Chemin de navigation

Left navigation

Additional tools

Veelgestelde vragen over Erasmus en het budget

Commission Européenne - MEMO/12/906   27/11/2012

Autres langues disponibles: FR EN DE DA ES IT SV PT FI EL CS ET HU LT LV MT PL SK SL BG RO

Europese Commissie

MEMO

Brussel, 27 november 2012

Veelgestelde vragen over Erasmus en het budget

Op 23 oktober verzocht de Europese Commissie de Raad en het Europees Parlement dringend een tekort van 9 miljard euro op de EU-begroting 2012 aan te vullen; zonder deze financiële injectie lopen verscheidene van haar financieringsprogramma's gevaar, waaronder het vermaarde Erasmusprogramma voor studentenuitwisselingen (IP/12/1137). In het voorstel van de Commissie voor een gewijzigde begroting wordt erop gewezen dat het budget van het programma Een leven lang leren een tekort van 180 miljoen euro vertoont, waarvan 90 miljoen nodig is voor toezeggingen aan Erasmusstudenten, terwijl het tekort voor steun aan onderzoekers door middel van Marie Curieacties 102 miljoen euro bedraagt.

De Raad, de Commissie en het Europees Parlement hebben regelmatig overleg gevoerd over de tekorten aan middelen voor deze en andere programma's. Zij hebben echter nog geen overeenstemming bereikt.

Het Erasmusprogramma biedt studenten uit het hoger onderwijs de mogelijkheid om een periode van drie tot twaalf maanden in een ander Europees land door te brengen – voor studie of voor een stage bij een bedrijf of andere organisatie. Elke student die ingeschreven is bij een deelnemende instelling voor hoger onderwijs in een van de 33 Erasmuslanden (de lidstaten van de EU, IJsland, Kroatië, Liechtenstein, Noorwegen. Turkije en Zwitserland) komt hiervoor in aanmerking. Erasmus maakt deel uit van het EU-programma Een leven lang leren en gebruikt meer dan 40 % van het budget van dat programma. Andere programma's in het kader van Een leven lang leren zijn Leonardo da Vinci (beroepsonderwijs en ‑opleiding, ten minste 25 % van het budget), Comenius (schoolonderwijs, ten minste 13 % van het budget) en Grundtvig (volwasseneneducatie, ten minste 4 % van het budget).

Hoe is het financieringsprobleem voor Erasmus ontstaan?

Het voorstel van de Europese Commissie voor de algemene EU-begroting 2012 voorzag in een bedrag van 132,7 miljard euro. Uiteindelijk werden de lidstaten en het Europees Parlement het echter eens over een begroting van 129,1 miljard euro. Bovendien stond er nog zo'n 5 miljard euro aan onbetaalde rekeningen open van de eveneens ondergefinancierde EU-begroting van 2011 en dit bedrag moest ook door de begroting 2012 worden gedekt. De Commissie, de Raad en het Parlement kwamen overeen in de loop van 2012 de balans op te maken van de uitvoering van de begroting om na te gaan of aanvullende financiering noodzakelijk was. Het voorstel van 23 oktober voor een gewijzigde begroting is bedoeld om de tekorten te overbruggen.

Is het geld voor Erasmus voor eind 2012 op?

Nee. De Europese Commissie heeft 70 % van de middelen voor Erasmus voor het academisch jaar 2012/2013 overgemaakt aan de nationale agentschappen in de deelnemende landen, die het geld onder universiteiten en studenten verdelen. Dit betekent dat de uitbetaling van Erasmusbeurzen aan studenten die voor een studie of stage naar het buitenland gaan, dit semester (tot het eind van het jaar) nog zonder problemen zou moeten verlopen.

Hebben studenten die tussen januari en september 2012 naar het buitenland gingen hun beurzen ontvangen?

Ja, als zij hun studie- of stageperiode hebben voltooid en verslagen bij de universiteit hebben ingediend waaruit dit blijkt. In dat geval hebben zij hun beurs voor 100 % ontvangen. De huidige begrotingsproblemen hebben geen gevolgen voor deze beurzen, aangezien de middelen voor het academisch jaar 2011/2012 reeds aan de nationale agentschappen, en dus aan de universiteiten en hogescholen, zijn overgemaakt.

Krijgen Erasmusstudenten die tussen oktober 2012 en februari 2013 naar het buitenland gaan een lagere beurs dan zij hadden verwacht?

Studenten die in het eerste semester van het academisch jaar 2012/2013 naar het buitenland gaan, zouden geen problemen moeten ondervinden. Als het tekort op de EU-begroting 2012 echter niet wordt opgelost, moeten middelen uit de begroting 2013 worden gebruikt om het verschil aan te zuiveren. Vanwege het verwachte blijvende tekort aan middelen zullen universiteiten en hogescholen voor het tweede trimester van 2012/2013 waarschijnlijk minder plaatsen beschikbaar stellen dan wel de beurzen verlagen, waardoor studenten uit minder bevoorrechte milieus mogelijk niet aan de regeling zullen kunnen deelnemen.

Als voldoende middelen beschikbaar zullen zijn, verwacht de Commissie dat in 2012/2013 ongeveer 270 000 studenten gebruik zullen maken van het Erasmusprogramma.

Welk bedrag heeft de Commissie al aan de nationale agentschappen overgemaakt? Hoe groot is het tekort?

De Commissie heeft al zo'n 99 % van het budget voor 2012 van het programma Een leven lang leren (LLP), waaronder Erasmus, Leonardo da Vinci, Comenius en Grundtvig vallen, overgemaakt. In totaal is 925 miljoen euro betaald aan de nationale agentschappen in de deelnemende landen en het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA), dat een deel van het programma uitvoert. Ongeveer 45 % van dit bedrag is bestemd voor Erasmusbeurzen.

Het tekort op de begroting 2012 betekent dat de Commissie niet heeft kunnen voldoen aan betalingsverzoeken van nationale agentschappen voor LLP-beurzen voor een bedrag van zo'n 220 miljoen euro.

Deze verzoeken zijn afkomstig van de volgende nationale agentschappen: België (Franse Gemeenschap) 3,2 miljoen; België (Vlaamse Gemeenschap) 4,7 miljoen; Bulgarije 6 miljoen; Denemarken 4,7 miljoen; Duitsland 15,2 miljoen (Leonardo en Grundtvig), 12,1 miljoen (Erasmus) en 5,9 miljoen (Comenius); Estland 2,8 miljoen; Finland 6,5 miljoen; Frankrijk 25,3 miljoen; Griekenland 9,4 miljoen; Ierland 1,3 miljoen (Erasmus) en 0,9 miljoen (Leonardo, Comenius en Grundtvig); Italië 23,7 miljoen; Letland 3,7 miljoen; Litouwen 4,3 miljoen; Oostenrijk 6,3 miljoen; Polen 29,5 miljoen; Roemenië 12,9 miljoen; Slovenië 3,2 miljoen; Slowakije 5 miljoen; Tsjechië 8,3 miljoen; Verenigd Koninkrijk 19,2 miljoen (Erasmus en Comenius); Zweden 7 miljoen euro.

De Commissie verwacht voor het eind van het jaar nog betalingsverzoeken van de nationale agentschappen van België (Duitstalige Gemeenschap), Cyprus, Hongarije, Malta, Nederland, Noorwegen en Spanje. Ook aan deze betalingsverzoeken zal de Commissie niet kunnen voldoen, tenzij de EU-begroting op korte termijn nieuwe middelen ontvangt, of pas in 2013 als het nieuwe budget beschikbaar is.

De niet-EU-landen die aan Erasmus en de andere LLP-programma's deelnemen, betalen voor hun deelname.

Wat doet de Commissie om het probleem op te lossen?

Praktisch alle onderdelen van de EU-begroting worden door het tekort getroffen. De Commissie doet al het mogelijke om de situatie te beheersen, onder meer door voor te stellen ongebruikte middelen uit andere onderdelen over te schrijven. Dit "algemene overschrijvingsvoorstel" is door de Commissie voorgesteld en wordt nu door het Parlement en de Raad besproken. Dit jaar kan echter in totaal minder dan 500 miljoen euro worden overgeschreven, wat niet toereikend is. Daarom heeft de Commissie de begrotingsautoriteit (het Europees Parlement en de lidstaten) verzocht de betalingen aan de begroting 2012 dringend te verhogen.

Wat gebeurt er als de lidstaten het tekort niet aanvullen?

De uitvoering van het programma Een leven lang leren komt in gevaar als de lidstaten en het Europees Parlement geen overeenstemming bereiken over aanvullende betalingen aan de begroting. Verwacht wordt dat samenwerkingsprojecten voor scholen, volwassenen en beroepsopleiding als eerste zullen worden getroffen, terwijl Erasmusstudenten en Leonardo da Vinci-leerlingen een lagere beurs zullen krijgen dan zij verwachtten. Als het tekort aan middelen blijft bestaan, kunnen in sommige gevallen ook de salarissen van het personeel van de nationale agentschappen in gevaar komen.

De situatie zal in 2013, als middelen uit de nieuwe jaarbegroting beschikbaar komen, in eerste instantie verbeteren. De Commissie heeft voor volgend jaar een bedrag van 1,09 miljard euro voorgesteld voor betalingen aan het programma Een leven lang leren, waarvan grofweg 490 miljoen besteed zou worden aan Erasmusbeurzen voor de uitwisseling van studenten en personeel. Als de lidstaten het tekort van 2012 (ten minste 180 miljoen euro) niet aanvullen, zal het budget voor 2013 echter gedeeltelijk moeten worden gebruikt om dit tekort te dekken en zal het budget waarschijnlijk medio 2013 al op zijn – en daarna zullen de problemen dus nog groter zijn.

Welk deel van de EU-begroting gaat naar Een leven lang leren (LLP)?

De totale EU-begroting voor 2007-2013 bedroeg 975 miljard euro in lopende prijzen. Het budget van Een leven lang leren omvat 7 miljard euro, ofwel 0,71 % van de begroting. Het huidige tekort voor LLP bedraagt zo'n 180 miljoen euro.

De totale voorgestelde EU-begroting voor 2014-2020 bedraagt 1,156 biljoen euro in lopende prijzen. Het voorgestelde budget voor het toekomstige programma Erasmus voor iedereen bedraagt 19 miljard euro, ofwel 1,64 % van de begroting.

Hoeveel geld geeft de EU uit aan het Erasmusprogramma en hoe wordt het verdeeld?

In de huidige begrotingsperiode (2007-2013) heeft de EU 3,1 miljard euro voor het Erasmusprogramma uitgetrokken. De toewijzing voor 2012 bedraagt 480 miljoen en die voor 2013 wordt geraamd op 490 miljoen (zie onderstaande tabel). Dit is ongeveer 0,35 % van de EU-begroting. In het academisch jaar 2012/2013 zal het aantal studenten dat aan Erasmus heeft deelgenomen sinds de regeling 25 jaar geleden werd ingesteld, de grens van 3 miljoen overschrijden.

De EU verstrekt jaarlijks beurzen aan nationale agentschappen in de 33 deelnemende landen. De nationale agentschappen doen oproepen tot het indienen van voorstellen en sluiten overeenkomsten met universiteiten, scholen, hogescholen en andere onderwijsinstellingen in hun land. Studenten vragen een Erasmusbeurs aan bij hun eigen universiteit, die de beurs aan hen uitbetaalt.

Het totale Erasmusbudget voor de mobiliteit van studenten en personeel wordt op basis van de onderstaande factoren aan de verschillende landen toegewezen:

  • bevolking: aantal studenten, afgestudeerden en docenten in het hoger onderwijs (niveau 5-6 van de internationale standaardclassificatie van het onderwijs, ISCED). De gegevens worden aangeleverd door Eurostat;

  • kosten van levensonderhoud en afstand tussen hoofdsteden: worden gebruikt als correctiefactoren bij de factor bevolking;

  • indicator van eerdere prestaties: wordt berekend op basis van het aantal in het verleden uitgezonden personeelsleden en studenten (op basis van de laatst beschikbare gegevens).

Bijna 90 % van het Erasmusbudget wordt geïnvesteerd in mobiliteit voor studenten en personeel. Erasmus steunt ook samenwerkingsprojecten en ‑netwerken, die ongeveer 4 % van het budget vertegenwoordigen. Zij worden centraal beheerd door het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) in Brussel. De resterende 6 % van het Erasmusbudget wordt besteed aan de operationele kosten van de agentschappen (gemiddeld 4,4 %) en overige acties waaronder studies, conferenties, samenwerking tussen universiteiten en bedrijven, het Bolognasecretariaat en voorbereidende werkzaamheden voor het nieuwe multidimensionale rangschikkingssysteem voor universiteiten.

In onderstaande tabel zijn de jaarlijkse uitgaven aan Erasmus sinds 1988 vermeld.

Gedecentraliseerde middelen voor Erasmus die aan de nationale agentschappen zijn toegewezen

Jaar

Jaarlijks Erasmusbudget voor mobiliteit van studenten en personeel (in miljoenen euro's)

Wijziging, op jaarbasis

1988

13,00

1989

26,84

106,46 %

1990

32,88

22,50 %

1991

43,86

33,39 %

1992

62,88

43,37 %

1993

67,88

7,95 %

1994

72,78

7,22 %

1995

73,46

0,93 %

1996

74,30

1,14 %

1997

70,00

-5,79 %

1998

100,27

43,24 %

1999

100,27

0,00 %

2000

111,79

11,49 %

2001

116,19

3,94 %

2002

121,90

4,91 %

2003

142,53

16,92 %

2004

168,00

17,87 %

2005

200,96

19,62 %

2006

245,75

22,29 %

2007

372,25

51,48 %

2008

416,36

11,85 %

2009

415,25

-0,27 %

2010

435,03

4,76 %

2011

469,64

7,96 %

2012

480,22

2,25 %

2013(*)

489,82

2,00 %

(*) schatting

Hoe wordt het maandelijkse EU-beursbedrag bepaald?

Erasmusbeurzen zijn bedoeld om een deel van de extra woon- en reiskosten in het buitenland te dekken. Erasmusstudenten betalen geen inschrijvingsgeld aan de gastinstelling in het buitenland.

In elk land wijzen de nationale agentschappen de ter beschikking gestelde middelen toe aan de instellingen voor hoger onderwijs. Een nationaal agentschap kan beslissen om hogere beurzen toe te kennen aan een kleiner aantal studenten (zoals bijvoorbeeld in Bulgarije, Cyprus en Turkije gebeurt), of lagere beurzen aan een groter aantal studenten (zoals bijvoorbeeld in Frankrijk en Italië). Het moet zich wel houden aan het plafond voor beurzen dat door de Europese Commissie voor elk land van bestemming wordt vastgelegd (zie de gids voor het programma Een Leven Lang Leren).

Op basis van factoren zoals de aangevraagde bedragen en de resultaten uit het verleden wijzen de nationale agentschappen de middelen toe aan de aanvragende instellingen. Binnen een door het nationale agentschap vastgestelde marge die van land tot land verschilt, kan de instelling dan beslissen welk maandbedrag het precies betaalt aan de studenten (en hoeveel de week- of dagbijdrage voor personeel bedraagt).

Het maandelijkse beursbedrag is afhankelijk van het land van bestemming en van het type mobiliteit. Zo wordt vaak een hoger beursbedrag toegekend voor stages dan voor studies in het buitenland. De nationale agentschappen kunnen het beursbedrag voor sociaaleconomisch zwakkere studenten verhogen.

De Erasmusbeurs van de Europese Unie kan worden aangevuld met medefinanciering uit diverse nationale, regionale en lokale bronnen.

In 2010/2011 varieerde het gemiddelde maandelijkse EU-beursbedrag voor studentenmobiliteit van 133 euro voor Spaanse studenten tot 653 euro voor studenten uit Cyprus. Het gemiddelde maandelijkse beursbedrag over alle landen bedroeg 250 euro.

Hoe kunnen studenten en personeelsleden een Erasmusbeurs aanvragen?

Het Erasmusprogramma staat open voor alle studenten van hogeronderwijsinstellingen met een Erasmus University Charter uit de 33 deelnemende landen (27 EU-lidstaten, IJsland, Kroatië, Liechtenstein, Noorwegen, Turkije en Zwitserland). De meeste instellingen voor hoger onderwijs in Europa – meer dan 4 000 – hebben het Erasmus University Charter ondertekend.

Om een aanvraag voor een Erasmusstudieperiode of ‑stage in te dienen, moet men eerst contact opnemen met het bureau buitenland van de eigen instelling en vóór de mobiliteitsperiode een studie‑ of stageovereenkomst invullen. Deze overeenkomsten bakenen het programma af dat de student tijdens zijn studie- of stageperiode moet volgen. Zij moeten worden goedgekeurd en ondertekend door de eigen instelling, de gastinstelling of –onderneming in het buitenland en door de student zelf. Hierdoor wordt volledige academische erkenning door de eigen instelling van het tijdens de Erasmusperiode naar behoren afgewerkte programma vereenvoudigd en gewaarborgd.

Erasmusstudies: wie een deel van zijn studie in het buitenland wil volgen, moet ten minste in het tweede jaar hoger onderwijs zitten.

Erasmusstages: studenten kunnen een Erasmusstage volgen vanaf het eerste jaar van hun studie in het hoger onderwijs.

Elke periode in het buitenland duurt, voor zowel studies als stages, 3 tot 12 maanden; gecombineerde perioden in het buitenland mogen in totaal niet langer dan 24 maanden duren. Voor studenten die een kortlopende hogere beroepsopleiding volgen, bedraagt de minimumduur voor een stage twee maanden.

Erasmus voor personeelsleden: docenten moeten bij de eigen instelling een door de gastinstelling goedgekeurd lesprogramma voorleggen. Personeelsleden die een Erasmusopleidingsbeurs willen aanvragen, moeten eveneens hun opleidingsprogramma laten goedkeuren door hun eigen instelling en de gastinstelling of ‑onderneming.

Erasmuskampioenen

In 2010/2011 zond Spanje het grootste aantal studenten voor studie en stage naar het buitenland (36 183), gevolgd door Frankrijk (31 747) en Duitsland (30 274).

Spanje was met 37 432 gaststudenten tevens de populairste bestemming, gevolgd door Frankrijk (27 722) en Duitsland (24 733). Het Verenigd Koninkrijk ontving dubbel zoveel studenten (24 474) als het zelf naar het buitenland stuurde (12 833). De meeste landen zonden meer studenten uit dan ze zelf ontvingen. Het beste evenwicht tussen inkomende en uitgaande studenten werd opgetekend in Slovenië, gevolgd door Spanje en Nederland.

Studenten van 3 040 instellingen voor hoger onderwijs namen deel aan mobiliteitsuitwisselingen, een stijging van 6,6 % ten opzichte van het jaar ervoor.

Stijging van 7,2 % voor Erasmusstudies

In het academisch jaar 2010/2011 gingen van de 231 408 Erasmusstudenten er 190 495 voor studie naar het buitenland, een stijging van 7,2 % ten opzichte van 2009/2010. Het aantal studenten dat voor studie naar het buitenland trok, is in drie landen gedaald (Luxemburg, Hongarije en Polen), terwijl in 16 landen een meer dan gemiddelde groei werd vastgesteld. De verhoudingsgewijs grootste groei ten opzichte van de cijfers voor 2009/2010 werd genoteerd in Kroatië (96,6 %), gevolgd door Liechtenstein (84,2 %) en Cyprus (25,1 %).

Gemiddeld gingen studenten iets langer dan 6,4 maanden in het buitenland studeren en het gemiddelde beursbedrag bedroeg 232 euro (tegen 236 euro in het jaar ervoor).

Sociale wetenschappen, bedrijfskunde en rechten waren voor Erasmusstudenten de populairste vakgebieden (34,7 %), gevolgd door menswetenschappen en kunsten (31,5 %) en technische wetenschappen en bouwkunde (12,6 %).

Stijging van 15 % voor Erasmusstages

Sinds 2007 biedt Erasmus studenten de mogelijkheid om in het buitenland werkervaring op te doen bij bedrijven of andere organisaties. In 2010/2011 heeft één op de zes Erasmusstudenten, 40 913 van de 231 408, voor deze optie gekozen. Dat is een stijging van meer dan 15 % ten opzichte van het jaar ervoor. De gemiddelde duur van een stage bedroeg 4,3 maanden en de studenten ontvingen een maandelijks EU-beursbedrag van gemiddeld 366 euro (minder dan de 386 euro in 2009/2010).

Evenals in de voorgaande jaren was Frankrijk het land dat het grootste aantal studenten uitzond voor een Erasmusstage (5 958, goed voor een aandeel van 14,6 %), gevolgd door Duitsland (5 096, 12,4 %) en Spanje (4 756, 11,6 %). Het Verenigd Koninkrijk was de populairste bestemming voor Erasmusstages en ontving 6 970 studenten (goed voor een aandeel van 17 %), gevolgd door Spanje (6 852, 16,7 %) en Duitsland (5 614, 13,7 %).

Om stages in het buitenland te stimuleren, kan een instelling voor hoger onderwijs een stageconsortium oprichten. Deze consortia omvatten instellingen voor hoger onderwijs en andere organisaties, zoals bedrijven of verenigingen. In 2010/2011 werden in 13 landen 74 stageconsortia opgericht. De stageconsortia konden kansen bieden aan meer dan 14 % van de stagiairs.

Bij de Erasmusstages was de grootste groep studenten afkomstig uit de richtingen sociale wetenschappen, bedrijfskunde en rechten (26,6 %). De studenten menswetenschappen en kunsten (17,1 %), die het jaar voordien nog het sterkst vertegenwoordigd waren, werden daarmee ingehaald. Daarna volgden de studenten uit de richtingen landbouwkunde en diergeneeskunde (15,4 %), die achtmaal talrijker waren dan het jaar ervoor.

Hoeveel hogeronderwijsstudenten (bachelors en masters) zijn er in de landen die aan Erasmus deelnemen? Hoeveel daarvan hebben in 2010/2011 hun studies (gedeeltelijk) in het buitenland gevolgd?

Op een totale studentenpopulatie van meer dan 22,5 miljoen in de 32 landen die toen deelnamen, heeft in 2010/2011 ongeveer 1 % een Erasmusmobiliteitsbeurs voor studenten gekregen1.

Als wordt aangenomen dat de gemiddelde studieduur in het hoger onderwijs vier tot vijf jaar bedraagt (bachelors en masters), krijgt naar schatting zo'n 4,5 % van alle Europese studenten op een bepaald moment tijdens hun hogere opleiding een Erasmusbeurs. Daarvan gaat 67 % naar bachelorstudenten, 28 % naar masterstudenten, 1 % naar studenten op doctoraal niveau en 4 % naar studenten die een kortlopende hogere studie volgen. Met Erasmussteun of andere openbare of particuliere middelen brengt ongeveer 10 % van het totale aantal studenten zijn studies geheel of gedeeltelijk in het buitenland door, of heeft dit reeds gedaan.

Op de bijeenkomst van de ministers voor hoger onderwijs in Boekarest (Roemenië) van 26 en 27 april 2012 (IP/12/394) werd de mobiliteitsstrategie van Bologna goedgekeurd, waarin bepaald is dat, in overeenstemming met de Europese benchmark voor mobiliteit in het hoger onderwijs die in november 2011 is goedgekeurd, in 2020 ongeveer 20 % van de afgestudeerden uit het Europese hoger onderwijs een deel van zijn studies in het buitenland moet hebben gedaan.

Nadere informatie

Erasmus breekt record: aantal studentenuitwisselingen stijgt met 8,5 % (IP/12/454)

Meer over de programma's Erasmus en Een leven lang leren

Feiten en cijfers over Erasmus [brochure]

Statistieken over Erasmus

1 :

In 2010 bedroeg de totale studentenpopulatie in de EU-27 ongeveer 18,5 miljoen studenten.


Side Bar

Mon compte

Gérez vos recherches et notifications par email


Aidez-nous à améliorer ce site