Navigation path

Left navigation

Additional tools

MEMO/11/459

Brussel, 29 juni 2011

Mythes over de begroting en het meerjarig financieel kader van de Europese Unie

Over de EU-begroting wordt veel geschreven, maar niet altijd even correct. Hieronder vindt u een aantal frequente misvattingen, mét de feiten en de echte cijfers.

1. De EU heeft een gigantische begroting.

Niet waar.

In 2011 bedroeg de EU-begroting ongeveer 140 miljard euro. Dat is heel weinig in vergelijking met de som van de nationale begrotingen van de 27 EU-landen: ruim 6 300 miljard euro. De overheidsuitgaven van alle lidstaten samen zijn bijna 50 keer groter dan de EU-begroting.

De EU-burger betaalde voor de begroting van 2010 gemiddeld maar 67 eurocent per dag. Minder dan de helft van de prijs van een kopje koffie. Weinig geld, voor de enorme voordelen die de EU biedt.

De EU-begroting is in feite kleiner dan de begroting van een middelgrote lidstaat als België of Oostenrijk.

U kunt het ook anders bekijken. De EU-begroting komt overeen met ongeveer 1% van het bruto binnenlands product van de EU-27, de totale waarde van alle goederen en diensten geproduceerd in de EU. De begrotingen van de lidstaten zijn goed voor maar liefst 44% van dat bruto binnenlands product.

De EU-begroting is altijd in evenwicht. Geen enkele euro wordt gebruikt om schulden te betalen. En 94% procent van alle bijdragen wordt in de lidstaten besteed aan beleid en programma's die rechtstreeks ten goede komen aan de burgers.

2. De EU-begroting wordt steeds groter, terwijl nationale regeringen hun uitgaven beperken.

Niet waar.

De nationale begrotingen worden NIET kleiner, ze groeien:

  • tussen 2000 en 2010 stegen de nationale begrotingen in de EU met 62%, terwijl de EU-begroting tijdens dezelfde periode steeg met 37%;

  • in 2011 stijgt de begroting in 23 van de 27 lidstaten;

  • in 2012 zal – volgens de laatste schattingen – de begroting in 24 van de 27 lidstaten stijgen.

3. De EU spendeert het grootste deel van het geld aan administratie.

Beslist niet waar. De administratieve kosten van de EU bedragen minder dan 6% van de totale EU-begroting. Salarissen maken ongeveer de helft van die 6% uit.

Meer dan 94% van het geld gaat naar de burgers, regio's, steden, landbouwers en bedrijven. De klemtoon ligt op groei en werkgelegenheid, klimaatverandering, migratie, grensoverschrijdende criminaliteit en andere zaken die ons allemaal aangaan. De begroting wordt gebruikt om de welvaart te bevorderen, bijvoorbeeld door de Europese infrastructuur voor energie, vervoer en ICT te verbeteren, door minder welvarende regio's te ondersteunen om zowel daar als in de rest van de EU groei en werkgelegenheid te creëren, en door krachten te bundelen, onder meer op het vlak van onderzoek. De begroting is er ook om onze voedselvoorziening veilig te stellen. Dankzij de begroting kan de EU een rol van betekenis spelen op het wereldtoneel, net als de VS en China, en kunnen we onze inspanningen bundelen om de armsten in de wereld te helpen.

Het EU-personeel wordt betaald voor het ontwikkelen en uitvoeren van nuttig EU-beleid, waarvan de burger direct de vruchten plukt.

Denk maar aan de liberalisering van het luchtverkeer, de invoering van passagiersrechten en de verlaging van de roamingkosten. De Commissie treedt ook op tegen trust- en kartelvorming, zaken die de consument miljoenen euro's hebben gekost doordat de prijzen op een onwettige manier kunstmatig werden opgedreven. In 2010 leverden de kartelbesluiten van de Commissie de consument naar schatting minstens 7,2 miljard euro op.

Medewerkers van de Commissie onderhandelen over handelsakkoorden waardoor de prijzen van consumptiegoederen dalen en de consument een ruimere keuze aan betaalbare producten heeft. Ze helpen de EU om de juiste lessen uit de financiële en economische crisis te trekken en de financiële markten beter te reguleren en controleren. De administratieve kosten zijn al lange tijd stabiel en de afgelopen vijf jaar zijn er serieuze inspanningen geleverd om ze laag te houden. Wat het personeel betreft, voert de Commissie een nulgroeibeleid. Zij heeft inhoud gegeven aan nieuwe bevoegdheden en prioriteiten door herschikkingen binnen het bestaande personeelsbestand. Er werd alleen om extra personeel gevraagd naar aanleiding van de uitbreiding. De Commissie heeft ook besloten haar administratieve uitgaven in 2012 te bevriezen.

Nog maar zeven jaar geleden heeft de Europese Commissie haar administratie grondig hervormd. Dat leidde onder meer tot lagere beginsalarissen, de aanwerving van arbeidscontractanten met lagere salarissen, een hogere pensioenleeftijd, lagere pensioenrechten en hogere pensioenbijdragen. Deze hervorming heeft de Europese belastingbetaler al 3 miljard euro bespaard en zal hem tegen 2020 naar verwachting nog eens 5 miljard euro aan besparingen hebben opgeleverd.

4. De EU-begroting wemelt van de fraudegevallen.

De Europese Rekenkamer keurt onze rekeningen goed. Ze zijn een correcte weergave van hoe de EU-begroting wordt besteed.

Op sommige beleidsterreinen verloopt de goedkeuring van de rekeningen door de Rekenkamer inderdaad nog problematisch. Voor het cohesiebeleid, bijvoorbeeld, bedraagt het foutenpercentage nog steeds iets meer dan 5%, hoewel het aanzienlijk is afgenomen. De Rekenkamer hanteert een materialiteitsdrempel van 2% en schat dat het foutenpercentage voor de betalingen van de Commissie tussen 2% en 5% ligt, afhankelijk van het beleidsterrein.

Maar:

  • 2% tot 5% is geen hoog foutenpercentage. Het betekent dat minimaal 95% van de betalingen correct wordt uitgevoerd. Over het geheel genomen scoort de EU dus niet zo slecht;

  • fouten zijn niet hetzelfde als fraude. Bij slechts 0,2% van de EU-begroting bestaan vermoedens van fraude.

In mei van dit jaar heeft de Commissie voorgesteld om bij de herziening van het Financieel Reglement de verantwoordingsplicht aan te scherpen. De nationale betaalorganen voor regionale steun zouden de lidstaten betrouwbaarheidsverklaringen moeten verstrekken over het beheer van de EU-middelen (zoals reeds het geval is voor landbouw), en deze aan een onafhankelijke audit moeten onderwerpen. Tot nu toe reageren de lidstaten niet enthousiast.

5. Er is geen democratische procedure, Eurocraten beslissen over de EU-begroting.

Niet waar.

Over de jaarlijkse EU-begroting wordt besloten door verkozen politici in het Europees Parlement en door de Raad, waarin de lidstaten zijn vertegenwoordigd. De Commissie dient alleen een begrotingsvoorstel in en moet daarbij de plafonds in acht nemen die de verkozen politici voor een bepaalde periode hebben vastgesteld (momenteel 2007-2013).

De Commissie dient een voorstel in voor het meerjarig financieel kader. Over dat voorstel wordt onderhandeld en het wordt goedgekeurd op basis van transparante en democratische procedures, waarbij de nationale soevereiniteit en de democratische rechten ten volle worden gerespecteerd.

Wat de uitgaven betreft, wordt het besluit over het nieuwe meerjarig financieel kader, dat in 2014 van start gaat, met eenparigheid van stemmen genomen door de Europese Raad, na goedkeuring door een meerderheid in het Europees Parlement.

Wat betreft de eigen middelen waarmee de begroting wordt gefinancierd, moet de Raad een unaniem besluit nemen na raadpleging van het Europees Parlement. Dit besluit treedt slechts in werking nadat alle lidstaten het overeenkomstig hun grondwettelijke bepalingen hebben goedgekeurd.

De besluitvorming over de jaarlijkse EU-begroting verloopt volgens strikte democratische procedures, die vergelijkbaar zijn met die van de meeste nationale regeringen. Het ontwerp voor de jaarlijkse begroting komt van de Commissie. De begroting wordt besproken en goedgekeurd door de Raad en het Europees Parlement. Het uiteindelijke akkoord wordt meestal gesloten in december.

Elke burger kan de begrotingsonderhandelingen volgen. De documenten staan op onze websites en de besprekingen van de commissies in het Europees Parlement kunnen online worden bekeken.

6. De EU kost te veel.

Gewoon niet waar.

Tax Freedom Day is in deze veelzeggend. Het is de dag van het jaar waarop mensen genoeg hebben gewerkt om hun belastingen te betalen. In de meeste landen moeten burgers tot de lente of de zomer werken voor ze hun nationale bijdrage hebben betaald. Maar voor zijn bijdrage aan de EU-begroting hoeft de gemiddelde Europeaan niet meer dan vier dagen werken, tot 4 januari.

7. De EU financiert onzinprojecten, zoals opleidingscentra voor honden of concerten van Elton John.

Ook een misvatting.

In beide gevallen moesten de overheden elke cent terugbetalen die zij ten onrechte hadden gedeclareerd. Deze projecten kostten de belastingbetaler niets.

In het algemeen kiezen de nationale en regionale overheden in de lidstaten projecten waarvan zij denken dat ze het beste aansluiten bij hun behoeften, maar daarbij moeten zij zich houden aan de strategieën en prioriteiten die met de Commissie zijn overeengekomen. Het geld van de belastingbetaler wordt zo goed mogelijk beschermd door controles op verschillende niveaus (project, nationaal, EU). Projecten die niet voor steun in aanmerking komen, betaalt de EU niet.

8. De Commissie wil rechtstreekse Europese belastingen invoeren en de belastingdruk op de burger verhogen.

Niet waar.

De Commissie heeft nooit het idee van rechtstreekse EU-belastingen geopperd. De lidstaten blijven ook in de toekomst zelf verantwoordelijk voor eventuele belastingverhogingen. De Commissie wordt geen belastingontvanger. Ideeën voor nieuwe eigen middelen, zoals opgenomen in de herziening van de begroting, gaan niet over extra geld voor Brussel. Het gaat er niet om de belastingdruk op de burger te verhogen. Het gaat erom de EU-begroting te financieren met een andere mix van middelen. Elke euro die wordt geïnd volgens een hervormd systeem, verlaagt de nationale bijdragen van de lidstaten en maakt de nieuwe begroting eerlijker en transparanter.

Wist u dat voor elk besluit over de financiering van de EU de unanieme instemming van de lidstaten vereist is en dat het besluit volgens hun eigen grondwettelijke bepalingen moet worden bekrachtigd? Voor uitvoeringsvoorschriften is bovendien de goedkeuring van het Europees Parlement nodig. Dat betekent dat de eigen middelen van de EU onderworpen zijn aan sterke parlementaire controle en dat de soevereiniteit en de democratische rechten van de lidstaten ten volle verzekerd zijn.

9. Het grootste deel van de EU-begroting gaat naar landbouwers.

Niet waar.

In 1985 werd circa 70% van de EU-begroting besteed aan landbouw. In 2011 zijn directe steun aan landbouwers en marktgerelateerde uitgaven goed voor slechts 30% van de begroting, en de uitgaven voor plattelandsontwikkeling voor 11%. Deze dalende trend zet door.

Bovendien is dit relatief grote aandeel gerechtvaardigd. Landbouw is het enige beleid dat vrijwel volledig gefinancierd wordt door de EU-begroting. De nationale uitgaven zijn grotendeels overgenomen door de Unie. Daarom maken de uitgaven voor landbouw een aanzienlijk deel van de EU-begroting uit. De EU betaalt zaken die de lidstaten sinds de invoering van een gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) niet meer voor hun rekening nemen.

Tijdens de opeenvolgende hervormingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is productiesteun vervangen door rechtstreekse inkomenssteun aan landbouwers, op voorwaarde dat zij bepaalde gezondheids- en milieunormen in acht nemen, en door steun aan projecten die economische activiteit op het platteland stimuleren. Het GLB evolueert voortdurend.

Verder zijn er 12 nieuwe lidstaten toegetreden, waarvan de meeste een grote landbouwsector hebben. Maar de begroting van het GLB werd niet verhoogd om deze extra kosten te dekken.

10. Omdat de prijzen van voedsel en basisproducten zo hoog zijn, kunnen we de landbouwsubsidies schrappen.

Integendeel.

Uit de stijgende en schommelende prijzen van voedsel en basisproducten blijkt hoe belangrijk het is te investeren in landbouw teneinde vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen. Hoge prijzen duiden erop dat de vraag groter is dan het aanbod. Naar verwachting zal de wereldwijde vraag naar voedsel tegen 2030 met 50% zijn gestegen doordat de bevolkingsaangroei in veel opkomende economieën gepaard gaat met een veranderend voedingspatroon. Het is een mondiaal vraagstuk dat aan het fundamentele punt van voedselzekerheid raakt. Het is dan ook belangrijk dat Europa zijn landbouwpotentieel op alle gebieden handhaaft, zodat het niet te afhankelijk wordt van de invoer van voedsel.

Aangezien er te weinig ruimte in Europa is om het landbouwoppervlak uit te breiden, kan de productiviteit alleen worden opgevoerd door onderzoek en innovatie. Het Europees beleid voor plattelandsontwikkeling kan landbouwers helpen om nieuwe productiemogelijkheden te gaan gebruiken en kan technologieoverdracht versnellen.

11. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid leidt tot voedseloverschotten en benadeelt boeren in de armste landen van de wereld.

De dagen van 'wijnmeren' en 'boterbergen' zijn al lang voorbij.

Door de hervormingen van de afgelopen tien jaar is het landbouwbeleid ontwikkelingsvriendelijker geworden. Tegenwoordig hebben ontwikkelingslanden een uitstekende toegang tot de markt door lage invoerrechten of nultarieven. De markt wordt aanzienlijk minder verstoord. Vandaag de dag importeert de EU ongeveer 70% van zijn landbouwproducten uit ontwikkelingslanden. Bovendien zijn de exportsubsidies drastisch verlaagd. Vijftien jaar geleden spendeerden we 10 miljard euro per jaar aan exportsubsidies. In 2009 besteedden we daaraan niet meer dan 350 miljoen euro. In het kader van de WHO-onderhandelingen heeft de EU voorgesteld om alle exportsubsidies af te schaffen tegen 2013. In 2011 is 90% van de directe steun niet-handelsverstorend (niet gekoppeld aan productie).

Wist u dat de gemiddelde landbouwer in de EU niet half zoveel overheidssteun krijgt als de gemiddelde Amerikaanse landbouwer? En wist u dat de EU niet alleen de grootste donor van ontwikkelingshulp in de wereld is, maar ook de grootste handelspartner van Afrika? Bijna 40% van de Afrikaanse export gaat naar de EU. De waarde van de EU-import van landbouwproducten uit ontwikkelingslanden is 20% hoger dan die van de Verenigde Staten, Canada, Japan, Australië en Nieuw-Zeeland samen.

12. Het cohesiebeleid is een duur liefdadigheidsproject.

Het cohesiebeleid helpt armere regio's en landen bij hun inhaalbeweging en om aan te sluiten bij de eengemaakte markt. Het is een toekomstgericht investeringsbeleid waarvan ook de rest van Europa voordeel heeft, omdat het over de hele lijn voor groei en werkgelegenheid zorgt.

Binnen de EU is de export naar regio's die profiteren van het cohesiefonds aanzienlijk gestegen. Er is een duidelijk verband tussen het cohesiebeleid en groei in de EU. Studies hebben aangetoond dat het bbp voor de EU-25 in 2009 met 0,7% is gestegen, dankzij de investeringen die tussen 2000 en 2006 in het kader van het cohesiebeleid zijn gedaan. Naar verwachting zal dit oplopen tot 4% in 2020. In de EU-15 alleen zal het cumulatieve netto-effect op het bbp in 2020 naar schatting al 3,3% bedragen. Met andere woorden: investeren in de regio's is investeren in Europese ontwikkeling. Groei stelt een armere regio in staat om goederen en diensten aan te kopen in een andere, rijkere regio. Dat stimuleert de ontwikkeling van de eengemaakte markt, die goed is voor 60% tot 80% van de export van de lidstaten. Dat is aanzienlijk meer dan de export naar derde landen als China, India of de VS.

Het cohesiebeleid tussen 2000 en 2006 had een rendement van 2,1 euro voor elke geïnvesteerde euro. In 2020 zal het rendement naar schatting 4,2 euro per geïnvesteerde euro bedragen. Het cohesiebeleid heeft ook de werkgelegenheid bevorderd. In 2009 waren er als gevolg van het tussen 2000 en 2006 gevoerde cohesiebeleid naar schatting 5,6 miljoen banen méér dan in 2000. Per jaar zijn er dus gemiddeld 560 000 banen bij gekomen.

In de nasleep van de recente economische neergang en de schuldencrisis speelt het cohesiebeleid een belangrijke rol bij het economisch en sociaal herstel door investeringen aan te trekken in groeisectoren als energie-efficiëntie. Het ondersteunt ook opleidingsmaatregelen om mensen aan werk te helpen.

13. Het meerjarig financieel kader is een nieuwe aanwijzing dat de EU een gecentraliseerde planeconomie wil.

Dat wil de EU beslist niet.

Het meerjarig financieel kader formuleert – in overeenstemming met de politieke prioriteiten – de uitgavenprioriteiten van de EU voor de lange termijn en bepaalt de maximumbedragen die jaarlijks aan elke prioriteit worden besteed. Het financieel kader bestrijkt meerdere jaren (bijvoorbeeld van 2000 tot 2006 en van 2007 tot 2013) en garandeert een gezonde en verantwoorde aanpak van financiële planning en beheer verlopen.

Dankzij het meerjarig financieel kader kan de jaarlijkse EU-begroting niet ontsporen en ligt de klemtoon op echte prioriteiten.

De EU-begroting vertoont nooit de rode cijfers. Europa bouwt geen schuld op en geeft niet meer uit dan het ontvangt. De begroting is altijd in evenwicht.

Meer informatie:

Over de EU-begroting:

http://ec.europa.eu/budget/explained/index_en.cfm

Over het meerjarig financieel kader:

http://ec.europa.eu/budget/reform/index_en.htm


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website