt om aan de schuldbenchmark te voldoen. Als deze vooruitgang negatief wordt beoordeeld, moet de Commissie op grond van artikel 126, lid 3, een verslag opstellen en kan dit alles resulteren in de inleiding van een nieuwe BTP. Voor Malta begon de overgangsperiode om aan de benchmark voor de schuldreductie te voldoen, te lopen in 2012. De Commissie is van oordeel dat de structurele inspanning die Malta in 2012 heeft geleverd, niet volstaat om te voldoen aan de voor de overgangsperiode gestelde eisen.


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website