Navigation path

Left navigation

Additional tools

Staatssteun: Commissie organiseert raadpleging over steun aan de filmsector – veelgestelde vragen

European Commission - MEMO/11/428   20/06/2011

Other available languages: EN FR DE DA ES IT SV PT FI EL CS ET HU LT LV MT PL SK SL BG RO

MEMO/11/

Brussel, 20 juni 2011

Staatssteun: Commissie organiseert raadpleging over steun aan de filmsector – veelgestelde vragen

Wat is het doel van deze raadpleging?

De criteria om de verenigbaarheid van nationale, regionale en lokale steunregelingen voor films en audiovisuele werken met de EU-staatssteunregels te beoordelen, zullen op 31 december 2012 verstrijken. Deze criteria zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie inzake de filmsector van 2001 (zie IP/01/1326). De geldigheid van deze criteria werd drie keer verlengd, meest recentelijk in 2009 (zie IP/09/138).

In de mededeling inzake de verlenging van 2009 stelde de Commissie vast dat er zich een aantal nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan waarover bij een herziening van de staatssteunregels moet worden nagedacht. Daarbij gaat het onder meer over de verplichtingen inzake territorialisering van de uitgaven die door bepaalde filmsteunregelingen zijn opgelegd, steun voor andere aspecten dan film- en tv-productie (zoals filmdistributie en digitale projectie), en de concurrentie tussen een aantal lidstaten die staatssteun gebruiken om investeringen van grote filmproductiemaatschappijen, hoofdzakelijk uit de VS, aan te trekken.

De vandaag bekendgemaakte discussienota vormt de eerste stap in de richting van een volledige herziening van de staatssteunregels tegen eind 2012.

Wat hield de mededeling van de Commissie inzake de filmsector van 2001 in?

De staatssteunregels van de EU zorgen voor een eengemaakte markt waarop ondernemingen uit alle EU-landen op gelijke voet kunnen concurreren en handel drijven doordat verhinderd wordt dat lidstaten ondernemingen selectief ondersteunen ten nadele van concurrenten in de EU. In de regel is financiële steun van staten of overheidsinstellingen aan welbepaalde ondernemingen of sectoren volgens de EU-wetgeving verboden.

Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in een aantal uitzonderingen op dit beginsel, bijvoorbeeld voor staatssteun ter bevordering van cultuur. Onder bepaalde voorwaarden, die uiteengezet zijn in artikel 107, lid 3, onder d), VWEU en in de mededeling inzake de filmsector van 2001, kan dergelijke steun verenigbaar worden geacht.

Onder welke voorwaarden kan staatssteun worden verleend voor film- en audiovisuele producties?

Nationale regelingen mogen niet discriminerend zijn op grond van nationaliteit en moeten voldoen aan het beginsel van het vrije verkeer binnen de interne markt. Momenteel moeten zij volgens de mededeling inzake de filmsector van 2001 eveneens aan de volgende specifieke criteria voldoen:

  • de steun moet ten goede komen aan culturele producten en mag niet gericht zijn op specifieke filmmakende activiteiten (zoals postproductie)

  • met betrekking tot de verplichtingen inzake territorialisering van de uitgaven en de steunintensiteit moeten bepaalde plafonds in acht genomen worden.

Waarom wordt nu een raadpleging over deze criteria gehouden?

De Commissie heeft deze criteria tien jaar geleden aangenomen. Zowel de technologie als het consumentengedrag zijn gedurende die periode aanzienlijk veranderd. In de vandaag gepubliceerde discussienota wordt derhalve niet alleen de vraag gesteld of dit de meest geschikte criteria zijn maar ook of nog andere activiteiten dan de zuivere filmproductie gesteund dienen te worden.

Stelt de Commissie de noodzaak van staatssteun voor films en audiovisuele werken in vraag?

Neen. Sedert het Actieplan Staatssteun van 2005 volgt nieuwe staatssteunregelgeving een structuur waarbij eerst de doelstelling van de steun wordt vastgesteld en vervolgens wordt ingegaan op de voorwaarden waaronder de steun als noodzakelijk, evenredig en goed opgezet wordt beschouwd. Daarom luidt een van de eerste vragen in de discussienota: "Waarom wordt de filmsector gefinancierd?" Daarbij is het niet de bedoeling het principe van overheidsfinanciering voor films in vraag te stellen maar om standpunten te verzamelen over wat de gemeenschappelijke Europese doelstelling van dergelijke steunverlening moet zijn, alvorens staatssteunregels voor deze belangrijke sector te formuleren.

In 2009 heeft de Commissie vastgesteld dat tussen bepaalde lidstaten een subsidiewedloop aan de gang was om grote filmproducties aan te trekken en dat die tendens zich sedertdien heeft voortgezet. Het vermijden van een subsidiewedloop is evenwel precies een van de doelstellingen van de staatssteunbepalingen van het Verdrag.

De enige winnaars van een dergelijke wedloop zijn de grote VS-producenten, en de grootste verliezers de nationale filmindustrie in Europa. De mededeling inzake de filmsector van 2001 was evenwel op maat gemaakt van Europese filmsteunregelingen, die op de eerste plaats de nationale en Europese cultuur(en) ondersteunen. Derhalve onderzoekt de Commissie nu deze schijnbare tegenstelling.

Is de gedachte dat alle filmsteunregelingen gebaseerd moeten zijn op gemeenschappelijke EU-criteria niet in tegenspraak met de door de EU gesteunde gedachte van culturele diversiteit?

In de discussienota wordt niet gesuggereerd dat alle filmsteunregelingen gebaseerd zouden moeten zijn op gemeenschappelijke EU-criteria. Eigenlijk wordt benadrukt dat het beginsel van de "subsidiariteit" nageleefd moet worden, namelijk dat elke beslissing op het meest aangewezen niveau moet worden genomen.

Volgens het Verdrag zijn al deze regelingen evenwel onderworpen aan dezelfde staatssteunregels. Het is een moeilijke evenwichtsoefening, maar de Commissie hoopt dat de antwoorden op deze raadpleging haar zullen helpen de meest geschikte, ruime, gemeenschappelijke criteria vast te stellen.

Waarom zou filmfinanciering überhaupt als staatssteun aangemerkt worden, aangezien de meeste overheidsgesteunde Europese films niet buiten hun nationale grenzen worden vertoond, een gering marktaandeel hebben en derhalve geen of zeer minieme gevolgen hebben voor het handelsverkeer en de mededinging tussen lidstaten?

Zoals blijkt uit de drukke promotieactiviteiten tijdens internationale filmfestivals, zoals het festival van Cannes, worden Europese films internationaal verhandeld en strijden zij om aandacht. De voorwaarden om overheidsfinanciering als staatssteun te beschouwen zijn derhalve vervuld, aangezien deze films vaak meer dan 200 000 EUR aan steun ontvangen en potentieel gevolgen voor het handelsverkeer hebben en de mededinging kunnen verstoren. Dit geldt des te meer voor overheidsfinanciering voor grote internationale filmproducties.

Opgemerkt zij ook dat de beschikbare gegevens over grensoverschrijdende bioscoopvertoningen en marktaandelen alleen betrekking hebben op de bioscoopontvangsten. Zoals in de discussienota wordt gesteld, worden films niet alleen meer in bioscopen bekeken. Videofilms, betaaltelevisie, de vrij toegankelijke televisie, het internet en andere platforms, in combinatie met de interne markt, hebben de toegang tot films uit andere EU-lidstaten tegenwoordig gemakkelijker gemaakt.

Worden in de discussienota geen twee zeer verschillende kwesties door elkaar gehaald die om verschillende benaderingen en oplossingen vragen: films met een echte Europese (zelfs nationale) "cultuurintensieve" inhoud en het aantrekken/doorsturen van grote filmproducties?

De discussienota vestigt alleen de aandacht op een mogelijke tegenstelling tussen deze twee aparte benaderingen die door verschillende lidstaten gevolgd worden. De Commissie zal de antwoorden op de raadpleging analyseren en dan een aangewezen beoordelingswijze voorstellen voor beide financieringsvormen, die elk hun eigen merites hebben.

Maakt de verruiming van het toepassingsgebied van de mededeling inzake de filmsector het moeilijker overheidsfinanciering voor films en audiovisuele producties te verlenen?

Neen. De Commissie moet de verenigbaarheid van alle overheidsmiddelen die staatssteun vormen, toetsen aan de verdragsbepalingen. Een mededeling of richtsnoeren van de Commissie verhogen de rechtszekerheid voor de sector en maken het ontwerpen van filmsteunregelingen gemakkelijker.

Hoewel de bestaande regels van de mededeling inzake de filmsector van 2001 slechts voor productiesteun gelden, ontvangt de Commissie proportioneel steeds meer aanmeldingen van lidstaten die voorgenomen steun voor andere activiteiten, zoals filmdistributie, betreffen.

Dit leidt tot rechtsonzekerheid voor de lidstaten en brengt extra administratieve lasten mee, zowel voor de lidstaten als de Commissie. Indien een toekomstige mededeling inzake de filmsector de meeste soorten filmsteun zou bestrijken, kan derhalve zowel de administratieve last om dergelijke steun aan te melden als de tijd die de Commissie nodig heeft om deze te beoordelen, worden verminderd.

Waarom is de Commissie voornemens de territorialiteitsvereisten te herzien?

Het vrije verkeer van goederen, kapitaal, personen en diensten is een basisbeginsel van Europa's interne markt. Territorialiteitsvereisen, volgens welke filmproducenten een bepaald percentage van het totale filmbudget (of van de verleende steun) moeten uitgeven in de steunverlenende lidstaat, kunnen een beperking op dit vrije verkeer inhouden. Een dergelijke beperking moet gezien de specifieke omstandigheden van de Europese filmproductieactiviteiten gerechtvaardigd en evenredig zijn en in overeenkomst zijn met de beginselen van het EU-recht. Bijgevolg is de Commissie voornemens haar beoordelingscriteria te herzien, in het licht van de recente marktontwikkelingen en rekening houdend met het specifieke karakter van de bevordering van culturele goederen.

Hoe ziet het tijdschema van de Commissie voor de herziening eruit?

Op de webpagina van de openbare raadpleging is een indicatief tijdschema aangegeven. Dit zal geactualiseerd worden in de loop van het herzieningsproces:

  • oktober 2011: publicatie van reacties op de raadpleging

  • december 2011 - februari 2012: openbare raadpleging over de ontwerp-mededeling

  • april 2012: publicatie van reacties op de raadpleging

  • tweede helft 2012: vaststelling van een nieuwe mededeling inzake de filmsector.

(Zie ook IP/11/757)


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website