Chemin de navigation

Left navigation

Additional tools

MEMO/11/685

Brussel, 12 oktober 2011

Voornaamste elementen van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB)

De Commissie heeft vandaag vier basisverordeningen van het Europees Parlement en de Raad over het GLB voorgesteld: over de rechtstreekse betalingen, over de gemeenschappelijke marktordening, over plattelandsontwikkeling en over de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (deze laatste is een horizontale verordening). Nog eens drie kortere verordeningen moeten de overgang naar de nieuwe voorschriften in goede banen leiden. Voor het overige bevat het pakket een toelichting, een publiekssamenvatting en bijlagen in verband met verschillende aspecten van de effectbeoordeling.

Hieronder volgt een samenvatting van de voornaamste elementen van deze voorstellen.

  • Rechtstreekse betalingen

De basisbetalingsregeling Om af te stappen van zowel de verschillende systemen van de bedrijfstoeslagregeling die in de EU‑15 van kracht zijn (met ruimte voor historische referenties, een betaling per hectare of een "hybride" combinatie van beide) als de regeling inzake één enkele areaalbetaling die in de meeste EU‑12‑lidstaten van kracht is, zal na 2013 een nieuwe "basisbetalingsregeling" worden toegepast. (Op het adres http://ec.europa.eu/agriculture/markets/sfp/pdf/ms_en.pdf staat welk model momenteel in elke lidstaat van toepassing is.) Deze basisbetaling wordt, net als nu het geval is, gekoppeld aan de naleving van de "randvoorwaarden" (dit zijn voorschriften op het gebied van onder meer milieu en dierenwelzijn). Het verschil ten opzichte van de huidige situatie is dat de bestaande voorschriften op een aantal punten zijn vereenvoudigd (zie hieronder). Doel hiervan is ervoor te zorgen dat de verschillen in het niveau van de betalingen die landbouwers, regio's en lidstaten na de onverkorte uitvoering van de huidige wetgeving ontvangen, aanzienlijk worden verkleind. Alle lidstaten zullen tegen begin 2019 moeten overschakelen naar een uniforme betaling per hectare op nationaal of regionaal niveau. Overeenkomstig de voorstellen van de Commissie binnen het meerjarig financieel kader zullen de nationale enveloppes voor rechtstreekse betalingen zo worden aangepast dat landbouwers die minder dan 90 % van de gemiddelde EU‑betaling per hectare ontvangen, meer zullen krijgen. Het verschil tussen de momenteel voorziene bedragen en 90 % van het EU‑27‑gemiddelde wordt met een derde verkleind. Een lidstaat die momenteel bijvoorbeeld een gemiddeld bedrag per hectare ontvangt dat 75 % van het EU‑gemiddelde bedraagt (en dus 15 % onder 90 % ligt), zal geleidelijk meer krijgen, tot hij een niveau van 80% van het EU‑gemiddelde bereikt. De Commissie is vastbesloten een doelstelling op langere termijn in discussie te brengen, nl. de verwezenlijking van "volledige convergentie" via de gelijke verdeling van rechtstreekse steun over de hele Unie in het kader van de volgende financiële vooruitzichten na 2020.

Vergroening Naast de basisbetaling zal elk bedrijf een betaling per hectare ontvangen als compensatie voor het naleven van bepaalde klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken. Hiervoor zullen de lidstaten 30 % van de nationale enveloppe gebruiken. Dit is verplicht, maar er zal in dit verband geen plafonnering worden opgelegd.

De drie geplande maatregelen zijn:

  • de instandhouding van blijvend grasland;

  • gewasdiversificatie (een landbouwer moet ten minste 3 gewassen op zijn bouwland telen;geen van deze drie gewassen mag minder dan 5 % van het bouwland bestrijken en het hoofdgewas mag niet meer dan 70 % van het bouwland bestrijken).

  • behoud van "een gebied van ecologisch belang" met een omvang van ten minste 7 % van het bouwland (blijvend grasland niet meegerekend) – d.w.z. akkerranden, heggen, bomen, braakland, landschapskenmerken, biotopen, bufferstroken, bebost gebied.

  • NB: Aan biologisch producerende landbouwers worden geen aanvullende vereisten opgelegd aangezien zij aantoonbaar voor een duidelijk ecologisch voordeel zorgen.

Gebieden met natuurlijke beperkingen De lidstaten (of de regio's) kunnen een aanvullende betaling ten bedrage van maximaal 5 % van de nationale enveloppe toekennen voor gebieden met natuurlijke beperkingen (zoals gedefinieerd in de voorschriften inzake plattelandsontwikkeling). Deze optie is facultatief en doet niets af aan de opties die de probleemgebieden ter beschikking staan in het kader van de regeling voor plattelandsontwikkeling. NB Naar aanleiding van kritiek van de Rekenkamer is de definitie van probleemgebieden aangepast in het licht van objectieve criteria.

Jonge landbouwers De basisbetaling voor nieuwe jonge landbouwers (jonger dan 40) moet gedurende de eerste vijf jaar na vestiging worden verhoogd met 25 %. Deze betaling is gekoppeld aan de gemiddelde maximale bedrijfsomvang in de betrokken lidstaat. Voor lidstaten waar de bedrijven klein zijn van omvang, is de grens 25 ha. Maximaal 2 % van de nationale enveloppe mag voor de financiering van deze betaling worden gebruikt.

Kleine landbouwers Landbouwers die in 2004 steun aanvragen, kunnen uiterlijk op 15 oktober 2014 beslissen deel te nemen aan de regeling voor kleine landbouwers en krijgen dan een door de betrokken lidstaat vastgestelde jaarlijkse betaling van minimaal 500 euro en maximaal 1000 euro, ongeacht de omvang van hun bedrijf. (Het bedrag wordt gekoppeld aan de gemiddelde betaling per begunstigde of aan de nationale gemiddelde betaling per hectare voor 3 hectare.) Dit komt voor de betrokken landbouwers en de nationale overheden neer op een enorme vereenvoudiging. De deelnemers aan deze regeling krijgen minder stringente voorschriften in het kader van de randvoorwaarden opgelegd en worden vrijgesteld van de vergroening. (Uit de effectbeoordeling blijkt dat gemiddeld een derde van de landbouwbedrijven die GLB‑financiering aanvragen, maximaal 3 hectare groot zijn – in totaal komt dit neer op slechts 3 % van de totale landbouwoppervlakte in de EU‑27). De regeling voor kleinschalige landbouwers mag niet meer kosten dan 10 % van de nationale enveloppe en het betalingsniveau wordt zo nodig dienovereenkomstig aangepast. Bovendien zullen in het kader van de plattelandsontwikkeling naast financiële middelen voor adviesverlening aan kleinschalige landbouwers met het oog op economische ontwikkeling, ook herstructureringssubsidies voor regio's met een groot aantal dergelijke bedrijven ter beschikking worden gesteld.

"Gekoppelde" optie Om de potentieel nadelige gevolgen van een herverdeling van de rechtstreekse betaling op nationale basis tegen te gaan en om rekening te houden met de huidige omstandigheden, zullen de lidstaten beperkte bedragen aan "gekoppelde" betalingen ter beschikking kunnen stellen, namelijk in de vorm van een betaling die gekoppeld is aan een specifiek product. Indien de betrokken lidstaat momenteel 0 tot 5 % van de nationale enveloppe aan gekoppelde steun besteedt, mag voor de hierboven bedoelde bedragen niet meer dan 5 % van de nationale enveloppe worden uitgetrokken. Dit loopt op tot maximaal 10 % als het aan gekoppelde steun bestede percentage hoger ligt dan 5. De Commissie kan een hoger percentage goedkeuren indien de lidstaat kan aantonen dat dit gerechtvaardigd is.

Overheveling van financiële middelen van de ene naar de andere pijler De lidstaten kunnen tot 10 % van hun nationale enveloppe voor rechtstreekse betalingen (eerste pijler) overhevelen naar hun enveloppe voor plattelandsontwikkeling. Bovendien kunnen lidstaten die minder dan 90 % van het EU‑gemiddelde voor rechtstreekse betalingen ontvangen, op grond van de nieuwe voorschriften tot 5 % van hun financiële middelen voor plattelandsontwikkeling overhevelen naar hun nationale enveloppe voor de eerste pijler.

Randvoorwaarden Net als vóór de hervorming zullen de betalingen uit de nationale enveloppe voor rechtstreekse betalingen slechts worden toegekend wanneer een aantal basisvoorschriften op het gebied van milieu, dierenwelzijn en gezondheid van planten en dieren in acht zijn genomen. Om toch een en ander te vereenvoudigen, is het aantal uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen teruggebracht van 18 tot 13 en het aantal voorschriften op het gebied van goede landbouw‑ en milieuconditie van 15 tot 8 (zo zijn elementen die niets te maken hebben met de landbouwer, geschrapt). Voorts wordt voorgesteld de richtlijn water en de richtlijn duurzaam gebruik van pesticiden in de voorschriften op het gebied van de randvoorwaarden te integreren zodra is aangetoond dat deze richtlijnen in alle lidstaten correct worden toegepast en de verplichtingen voor de landbouwers duidelijk zijn omschreven.

Plafonnering Een individueel landbouwbedrijf kan op grond van de basisbetalingsregeling maximaal 300 000 euro per jaar ontvangen. De betaling wordt voor de schijf van meer dan 250 000 euro tot en met 300 000 euro verlaagd met 70 %, voor de schijf van meer dan 200 000 euro tot en met 250 000 euro met 40 % en voor de schijf van meer dan 150 000 euro tot en met 200 000 euro met 20 %. Om rekening te houden met de werkgelegenheid, kan het bedrijf de salariskosten van het vorige jaar (incl. belastingen en socialezekerheidsbijdragen) in mindering brengen voordat deze verlagingen worden toegepast. NB: De financiële middelen die in het kader van dit mechanisme worden "bespaard", blijven in de betrokken lidstaat, waar ze worden overgeheveld naar de enveloppe voor plattelandsontwikkeling om met het oog op innovatie en investeringen te worden gebruikt door landbouwers en door operationele groepen in het kader van het Europees Partnerschap voor innovatie.

"Actieve landbouwer" Om een aantal juridische leemten te vullen, maakt de Commissie de definitie van actieve landbouwer strenger. Om uit te sluiten dat betalingen worden toegekend aan aanvragers die geen echte of tastbare landbouwactiviteit ontplooien, wordt voorgesteld om in de definitie te bepalen dat aanvragers geen betalingen ontvangen indien hun jaarlijkse bedrag aan rechtstreekse betalingen minder is dan 5 % van de totale opbrengsten uit de niet‑landbouwactiviteiten, indien hun landbouwareaal hoofdzakelijk bestaat uit grond die in een voor beweiding of teelt geschikte natuurlijke staat wordt gehouden en indien zij op deze grond geen minimumactiviteit verrichten die de betrokken lidstaat heeft vastgesteld. Er is voorzien in een afwijking voor landbouwers die het vorige jaar minder dan 5000 euro aan rechtstreekse betalingen hebben ontvangen.

Subsidiabele hectaren Krachtens de regelgeving zou 2014 als nieuw referentiejaar voor het areaal worden vastgesteld, maar om speculatie voor te zijn, zal een verband worden gelegd met de begunstigden van rechtstreekse betalingen in 2011.

  • Mechanismen voor marktbeheer

De bestaande systemen voor openbare interventie en particuliere‑opslagsteun zijn efficiënte veiligheidsnetten gebleken om de producenten te helpen wanneer zich marktproblemen voordoen, bijvoorbeeld naar aanleiding van een voedselcrisis. Om slagvaardiger en doeltreffender te kunnen optreden, zullen deze systemen echter toch worden herzien. Er wordt een nieuwe vrijwaringsclausule voor alle sectoren ingevoerd die de Commissie in staat moet stellen noodmaatregelen te nemen als reactie op algemene marktverstoringen – denk aan de maatregelen naar aanleiding van de E‑coli‑crisis in mei‑juli 2011. Deze maatregelen zullen worden gefinancierd uit het crisisfonds dat in het meerjarig financieel kader wordt omschreven.

Nu het einde van de melkquota en de aanplantrechten voor wijnstokken in zicht is, richt de Commissie haar pijlen op de laatst resterende quotaregeling – die voor suiker. De suikerquotaregeling verstrijkt op 30 september 2015. In de huidige omstandigheden (onbeperkte en rechtenvrije toegang van de meeste ontwikkelingslanden tot de EU‑markt tegenover beperkte uitvoermogelijkheden voor de EU als gevolg van de WTO-voorschriften – zolang er quota bestaan) is de afschaffing van de quota de enige oplossing die de sector een langetermijnperspectief biedt – vooral in het licht van de verwachte verbetering van de productiviteit. Na het verstrijken van de quota zal witte suiker in aanmerking komen voor particuliere‑opslagsteun en moeten standaardbepalingen voor overeenkomsten tussen suikerfabrieken en telers van suikerriet en suikerbieten worden vastgesteld.

De schoolfruitregeling en de schoolmelkregeling moeten worden verlengd. De voorstellen uit december 2010 over de melksector (verplichte schriftelijke contracten en versterking van de onderhandelingspositie in de voedselketen) en over handelsnormen in het kader van het kwaliteitspakket (inclusief invoering van het concept "plaats van de landbouwproductie") hebben eveneens hun neerslag gekregen in deze teksten.

Om de onderhandelingspositie van de landbouwers in de voedselketen te verbeteren, zet de Commissie in op een betere organisatie van de sectoren. De voorschriften over de erkenning van producentenorganisaties en brancheorganisaties worden uitgebreid tot alle sectoren – met extra opties voor de oprichting van dergelijke producentenorganisaties met financiering uit hoofde van de plattelandsontwikkeling (zie verderop). Omwille van de vereenvoudiging is een aantal minder belangrijke regelingen afgeschaft (steun voor de verwerking van melkpoeder in diervoeder, gekoppelde steun voor zijderupsen).

  • Plattelandsontwikkeling

Het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) zal worden opgenomen in het gemeenschappelijk strategisch kader dat ook van toepassing is op het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij. Dit kader is bekendgemaakt op 6 oktober [zie IP/11/1159] en is gericht op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020‑strategie (duurzame, slimme en inclusieve groei). Aangezien net als bij de andere fondsen een duidelijker verband moet worden gelegd met de daadwerkelijke prestaties, moeten voor alle plattelandsontwikkelingsprogramma's streefindicatoren worden vastgesteld voor de zes prioriteiten (zie verderop). Ongeveer 5 % van de financiële middelen wordt ingehouden en in een zogenaamde prestatiereserve gestort die pas beschikbaar wordt gesteld wanneer kan worden aangetoond dat vooruitgang ten opzichte van de streefindicatoren wordt geboekt.

De basisaanpak uit de huidige plattelandsontwikkelingsregeling (meerjarige regelingen die door de lidstaten zijn ontworpen en meegefinancierd) blijft wegens de positieve resultaten tot dusverre overeind. Wel worden de bestaande drie assen (economische, ecologische en sociale aspecten met minimumfinancieringsvereisten voor elke as) in de nieuwe programmeringsperiode uitgebreid tot zes (zie verderop). De lidstaten moeten nog steeds 25 % van het enveloppe voor plattelandsontwikkeling besteden aan grondbeheer en de bestrijding van de klimaatverandering.

  • Het stimuleren van kennisoverdracht en innovatie

  • Het versterken van het concurrentievermogen

  • Het stimuleren van de organisatie van de voedselketen en van risicobeheer

  • Het herstellen, in stand houden en verbeteren van de ecosystemen

  • Het bevorderen van het efficiënte gebruik van hulpbronnen en de omslag naar een koolstofarme economie

  • Het bevorderen van sociale inclusie, armoedebestrijding en economische ontwikkeling in plattelandsgebieden

Om aan de becijferde streefindicatoren voor deze prioriteiten te voldoen (zonder daarbij hun eigen specifieke behoeften uit het oog te verliezen), moeten de lidstaten/regio's in hun plattelandsontwikkelingsprogramma's combinaties van maatregelen uit een gestroomlijnd menu ontwerpen.

Begrotingstechnisch gezien zal er een kleine verandering komen in de verdeling van de nationale enveloppes voor plattelandsontwikkeling om rekening te houden met meer objectieve criteria – die de Commissie later in het kader van haar bevoegdheid moet vaststellen. De EU zal voor de meeste betalingen een deel voor haar rekening nemen: 85 % voor minder ontwikkelde gebieden, voor de ultraperifere gebieden en voor de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee en 50 % voor andere gebieden. Dit percentage kan hoger liggen wanneer het gaat om innovatie en kennisoverdracht, samenwerking, de oprichting van producentengroeperingen, subsidies voor de vestiging van jonge landbouwers en LEADER‑projecten.

In de nieuwe periode krijgen de lidstaten bovendien de kans om (nog forser gesubsidieerde) subprogramma's te ontwerpen voor jonge landbouwers, kleine landbouwers, berggebieden en korte voorzieningsketens.

Kernthema's uit het vereenvoudigde menu voor plattelandsontwikkelingsprojecten

  • Innovatie: Verschillende plattelandsontwikkelingsmaatregelen, zoals "kennisoverdracht" en "samenwerking" moeten de verwezenlijking van dit kernthema (en meer in het bijzonder het geplande Europese Partnerschap voor innovatie voor de productiviteit en duurzaamheid van de landbouw) dichterbij brengen. Doel ervan is het efficiënte gebruik van hulpbronnen te bevorderen, de productiviteit te stimuleren en te komen tot een emissiearme, klimaatvriendelijke en veerkrachtige ontwikkeling van de landbouw, de bosbouw en het platteland. Om de resultaten op het gebied van technologie sneller ingang te doen vinden op het veld en in de stal, moeten de landbouwsector en de onderzoekswereld nauwer met elkaar samenwerken.

  • Kennis – "een op kennis gebaseerde landbouw": Versterkte maatregelen op het gebied van landbouwadviesdiensten (ook gekoppeld aan matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, milieu‑uitdagingen en economische ontwikkeling en opleiding).

  • Herstructurering / Investering/ Modernisering: Hiervoor zijn nog steeds subsidies beschikbaar.

  • Jonge landbouwers - Maatregelen kunnen worden gecombineerd tot een pakket dat bijvoorbeeld naast vestigingssteun (tot 70 000 euro) ook steun voor opleidings‑ en adviesdiensten kan omvatten.

  • Kleine landbouwers Per klein landbouwbedrijf kan tot 15 000 euro opstartsteun worden toegekend.

  • Toolkit voor risicobeheer: Verzekering en onderlinge fondsen – oogstverzekering, weerschadeverzekering, verzekering tegen dierziekten [nu beschikbaar in het kader van artikel 68 van de eerste pijler] – uitgebreid met een inkomensstabiliseringsinstrument (in het kader waarvan tot 70 % van het verlies uit een onderling fonds kan worden vergoed indien het inkomen met 30 % is gedaald). Voor elke euro die een landbouwer bijdraagt, maakt het plattelandsontwikkelingsfonds een extra bedrag van 0,65 euro over.

  • Producentenorganisaties / Unies van producentenorganisaties: Er wordt alleen steun toegekend aan organisaties die over een bedrijfsplan beschikken en onder de definitie van kmo's vallen.

  • Agromilieu‑ en klimaatgerelateerde betalingen: Meer flexibiliteit in contracten, gemeenschappelijke contracten, gekoppeld aan adequate opleiding / voorlichting.

  • Biologische landbouw: Nieuwe afzonderlijke maatregelen voor meer zichtbaarheid.

  • Gebieden met natuurlijke en andere specifieke beperkingen: Nieuwe afbakening van gebieden met natuurlijke beperkingen op basis van 8 biofysieke criteria. Flexibiliteit voor de lidstaten om in het belang van de bescherming van het milieu tot 10 % van hun landbouwoppervlakte aan te wijzen als gebied met specifieke beperkingen.

  • Berggebieden: Voor berggebieden en landbouwgrond boven 62 °NB, kan het steunbedrag tot 300 euro per hectare bedragen (ten opzichte van de huidige 250 euro per hectare).

  • Samenwerking: Meer mogelijkheden om technologische, ecologische en commerciële samenwerking te steunen (zoals proefprojecten, gemeenschappelijke milieuregelingen, korte voorzieningsketens, ontwikkeling van plaatselijke markten).

  • Basisdiensten en dorpsvernieuwing Investeringen in breedbandinfrastructuur en hernieuwbare energie kunnen verder gaan dan het kleinschalige.

  • LEADER: LEADER‑opstartkit als hulp bij het opzetten van LEADER‑groepen en strategieën. Bevorderen van flexibele combinatie met andere fondsen op lokaal gebied, onder meer in de vorm van stedelijke ‑ landelijke samenwerking. NB LEADER wordt momenteel in het kader van alle fondsen die onder het gemeenschappelijke strategische kader vallen (Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij en het Europees Fonds voor plattelandsontwikkeling) gebruikt als het raamwerk voor door de gemeenschap aangestuurde plaatselijke ontwikkeling.

  • Nog enkele nieuwe elementen

Monitoring en evaluatie van het GLB De Commissie zal uiterlijk eind 2014 - en daarna elke 4 jaar - een verslag voorleggen over het effect van de GLB op de 3 voornaamste prioriteiten - rendabele voedselproductie, duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en een evenwichtige territoriale ontwikkeling).

Vereenvoudiging van de controles In gebieden waar blijkens vorige controles goede resultaten zijn geboekt (dit wil zeggen: waar de regels in acht zijn genomen), wordt het controleregime versoepeld. In gebieden met problemen daarentegen wordt dit regime verstrengd.

Vóór het eind van het jaar zullen afzonderlijke voorstellen op tafel worden gelegd die betrekking hebben op de regeling voor steun aan hulpbehoevenden (voor de periode na 2013) en die tot doel hebben de volledige transparantie van de rechtstreekse betalingen en andere GLBsubsidies te garanderen – met name tegen de achtergrond van het arrest van oktober 2010 waarin het Hof van Justitie oordeelt dat de bestaande voorschriften niet in overeenstemming zijn met de regels op het gebied van de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens.

Documenten en informatie over de voorstellen voor de GLB‑hervorming zijn beschikbaar op het volgende adres:

http://ec.europa.eu/agriculture/cap-post-2013/legal-proposals/index_en.htm


Side Bar

Mon compte

Gérez vos recherches et notifications par email


Aidez-nous à améliorer ce site