Navigation path

Left navigation

Additional tools

Erasmus+ Vaak gestelde vragen

European Commission - MEMO/13/1008   19/11/2013

Other available languages: EN FR DE DA ES IT SV PT FI EL CS ET HU LT LV MT PL SK SL BG RO HR

Europese Commissie

MEMO

Straatsburg/Brussel, 19 november 2013

Erasmus+ Vaak gestelde vragen

(zie ook IP/13/1110)

Wat is Erasmus+?

Erasmus+ is het nieuwe programma van de Europese Unie voor onderwijs, opleiding, jeugdzaken en sport voor de periode 2014-2020. Het vervangt een aantal bestaande EU-programma's, die alle sectoren van het onderwijs bestrijken: het programma Een Leven Lang Leren - Erasmus (hoger onderwijs), Leonardo da Vinci (beroepsonderwijs), Comenius (schoolonderwijs), Grundtvig (volwassenenonderwijs), Jeugd in Actie, en vijf internationale programma's (Erasmus Mundus, Tempus, Alfa, Edulink en het programma voor samenwerking met geïndustrialiseerde landen). Erasmus+ zal voor het eerst ook EU-steun bieden voor sport, met name op basis-/amateurniveau.

Erasmus+ verhoogt de EU-financiering voor de ontwikkeling van kennis en vaardigheden aanzienlijk (+40 %), hetgeen het belang van onderwijs en opleiding in de EU- en nationale beleidsagenda's weerspiegelt. Het doel is de persoonlijke ontwikkeling van EU-burgers en daarmee hun kansen op de arbeidsmarkt te stimuleren.

Het nieuwe programma bouwt voort op de ervaringen met en het succes van bestaande programma's zoals Erasmus, maar zal een nog grotere impact hebben. Het is gebaseerd op het uitgangspunt dat het potentieel van de Europese burgers – ongeacht leeftijd of achtergrond – alleen ontsloten kan worden door te investeren in onderwijs en opleiding.

Waarvoor zal Erasmus+ steun bieden?

Erasmus+ is gericht op het verbeteren van de kwaliteit en de relevantie van kwalificaties en vaardigheden. Twee derde van de financiering zal gaan naar subsidies voor meer dan 4 miljoen mensen om in het buitenland te kunnen studeren, een opleiding te volgen of te werken in de periode 2014-2020 (vergeleken met 2,7 miljoen in 2007-2013). De in het buitenland doorgebrachte periode kan variëren van een paar dagen tot een jaar.

Erasmus+ staat open voor studenten, docenten, leerlingen/stagiairs, vrijwilligers, jeugdwerkers en mensen die actief zijn in de amateursport. Het zal ook financiering bieden voor partnerschappen tussen onderwijsinstellingen, jeugdorganisaties, ondernemingen, lokale en regionale autoriteiten en NGO's, alsmede steun voor hervormingen in lidstaten om onderwijs en opleiding te moderniseren en om innovatie, ondernemerschap en inzetbaarheid te bevorderen.

Er zal meer steun geboden worden voor IT-platforms zoals e-twinning om scholen en andere aanbieders van leerinhoud in contact te brengen via internet.

Erasmus+ zal bijdragen tot het ontwikkelen van de Europese dimensie in de sport door te helpen grensoverschrijdende bedreigingen zoals wedstrijdvervalsing en doping aan te pakken. Ook zullen transnationale projecten ondersteund worden waarbij amateursportorganisaties betrokken zijn, en waarin bijvoorbeeld goed bestuur, sociale integratie, duale carrières voor sporters en lichamelijke activiteit voor iedereen bevorderd zullen worden.

Wat is het verschil tussen Erasmus+ en de huidige programma's?

Het nieuwe programma is ambitieuzer en meer strategisch van aard, terwijl de hoofddoelstellingen gehandhaafd blijven, namelijk het verbeteren van vaardigheden en inzetbaarheid, en het ondersteunen van de modernisering van de stelsels van onderwijs, opleiding en jeugdwerk.

Erasmus+ zal synergieën ontwikkelen tussen de verschillende sectoren van het onderwijs en de wereld van de arbeid. Eén enkel programma zal leiden tot eenvoudigere regels en procedures, en zal fragmentering en dubbel werk voorkomen.

    Het programma omvat verschillende nieuwe elementen:

  1. Een garantieregeling voor leningen om studenten die voor een masters studeren te helpen deze graad in het buitenland te behalen en de vaardigheden te verwerven die vereist zijn voor kennisintensieve banen.

  2. Kennisallianties: partnerschappen tussen instellingen van hoger onderwijs en ondernemingen, teneinde creativiteit, innovatie en ondernemerschap te bevorderen door nieuwe curricula, leermogelijkheden en kwalificaties aan te bieden.

  3. Allianties voor sectorspecifieke vaardigheden: partnerschappen tussen beroepsonderwijs en aanbieders van opleidingen en het bedrijfsleven, teneinde inzetbaarheid te verhogen en vaardigheidskloven te dichten, door sectorspecifieke curricula en innovatieve vormen van beroepsonderwijs te ontwikkelen.

  4. Het integreert de bestaande aparte programma's betreffende de internationale dimensie van hoger onderwijs, dat wil zeggen dat mobiliteit van en naar derde landen en capaciteitsopbouwprojecten met instellingen van hoger onderwijs in derde landen mogelijk zullen worden.

Wat verandert er voor studenten in Erasmus+?

De toegang tot het programma zal op verschillende manieren uitgebreid worden. Erasmus+ zal onder andere meer steun bieden aan studenten die hun talenkennis willen verbeteren voordat zij naar hun Erasmusuniversiteit of stageplaats vertrekken. Daarnaast zal de ontwikkeling van "flexibel leren", zoals studeren op afstand of in deeltijd, aangemoedigd worden door beter gebruik van informatietechnologieën.

De Erasmus+ subsidies zullen meer op specifieke behoeften gericht zijn (bijvoorbeeld de kosten van levensonderhoud in het land van bestemming) en meer steun bieden voor studenten uit minder welvarende milieus, en voor studenten met handicaps en studenten uit de meest afgelegen grensregio's van de Unie. De lidstaten kunnen de EU-subsidies aanvullen met subsidies uit hun eigen nationale of regionale middelen.

Dankzij de leninggaranties zullen ook studenten die een volledig masterprogramma willen volgen in een ander Europees land meer ondersteuning krijgen. Deze garantie zal vooral van voordeel zijn voor studenten uit minder welvarende milieus, die in het verleden niet in het buitenland konden studeren omdat daarvoor geen nationale beurzen of leningen beschikbaar waren.

Een nieuw Erasmus-handvest zal bijdragen tot leerervaringen van hoge kwaliteit, door duidelijkere afspraken tussen instellingen van hoger onderwijs, waarin onder andere het minimumniveau van de vereiste talenkennis zal worden vastgelegd, plus gedetailleerde informatie over onderwerpen als huisvesting en visums.

Zal in Erasmus+ het bedrag van de beurzen beter geharmoniseerd worden tussen landen?

Ja. Het doel is de criteria voor het vaststellen van de hoogte van de EU-studiebeurs beter te harmoniseren, met de nodige flexibiliteit om rekening te kunnen houden met de omvang van de vraag naar beurzen en met andere bronnen van financiering, die van land tot land verschillen. Naast de EU-subsidie kunnen studenten ook andere bijdragen van nationale, regionale of lokale autoriteiten.

Het bedrag van de EU-beurs hangt in de eerste plaats af van het land van bestemming.

De aan Erasmus+ deelnemende landen zullen in drie groepen worden ingedeeld, op basis van de kosten van levensonderhoud. Een student die zich voor studiedoeleinden naar een land in dezelfde groep begeeft (dus met vergelijkbare kosten van levensonderhoud), zal een "middelgrote" EU-beurs van 200-450 euro per maand ontvangen. Het precieze bedrag van de beurs zal worden bepaald door het nationale agentschap dat verantwoordelijk is voor het beheer van de Erasmus+ beurzen in het betreffende land. Het nationale agentschap zal rekening houden met de omvang van de vraag en andere bronnen van financiering. Het kan bijvoorbeeld instellingen van hoger onderwijs een bepaalde bandbreedte met een minimum en een maximum voorstellen, als medefinanciering alleen in bepaalde regio's of voor bepaalde instellingen beschikbaar is.

Studenten die zich naar een land begeven waar de kosten van levensonderhoud hoger zijn, zullen het bedrag van de "middelgrote" beurs ontvangen plus ten minste 50 euro per maand (maar niet meer dan 500 euro per maand in totaal). Studenten die zich naar een land begeven waar de kosten van levensonderhoud lager zijn, zullen het bedrag van de "middelhoge" beurs ontvangen minus ten minste 50 euro per maand (maar niet minder dan 150 euro per maand in totaal). Studenten uit meer afgelegen regio's en de perifere programmalanden zullen een hogere EU-beurs ontvangen.

De hoogte van de EU-beurs zal daarnaast ook afhangen van de vraag of de student een studieprogramma of een stage wil volgen. Studenten die een stage volgen, zullen 100 à 200 euro per maand meer ontvangen, aangezien zij veelal geen gebruik kunnen maken van goedkope huisvesting voor studenten, kantines/mensa's enz. De hoogte van het bedrag zal worden bepaald door het nationale agentschap, of door de instelling van hoger onderwijs in geval van regionale of lokale medefinanciering.

Er is ook voorzien in speciale regelingen voor studenten uit lage-inkomensgroepen: nationale autoriteiten kunnen besluiten, op basis van de al op nationaal niveau verleende steun voor deze doelgroep, om een aanvullend bedrag van 100-200 euro per maand uit het EU-budget toe te kennen, bovenop de normale EU-beurs, aan studenten van deze categorie die in het buitenland gaan studeren.

Studenten met bijzondere behoeften kunnen een hogere EU-beurs ontvangen om (een deel van) hun extra kosten te dekken.

Zullen studenten kunnen deelnemen aan Erasmus+ als zij al een Erasmus-beurs ontvangen hebben in het kader van het programma "Een leven lang leren"?

Ja. Het zal voortaan mogelijk zijn om meer dan eenmaal als Erasmus+ student in het buitenland te studeren of een opleiding te volgen.

Studenten zullen de gelegenheid krijgen om per studiecyclus (bachelor, master of postdoctoraal) maximaal twaalf maanden in het buitenland te studeren en/of een opleiding te volgen, ongeacht het type mobiliteit (studie of stage) en het aantal mobiliteitsperioden (bijvoorbeeld 2 perioden van 6 maanden of 3 perioden van 4 maanden). Instellingen van hoger onderwijs kunnen echter prioriteit verlenen aan studenten die nog niet eerder van een mobiliteitservaring in het buitenland hebben kunnen profiteren.

Voor studenten die al eerder hebben deelgenomen aan een Erasmus-uitwisseling in het kader van het programma "Een leven lang leren" betekent dat dat die periode meegerekend zal worden onder Erasmus+ als zij een beurs aanvragen binnen dezelfde studiecyclus. Als een student(e) bijvoorbeeld al een Erasmus-uitwisseling van zes maanden op masterniveau heeft gedaan onder "Een leven lang leren", kan hij/zij nog een Erasmus+ mobiliteitsbeurs op masterniveau ontvangen voor maximaal 6 maanden. Als echter dezelfde student(e) daarna een postdoctoraal programma volgt, kan hij/zij weer voor twaalf maanden subsidie ontvangen onder Erasmus+, omdat dit een nieuwe en hogere studiecyclus is.

Andere eerdere mobiliteitservaringen, zoals een "Leonardo da Vinci"-stage onder het programma "Een leven lang leren", of vrijwilligerswerk in de Europese vrijwilligersdienst onder het programma "Jeugd in actie", zullen niet worden meegerekend voor het maximum van 12 maanden per studiecyclus voor studie of stages op het niveau van hoger onderwijs in het kader van Erasmus+.

Zal mobiliteit een centrale doelstelling blijven voor Erasmus+?

Ja: het grootste deel (twee derde) van het Erasmus+ budget zal nog steeds aan mobiliteit worden besteed. De nadruk zal blijven liggen op de mobiliteit van studenten, maar de ondersteuning voor docenten, opleiders en jeugdwerkers zal versterkt worden vanwege hun "multiplicatoreffect" – zij zullen waarschijnlijk een systemische impact hebben als zij na hun terugkeer naar hun eigen instellingen in praktijk brengen wat zij in het buitenland hebben geleerd.

Wat zal Erasmus+ doen aan jeugdwerkloosheid?

Erasmus+ zal bijdragen tot het bestrijden van jeugdwerkloosheid door jongeren te helpen belangrijke vaardigheden, zoals talenkennis, communicatie en aanpassingsvermogen, te verbeteren, en door ze de kans te geven om te leren met mensen van andere nationaliteiten en culturen samen te leven en te werken.

Het programma zal betere samenwerking tussen universiteiten en werkgevers vergemakkelijken, om ervoor te zorgen dat studenten een curriculum volgen dat relevant is voor de vaardigheden die zij nodig zullen hebben in de wereld van de arbeid. Daarnaast zal het onderwijsinstellingen en jongerenorganisaties helpen om nauwere banden aan te knopen met het bedrijfsleven. Het zal ook hervormingen van het beleid op prioritaire terreinen ondersteunen, zoals digitale vaardigheden en meer arbeidsmarktrelevantie van beroepsonderwijs en -opleiding.

Erasmus+ benadrukt ook het belang van niet-formeel leren. Het is gebleken dat werkgevers vaardigheden die door niet-formele leerervaringen (zoals vrijwilligerswerk) zijn verworven, weten te waarderen. 75 % van de deelnemers aan de Europese vrijwilligersdienst verklaarde dat hun vooruitzichten op de arbeidsmarkt verbeterd waren door deze ervaring.

Onderzoeken wijzen er ook op dat studenten die een deel van hun studie in het buitenland hebben doorgebracht meer geneigd zijn om werk in het buitenland aan te nemen als zij de arbeidsmarkt opgaan.

Wat doet de Commissie verder om de mobiliteit van studenten en jongeren te verhogen?

Financiering is belangrijk, maar geld alleen zal leermobiliteit voor iedereen niet tot een realiteit maken. We moeten ook bepaalde belemmeringen op nationaal en regionaal niveau wegnemen, bijvoorbeeld door informatie toegankelijk te maken, door ervoor te zorgen dat nationale leningen en beurzen gebruikt kunnen worden voor studies in het buitenland, en door meer erkenning van de behaalde resultaten (diploma's enz.) van studie en opleiding in het buitenland.

De ministers van onderwijs van de EU hebben in juni 2011 toegezegd belemmeringen voor studie en opleiding in het buitenland weg te zullen nemen. Om de op dit terrein geboekte vooruitgang te kunnen volgen, heeft de Commissie samen met lidstaten een "mobiliteitsscorebord" ontwikkeld, dat aangeeft wat de afzonderlijke lidstaten bereikt hebben. De resultaten zullen in de komende weken gepubliceerd worden.

De lidstaten zijn ook mobiliteitsstreefcijfers overeengekomen voor studenten van het hoger onderwijs en beroepsopleidingen. Tegen 2020 dient ten minste 20 % van de afgestudeerden van het hoger onderwijs in de EU in het kader van hun studie een periode van studie of opleiding in het buitenland te hebben doorgebracht. In de sector beroepsopleiding dient tegen 2020 meer dan 6 % van de 18-34-jarigen met een basiskwalificatie van het beroeps onderwijs een periode in het buitenland te hebben doorgebracht voor studie of opleiding.

Waarom is er een nieuwe aanpak van de EU met betrekking tot onderwijs en opleiding nodig?

De wereld is sterk veranderd sinds de bestaande programma's werden gecreëerd. De EU is doende zich te herstellen van een van de meest woelige economische perioden van onze tijd. Bijna 6 miljoen jongeren in de EU zijn werkloos; tegelijkertijd heeft 36 % van de werkgevers problemen mensen met de benodigde vaardigheden te vinden. De "vaardigheidskloof" in Europa is alarmerend: bijna 20 % van de 15-jarigen ontbreekt het aan leesvaardigheid, en 73 miljoen volwassenen hebben geringe (of geen) onderwijskwalificaties.

Ook de Europese arbeidsmarkt verandert. Het aantal banen waarvoor vaardigheden van hoog niveau vereist zijn, neemt toe, terwijl het aantal laaggeschoolde banen afneemt. Naar schatting zullen tegen 2020 voor bijna 35 % van alle banen vaardigheden van hoog niveau (universitair of gelijkwaardig) vereist zijn. Een van centrale streefcijfers van de Europa 2020-strategie is het percentage jonge volwassenen dat hoger onderwijs volgt te verhogen tot 40 % (van bijna 36 % nu). Erasmus+ kan daartoe bijdragen door mensen te helpen hun vaardigheden te verrijken door studie en opleiding in het buitenland en door onderwijs- en opleidingsinstellingen te helpen te innoveren en te moderniseren.

Een andere belangrijke doelstelling is de aantallen vroegtijdige schoolverlaters terug te dringen van 12,7 % nu tot minder dan 10 %. Om bij te dragen tot dit doel zal Erasmus+ modernisering van onderwijs en opleiding ondersteunen, met inbegrip van schoolonderwijs, van kleuterschool tot secondair onderwijs en initiële beroepsopleiding. Ook niet-formeel leren zal ondersteund worden door uitwisselingen van jongeren en vrijwilligerswerk.

Samenwerking en partnerschappen met het bedrijfsleven kunnen ook helpen de vaardigheidskloof te dichten, door ervoor te zorgen dat de onderwijsprogramma's arbeidsmarktrelevant zijn. Het nieuwe programma zal daarom op dit thema gerichte sectoroverschrijdende partnerschappen bevorderen.

Wat gebeurt er in het nieuwe programma met volwassenenonderwijs?

Individuele mobiliteit van lerende volwassenen zal niet langer ondersteund worden, behalve in het kader van strategische partnerschappen.

Docenten en andere medewerkers van het volwassenenonderwijs zullen kunnen blijven profiteren van het programma door individuele grensoverschrijdende leerervaringen (van korte of langere duur). De huidige drie mobiliteitsacties voor personeel (bijscholing, assistentschappen en bezoeken & uitwisselingen) zullen worden gecombineerd in één actie Strategische partnerschappen zullen bijdragen tot de modernisering van organisaties in het volwassenenonderwijs.

Ook zal er een nieuw elektronisch platform voor volwassenenonderwijs worden gelanceerd (Electronic Platform for Adult Learning in Europe, EPALE).

Wat is het nieuwe "open toegang"-vereiste?

Het "Open Access requirement" moet waarborgen dat al het onderwijsmateriaal dat met financiële steun van Erasmus+ geproduceerd wordt, vrij toegankelijk is voor iedereen, op basis van het beginsel dat alles wat met openbare middelen is bekostigd toegankelijk moet zijn voor het publiek. Als begunstigden van Erasmus+ onderwijsmateriaal produceren, zullen zij dat ter beschikking van het publiek moeten stellen door middel van Open Licences en via Open Educational Resources (OER).

Welke landen kunnen deelnemen aan Erasmus+?

  1. De lidstaten van de EU

  2. Toetredende landen, kandidaatlanden en potentiële kandidaten die van een pretoetredingsstrategie profiteren

  3. Landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die zijn aangesloten bij de EER-overeenkomst (Europese Economische Ruimte)

  4. De Zwitserse Bondsstaat, voor zover die een specifieke internationaal akkoord heeft ondertekend

  5. Landen die onder het Europees Nabuurschapsbeleid vallen en waarmee een bilateraal akkoord is gesloten.

De lidstaten van de EU zijn automatisch bij het Erasmus+ programma aangesloten. De andere bovengenoemde landen kunnen "programmalanden" worden als zij aan bepaalde administratieve voorwaarden voldoen en een nationaal agentschap opzetten voor het beheer van het programma.

Alle andere landen in de wereld zijn "partnerlanden" en kunnen deelnemen aan bepaalde acties en/of onder bepaalde voorwaarden.

De voornaamste cijfers: Erasmus+ (2014-2020)

Het totale budget

14,7 miljard euro1

Wie profiteert ervan

Meer dan 4 miljoen mensen

Hoger onderwijs

2 miljoen studenten

Studenten van beroepsonderwijs en –opleidingen, leerlingen

650 000 studenten

Mobiliteit van personeel

800 000 (universitaire) docenten, opleiders, ander onderwijspersoneel en jeugdwerkers

Programma's voor vrijwilligerswerk en uitwisseling van jongeren

Meer dan 500 000 jongeren

Garantieregeling voor leningen voor masterstudieprogramma's

200 000 studenten

Gezamenlijke masterprogramma's

Meer dan 25 000 studenten

Strategische partnerschappen

25 000, waarbij 125 000 scholen, instellingen voor beroepsonderwijs en –opleiding, instellingen voor hoger en volwassenenonderwijs, jongerenorganisaties en ondernemingen betrokken zijn

Kennisallianties

Meer dan 150, opgericht door 1 500 instellingen van hoger onderwijs en ondernemingen

Allianties voor sectorspecifieke vaardigheden

Meer dan 150, opgericht door 2 000 aanbieders van onderwijs en opleiding en ondernemingen

Scholen

Meer dan 200 000 leraren die online samenwerken, waarbij meer dan 100 000 scholen betrokken zijn door e-twinning

1 :

Aanvullende fondsen zullen worden toegewezen voor financiering van de acties met derde landen (partnerlanden), maar het desbetreffende besluit zal waarschijnlijk pas in 2014 worden genomen.


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website