Navigation path

Left navigation

Additional tools

MEMO/11/364

Brussel, 31 mei 2011

Economische governance in de EU: een belangrijke stap voorwaarts

De Europese Unie en de EU-lidstaten hebben een reeks belangrijke beslissingen genomen die een nauwere coördinatie van het economische en budgettaire beleid voor de EU in haar geheel en voor het eurogebied in het bijzonder tot gevolg hebben. Daarmee wordt een onevenwichtigheid tussen beide delen van de Europese Economische en Monetaire Unie (EMU) rechtgezet. De genomen beslissingen moeten ervoor zorgen dat de lidstaten hun economische beleid beter coördineren – een ingreep waarvan het wezenlijke belang door de crisis is aangetoond. Een en ander heeft tot gevolg dat de verweven EU-economieën beter in staat zullen zijn een traject uit te stippelen dat naar groei en werkgelegenheidsschepping moet leiden. Het betekent een belangrijke stap voorwaarts.

De nieuwe economische governance stoelt op de drie belangrijkste reacties op de crisis:

1. Versterken van onze gemeenschappelijke economische agenda door het EU-toezicht aan te scherpen

  • We zijn economische prioriteiten voor de EU overeengekomen: De Europa 2020-strategie is de gemeenschappelijke economische agenda van de EU. Daarin worden duidelijke prioriteiten en doelstellingen op nationaal en EU-niveau vastgesteld om de Europese groei in het komende decennium een nieuwe impuls te geven. In de jaarlijkse groeianalyse worden de prioritaire acties voor de volgende 18 maanden vastgesteld; deze prioritaire acties worden omgezet in nationale doelstellingen en in maatregelen die op de behoeften van elke lidstaat zijn toegesneden. Het Euro+-pact legt aanvullende verbintenissen vast voor de deelnemende landen.

  • Er zal sprake zijn van een verscherpt EU-toezicht op het economische en budgettaire beleid:
    De Commissie heeft voorgesteld de EU nieuwe instrumenten te verschaffen om onhoudbare overheidsfinanciën en grote onevenwichtigheden tussen de lidstaten wat het concurrentievermogen betreft te voorkomen. Het systeem voorziet in sancties: aan lidstaten van het eurogebied die zich niet aan de regels houden, kunnen boetes worden opgelegd. In juni 2011 zullen het Europees Parlement en de Raad naar verwachting het pakket finaliseren.

  • We zullen elk jaar op hetzelfde tijdstip onze economische prioriteiten en ons begrotingsbeleid bespreken: Ons nieuw coördinatiemiddel om verbintenissen op EU‑niveau te monitoren wordt het Europees Semester genoemd. In de loop van de eerste helft van elk jaar zullen besprekingen plaatsvinden, zowel over de economische agenda van de Unie op basis van de door de Commissie in januari voorgestelde AGS, als over de prioriteiten van de lidstaten, die in de lente in hun nationale programma's worden uiteengezet. In juni zullen landenspecifieke aanbevelingen worden verstrekt, wat de landen tijd laat om deze mee te nemen in hun nationale begroting en economisch beleid voor het komende jaar.

2. Vrijwaren van de stabiliteit van het eurogebied.

In 2010 heeft de EU op de staatsschuldencrisis gereageerd door tijdelijke ondersteuningsmechanismen op te zetten. Deze mechanismen zullen in 2013 worden vervangen door het permanent Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM). Deze steunmaatregelen helpen de financiële stabiliteit van het eurogebied vrijwaren. Zij zijn afhankelijk gesteld van strikte begrotingsconsolidatie- en hervormingsprogramma's en zijn in nauwe samenwerking met het IMF ontwikkeld.

3. Weer gezond maken van de financiële sector.

De EU heeft nieuwe regels ingevoerd en agentschappen opgericht om problemen in een vroeger stadium aan te pakken, en om er tevens voor te zorgen dat alle financiële spelers op adequate wijze worden gereguleerd en gecontroleerd. Er zullen nog verdere werkzaamheden plaatsvinden. Zo zijn thans onder meer systematischere en strengere stresstests van banken aan de gang. Een gezonde financiële sector is immers van essentieel belang om de toegang van bedrijven en huishoudens tot krediet te verzekeren.

1. Versterken van onze gemeenschappelijke economische agenda door het EU-toezicht aan te scherpen

Een gemeenschappelijk raamwerk is van cruciaal belang voor de EU om de economische uitdagingen aan te pakken waarvoor zij zich gesteld ziet en terug te keren naar een sterker groeipad. Het feit dat er in het verleden geen duidelijk systeem van economische governance tussen de lidstaten bestond, heeft tot onevenwichtigheden en gemiste kansen geleid, wat ervoor heeft gezorgd dat de EU kwetsbaarder was toen de crisis toesloeg. Om te garanderen dat die dagen achter ons liggen, heeft de Commissie de Europa 2020strategie voorgesteld, die in juni 2010 door de Europese Raad is goedgekeurd. Onder deze strategie vallen 1) een gemeenschappelijke economische agenda en 2) een sterker EU-toezichtkader, die allebei het voorwerp moeten uitmaken van 3) een gesynchroniseerd besluitvormings- en toezichtproces.

1.1 Europa 2020, de jaarlijkse groeianalyse en het Euro+-pact

De Europa 2020-strategie*1 is de gemeenschappelijke economische agenda van de EU – een plan om de crisis achter ons te laten en de groei en de werkgelegenheidsschepping de komende 10 jaar te stimuleren. De strategie heeft betrekking op de uitdagingen op korte termijn die met de crisis verband houden en op de nood aan structurele hervormingen en groeibevorderende maatregelen die nodig zijn om Europa te helpen de crisis te boven te komen en de Europese economie in de toekomst beter bestand te maken voor economische schokken.

Europa 2020 is gebaseerd op een eenvoudig en doeltreffend uitvoeringsmechanisme, dat bestaat uit doelstellingen, concrete prioritaire acties en monitoring. De Europa 2020-strategie bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Vijf doelstellingen voor 2020. Voor 2020 zijn vijf doelstellingen vastgesteld om inspanningen op voor de toekomst van de EU cruciale gebieden te stimuleren: werkgelegenheid, innovatie, klimaat/energie, onderwijs en sociale insluiting. Deze doelstellingen werden voor de EU als geheel overeengekomen en zijn nu ook door elke lidstaat in nationale doelstellingen omgezet.

  • 75% van de bevolking tussen 20 en 64 jaar moet werk hebben.

  • 3% van het bbp van de EU moet in onderzoek & ontwikkeling worden geïnvesteerd.

  • De EU moet haar CO2-uitstoot met 20% verminderen, haar energie-efficiëntie met 20% verhogen en het aandeel van de hernieuwbare energie in het totale energieverbruik tot 20% optrekken.

  • Het percentage voortijdige schoolverlaters moet lager zijn dan 10% en ten minste 40% van de jongere generatie moet een titel of diploma hebben.

  • Het aantal mensen voor wie armoede dreigt, moet met 20 miljoen dalen.

  • Zeven "vlaggenschipinitiatieven". Om vaart te zetten achter de Europa 2020-doelstellingen, heeft de Commissie een pakket met de volgende zeven "vlaggenschipinitiatieven" voorgesteld: "Een digitale agenda voor Europa2", "Innovatie‑Unie3", "Jeugd in beweging4", "Efficiënt gebruik van hulpbronnen5", "Industriebeleid in een tijd van mondialisering6", "Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen7" en "Europees platform tegen armoede8". De recente aanneming van de Single Market Act9 is een ander voorbeeld van de door de Commissie ondernomen actie ter ondersteuning van Europa 2020.

  • Tien concrete prioriteiten voor 2011. In januari 2011 heeft de Commissie in haar jaarlijkse groeianalyse*10 de in de toekomst te nemen maatregelen nader omschreven door aan te geven welke acties tijdens de komende achttien maanden dienen te worden ondernomen.

  • Drie prioriteiten om de macro-economische stabiliteit te garanderen: 1. de overheidsfinanciën op orde brengen, 2. maatregelen nemen wanneer grote tekorten of overschotten op de lopende rekening worden waargenomen, en 3. de stabiliteit van de financiële sector verzekeren. Een voorbeeld: in 2011 voeren alle lidstaten budgettaire consolidatieplannen uit. Daarin zijn strikte tekortdoelstellingen vastgelegd die vanaf dit jaar moeten worden gehaald en die ervoor moeten zorgen dat de begrotingstekorten van de lidstaten binnen een overeengekomen tijdspad tot minder dan 3% van het bbp worden teruggedrongen.

  • Vier prioriteiten ter bevordering van structurele hervormingen: 1. mensen helpen wederom aan het werk te gaan of een nieuwe baan te vinden door werken lonender te maken, 2. de pensioenstelsels met spoed hervormen, 3. ervoor zorgen dat werkloosheidsuitkeringen een stimulans bieden om aan het werk te gaan, en 4. een beter evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid op de arbeidsmarkt bewerkstelligen. Dat betekent echter niet dat we ons gemeenschappelijk Europees sociaal model opgeven. Het betekent dat toegang tot de arbeidsmarkt wordt geboden aan personen die daar thans van zijn uitgesloten.

  • Drie prioriteiten om groeibevorderende maatregelen vervroegd door te voeren: 1. opheffen van nog steeds bestaande belemmeringen op de eengemaakte markt, 2. verhogen van de investeringen in energie, vervoer en IT-infrastructuur, ten dele met behulp van innovatieve financieringsvormen (zoals onder meer EU-projectobligaties), en 3. zorgen voor een kostenefficiënte toegang tot energie. Het stimuleren van de groei zal tevens de begrotingsconsolidatie helpen versnellen en de structurele hervormingen ondersteunen.

  • Een complementaire agenda met aanvullende hervormingen (het zogeheten Euro+-pact*) werd overeengekomen door de lidstaten van het eurogebied als een weerspiegeling van hun grotere onderlinge afhankelijkheid, alsook door zes landen van buiten het eurogebied, die besloten hebben zich bij het pact aan te sluiten: Bulgarije, Denemarken, Letland, Litouwen, Polen en Roemenië. Dit pact is op de volgende vier terreinen toegespitst: concurrentievermogen, werkgelegenheid, houdbaarheid van de overheidsfinanciën en versterking van de financiële stabiliteit.

  • Het pact is onderschreven tijdens de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad op 24/25 maart 2011. Alle 23 ondertekenaars hebben zich ertoe verbonden de in het pact beschreven hervormingen door te voeren. De overblijvende vier lidstaten kunnen zich bij het pact aansluiten indien zij dit wensen.

  • Het pact past volledig in het nieuwe economische governancekader en de in het raam daarvan aangegane verbintenissen zijn opgenomen in de nationale hervormingsprogramma's* van de betrokken lidstaten.

  • Eén geïntegreerd uitvoeringsmechanisme om te garanderen dat de in EU‑verband gedane toezeggingen ook daadwerkelijk door middel van nationale hervormingen gestand worden gedaan. Van de lidstaten wordt verwacht dat zij:

  • nationale doelstellingen vaststellen die tegen 2020 moeten worden gehaald, en zich ertoe verbinden tot de algemene EU-inspanning bij te dragen. Dit is in 2010 gebeurd. De Commissie houdt toezicht op de gemaakte vorderingen.

  • In hun nationale hervormingsprogramma's* (NHP's) en stabiliteits- of convergentieprogramma's* (SCP's) aangeven welke binnenlandse maatregelen zij van plan zijn te nemen om bij te dragen aan wat op EU-niveau is besloten. Het gaat daarbij zowel om de jaarlijkse groeianalyse als om de sleutelgebieden die in het Euro+-pact zijn opgenomen. Deze NHP's en SCP's dienen aan de Commissie te worden toegezonden.

  • deze maatregelen in concrete beleidsacties omzetten via hun nationale begrotingen en wetten waarover in hun parlementen wordt gedebatteerd.

1.2. Verscherpt EU-toezicht op het economische en budgettaire beleid

De afgelopen jaren is de EU er niet in geslaagd de doelstellingen te realiseren die zij zich voor het economische en budgettaire beleid had gesteld. Dat kwam ten dele omdat het toezichtmechanisme niet streng genoeg was. Om dit probleem te verhelpen, heeft de Commissie op 29 september 2010 een pakket van zes wetgevingsvoorstellen ingediend (het zogeheten "Six-Pack"11). Verwacht wordt dat het Europees Parlement en de Raad tegen juni 2011 definitieve overeenstemming over dit pakket zullen bereiken. Met het pakket worden de volgende drie hoofddoelstellingen nagestreefd:

- 1ste doelstelling: een krachtdadiger preventief optreden dankzij een versterkt stabiliteits- en groeipact

De lidstaten moeten een buitensporig overheidstekort (meer dan 3% van het bbp) en een buitensporige schuldenlast (meer dan 60% van het bbp) vermijden om te voorkomen dat de houdbaarheid van de overheidsfinanciën in het gedrang komt. Deze regels zijn vastgelegd in de Verdragen en nader uitgewerkt in het stabiliteits- en groeipact* (SGP).

Dit bovenbeschreven doel wordt verwezenlijkt via toezicht op de nationale begrotingen en toezicht en coördinatie van het economische beleid (op grond van artikel 121 van het Verdrag). Daarom geven de lidstaten elk jaar in hun stabiliteits- of convergentieprogramma's* (SCP's) aan welke structurele hervormingen en inspanningen vereist zijn om de budgettaire houdbaarheid te verzekeren.

Het nieuwe governancesysteem voert drie belangrijke wijzigingen in:

  • Meer transparantie: de lidstaten moeten ervoor zorgen dat hun begrotingskaders op alle overheidsniveaus (nationaal, regionaal en lokaal) het EU-begrotingskader weerspiegelen. Dit betekent het in overeenstemming brengen van alle elementen – zoals nationale stelsels van overheidsrekeningen, statistieken en prognosepraktijken – met EU-normen, waardoor er meer duidelijkheid en een grotere groepsdruk mogelijk zijn.

  • Striktere regels: lidstaten met onhoudbare overheidsfinanciën zullen aanzienlijke vooruitgang moeten boeken in de richting van de budgettaire middellangetermijndoelstellingen (MTD) om aan het tekortcriterium van 3% te voldoen. De uitgavenstijging dient aan het groeitempo van het bbp op middellange termijn te worden gekoppeld, zodat extra uitgaven tot grotere bezuinigingen in plaats van hogere bestedingen leiden. Een sneller aanpassingstraject richting de MTD zal worden verwacht van landen met een schuldquote van meer dan 60%, landen met een sterk toenemende schuldenlast en landen die met risico's voor de langetermijnhoudbaarheid worden geconfronteerd.

  • Betere handhaving: indien een lidstaat zich niet aan de overeengekomen beginselen houdt, kan hij een waarschuwing van de Commissie verwachten, zelfs in de preventieve fase. In geval van een aanhoudende en/of bijzonder ernstige inbreuk op de regels zal de Commissie een aanbeveling tot de lidstaat richten om corrigerende maatregelen te nemen. De aanbeveling zal door de Raad worden aangenomen, tenzij een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten tegen stemt (de zogeheten omgekeerde gekwalificeerde meerderheid). Voor de lidstaten van het eurogebied zal de aanbeveling kracht worden bijgezet door een handhavingsmechanisme (op grond van artikel 136 van het Verdrag) in de vorm van een rentedragend deposito ter grootte van 0,2% van het bbp. Dit preventieve deel van het SGP is verder versterkt door het Euro+-pact, waarbij lidstaten van het eurogebied (alsook vele andere) ertoe gehouden zijn de in het SGP vervatte EU-begrotingsregels middels een specifiek nationaal rechtsinstrument van hun keuze in nationale wetgeving om te zetten. Dit instrument moet een voldoende bindend en duurzaam karakter hebben (bv. de grondwet of een kaderwet).

- 2de doelstelling: een krachtdadiger corrigerend optreden dankzij een versterkt stabiliteits- en groeipact

Wanneer de lidstaten zich niet houden aan de drempelwaarden die in de Verdragen zijn neergelegd, treedt de buitensporigtekortprocedure* (BTP) in werking. De huidige penibele begrotingssituatie in vrijwel alle lidstaten en de in een aantal lidstaten bestaande staatsschuldproblemen tonen echter aan dat de BTP in haar huidige vorm niet doeltreffend genoeg is geweest. De Commissie heeft daarom voorgesteld het SGP tanden te geven door middel van betere handhaving en de mogelijkheid lidstaten te beboeten (zoals hiervoor beschreven). De twee essentiële wijzigingen zijn:

  • Striktere regels: voortaan zal met schuldreductie als criterium rekening worden gehouden bij de evaluatie van de overheidsfinanciën. Lidstaten met een schuld van meer dan 60% van het bbp moeten het cijfer waarmee hun schuld de drempelwaarde overtreft over een termijn van drie jaar met ten minste 1/20e per jaar terugdringen. Doen zij dat niet, dan wordt een BTP tegen hen ingeleid. Zoals in het Commissievoorstel is aangegeven, moeten alle relevante factoren in aanmerking worden genomen bij de beoordeling of de schuldreductie in een bevredigend tempo verloopt.

  • Betere handhaving: van een tot het eurogebied behorende lidstaat waartegen een BTP wordt ingeleid, zal een niet-rentedragend deposito ter grootte van 0,2% van het bbp worden verlangd. De Commissie zal een aanbeveling tot de betrokken lidstaat richten waarin hem wordt gevraagd corrigerende maatregelen te nemen. De aanbeveling zal door de Raad worden aangenomen, tenzij een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten tegen stemt (de zogeheten omgekeerde gekwalificeerde meerderheid). Ingeval de lidstaat geen gevolg geeft aan de initiële aanbeveling om corrigerende maatregelen te nemen, zal dit niet-rentedragende deposito (zie verder) in een boete worden omgezet. Deze boete zal worden opgetrokken in geval van herhaalde niet-inachtneming van de aanbevelingen.

- 3rde doelstelling: reduceren van onevenwichtigheden op macro-economisch gebied en op het gebied van het concurrentievermogen.

De afgelopen tien jaar hebben de lidstaten uiteenlopende economische keuzes gemaakt, hetgeen tot concurrentiekloven en grote macro-economische onevenwichtigheden binnen de EU heeft geleid. Er zal een nieuw toezichtmechanisme worden opgezet om dergelijke problemen in een veel vroeger stadium op te sporen en recht te zetten. Het mechanisme zal op de volgende hoofdelementen berusten:

  • Een duidelijk waarschuwingssysteem: een scorebord van (een tiental) externe en interne indicatoren om onevenwichtigheden op te sporen die in verschillende onderdelen van de economie de kop opsteken. De samenstelling van de reeks indicatoren kan in de loop der tijd veranderen. Er zullen drempels worden vastgesteld en bekendgemaakt. De toetsing aan deze indicatoren zal niet op mechanische wijze gebeuren, maar zal door de Commissie worden verricht op basis van diepgaande evaluaties, stabiliteits- en convergentieprogramma's en nationale hervormingsprogramma's.

  • Striktere regels: er zal worden voorzien in een nieuwe procedure bij buitensporige onevenwichtigheden* (PBO), die op artikel 121 van het Verdrag is gebaseerd en op de buitensporigtekortprocedure voor de overheidsfinanciën is geïnspireerd. Als de Commissie oordeelt dat er van macro-economische onevenwichtigheden (of gevaar voor macro-economische onevenwichtigheden) sprake is, zal zij voorstellen dat de Raad een PBO inleidt en de betrokken lidsta(a)t(en) aanbeveelt een actieplan met corrigerende maatregelen aan te nemen waarin een duidelijk maatregelenpakket en een tijdschema voor de uitvoering ervan is opgenomen. De geboekte vooruitgang zal regelmatig worden beoordeeld.

  • Betere handhaving: voor lidstaten van het eurogebied zullen de handhavingsmechanismen zowel boetes (0,1% van het bbp) als niet-financiële maatregelen omvatten ingeval de onevenwichtigheden niet worden verholpen.

1.3. Het Europees Semester

In het verleden namen de EU-instellingen in het voorjaar het economische beleid en in het najaar de begrotingskaders onder de loep, terwijl pas achteraf werd nagegaan of de lidstaten de op EU-niveau aangegane verbintenissen waren nagekomen. Het kwam er in feite op neer dat we economische doelstellingen vastlegden zonder daarom noodzakelijkerwijze te weten over hoeveel geld we zouden kunnen beschikken.

Voortaan zullen de lidstaten en de Commissie de structurele hervormingen, de groeibevorderende maatregelen en het begrotingstoezicht tegelijkertijd bespreken. Deze besprekingen zullen elk jaar van januari tot en met juni op EU-niveau worden gehouden (met het Europees Semester*12 wordt dus eigenlijk het eerste semester van elk jaar bedoeld). Op die manier zal Europa de consistentie tussen economische beslissingen en budgettaire beperkingen kunnen garanderen om zo de doeltreffendheid ervan alsook de uitvoering op nationaal niveau te verbeteren. Ook de extra verbintenissen die in het kader van het Euro+-pact zijn aangegaan, zullen volledig in dit nieuwe proces worden geïntegreerd.

Hoe zal het werken?

  • Januari: sturing door de Commissie. De Commissie zal elke cyclus op gang brengen door in januari haar jaarlijkse groeianalyse*13 te presenteren. Daarin zal zij een helder overzicht geven van de economische situatie in de EU en richtsnoeren verschaffen voor verdere prioritaire acties die op zowel Europees als nationaal niveau dienen te worden doorgevoerd. De analyse zal drie economische beleidscomponenten bestrijken: macro‑economisch en budgettair beleid, structurele hervormingen en groeibevorderende maatregelen.

  • Maart: politieke bekrachtiging door de Europese Raad. Tijdens de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad zal dit menu voor economische hervorming en budgettair beleid worden besproken en bekrachtigd in de vorm van een enkele reeks conclusies. Op deze manier zullen staatshoofden en regeringsleiders zich met hun volle gewicht achter deze gemeenschappelijke economische agenda en dit gemeenschappelijk kader voor begrotingstoezicht scharen en garant staan voor een adequate tenuitvoerlegging ervan in hun respectieve landen.

  • April/mei: presentatie van nationale programma's. Vervolgens zullen de lidstaten bij de Commissie en hun partners hun nationale hervormingsprogramma's* (NHP's) en hun stabiliteitsprogramma's (landen van het eurogebied) of convergentieprogramma's* (landen van buiten het eurogebied) indienen. De NHP's bevatten de agenda's van de lidstaten met betrekking tot hun structurele hervormingen alsook hun maatregelen ter bevordering van de groei en de werkgelegenheidsschepping en tot verwezenlijking van de Europa 2020‑doelstellingen. De NHP's bevatten tevens de verbintenissen op korte termijn die in het kader van het Euro+-pact zijn aangegaan door de landen die het pact hebben ondertekend. In de SCP's daarentegen worden nationale plannen voor gezonde en houdbare overheidsfinanciën uiteengezet. De synchronisatie van de voorbereiding van deze twee programma's zal voor een stroomlijning van de processen zorgen en de virtueuze cirkel van gezonde overheidsfinanciën en structurele hervormingen weergeven.

  • Juni: aanbevelingen door de Commissie. Nadat de Commissie deze nationale verslagen zorgvuldig heeft bestudeerd, zal zij in juni voorstellen voor landenspecifieke aanbevelingen bij de Raad indienen. Daarin zal zij aangeven welke vorderingen elke lidstaat heeft gemaakt en op welke punten elke lidstaat is tekortgeschoten bij de uitvoering van de afgesproken maatregelen. Tijdens de junibijeenkomst zal de Europese Raad zich over deze aanbevelingen buigen, waarna deze vervolgens door de Raad zullen worden aangenomen. Bij de opstelling van hun begroting voor het volgende jaar zullen de lidstaten rekening houden met de richtsnoeren van de Raad. De ontwerpbegrotingen zullen zoals gebruikelijk in de tweede helft van het jaar door de regeringen bij de nationale parlementen ter bespreking worden ingediend, aangezien deze de volledige beslissingsbevoegdheid over de begroting blijven behouden. Het nieuwe kader doet met andere woorden op geen enkele manier afbreuk aan de soevereiniteit van de nationale parlementen.

2. Vrijwaren van de stabiliteit van het eurogebied

De economische crisis heeft de overheidsfinanciën sterk onder druk gezet, waardoor het overheidstekort en de overheidsschuld in alle lidstaten zijn toegenomen. Aan drie landen van buiten het eurogebied is financiële bijstand van de EU (via het betalingsbalansmechanisme), het IMF en de Wereldbank toegekend in ruil voor hun verbintenis tot het uitvoeren van programma's met betrekking tot begrotingsconsolidatie en structurele hervormingen. Het eerste programma betrof Hongarije, dat tussen oktober 2008 en november 2010 betalingen ten belope van 5,5 miljard EUR ontving. In januari 2009 werd een tweede programma voor Letland goedgekeurd, in ruil voor bijstand van maximaal 7,5 miljard EUR. Tot slot werd in mei 2009 met Roemenië een derde programma voor 5 miljard EUR overeengekomen. De Roemeense en Letse programma's worden momenteel uitgevoerd.

De ontwikkeling van de staatsschuld is sinds 2010 een ernstige bron van zorg geworden en heeft ertoe geleid dat het voor sommige lidstaten van het eurogebied onhoudbaar was geworden om hun staatsschuld op de markt te herfinancieren.

Om de stabiliteit van het eurogebied als geheel te vrijwaren en hulp te bieden aan individuele lidstaten die in financiële moeilijkheden verkeerden en/of onder zware druk van de markten stonden, zijn tijdelijke mechanismen opgezet die fungeerden als vangnet waarop in laatste instantie een beroep kon worden gedaan. Ook is overeenstemming bereikt over een permanent mechanisme dat met ingang van 1 juli 2013 zal worden opgezet.

Er kan financiële bijstand worden geboden aan een lidstaat van het eurogebied die daarom verzoekt. Deze bijstand wordt afhankelijk gesteld van strenge voorwaarden die worden vastgelegd in een economisch aanpassingsprogramma dat tot stand komt na onderhandelingen met de Commissie en het Internationaal Monetair Fonds (IMF), in overleg met de Europese Centrale Bank (ECB). Dergelijke mechanismen stellen de EU in staat ook in de moeilijkste omstandigheden op te treden om de euro te verdedigen. Zij vormen een duidelijke afspiegeling niet alleen van het gemeenschappelijk belang van en de solidariteit binnen het eurogebied, maar ook van de individuele verantwoordelijkheid van elke lidstaat jegens zijn partners.

- Mechanisme van bilaterale leningen (ten behoeve van Griekenland). Op 2 mei 2010 is een ad-hocmechanisme ingesteld om het onmiddellijke gevaar van een insolventie van Griekenland af te wenden. De lidstaten van het eurogebied kwamen overeen om, samen met het IMF, Griekenland 110 miljard EUR aan financiële bijstand te verlenen. Deze bijstand nam de vorm aan van bilaterale leningen met speciale rentetarieven en een looptijd van drie jaar. Deze leningen werden afhankelijk gesteld van een streng budgettair consolidatieprogramma en werden met de Commissie, de ECB en het IMF besproken. De Commissie controleert de vorderingen via driemaandelijkse controlebezoeken en verslagen aan de ministers van Financiën.

In de overeenkomst van 11 maart 2011 werden de looptijden van zowel de toekomstige als de reeds uitgekeerde tranches van de leningen aan Griekenland gelijkgetrokken met die van de lening aan Ierland (gemiddeld zeven-en-een-half jaar). Bovendien werd besloten het rentepercentage van zowel de toekomstige als de reeds uitgekeerde tranches van de leningen van de Griekse faciliteit met 100 basispunten te verlagen.

- Tijdelijke mechanismen ter grootte van maximaal 500 miljard EUR (2010-2013). In het licht van de aanhoudende druk op de staatsschuldenmarkten hebben de lidstaten van het eurogebied en de Commissie op 10 mei 2010 besloten twee tijdelijke financiële steunmechanismen met een omvang van maximaal 500 miljard EUR in het leven te roepen om eventuele andere landen van het eurogebied die eventueel financiële steun nodig hebben, ter hulp te schieten. Het betreft het Europees financieel stabilisatiemechanisme* (EFSM), dat op garanties van de Gemeenschapsbegroting ter waarde van maximaal 60 miljard EUR berust, en de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit* (EFSF), een intergouvernementeel orgaan dat voorziet in maximaal 440 miljard EUR aan garanties van de lidstaten van het eurogebied. Het IMF besloot deze mechanismen aan te vullen met potentiële financiële steun ten belope van maximaal 250 miljard EUR aan lidstaten van het eurogebied.

In november 2010 heeft Ierland om 85 miljard EUR aan bijstand uit deze nieuwe mechanismen verzocht na een scherpe verslechtering van zijn begrotingssituatie als gevolg van buitengewone bankproblemen die bovenop het effect van de recessie kwamen. Er werd een programma overeengekomen met de Commissie, het IMF en de ECB. Het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Zweden besloten dit bijstandmechanisme met bilaterale leningen aan te vullen14.

In het licht van de ervaring met Ierland en om een eventueel ander verzoek aan te kunnen dat vóór 2013 wordt gedaan, heeft de Europese Raad op 24-25 maart essentiële onderdelen van deze tijdelijke mechanismen verder verbeterd. De rentetarieven van de EFSF-leningen (en ook die van het EFSM) zijn naar beneden bijgesteld om beter met de houdbaarheid van de schuldpositie van de bijgestane landen rekening te houden, maar de prijsstelling blijft tegelijkertijd toch boven de financieringskosten van de faciliteit, hetgeen in overeenstemming is met de prijsstellingsbeginselen van het IMF. Ook de draagwijdte van de werkzaamheden van de EFSF is uitgebreid: de faciliteit mag bij wijze van uitzondering ook op de primaire schuldenmarkt interveniëren (wat wil zeggen dat zij nieuw uitgegeven staatsobligaties mag kopen) in de context van een programma waaraan strikte voorwaarden verbonden zijn. Tot slot wordt de overeengekomen kredietverleningscapaciteit van de EFSF van 440 miljard EUR volledig operationeel gemaakt, zoals door de Commissie is aanbevolen. Daartoe zullen de nodige wijzigingen in de juridische overeenkomst tot oprichting van de EFSF worden opgesteld, zodat de nationale parlementaire procedures uiterlijk eind juni 2011 zijn afgerond, met volledige inachtneming van de nationale grondwettelijke vereisten.

In mei 2011 werd ook Portugal 78 miljard EUR aan financiële bijstand verleend om het land in staat te stellen om het hoofd te bieden aan zijn financiële moeilijkheden. Tweederde van de bijstand zal van EU‑bronnen afkomstig zijn: 26 miljard EUR van het EFSF en 26 miljard EUR van het EFSM. Het IMF verstrekt de resterende 26 miljard EUR. De bijstand zal gespreid over een periode van drie jaar worden uitgekeerd, afhankelijk van het resultaat van driemaandelijkse beoordelingen van de uitvoering van het overeengekomen programma door Portugal. Dit programma omvat een ambitieuze begrotingsaanpassing, ingrijpende hervormingen om de groei en het concurrentievermogen te bevorderen, en maatregelen om de stabiliteit van de financiële sector te versterken.

- Europees Stabiliteitsmechanisme* (met ingang van 1 juli 2013). In het najaar van 2010 hebben de lidstaten van het eurogebied besloten een in het Verdrag verankerd permanent mechanisme op te zetten om een structureel antwoord te kunnen bieden op elk eventueel toekomstig verzoek om financiële bijstand na 2013.

Het Europees Stabiliteitsmechanisme15 (ESM) zal fungeren als een permanent kader voor crisisbeheersing en zal vanaf 1 juli 2013 de rol van zowel de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF) als het Europees financieel stabilisatiemechanisme (EFSM) overnemen bij het verstrekken van externe financiële bijstand aan lidstaten van het eurogebied. Toegang tot financiële bijstand van het ESM zal worden verleend op basis van stringente beleidsvoorwaarden in het kader van een macro-economisch aanpassingsprogramma en een rigoureuze analyse van de houdbaarheid van de overheidsschuld. Deze analyse zal worden uitgevoerd door de Commissie en het IMF, in overleg met de ECB. Van de begunstigde lidstaat zal worden verlangd dat hij zorgt voor een passende vorm van betrokkenheid van de particuliere sector, naar gelang van de specifieke omstandigheden en op een manier die volledig aansluit op de werkwijze van het IMF. Ook lidstaten van buiten het eurogebied kunnen besluiten op ad-hocbasis aan de ESM-operaties deel te nemen (zoals thans het geval is voor Ierland).

De voorwaarden betreffende het ESM, zoals onder meer bestuur, kapitaalstructuur en –verdeling, locatie, instrumenten en rol van het IMF, zijn overeengekomen op de top van het eurogebied van 11 maart en bevestigd door de Europese Raad op 24-25 maart. Het ESM zal beschikken over een effectieve kredietverleningscapaciteit van 500 miljard EUR (een totaal geplaatst kapitaal van 700 miljard EUR, waarvan 80 miljard EUR is volgestort en 620 miljard EUR een combinatie is van toegezegd opvraagbaar kapitaal en garanties van lidstaten van het eurogebied).

Het Verdrag betreffende de werking van de EU (artikel 136) zal worden gewijzigd om het ESM in te stellen. Na een gunstig advies van de Commissie en het Europees Parlement heeft de Europese Raad in februari en maart 2011 overeenstemming over deze Verdragswijziging bereikt, hetgeen de weg vrijmaakte voor de ratificatie ervan door de lidstaten.

3. Weer gezond maken van de financiële sector

Sinds het losbarsten van de financiële crisis in 2008 is het optreden van de EU er vooral op gericht geweest de hiaten in de regelgeving voor de financiële sector op te vullen en het toezicht op deze sector te versterken om zo voor meer stabiliteit, transparantie en vertrouwen te zorgen.

  • In januari 2011 is een nieuwe architectuur voor het financiële toezicht met echte slagkracht opgezet. Er is een Europees Comité voor systeemrisico's (European Systemic Risk Board – ESRB) in het leven geroepen om te garanderen dat macro-economische risico's vroeg genoeg worden gedetecteerd. Dit comité is aangevuld met de volgende drie sectorale Europese toezichthoudende autoriteiten: de Europese Bankautoriteit (EBA – Londen), de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EAVB – Frankfurt) en de Europese Autoriteit voor effecten en markten (EAEM – Parijs) 16.

  • Strengere regels inzake kapitaalvereisten voor banken, beleggingsondernemingen en verzekeringsondernemingen zijn in de maak: een vierde herziening van de Richtlijn Kapitaalvereisten (RKV) voor banken en beleggingsondernemingen en een "Solvabiliteit II"-richtlijn voor verzekeringsondernemingen (deze richtlijn zal in 2013 in werking treden). Er zal tot een beter risicobeheer in de financiële instellingen worden bijgedragen door bestaande en nieuwe regels voor beloningen en bonussen in financiële instellingen en voor het verminderen van prikkels die aanzetten tot het nemen van risico's op korte termijn. Er wordt gewerkt aan de invoering van een alomvattende benadering die moet garanderen dat geen enkele financiële actor, financiële markt of financieel product aan adequate regelgeving en een doeltreffend toezicht ontsnapt17. Er is reeds actie ondernomen om een kader voor hedgefondsen en private equity tot stand te brengen en er zijn al enige voorschriften voor ratingbureaus uitgevaardigd, maar er moet nog meer worden gedaan. Er zijn nog andere initiatieven in voorbereiding of gepland voor de nabije toekomst18. Deze hebben onder meer betrekking op derivaten, short-selling, financiële markten en marktmisbruik. De Commissie is vastbesloten alle nodige wetgevingsvoorstellen in te dienen om vóór het einde van de zomer van 2011 uitvoering te geven aan de verbintenissen die tijdens de vergaderingen van de G20 te Londen, Pittsburgh en Washington zijn aangegaan.

  • Voorts is het van essentieel belang dat een einde wordt gemaakt aan de huidige situatie van moreel risico, waarbij banken er in feite op vertrouwen dat regeringen zullen ingrijpen als zij met ernstige moeilijkheden worden geconfronteerd. Daarom zal de Commissie in de loop van de komende maanden een alomvattend kader voor de afwikkeling van met insolventie bedreigde banken voorstellen. Dat kader moet ervoor zorgen dat banken op ordelijke wijze failliet kunnen gaan en dat belastingbetalers er niet voor moeten opdraaien als er zich moeilijkheden voordoen.

Parallel daarmee zijn werkzaamheden gaande om de levensvatbaarheid van de banksector te garanderen en de crisis te overwinnen.

  • Het onderwerpen van banken aan stresstests is een van de toezichtinstrumenten waarvan op EU-niveau wordt gebruikgemaakt om potentiële zwakheden te detecteren en een faillissement of systeemfalen te voorkomen. Concreet evalueren de testen de algemene weerbaarheid van de EU-banksector en de solvabiliteit van individuele banken in geval van hypothetische schadelijke gebeurtenissen. Deze werkzaamheden vinden plaats onder leiding van de EBA. Andere betrokken partijen zijn de ECB, de Commissie en de nationale toezichthouders, die verantwoordelijk zijn voor het verrichten van de tests op nationaal niveau.

  • Sinds 2008 zijn twee reeksen stresstests uitgevoerd. In maart heeft de EBA het startsein gegeven voor een nieuwe reeks stresstests die op een ruime steekproef van EU-banken betrekking hebben. Tevens zullen een strenge collegiale toetsing en een strikte kwaliteitscontrole worden uitgevoerd waarvan de resultaten medio juni 2011 zullen worden bekendgemaakt. Er moet volledige transparantie worden gegarandeerd wat de risicoposities van banken betreft. Van banken die in het kader van de stresstests als kwetsbaar en mogelijk ondergekapitaliseerd worden bestempeld, zal worden verwacht dat zij de nodige actie ondernemen. Vóór de publicatie van de resultaten van de nieuwe stresstests zullen de lidstaten specifieke plannen voor de herstructurering van kwetsbare instellingen bekendmaken. Deze plannen kunnen bijvoorbeeld voorzien in op marktwerking gebaseerde oplossingen, zoals rechtstreekse marktfinanciering of activaverkopen, maar ook, indien zulks noodzakelijk blijkt, in solide kaders voor de herkapitalisatie van individuele instellingen en in een versnelde bankherstructurering, zonder dat evenwel van de EU-staatssteunregels wordt afgeweken. De stressscenario's, die zijn ontwikkeld door de EBA in nauwe samenwerking met de ECB, het Europees Comité voor systeemrisico's en de Commissie, zijn rigoureus en spelen in op de eerder door de markten geuite bezorgdheden ten aanzien van de strengheid en reikwijdte van dergelijke tests. Wat het landenrisico betreft, zal worden nagegaan welk effect schokken hebben op posities die banken in hun handelsportefeuilles aanhouden.

  • Los daarvan is de EBA momenteel bezig met een doorlichting van de financieringsstructuren van banken en de liquiditeit van hun activaportefeuilles.

VERKLARENDE WOORDENLIJST: GIDS VOOR SLEUTELBEGRIPPEN ECONOMISCHE GOVERNANCE

Jaarlijkse groeianalyse – Deze wordt aan het begin van elk jaar door de Commissie voorgesteld, en bevat de economische prioriteiten voor de EU ter bevordering van de groei en de werkgelegenheidsschepping in de komende twaalf maanden. Tijdens de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad vormt de jaarlijkse groeianalyse de basis voor het verstrekken van richtsnoeren, die vervolgens tegen april/mei in nationale plannen worden omgezet. De presentatie van de jaarlijkse groeianalyse luidt tevens het begin in van het Europees Semester.

Euro+-pact – Het Euro+-pact vormt een complementaire agenda bij de jaarlijkse groeianalyse en bevat aanvullende hervormingen waartoe de lidstaten van het eurogebied zich hebben verbonden en waarbij andere lidstaten zich kunnen aansluiten indien zij dit wensen (Bulgarije, Denemarken, Letland, Litouwen, Polen en Roemenië hebben deze stap al gezet). Het in maart 2011 overeengekomen pact is toegespitst op concurrentievermogen, werkgelegenheid, houdbaarheid van de overheidsfinanciën en versterking van de financiële stabiliteit.

Europa 2020 – Dit is de gemeenschappelijke economische agenda van de EU: een tienjarenhervormingsstrategie om groei en werkgelegenheidsschepping te stimuleren en tegelijkertijd sociale insluiting te bevorderen en klimaatverandering te bestrijden. In de in maart 2010 overeengekomen strategie worden vijf essentiële groeihefbomen vastgesteld en vijf tegen 2020 te realiseren doelstellingen op het gebied van werkgelegenheid, onderzoek & innovatie, energie, onderwijs en armoedebestrijding.

Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF) – Het in mei 2010 opgerichte EFSF is een intergouvernementeel orgaan dat maximaal 440 miljard EUR kan lenen aan lidstaten van het eurogebied die financiële steun nodig hebben. De lidstaten van het eurogebied verstrekken zelf de leninggaranties. Vanaf 1 juli 2013 wordt het EFSF vervangen door het ESM.

Europees financieel stabilisatiemechanisme (EFSM) – Het eveneens in mei 2010 opgezette EFSM is in staat leningen van maximaal 60 miljard EUR te verstrekken aan lidstaten van het eurogebied die financiële steun nodig hebben. Het EFSM wordt door de Gemeenschapsbegroting gegarandeerd zonder daadwerkelijk vanuit de begroting zelf te worden betaald. Ook het EFSM wordt vanaf 1 juli 2013 door het ESM vervangen.

Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) – Het permanent crisismechanisme van de EU zal vanaf 1 juli 2013 operationeel zijn. Het ESM zal de rol van zowel het EFSM als de EFSF overnemen als het kanaal waarlangs financiële bijstand zal worden verstrekt aan lidstaten van het eurogebied die in nood verkeren. De bijstand van het ESM zal worden verleend op basis van stringente beleidsvoorwaarden in het kader van een macro-economisch aanpassingsprogramma. De voorwaarden betreffende het ESM zijn in maart 2011 overeengekomen door de Europese Raad. Het ESM zal beschikken over een effectieve kredietverleningscapaciteit van 500 miljard EUR. Om de oprichting van het ESM mogelijk te maken, werd een wijziging van artikel 136 van het Verdrag betreffende de werking van de EU overeengekomen.

Europees Semester – Vanaf 2011 zal in de eerste helft van elk jaar een cyclus van intensieve beleidscoördinatie plaatsvinden tussen de EU‑instellingen en de 27 lidstaten met betrekking tot de economische agenda en het begrotingstoezicht. Dit vormt een essentieel bestanddeel van de versterkte economische governance. In januari gaat het Semester van start met de presentatie door de Commissie van de jaarlijkse groeianalyse waarin de EU‑prioriteiten op het vlak van economische hervorming en begrotingsconsolidatie worden vastgesteld. Tijdens de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad worden deze prioriteiten vervolgens besproken en bekrachtigd. In april dienen de lidstaten bij de Commissie en hun partners hun nationale hervormingsprogramma's en hun stabiliteits- of convergentieprogramma's in. De Commissie doet aanbevelingen met betrekking tot deze programma's. Die aanbevelingen worden tijdens de junibijeenkomst van de Europese Raad goedgekeurd en in juli formeel door de Raad aangenomen. De lidstaten houden rekening met deze richtsnoeren bij de opstelling van hun begrotingen, die zoals gebruikelijk in de tweede helft van het jaar door de nationale parlementen worden besproken. Zo wordt ervoor gezorgd dat de procedure voor de allereerste maal een Europese dimensie krijgt.

Buitensporigtekortprocedure (BTP) – De lidstaten moeten een buitensporig overheidstekort (meer dan 3% van het bbp) en een buitensporige schuldenlast (meer dan 60% van het bbp) vermijden. De Commissie heeft voorgesteld de bestaande buitensporigtekortprocedure te versterken. Deze procedure is erop gericht de regeringen ervan te weerhouden deze drempelwaarden te overschrijden. Wanneer de lidstaten zich niet houden aan deze drempelwaarden, besluit de Raad op aanbeveling van de Commissie een buitensporigtekortprocedure te starten. Van tot het eurogebied behorende lidstaten waartegen een BTP wordt ingeleid, zal worden verlangd dat zij overgaan tot de storting van een niet-rentedragend deposito ter grootte van 0,2% van het bbp en tot het nemen van corrigerende maatregelen zoals aanbevolen door de Raad. Indien een land geen gevolg geeft aan de aanbeveling, zal het deposito in een boete worden omgezet.

Procedure bij buitensporige onevenwichtigheden (PBO) – Een essentieel bestanddeel van de nieuwe economische governance van de EU is de nadruk op het opsporen en verhelpen van onevenwichtigheden op macro-economisch gebied en op het gebied van het concurrentievermogen, met name binnen het eurogebied. Door middel van een scorebord van een tiental indicatoren zal de Commissie onevenwichtigheden opsporen die in verschillende onderdelen van de economie de kop opsteken. Op aanbeveling van de Commissie kan de Raad een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden inleiden tegen een lidstaat waarin sprake is van macro-economische onevenwichtigheden of gevaar voor macro-economische onevenwichtigheden. Lidstaten van het eurogebied die er niet in slagen onevenwichtigheden binnen een specifieke tijdslimiet en in overeenstemming met een overeengekomen schema te verhelpen, kunnen een boete ten belope van 0,1% riskeren.

Nationaal Hervormingsprogramma (NHP) – In april/mei, na de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad, dienen alle lidstaten bij de Commissie hun NHP in. In het NHP worden de economische hervormingen en groeibevorderende maatregelen uiteengezet die in het komende jaar en daarna moeten worden uitgevoerd om de desbetreffende lidstaat in staat te stellen de doeleinden na te streven die hij in het kader van Europa 2020 heeft onderschreven. De lidstaten stellen hun NHP's samen met hun (op begrotingsconsolidatie gerichte) stabiliteits- en convergentieprogramma's voor. De Commissie baseert haar landenspecifieke aanbevelingen op beide plannen.

Stabiliteits- of convergentieprogramma's (SCP) – In de weken na de bijeenkomst van de Europese Raad van maart dienen de lidstaten bij de Commissie hun plannen in voor gezonde en houdbare overheidsfinanciën. Voor landen van het eurogebied zijn dit de stabiliteitsprogramma's; voor andere lidstaten zijn dit de convergentieprogramma's. In de loop van april/mei beoordeelt de Commissie deze programma's tezamen met de nationale hervormingsprogramma's. De aanbevelingen van de Commissie worden tijdens de junibijeenkomst van de Europese Raad goedgekeurd en kort daarna door de Raad aangenomen.

Stabiliteits- en groeipact (SGP) – Het stabiliteits- en groeipact is het kader waarmee de EU de houdbaarheid van de overheidsfinanciën verzekert voor alle 27 lidstaten en voor het eurogebied in het bijzonder. De hervormingen aan de economische governance van de EU die in juni 2011 formeel zullen worden overeengekomen, zullen het SGP duidelijker, sterker en efficiënter maken, zowel in het preventieve als het handhavingsstadium. Voor de eerste maal zullen de criteria betreffende de overheidsschuld en het overheidstekort een gelijkwaardige rol spelen. De lidstaten zullen aanzienlijke vooruitgang moeten boeken in de richting van de budgettaire middellangetermijndoelstellingen en de uitgavenstijging moet op het groeitempo van het bbp worden afgestemd. De Commissie zal voor landen van het eurogebied die nalaten corrigerende maatregelen te nemen om deze doelstellingen binnen een overeengekomen tijdskader te realiseren, boetes van 0,2% van het bbp aanbevelen. Deze boetes zullen worden toegepast, tenzij een gekwalificeerde meerderheid van lidstaten tegen stemt.

1 :

* Alle met een * aangeduide zaken zijn toegelicht in de bij deze MEMO gevoegde verklarende woordenlijst.

Zie IP/10/225.

2 :

Zie IP/10/581, MEMO/10/199 en MEMO/10/200.

3 :

Zie IP/10/1288 en MEMO/10/473.

4 :

Zie IP/10/1124 en MEMO/10/408.

5 :

Zie IP/11/63 en MEMO/11/43.

6 :

Zie IP/10/1434, MEMO/10/532 en MEMO/10/533.

7 :

Zie IP/10/1541 en MEMO/10/602.

8 :

Zie IP/10/1729 en MEMO/10/687.

9 :

Zie IP/10/1390, IP/11/469 en MEMO/11/239.

10 :

Zie IP/11/22 en MEMO/11/11.

11 :

Zie IP/10/1199, MEMO/10/455 en MEMO/10/454 en MEMO/10/456.

12 :

Zie IP/11/22 en MEMO/11/14.

13 :

Zie MEMO/11/11.

14 :

Zie IP/10/1768.

15 :

Zie MEMO/10/636.

16 :

Zie MEMO/10/434.

17 :

Zie IP/10/1353, MEMO/10/506 en MEMO/10/660.

18 :

Zie MEMO/11/6.


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website