Navigation path

Left navigation

Additional tools

MEMO/11/468

Brussel, 29 juni 2011

Het meerjarig financieel kader (MFK): vragen en antwoorden

In deze memo worden de belangrijkste vragen over de Commissievoorstellen voor het meerjarig financieel kader beantwoord. In de tekst vindt u (1) de belangrijkste achtergronden van de opzet en functie van het MFK, (2) de voornaamste nieuwe beleidsvoorstellen van de Commissie en (3) nieuwe ideeën voor de financiering van de toekomstige begroting.

1. Functie, historische achtergrond en procedures

Wat is het meerjarig financieel kader (MFK)?

Het meerjarig financieel kader (MFK) vertaalt de politieke prioriteiten van de Unie voor minstens 5 jaar in financiële termen. Volgens artikel 312 van het Verdrag van Lissabon wordt het MFK vastgelegd in een verordening die unaniem wordt goedgekeurd door de Raad, na toestemming van het Europees Parlement (dat het kader in zijn geheel aanvaardt of verwerpt, zonder wijzigingen). Het bepaalt de jaarlijkse maximumbedragen (plafonds) voor EU-uitgaven in hun geheel en voor de belangrijkste uitgavencategorieën (posten). Het MFK is niet zo gedetailleerd als de jaarlijkse begroting.

Waarom hebben we een meerjarig financieel kader nodig?

Door voor elke uitgavencategorie limieten vast te stellen, legt het MFK begrotingsdiscipline op en garandeert het dat de uitgaven van de Europese Unie zich op een ordelijke manier ontwikkelen binnen de grenzen van haar eigen middelen en in overeenstemming met de beleidsdoelstellingen van de Unie. Daarnaast zorgt het kader voor een voorspelbare instroom van middelen voor de langetermijnprioriteiten van de Unie. Begunstigden van EU-subsidies, zoals het mkb, achterstandsregio's, studenten, onderzoekers en maatschappelijke organisaties, hebben daardoor meer zekerheid.

Het MFK vormt de hoeksteen voor de jaarlijkse begrotingsprocedure. Het kader maakt het veel eenvoudiger voor het Europees Parlement en de Raad, die samen de begrotingsautoriteit van de Unie vormen, om een akkoord te bereiken over de jaarlijkse begroting. Tegelijk zorgt het voor continuïteit bij het verwezelijken van de Europese prioriteiten. Het financieel kader omvat ook alle andere voorzieningen die nodig zijn om de jaarlijkse begrotingsprocedure soepel te laten verlopen.

Is de begroting altijd geregeld door middel van meerjarige kaders?

De Europese Unie werkt sinds 1988 met MFK's, die 5 tot 7 jaar van toepassing zijn.

  • Het eerste financieel kader, het zogenaamde pakket-Delors I, had betrekking op de periode 1988-1992 en legde de klemtoon op de totstandbrenging van de interne markt en het bestendigen van het meerjarig kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling.

  • Het pakket-Delors II, voor de periode 1993-1999, gaf voorrang aan het sociaal beleid, het cohesiebeleid en de invoering van de euro.

  • De "Agenda 2000" bestreek de periode 2000-2006 en was gericht op de uitbreiding van de Unie.

  • Ten slotte hechtte het MFK 2007-2013 prioriteit aan duurzame groei en concurrentievermogen, met het oog op meer werkgelegenheid.

Het volgende MFK heeft betrekking op de begrotingsprioriteiten van de Unie voor de jaren 2014-2020.

Welke gevolgen heeft het Verdrag van Lissabon van 2009 voor het MFK 2014-2020?

Vóór het Verdrag van Lissabon in werking trad, was het MFK het resultaat van een interinstitutioneel akkoord. Maar in artikel 312 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt aan het meerjarig financieel kader ook een juridisch bindende waarde verleend om "de jaarlijkse maximumbedragen aan kredieten voor vastleggingen per uitgavencategorie (…) alsmede het jaarlijkse maximumbedrag van de kredieten voor betalingen" vast te stellen. Bovendien moet volgens het nieuwe Verdrag het besluit over het MFK met eenparigheid van stemmen door de Raad worden genomen, na toestemming van het Parlement.

Waarom moet er uiterlijk in 2012 een akkoord zijn over het financieel kader?

Het duurt twaalf tot achttien maanden om een akkoord te bereiken over de rechtsgrondslagen van alle meerjarige programma's en projecten die in het kader van het MFK worden gefinancierd, onder meer op het vlak van onderzoek, onderwijs, cohesie, ontwikkelingshulp, nabuurschapsbeleid enz. Willen deze programma's in januari 2014 kunnen starten, dan moet er uiterlijk anderhalf jaar vóór het MFK in werking treedt een politiek akkoord zijn. Bovendien moet het politiek akkoord worden omgezet in een verordening van de Raad, waarvoor de toestemming van het Europees Parlement is vereist.

Wat gebeurt er als er geen akkoord is?

Als er eind 2013 geen akkoord is, worden de maxima voor 2013, verhoogd met een inflatiecorrectie van 2%, verlengd tot 2014. Het Verdrag voorziet ook in de verlenging van de "andere voorzieningen" die betrekking hebben op het laatste jaar van het financiële kader. Dat betekent dat alle bepalingen inzake de aanpassingen en herzieningen van het financieel kader en van de instrumenten buiten het financieel kader zouden worden verlengd.

Of er nu wel of geen akkoord is over het volgende MFK, er zullen voor 2014 dus MFK-plafonds zijn, zodat de begroting kan worden vastgesteld in overeenstemming met het Verdrag.

Mocht er geen akkoord zijn over het financieel kader 2014-20, dan zou dat de goedkeuring van nieuwe programma's aanzienlijk bemoeilijken. Zonder nieuwe rechtsgrondslagen en indicatieve financiële toewijzingen zouden geen betalingsverplichtingen kunnen worden aangegaan voor meerjarige uitgavenprogramma's waarvan de rechtsgrondslag in 2013 vervalt.

Net zoals in het geval van een late overeenkomst zou de begroting voor 2014 waarschijnlijk alleen de betalingen voor landbouw en de betalingen voor uitstaande verplichtingen dekken. Begunstigden van EU-middelen, zoals onderzoekers, studenten en maatschappelijke organisaties, zouden daarvan ernstige nadelen ondervinden.

2. De uitgavenzijde van het MFK: nieuwe aspecten

Wat verandert er aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid?

De Commissie stelt voor 36,2% van het MFK toe te wijzen aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), tegenover 39,4% tijdens het vorige kader (41,5% in 2013).

De basisstructuur van het gemeenschappelijk landbouwbeleid blijft twee pijlers bestaan. Dit zijn de belangrijkste wijzigingen die de Commissie voorstelt:

  • groenere rechtstreekse betalingen: om het GLB te laten bijdragen tot verwezenlijking van de milieu- en klimaatdoelstellingen van de EU zal aan 30% van de rechtstreekse steun een "vergroeningsvoorwaarde" worden gekoppeld. Dat betekent dat alle landbouwers milieuvriendelijk praktijken moeten toepassen, die wettelijk worden omschreven en verifieerbaar zijn. De bedoeling is de landbouw in een aanzienlijk duurzamere richting te sturen, waarbij landbouwers worden betaald om collectieve goederen ter beschikking te stellen van hun medeburgers;

  • convergentie van betalingen: de niveaus van de rechtstreekse hectaresteun zullen geleidelijk worden aangepast (rekening houdend met de verschillen die nog altijd bestaan op het vlak van lonen en inputkosten) om te zorgen voor een gelijkmatiger verdeling van de rechtstreekse steun;

  • de toewijzing van steun voor plattelandsontwikkeling zal worden herzien aan de hand van objectievere criteria en beter worden afgestemd op de beleidsdoelstellingen. Dat garandeert een eerlijker behandeling van landbouwers die dezelfde werkzaamheden verrichten. Om te voorkomen dat de inkomsten van landbouwers teruglopen, stelt de Commissie voor om de lidstaten toe te staan de financiering desgewenst op het huidige nominale niveau van te houden door overdrachten van de tweede naar de eerste pijler;

  • aftopping van rechtstreekse betalingen door de basislaag van de rechtstreekse inkomenssteun die grote landbouwbedrijven kunnen ontvangen, te verlagen. Daarbij wordt rekening gehouden met de schaalvoordelen en de directe werkgelegenheid die deze structuren genereren. De Commissie stelt voor dat de door de lidstaten gerealiseerde besparingen terugvloeien in de begrotingstoewijzing voor plattelandsontwikkeling en deel blijven uitmaken van de nationale totaalbedragen van de betrokken landen.

De Commissie stelt voor om 281,8 miljard euro uit te trekken voor de eerste pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en 89,9 miljard euro voor plattelandsontwikkeling tijdens de periode 2014-2020. Deze financiering zal worden aangevuld met nog eens 15,2 miljard euro.

Wat verandert er aan het cohesiebeleid?

De Commissie stelt voor 36,7% van het MFK uit te trekken voor het cohesiebeleid, tegenover 35% in het vorige kader.

Dit zijn de belangrijkste wijzigingen die de Commissie voorstelt:

  • het voorstel voorziet in de oprichting van een categorie van overgangsregio's met een bbp van tussen 75% en 90% van het EU-gemiddelde. Deze nieuwe categorie zal een aanvulling vormen op de twee bestaande (convergentieregio's en concurrentiekrachtige regio's). De "overgangsregio's" moeten twee derde van hun vroegere toewijzingen behouden in de volgende MFK-periode. De armste regio's en lidstaten van de Europese Unie zouden allereerst worden geholpen om in te lopen op de meer welvarende lidstaten;

  • invoeren van voorwaarden in het cohesiebeleid: het beleid zal worden gebaseerd op resultaten en er komen stimulansen om de hervormingen door te voeren die nodig zijn om doelmatig gebruik van de financiële middelen te waarborgen. Daarnaast wordt voor elke lidstaat 5% van het cohesiebudget opzijgezet als prestatiereserve. Na een tussentijdse evaluatie zal deze reserve worden toegewezen aan die lidstaten waarvan de programma's het meest hebben bijgedragen tot het bereiken van de doelen van de partnerschapscontracten voor ontwikkeling en investering.

  • De Commissie stelt de oprichting voor van een gemeenschappelijk strategisch kader voor alle structuurfondsen, om de Europa 2020-doelstellingen te vertalen in investeringsprioriteiten. Concreet stelt de Commissie voor om met elke lidstaat partnerschapscontracten te sluiten. Met deze contracten verplichten de partners op nationaal en regionaal niveau zich ertoe om de toegewezen middelen te gebruiken voor de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie.

  • Het Europees Sociaal Fonds (ESF) zal een sleutelrol blijven spelen bij het bestrijden van de werkloosheid en de hoge armoedecijfers, en bij het verwezenlijken van de kerndoelstellingen van Europa 2020. Het aandeel van het ESF in de begroting voor het cohesiebeleid bedraagt 25%, ofwel 84 miljard euro.

De Commissie stelt voor om 376 miljard euro uit te trekken voor de instrumenten van het cohesiebeleid in het algemeen (inclusief de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – zie hierna).

Wat verandert er voor de infrastructuur en de interconnectie van de interne markt?

De Commissie stelt de creatie van een financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen voor om in het belang van iedereen de ontwikkeling van infrastructuur voor vervoer, energie en ICT in de hele EU te versnellen. De ervaring is dat nationale begrotingen nooit voldoende prioriteit zullen geven aan de transnationale, grensoverschrijdende investeringen die nodig zijn om de eengemaakte markt van de vereiste infrastructuur te voorzien. De EU-begroting kan ervoor zorgen dat de pan-Europese projecten die het centrum met de periferie verbinden worden gefinancierd.

Deze financieringsfaciliteit zal centraal worden beheerd en gefinancierd uit een nieuw begrotingsonderdeel. Het percentage medefinanciering van de EU-begroting zal hoger zijn voor investeringen in "convergentieregio's" dan voor investeringen in "concurrentiekrachtige regio's". Lokale en regionale infrastructuur zal worden gekoppeld aan prioritaire EU-infrastructuur, zodat alle burgers in de hele EU met elkaar worden verbonden. Dit beleid kan (mede-)gefinancierd worden door de structuurfondsen (Cohesiefonds en/of EFRO, afhankelijk van de situatie van de lidstaat/regio).

De financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen biedt mogelijkheden om innovatieve financieringsinstrumenten te gebruiken waarmee sneller grotere investeringen kunnen worden aangetrokken dan met overheidsmiddelen alleen. De Commissie zal nauw samenwerken met de EIB en andere openbare investeringsbanken om de financiering van deze projecten onderling af te stemmen. In het bijzonder zal de Commissie het gebruik van EU-projectobligaties1 aanmoedigen om deze belangrijke projecten te realiseren.

De Commissie stelt voor om 40 miljard euro voor deze prioriteit uit te trekken, aan te vullen met nog eens 10 miljard euro voor gerelateerde investeringen in vervoer binnen het Cohesiefonds. Dit bedrag omvat 9,1 miljard euro voor de energiesector, 31,6 miljard euro voor vervoer (inclusief 10 miljard euro binnen het Cohesiefonds) en 9,1 miljard euro voor ICT.

Wat verandert er voor het onderzoeksbeleid?

Er komt een gemeenschappelijk strategisch kader voor onderzoek en ontwikkeling (Horizon 2020), wat betekent dat de drie bestaande onderzoeks- en innovatie-instrumenten (het 7de kaderprogramma, het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie en het Europees Instituut voor innovatie en technologie) zullen worden samengebracht. Het kader zal nauw worden gekoppeld aan belangrijke sectorale beleidsprioriteiten als gezondheid, voedselveiligheid en bio-economie, energie en klimaatverandering. Het Europees Instituut voor technologie zal deel uitmaken van het Horizon 2020-programma en zal met zijn kennis- en innovatiegemeenschappen een belangrijke rol spelen bij het samenbrengen van de drie zijden van de kennisdriehoek: onderwijs, innovatie en onderzoek.

Wat financiering betreft, moeten door middel van innovatieve financieringsinstrumenten particuliere investeringen worden aangetrokken. Zowel publiek-private als publiek-publieke samenwerking zal worden aangemoedigd. Financieringsprogramma's zullen worden gestandaardiseerd en vereenvoudigd. Ook komt er één overkoepelend pakket regels voor deelname, audit, ondersteunende structuren, verspreiding van resultaten en vergoedingsregelingen.

De Commissie stelt voor om voor de periode 2014-2020 80 miljard euro uit te trekken voor het gemeenschappelijk strategisch kader voor onderzoek en innovatie. Deze financiering zal worden aangevuld met aanzienlijke steun uit de structuurfondsen (60 miljard euro voor de periode 2007-2013).

Wat verandert er voor het milieu- en klimaatbeleid?

Prioriteiten op het gebied van milieubeleid en klimaatverandering zullen worden geïntegreerd in alle grote EU-financieringsinstrumenten, met inbegrip van cohesie, landbouw, scheepvaart en visserij, onderzoek en innovatie, en de externe hulpprogramma's. De Commissie is voornemens om het aandeel van klimaatgerelateerde uitgaven te vergroten tot minstens 20%, met bijdragen van verschillende beleidsterreinen voorzover de resultaten een effectbeoordeling hier aanleiding toe geven. Deze aanpak zal de synergieën tussen milieubeleid en andere gebieden maximaliseren, aangezien met dezelfde acties een aantal complementaire doelstellingen kan en moet worden nagestreefd. Deze aanpak helpt de wildgroei aan programma's te voorkomen en de administratieve lasten te minimaliseren.

Als aanvulling op deze integratie stelt de Commissie voor om het huidige LIFE+-programma te laten volgen door een specifiek milieuprogramma. De Commissie is van mening dat het toekomstige programma nog altijd centraal moet worden beheerd, maar dat beheerstaken voor een groot deel kunnen worden gedelegeerd aan een bestaand agentschap, zoals het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie. De Commissie stelt voor om voor de periode 2014-2020 3,2 miljard euro voor het LIFE+-programma uit te trekken (0,8 miljard voor klimaatactie en 2,4 miljard voor milieu).

Wat verandert er op het gebied van onderwijs en opleiding?

De huidige structuur zal worden vereenvoudigd tot één hoofdprogramma om versnippering, overlapping en wildgroei te vermijden van projecten die de kritische massa missen om een blijvend effect te hebben. Het nieuwe Europese onderwijsprogramma zal drie belangrijke prioriteiten omvatten. Ten eerste zal het steun verlenen aan transnationale leermobiliteit. Strenge kwaliteitsvoorwaarden voor mobiliteit, een klemtoon op belangrijke beleidsdoelstellingen waar de kritische massa bereikt kan worden en complementariteit met andere EU-programma's zullen van cruciaal belang zijn voor een hoge Europese meerwaarde. Ten tweede zal het programma de samenwerking tussen onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven aanmoedigen om de modernisering van onderwijs, innovatie en ondernemerschap te bevorderen. Ten derde zal het programma beleidsondersteunend werken door materiaal te verzamelen over de effectiviteit van onderwijsinvesteringen en de lidstaten helpen om een doelmatig beleid te voeren.

De Commissie stelt voor om 15,2 miljard euro voor onderwijs en opleiding uit te trekken. Deze financiering zal worden aangevuld met aanzienlijke steun van de structuurfondsen (72,5 miljard euro voor de periode 2007-2013).

Gebeurt er ook iets op het gebied van migratie en binnenlandse zaken?

De Commissie stelt voor het aantal programma's terug te brengen tot twee: een fonds voor migratie en asiel en een fonds voor interne veiligheid. Beide fondsen krijgen een externe dimensie om de continuïteit van de financiering te waarborgen: eerst in de EU en vervolgens in derde landen (bijvoorbeeld bij hervestiging van vluchtelingen, overname en regionale beschermingsprogramma's). Zij zullen de uitgaveninstrumenten vereenvoudigen en zorgen voor de vlotte totstandkoming van een ruimte zonder binnengrenzen, die EU-burgers en onderdanen van derde landen die over inreis- en verblijfsrechten beschikken, kunnen binnenkomen om er rond te reizen, te wonen en te werken.

De Commissie wil ook de jaarlijkse programmering verruilen voor een resultaatgerichte, meerjarige programmering met minder werklast voor de Commissie, de lidstaten en de uiteindelijke begunstigden.

De Commissie stelt voor om 8,2 miljard euro voor de periode 2014-2020 uit te trekken voor binnenlandse zaken.

Hoe zit het met uitbreiding, nabuurschap en buitenlandse betrekkingen?

Op dit gebied is er een aantal belangrijke wijzigingen:

  • de Commissie stelt één enkel pretoetredingsinstrument voor als financiële pijler van de uitbreidingsstrategie, dat alle dimensies van intern beleid en thematische kwesties bestrijkt. Het zal worden uitgevoerd volgens nationale of op meerdere landen gerichte programma's die worden overeengekomen met de begunstigden. Dit instrument wordt een afspiegeling van de structuurfondsen, het Cohesiefonds en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO);

  • het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) wordt het financiële instrument waarmee in het grootste deel van de EU-bijstand aan buurlanden wordt voorzien. Het zal het Europese nabuurschapsbeleid en bilaterale partnerschappen (met inbegrip van de bilaterale associatieovereenkomsten) ondersteunen. De partnerlanden zullen naast het ENI ook profiteren van andere instrumenten, zoals het Europees Initiatief voor democratie en mensenrechten of het Instrument voor samenwerking rond nucleaire veiligheid, die inspelen op crisissituaties (humanitaire hulp, macrofinanciële bijstand, het stabiliteitsinstrument). De ENB-investeringsfaciliteit, die ook in de toekomst door het ENI wordt ondersteund, zal ook voorzien in een flexibel en doelmatig financieel instrument om in de partnerlanden investeringen te ondersteunen op het gebied van vervoer- en energieverbindingen, milieu en klimaatverandering en economische ontwikkeling;

  • de Commissie stelt voor de financiering van programma's in geïndustrialiseerde en opkomende landen stop te zetten en in plaats daarvan een nieuw partnerschapsinstrument te creëren om publieksdiplomatie, een gemeenschappelijke aanpak en de bevordering van handel en convergentie van regelgeving te ondersteunen in die gevallen waarin financiering de EU-partnerschappen in de wereld kan versterken. Dit weerspiegelt de huidige internationale ontwikkelingen.

  • Ook voorziet het voorstel in de oprichting van een pan-Afrikaans instrument om de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke strategie Europa-Afrika te ondersteunen, waarbij de nadruk zal worden gelegd op de duidelijke meerwaarde van transregionale en continentale activiteiten. Het instrument zal flexibel genoeg zijn om bijdragen van EU-lidstaten, Afrikaanse staten, financiële instellingen en de particuliere sector in zich op te nemen.

De Commissie stelt voor om in de periode 2014-2020 70 miljard euro uit te trekken voor de traditionele instrumenten voor extern beleid. Dit zal worden aangevuld met financiering uit de begroting en het meerjarig financieel kader voor het Europees Ontwikkelingsfonds (29,9 miljard euro).

3. Financiering en eigen middelen

Waar komt het geld vandaan?

De Europese Unie heeft drie soorten eigen middelen om haar uitgaven te financieren:

  • traditionele eigen middelen (suikerheffingen en landbouw- en douanerechten),

  • eigen middelen op basis van btw (een aandeel van de nationale btw, op nationaal niveau geïnd door de lidstaten),

  • middelen op basis van het bni (de "nationale afdrachten" gebaseerd op het bni van elke lidstaat).

In 2011 zal 76% van de inkomsten van de EU-begroting afkomstig zijn uit bni-middelen, 12% van douanerechten en suikerheffingen en 11% van btw-middelen. De resterende 1% is afkomstig van belastingen betaald door EU-personeel en uit diverse andere bronnen, zoals boetes voor bedrijven die de mededingingsregels of andere wetten hebben overtreden en niet-bestede bedragen van voorgaande jaren.

Waarom nieuwe eigen middelen voorstellen?

Het huidige systeem heeft een aantal nadelen. Het is ondoorzichtig en complex. De meeste lidstaten beschouwen het als onrechtvaardig, met name wat betreft de correcties, waarvan de korting voor het Verenigd Koninkrijk de bekendste is. Minder bekend is het dat voor Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Zweden uitzonderingen zijn toegestaan op de financiering van de Britse korting ("korting op de korting"). Dezelfde landen hebben een lager tarief voor hun btw-bijdragen en Nederland en Zweden hebben bovendien lagere nationale bni-afdrachten. De huidige financiering is ook overdreven afhankelijk van nationale bijdragen. Voor velen zijn dit uitgaven die sterk moeten worden verlaagd en waarvoor het land een billijke tegenprestatie moet krijgen. Ten slotte is er geen duidelijke link tussen de bestaande middelen en het EU-beleid, met uitzondering van de douanerechten die voortvloeien uit de douane-unie.

Met dit voorstel willen we dan ook de nationale afdrachten verlagen om de lidstaten te helpen bij het consolideren van hun begroting. We willen de EU-beleidsdoelstellingen koppelen aan de EU-financiering en het systeem transparanter en eerlijker maken. Het gaat er niet om de EU-begroting te verhogen.

Is de financiering van de EU-begroting al eerder gewijzigd?

Sinds 1970 zijn al zes verordeningen inzake eigen middelen goedgekeurd. In feite is de financieringsstructuur in de loop van de jaren sterk geëvolueerd. Uitgavenhervormingen gingen in het algemeen gepaard met hervormingen van de manier waarop de Unie wordt gefinancierd. Bijdragen die op het bni zijn gebaseerd, en dus evenredig zijn met de welvaart van elke lidstaat, zijn steeds belangrijker geworden en maken nu driekwart van de begroting uit. In de loop van de jaren is een groot aantal complexe correcties en speciale regelingen ingevoerd, zowel wat de inkomsten als de uitgaven van de begroting betreft.

Het resultaat van deze wijzigingen is dat recente onderhandelingen over de begroting sterk zijn beïnvloed door de focus van de lidstaten op nettobetalingen (het "juste retour"-debat). Daardoor ging de voorkeur uit naar instrumenten met vooraf op geografische basis toegewezen financiële middelen, in plaats van instrumenten met de grootste EU-meerwaarde.

Wie beslist over de eigen middelen?

De Raad keurt een besluit goed met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement. Om in werking te kunnen treden, moet dit besluit worden bekrachtigd door alle lidstaten, overeenkomstig hun grondwettelijke bepalingen (art. 311).

Wat zijn die nieuwe middelen?

De Commissie stelt de volgende wijzigingen voor:

  • vereenvoudiging van de bijdragen van de lidstaten door de complexe eigen middelen op basis van de btw vanaf 2014 af te schaffen. Dit maakt het afdrachtensysteem eenvoudiger en transparanter;

  • introductie van twee nieuwe eigen middelen: een belasting op financiële transacties (FTT) en een moderne btw. Dit zal de begrotingsconsolidatie in de lidstaten vergemakkelijken door hun bijdrage aan de EU-begroting te verminderen en een nieuwe impuls geven aan de ontwikkeling van de interne markt op het gebied van btw en heffingen in de financiële sector;

  • hervorming van de correctiemechanismen door alle bestaande correcties te vervangen door een eenvoudig en transparant systeem van forfaitaire bedragen gerelateerd aan de welvaart van de lidstaten.

De voorstellen van de Commissie maken ten volle gebruik van de mogelijkheden in het Verdrag van Lissabon om nieuwe categorieën van eigen middelen te creëren of bestaande categorieën af te schaffen. Het verslag over de werking van het stelsel van eigen middelen maakt duidelijk hoe deze voorstellen zich tot elkaar verhouden en elkaar aanvullen.

Waarom de btw-middelen afschaffen?

De Commissie stelt voor om de complexe eigen middelen op basis van btw af te schaffen. Ten opzichte van de eigen middelen op basis van het bni, bieden de huidige btw-middelen weinig meerwaarde. Om een vergelijkbare belastingsgrondslag te creëren, zijn de btw-bijdragen het resultaat van een wiskundige berekening en gaan ze niet rechtstreeks van de burger naar de EU. Bovendien worden de btw-bijdragen afgetopt in verhouding tot het bni en zijn ze dus deels vergelijkbaar met bni-bijdragen. Daardoor dragen de eigen middelen gebaseerd op btw bij tot de complexiteit en de ondoorzichtigheid van het systeem waarmee de EU-begroting wordt gefinancierd.

Waarom een EU-belasting voor de financiële sector en een Europese btw?

De verschillende mogelijkheden voor eigen middelen zijn aan een uitgebreide technische analyse onderworpen. De volgende belangrijke elementen werden benadrukt:

  • EU-belasting op financiële transacties (FTT) zou de nationale overheden extra bewegingsruimte geven en bijdragen tot de inspanningen om de begroting te consolideren. Sommige lidstaten hebben al een dergelijke belasting op nationaal niveau, maar actie op EU-niveau zou effectiever en efficiënter kunnen blijken en de versnippering van de interne markt kunnen tegengaan. De Commissie zal dit voorstel na de zomer indienen;

  • een moderne btw zou een echte band creëren tussen nationale en EU-btw en de harmonisering van nationale btw-systemen kunnen bevorderen. De EU zou aanzienlijke en stabiele inkomsten hebben tegen beperkte administratieve en nalevingskosten voor nationale overheden en het bedrijfsleven. Het voorstel maakt deel uit van het Groenboek over de toekomst van de btw, dat de Commissie in december 2010 heeft uitgebracht en dat de belastinggerelateerde verstoringen van de interne markt moet verminderen. Een ruimere belastinggrondslag, een lager frauderisico, een betere belastingsadministratie en lagere nalevingskosten in het kader van een uitgebreide btw-hervorming zouden belangrijke resultaten kunnen opleveren en nieuwe bronnen van inkomsten kunnen genereren voor de lidstaten en de EU.

Hoeveel inkomsten zullen de nieuwe eigen middelen opleveren?

Er wordt geschat dat tegen 2020 de nieuwe eigen middelen bijna de helft van de inkomsten van de EU-begroting kunnen uitmaken, terwijl het aandeel van de bni-bijdragen zal dalen tot ongeveer een derde (tegenover meer dan driekwart nu). De nationale bijdragen van de lidstaten nemen overeenkomstig af, in verhouding tot hun bni (d.w.z. tot hun relatieve welvaart).

Wat zijn correctiemechanismen?

In 1984 stelde de Europese Raad van Fontainebleau belangrijke grondbeginselen op om een eerlijke EU-begroting te waarborgen. Er werd met name gesteld dat "uitgavenbeleid op termijn het essentiële middel is om de kwestie van de budgettaire onevenwichtigheden op te lossen". De Raad erkende evenwel dat "elke lidstaat die in verhouding tot zijn relatieve welvaart een buitensporige begrotingslast draagt, te zijner tijd in aanmerking kan komen voor een correctie". Deze principes werden bekrachtigd en consequent toegepast in de opeenvolgende besluiten inzake eigen middelen.

Sindsdien werden verschillende complexe correctiemechanismen toegevoegd, waaronder:

  • een correctie ten gunste van het Verenigd Koninkrijk (Britse korting);

  • verminderde financiering van de Britse korting voor Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Zweden ("kortingen op de korting");

  • een aandeel van 25% ingehouden door de lidstaten als "inningskosten" voor de traditionele eigen middelen (met name douanerechten), in feite een verborgen correctie in het voordeel van een beperkt aantal lidstaten;

  • een tijdelijke verlaging van de btw-bijdragen voor Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Zweden, en

  • een tijdelijke verlaging van de bni-afdrachten voor Nederland en Zweden.

Wat gebeurt er met de Britse korting?

De Commissie stelt voor het huidige mechanisme om te zetten in een forfaitaire brutokorting op de bni-afdrachten. Een systeem van forfaitaire bedragen zou transparant en begrijpelijk zijn, en dus eenvoudiger aan publiek en parlementair toezicht kunnen worden onderworpen. Grote betalers zouden overeenkomstig hun economische welvaart worden behandeld en de correcties zouden evenwichtig worden gefinancierd, wat eerlijker zou zijn. Het ex-antekarakter zou ongewenste stimulansen tegengaan.

Dit voorstel berust op volgende analyse. Op het moment dat ze werd ingevoerd, in 1984, was de Britse correctie een antwoord op een onrechtvaardige situatie: het Verenigd Koninkrijk droeg een buitensporige begrotingslast in verhouding tot zijn relatieve welvaart. Deze situatie is evenwel veranderd. Het Verenigd Koninkrijk is nu een van de welvarendste lidstaten van de EU en kan voluit solidariteit betonen met de armere lidstaten van de Unie. De begrotingslast van het Verenigd Koninkrijk is nu ook meer in overeenstemming met die van sommige andere nettobetalers, doordat het aandeel van het GLB in de Europese begrotingsuitgaven kleiner is geworden en in het volgende financieel kader wellicht nog kleiner zal worden, en ook door het kleinere aandeel van btw-middelen in de eigen middelen van de EU, btw-middelen die de Commissie overigens volledig wil afschaffen na 2013. Bovendien zullen de essentiële gegevens voor het berekenen van de Britse korting niet meer beschikbaar zijn na afschaffing van de huidige eigen middelen op basis van btw.

1 :

Zie voor meer informatie het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie SEC(2011) 868.


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website