Navigation path

Left navigation

Additional tools

MEMO/11/238

Brussel, 13 april 2011

Herziening van de energiebelastingrichtlijn – vragen en antwoorden

Wat is de energiebelastingrichtlijn?

In alle EU-lidstaten bestaan er al energiebelastingen en tot op zekere hoogte zijn deze op EU-niveau geharmoniseerd. De huidige energiebelastingrichtlijn, die is aangenomen in 2003, was hoofdzakelijk bedoeld om concurrentieverstoringen in de energiesector op de interne markt te voorkomen. Zij omvat gemeenschappelijke regels die voorschrijven welke producten moeten worden belast, wanneer zij moeten worden belast en of zij kunnen worden vrijgesteld. Er zijn minimumtarieven vastgesteld, hoofdzakelijk op basis van de hoeveelheid verbruikte energie, voor producten gebruikt voor verwarming, elektriciteit en motorbrandstoffen. Boven deze minimumdrempels kunnen de lidstaten de nationale tarieven naar eigen inzicht bepalen.

Waarom wil de Commissie deze regels herzien?

De huidige energiebelastingrichtlijn is achterhaald omdat zij niet langer voldoet aan de hogere ambities van de EU op het gebied van het energie- en klimaatveranderingsbeleid. Een herziening is ook nodig om een antwoord te bieden op de problemen die zich op de interne markt voordoen. Tot slot moet het toepassingsgebied van de richtlijn worden afgestemd met de EU-regeling voor de emissiehandel (ETS), de grootste internationale regeling voor de handel in broeikasgas­emissierechten.

Om te beginnen zijn de huidige minimumtarieven voor energieproducten vooral gebaseerd op hoeveelheden (euro/1 000 liter) en gaan zij terug op de oude tarieven in de lidstaten. Dit leidt tot oneerlijke concurrentie tussen verschillende energiebronnen en niet te rechtvaardigen fiscale voordelen voor sommige soorten brandstof in vergelijking met andere. Zo wordt steenkool volgens de huidige minima het laagst en ethanol het zwaarst belast. Hernieuwbare energiebronnen worden in het bijzonder gediscrimineerd door de huidige energiebelastingrichtlijn, omdat zij naar hetzelfde tarief worden belast als de energiebron die zij moeten vervangen (zo wordt biodiesel op dezelfde wijze belast als diesel, enz.). Aangezien dit tarief is gebaseerd op hoeveelheid en niet op energie-inhoud, is de belastingdruk op producten met een lagere energie-inhoud zoals hernieuwbare energiebronnen hoger dan die op de brandstoffen waarmee zij concurreren. Dit probleem zal in de herziene richtlijn van de Commissie worden aangepakt door de energiebelasting te koppelen aan de energie-inhoud.

Ten tweede wordt, bekeken vanuit het perspectief van de klimaatverandering, in de huidige energiebelastingrichtlijn op geen enkele wijze rekening gehouden met de behoefte om de CO2-uitstoot te beperken. Het is zelfs zo dat, zoals hierboven al werd aangegeven, de fiscale behandeling van sommige fossiele brandstoffen gunstiger is dan die van hun schonere concurrenten. Een EU-kader zou de lidstaten de mogelijkheid bieden om met behulp van een CO2-heffing hun aandeel in de gemeenschappelijke inspanningen te realiseren zonder te moeten vrezen dat zij hun concurrentiepositie in de EU op de helling zetten.

Tot slot zou een herziene energiebelastingrichtlijn met een CO2-component voorkomen dat een lappendeken van nationale beleidsmaatregelen obstakels opwerpt op de interne markt of concurrentieverstoringen veroorzaakt. De lidstaten zijn al bezig met de invoering van hun eigen nationale CO2-belastingen, maar verschillende interpretaties kunnen leiden tot dubbele belasting en hoge nalevingskosten voor bedrijven die grensoverschrijdend actief zijn. Met een EU-benadering van CO2-belasting zouden bedrijven overal in de EU onder gelijke voorwaarden kunnen opereren en zouden grensoverschrijdende activiteiten worden vergemakkelijkt. Op hernieuwbare energiebronnen zou geen CO2-belasting worden geheven, wat een extra voordeel zou opleveren ten opzichte van de traditionele brandstoffen waarmee zij concurreren.

Wat zijn de belangrijkste doelstellingen van de voorgestelde nieuwe energiebelastingrichtlijn?

De herziene richtlijn strekt ertoe de wijze waarop energie wordt belast, anders te structuren om zo de beoogde overschakeling naar een koolstofarme en energie-efficiënte economie te ondersteunen en problemen op de interne markt te voorkomen.

  • Klimaatverandering: met de invoering van een CO2-component in de energiebelasting wil het voorstel de energiebelasting in overeenstemming brengen met de verplichtingen van de EU op het gebied van klimaatverandering. Aan de CO2-emissies van sectoren die buiten de EU-ETS vallen, zal een prijskaartje worden gehangen: hoe hoger de emissies van een bepaalde brandstof, des te hoger de CO2-belasting. Dit zal groenere energiebronnen in de hand werken en bijdragen aan de inspanningen om de EU-streefcijfers inzake CO2-reductie, energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen te realiseren.

  • Energie-efficiëntie: energie is schaars en dit moet in de belastingheffing tot uiting komen. Door de hoogte van de belasting te koppelen aan de energie-inhoud van brandstoffen, zouden alle sectoren een sterke stimulans krijgen om efficiënter met energie om te gaan.

  • Interne markt: het creëren van een EU-kader voor CO2-belasting zou voorkomen dat er in de lidstaten een lappendeken van milieuvriendelijke fiscale beleidsmaatregelen ontstaat, waardoor bedrijven meer rechts­zekerheid en minder nalevingskosten zouden hebben. In het voorstel zou ook een onderscheid worden gemaakt tussen sectoren die onder de EU-ETS vallen en sectoren die er niet onder vallen, wat dubbele belasting zou helpen voorkomen.

  • Bevordering van groei en werkgelegenheid: de lidstaten kunnen kiezen voor een groeiversterkend fiscaal beleid, waarbij de belastingdruk wordt verschoven van arbeid naar energieproducten in overeenstemming met de 2020-strategie.

Wat verandert er met het nieuwe voorstel?

De belastingen op energie zouden worden opgesplitst in twee componenten: een op basis van de CO2-inhoud en een op basis van de energie-inhoud.

CO2: Voor alle sectoren die buiten de EU-ETS vallen, zou er één minimumtarief voor CO2-emissies (20 €/t CO2) worden vastgesteld. Hiermee zou een koolstofprijs worden ingevoerd voor deze sectoren van de economie, namelijk gezinnen, vervoer, kleinere ondernemingen en landbouw, die buiten de EU-ETS vallen. Deze CO2-component zou niet worden toegepast op hernieuwbare energiebronnen.

ENERGIE: De minimumbelastingtarieven voor energie zouden worden gebaseerd op de energie-inhoud van een brandstof (€/GJ) en niet op de hoeveelheid. Een brandstof zal dus worden belast op basis van de hoeveelheid energie die hij voortbrengt, waardoor een hogere energie-efficiëntie automatisch zal worden beloond. Dankzij de energiecomponent van de belasting zullen bestaande verstoringen tussen concurrerende energiebronnen (bv. benzine en diesel) kunnen worden weggenomen en zal de belasting eerlijker worden voor de consument, omdat bij energieverbruik de energie-inhoud belangrijker is dan de hoeveelheid. Eén GJ zou op dezelfde wijze worden belast, ongeacht het product dat deze GJ voortbrengt.

Beide componenten samen (CO2 en energie-inhoud) zouden het algemene tarief vormen waarnaar een product wordt belast. De lidstaten zullen hun tarieven vrij kunnen vaststellen boven de EU-minima en de structuur van deze belastingen naar eigen inzicht kunnen inrichten: zo zullen zij ervoor kunnen kiezen alleen de energiecomponent op te trekken en de CO2-component op het minimumniveau te handhaven, of omgekeerd. Vervolgens moeten zij dan wel dezelfde tarieven en structuur toepassen op alle brandstoffen die voor dezelfde doeleinden worden gebruikt (motorbrandstoffen of andere brandstoffen).

Het bedrijfsleven zal de tijd krijgen om zich aan de nieuwe belastingstructuur aan te passen via lange overgangsperioden (tot 2023) voordat de energie-inhoud volledig in de belasting geïntegreerd wordt.

Wat is het toepassingsgebied van het voorstel?

De energiecomponent van de belasting zou gelden voor alle brandstoffen die voor vervoer en verwarming worden gebruikt. Het gebruik van energieproducten voor andere doeleinden (bv. in metallurgische processen) blijft buiten het toepassings­gebied van de energiebelasting, zoals nu ook al het geval is.

De CO2-component van de belasting vormt een aanvulling op de regeling voor de handel in emissierechten doordat hij van toepassing wordt op sectoren die buiten die regeling vallen (vervoer, gezinnen, landbouw en kleine sectoren). Zo komt er voor alle emissies van industriële installaties één CO2-prijssignaal.

Waarom nu?

Er zijn verschillende redenen waarom dit het gepaste moment is voor de Commissie om dit voorstel op tafel te leggen. Ten eerste kan dit voorstel, nu de lidstaten hun strategieën opzetten en uitvoeren om te voldoen aan de EU-energie- en klimaatveranderingsdoelstellingen voor de periode 2013-2020, een duidelijk beeld schetsen van de rol die belastingen hierbij kunnen spelen. Ten tweede is het de bedoeling dat de herziene energiebelastingrichtlijn een aanvulling vormt op de derde fase van de EU-ETS (2013-2020), waarin een algemeen EU-plafond zal worden vastgesteld en worden overgeschakeld van een allocatie- op een veilingsysteem. Het is derhalve zaak nu een voorstel in te dienen zodat het Parlement en de Raad voldoende tijd hebben om hierover overeenstemming te bereiken.

Vanuit het oogpunt van de interne markt is het ook belangrijk om nu een gemeenschappelijk kader voor CO2-belasting vast te stellen. De lidstaten beginnen hun eigen CO2-belastingen in te voeren en de aanpak daarvan kan verschillen. Een lappendeken van nationale beleidsmaatregelen kan problemen opleveren voor bedrijven die grensoverschrijdend actief zijn, en de concurrentie in de EU verstoren. Het is daarom beter nu met een EU-aanpak te komen, in plaats van te wachten totdat er misschien complexe aanpassingen van nationale wetten nodig zijn.

Tot slot maakt de herziening van de energiebelastingrichtlijn ook deel uit van de Europa 2020-strategie en komt zij tegemoet aan een verzoek van de Europese Raad van maart 2008. Zij bouwt ook voort op de VN-klimaatveranderingsconferentie die heeft plaatsgevonden in november en december 2010 in Cancun, Mexico. In die zin zou zij bijdragen aan duurzame groei en aan de bevordering van een groenere en concurrerendere economie waarin efficiënter met hulpbronnen wordt omgesprongen. Aangezien vele lidstaten nu hun beleidsstrategieën bepalen om de economische en financiële crisis achter zich te laten, biedt de herziene energiebelastingrichtlijn ook kansen om milieu- en economische doelstellingen op elkaar af te stemmen. De lidstaten zouden, als ze dat willen, een deel van de belastingdruk kunnen wegnemen van arbeid of kapitaal en sterker inzetten op belastingen die milieuvriendelijk en energie-efficiënt gedrag bevorderen. Vele diverse stakeholders, het Europees Parlement en ook een aantal lidstaten, ngo's en een deel van het bedrijfsleven dringen er bij de Commissie op aan om zo snel mogelijk dit voorstel op tafel te leggen.

Hoe zal het voorstel de energie-efficiëntie bevorderen?

De Commissie heeft zich ertoe verbonden de energie-efficiëntie te bevorderen om de concurrentiekracht en de voorzieningszekerheid van de EU te verbeteren en tegelijkertijd ambitieuzere doelstellingen inzake broeikasgasreductie te verwezenlijken. Belastingen zijn een krachtig instrument om de consument ertoe te bewegen efficiënter met hulpbronnen om te gaan. Het belasten van energieproducten volgens hun energie-inhoud is de efficiëntste manier om tot een efficiënter energiegebruik aan te zetten, omdat het de gebruiker een duidelijk prijssignaal geeft dat is gekoppeld aan de werkelijke "energiewaarde" van het product dat hij verbruikt.

Wat de energiecomponent van de belasting betreft, zal ook het belang van de minimumtarieven door het voorstel worden versterkt doordat het niet langer mogelijk zal zijn om voor de bedrijven de tarieven te verlagen onder de minima. Verder zal de mogelijkheid om verlaagde belastingtarieven toe te staan - die hoe dan ook boven het niveau van de minima moeten blijven -, duidelijk moeten worden gekoppeld aan de verwezenlijking van energie-efficiëntiedoelstellingen, bijvoorbeeld via sectorale overeenkomsten met controleerbare besparingsdoelstellingen.

Wat doet het nieuwe voorstel tegen vervuiling?

In het belastingstelsel zal rekening worden gehouden met de CO2-emissies van brandstoffen door toepassing van een CO2-gerelateerde fiscale component op brandstoffen die niet onder de EU-ETS vallen. Aangezien CO2-emissies geen grenzen kennen en grensoverschrijdend zijn, is het zinvol deze problematiek aan te pakken in het gemeenschappelijke EU-belastingkader. Wat daarentegen lokale luchtverontreiniging betreft, is het aangewezen dat de Commissie de lidstaten het instrument vrij laat kiezen. Andere instrumenten, zoals wegen- of fileheffingen, kunnen immers doelgerichter worden ingezet dan energiebelasting om deze problemen aan te pakken.

Waarom stelt de Commissie minimumtarieven voor in plaats van een volledige harmonisatie van de energiebelastingen?

De keuze voor minimumtarieven in 1993 was een compromis, enerzijds om verstoringen op de interne markt te beperken en anderzijds om de lidstaten enige speelruimte te bieden om aan hun budgettaire behoeften te voldoen. Op deze aanpak is in het algemeen nog altijd niets af te dingen, maar het is wel zaak dat de minimumtarieven die in de EU-wetgeving zijn vastgesteld, niet worden uitgehold en dat zij regelmatig worden geactualiseerd om rekening te houden met de economische, politieke en internationale ontwikkelingen.

Welke gevolgen heeft de herziene energiebelastingrichtlijn voor motor­brandstoffen?

De gevolgen zullen afhangen van een aantal factoren, waaronder de bestaande belastingniveaus en de wijze waarop de lidstaten hun belastingen rondom de nieuwe minima gaan opbouwen. Het grootste gevolg voor alle lidstaten zal zijn dat er een einde moet komen aan de verstorende fiscale behandeling van benzine en diesel die thans bestaat. Diesel wordt nu naar een lager tarief per liter belast dan benzine in op een na alle lidstaten (het Verenigd Koninkrijk), ondanks de hogere energie- en CO2-inhoud naar volume gemeten. Zo is een situatie ontstaan waarin marktprijssignalen hun rol niet langer kunnen vervullen: ofschoon de prijs voor diesel (voor belastingen) hoger is dan de prijs voor benzine (door een te sterke vraag naar diesel in de EU), is deze verhouding aan de pomp omgekeerd als gevolg van de belastingen. Dit leidt dan weer naar een nog grotere vraag naar diesel ondanks het tekort in de EU. Met het voorstel wordt een einde gemaakt aan deze verstoring door benzine en diesel en ook andere motorbrandstoffen neutraal te belasten, na een overgangs­periode van tien jaar tijdens welke de marktspelers hun industriële processen kunnen aanpassen. De meeste lidstaten zullen dit kunnen bereiken door ofwel de tarieven voor diesel te verhogen ofwel die voor benzine te verlagen.

Hoe zullen alternatieve motorbrandstoffen zoals lpg (vloeibaar petroleumgas) en CNG (gecomprimeerd aardgas) worden behandeld?

De lidstaten die CNG en lpg stimuleren, heffen op deze producten vaak een zeer lage belasting. Toch hebben zij tot dusver slechts beperkt ingang gevonden. Ter wille van een grotere samenhang moeten uiteindelijk op alle motorbrandstoffen, waardonder CNG en lpg, dezelfde belastingtarieven per energie- en CO2-inhoud worden geheven. Op die manier zullen de relatieve voordelen van elke brandstof in termen van CO2-emissies door het belastingstelsel automatisch worden beloond, maar daarbovenop zal geen concurrentievoordeel meer worden toegekend. Aangezien de huidige tarieven voor deze producten vaak zeer laag zijn en het nog enige tijd kan vergen voordat zij op gelijke voet kunnen concurreren met traditionele motorbrandstoffen, voorziet de nieuwe richtlijn evenwel in lange overgangs­perioden voor de aanpassing van de belastingtarieven. De lidstaten zullen derhalve gedurende twaalf jaar CNG en lpg fiscaal kunnen blijven faciliëren.

Welke gevolgen heeft dit voorstel voor biobrandstoffen?

Biobrandstoffen worden momenteel belast op basis van hoeveelheid, naar hetzelfde tarief als de brandstof die zij moeten vervangen, wat een concurrentienadeel vormt. Volgens het voorstel zouden biobrandstoffen worden belast op basis van hun eigen – doorgaans lagere – energie-inhoud. Zij zouden ook worden vrijgesteld van de CO2-component om rekening te houden met hun betere score op het gebied van CO2-emissies. Deze positieve behandeling is evenwel voorbehouden voor biobrandstoffen die voldoen aan de relevante duurzaamheidscriteria als omschreven in artikel 17 van de Richtlijn hernieuwbare energiebronnen (2009/28/EG) en artikel 7 ter van de Richtlijn brandstofkwaliteit (2009/30/EG).

Wat zijn de gevolgen voor verwarmingsbrandstoffen?

Ook voor verwarmingsbrandstoffen zal de nieuwe richtlijn de huidige verstorende behandeling van energieproducten opheffen door de lidstaten te verplichten hetzelfde belastingniveau toe te passen per t/CO2 en per GJ. Dit betekent bijvoorbeeld dat de nu zeer lage belastingtarieven voor steenkool, het product met de hoogste CO2-inhoud, omhoog zullen moeten gaan.

Met de invoering van een CO2-gerelateerde component zullen tegelijkertijd de gevolgen die verwarmingsproducten voor het klimaat hebben, voor het eerst in de belastingheffing worden meegenomen. Aangezien alle bedrijven die onder de EU-ETS vallen, automatisch van deze belastingcomponent zullen worden vrijgesteld, zal het voorstel ook gelijke voorwaarden scheppen voor de installaties die aan de regeling deelnemen en de installaties die er niet aan deelnemen, en ervoor zorgen dat alle vervuilers bijdragen aan de inspanningen inzake broeikasgasreductie.

Hoe wordt elektriciteit behandeld?

In principe blijft de behandeling van elektriciteit onder de herziene energiebelasting­richtlijn ongewijzigd. Er wordt nog altijd een aan de energie-inhoud gerelateerde belasting geheven op de plaats van verbruik en het minimumtarief blijft ongewijzigd.

Wat de CO2-component betreft, zou deze alleen kunnen worden geheven op de brandstoffen die voor de opwekking van elektriciteit worden gebruikt, omdat elektriciteit niet tot emissies leidt op de plaats van verbruik. De opwekking van elektriciteit zelf valt echter onder de EU-ETS en zal daarom vrijgesteld zijn van de CO2-component. Deze component zal anderzijds wel van toepassing zijn op kleine elektriciteitsproducenten, die wegens hun omvang buiten de ETS vallen.

Zijn er gevolgen voor kernenergie?

Het voorstel verandert niets aan de behandeling van kernenergie. Elektriciteit uit nucleaire bron wordt belast op de plaats van verbruik zoals elektriciteit uit alle andere bronnen. Belastingen op nucleaire brandstof zoals de heffing die onlangs in Duitsland werd ingevoerd, vallen buiten het toepassingsgebied van de energiebelastingrichtlijn en dus ook buiten het bestek van deze herziening.

Welke gevolgen zijn er voor gezinnen?

Gezinnen zijn verantwoordelijk voor 10 % van de CO2-emissies; de lidstaten zullen met deze sector dus rekening moeten houden in hun strategieën, welke middelen zij daarbij ook willen inzetten (bv. een CO2-heffing of een verplichting om verwarmings­installaties te vervangen). Milieumaatregelen hebben soms gevolgen voor het gezinsbudget – met name bij gezinnen met een lager inkomen. Het ligt dan ook in de rede dat ambitieuze milieumaatregelen door een degelijk vangnet moeten worden onderbouwd en door sociale maatregelen worden geflankeerd. De gevolgen van de voorgestelde nieuwe energie-/CO2-belasting zullen in grote mate afhangen van de wijze waarop de lidstaten de opbrengsten ervan zullen besteden. Zij zouden bijvoorbeeld een deel ervan kunnen gebruiken om gezinnen (in het bijzonder die met een laag inkomen) met forfaitaire vergoedingen te compenseren. Een ander deel van de opbrengsten van de energiebelasting zou kunnen worden herverdeeld om de gevolgen voor de gezinnen in grote mate op te vangen. Het is zeer vaak zo dat de lidstaten die al een CO2-heffing hebben ingevoerd, daarnaast ook effectieve sociale maatregelen hebben genomen.

Voorts zullen de lidstaten volgens het voorstel de mogelijkheid behouden om een verlaagd tarief toe te passen op energieproducten voor de verwarming van woningen. In tegenstelling tot de huidige richtlijn, waar deze mogelijkheid beperkt is tot een verlaagd tarief uitsluitend voor aardgas, steenkool en elektriciteit, zullen de lidstaten voortaan alle verwarmingsbrandstoffen voor huishoudelijk gebruik (inclusief stookolie) gelijkelijk kunnen vrijstellen. De Commissie zal na twee jaar een evaluatieverslag opstellen over de gevolgen van deze vrijstellingsbepaling.

Zal er rekening worden gehouden met de typische kenmerken van bepaalde sectoren?

Een van de doelstellingen van de herziene energiebelastingrichtlijn is ervoor te zorgen dat overal in de Unie op een consistentere en effectievere wijze energiebelasting wordt geheven. In het nieuwe belastingstelsel zou daarom alleen een onderscheid worden gemaakt tussen sectoren die aan de ETS deelnemen en waar al een koolstofprijs van toepassing is, en sectoren die niet aan de ETS deelnemen en die de CO2-component zullen moeten betalen.

Om negatieve gevolgen te voorkomen, worden er evenwel een aantal specifieke regels voorgesteld voor de sectoren met een weglekrisico (dat wil zeggen industrieën die broeikasgassen uitstoten en in de verleiding zouden kunnen komen om hun productie naar buiten de EU te verplaatsen om hun concurrentiepositie te handhaven). Zij zullen op basis van de ontwikkeling van hun verbruik een belastingkrediet krijgen voor de CO2-component van de belasting. Tot op zekere hoogte zal in de herziene richtlijn verder rekening worden gehouden met het typische karakter van de landbouw, waar volledige vrijstelling van de energiecomponent mogelijk zal blijven mits de sector bepaalde verplichtingen aangaat ten behoeve van het milieu en de energie-efficiëntie.

Tot slot zijn bepaalde overgangsperioden voorgesteld om brutale wijzigingen voor gebruikers van bepaalde energieproducten (zoals diesel, zie hoger) te voorkomen.

Wat met ingevoerde goederen?

Door een prijskaartje te hangen aan koolstofemissies die samenhangen met productie binnen de EU, kunnen er verstoringen ontstaan ten opzichte van producenten van derde landen waar er geen vergelijkbare mechanismen bestaan. Het merendeel van de industrieën die broeikasgassen uitstoten en waar dus een "weglekrisico" bestaat, valt onder de ETS. In deze context heeft de EU besloten om het weglekrisico tegen te gaan door een hoger aantal gratis rechten toe te wijzen aan de sectoren die een risico lopen, in plaats van te trachten een koolstofbarrière tegen ingevoerde goederen op te werpen aan de grens. De herziene energiebelastingrichtlijn voorziet daarom niet in een koolstofheffing aan de grens voor ingevoerde producten. De industrieën buiten de ETS die aan de CO2-component zouden worden onderworpen, zijn doorgaans kleiner en minder onderhevig aan internationale concurrentie en eventueel weglekken van koolstof. Het voorstel bevat desalniettemin bepalingen voor installaties in sectoren waar een weglekrisico bestaat (bv. sectoren met een hoge energie-intensiteit en commerciële blootstelling, zoals in het geval van een aantal mineralogische procedés), zoals er ook bepalingen zijn vastgesteld voor industrieën binnen de ETS die dit gevaar lopen. Zij zullen een belastingkrediet krijgen voor de CO2-component op basis van hun energieverbruik in het verleden - een oplossing die hen beschermt tegen oneerlijke concurrentie terwijl geen afbreuk wordt gedaan aan de prikkel om hun eigen emissies te beperken.

Kort samengevat: welke vrijstellingen bestaan er nu onder de energiebelastingrichtlijn en wat gebeurt ermee in de toekomst?

De lidstaten zullen de speelruimte die zij nu hebben, grotendeels behouden, in overeenstemming met de energie- en klimaatbeleidsdoelstellingen.

  • Wat motorbrandstoffen betreft, streeft het voorstel naar een consistente behandeling van alle producten in termen van energie- en CO2-inhoud na een overgangsperiode. De bestaande vrijstellingen voor biobrandstoffen, CNG (gecomprimeerd aardgas) en lpg (vloeibaar petroleumgas) zullen daarom geleidelijk worden afgeschaft (einddatum 2023). Dit betekent dat in 2023 een product alleen nog in aanmerking zal komen voor een vrijstelling als zijn CO2-balans dit rechtvaardigt.

  • Wat verwarmingsbrandstoffen voor bedrijven betreft, kunnen de lidstaten volgens de huidige regels de belastingtarieven tot nul verlagen voor energie-intensieve sectoren en tot 50 % van de EU-minima voor andere sectoren, onder bepaalde voorwaarden. Om concurrentieverstoringen tussen de lidstaten te beperken en problemen met staatssteun te voorkomen, zullen de lidstaten volgens de herziene richtlijn alleen nog belastingverlagingen mogen toestaan als zij daarbij de EU-minima in acht nemen (zowel wat de energie- als de CO2-component betreft). Anderzijds zullen bedrijven die deelnemen aan de EU-ETS, automatisch vrijgesteld zijn van de CO2-component; bedrijven uit sectoren waar een weglekrisico bestaat, zullen verplicht een CO2-belastingkrediet krijgen. Beide regels zullen door de lidstaten moeten worden toegepast, wat verstoringen zal voorkomen.

  • Wat de verwarming van woningen betreft, zal de huidige speelruimte die de lidstaten hebben om sommige producten vrij te stellen (gas, kolen en elektriciteit), worden uitgebreid tot alle verwarmingsbrandstoffen (waaronder minerale oliën) om tot een consistente behandeling van energieproducten te komen. Tegelijkertijd zal de Commissie in haar periodieke verslag de gevolgen van deze vrijstelling evalueren om na te gaan of zij in overeenstemming is met haar energie- en klimaatbeleidsdoelstellingen.

  • Wat de landbouw betreft, zullen er lagere belastingtarieven van toepassing blijven, maar deze zullen nu afhangen van de milieudoelstellingen om ervoor te zorgen dat de sector ook bijdraagt aan de gezamenlijke inspanningen om energie te besparen.

  • De lidstaten zullen de mogelijkheid blijven hebben om een gunstiger fiscale behandeling toe te staan wanneer dit uit milieuoverwegingen gerechtvaardigd is, zoals voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen of zeer efficiënte warmtekrachtkoppeling.

  • Aan de huidige vrijstellingen voor de internationale luchtvaart en het maritiem vervoer wordt niet geraakt vanwege bestaande internationale verplichtingen en het gevaar van concurrentieverstoringen in het geval van eenzijdige maatregelen van de lidstaten. Deze vrijstellingen zullen echter wel opnieuw worden bekeken in het periodieke verslag van de Commissie over de toepassing van de richtlijn.

  • Negen nieuwe lidstaten (Bulgarije, Tsjechië, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië en Slowakije) krijgen een overgangsperiode tot 2020 tijdens welke zij de CO2-component buiten toepassing mogen laten. Dit is gerechtvaardigd door hun in het algemeen lagere inkomensniveau.

Zullen de minimumtarieven worden aangepast aan ontwikkelingen van buitenaf zoals inflatie of de ontwikkeling van de CO2-prijs?

Ja. Dit zal een van de belangrijkste voordelen zijn die het voorstel biedt. De minimumtarieven zullen worden aangepast aan ontwikkelingen van buitenaf zoals inflatie of stijgingen/dalingen van de CO2-prijs. In de herziene energiebelasting­richtlijn zal dus meer rekening worden gehouden met deze externe factoren. Het aan de energie-inhoud gerelateerde minimumbelastingtarief zal zijn werkelijke waarde behouden en om de drie jaar worden aangepast aan de kerninflatie (inflatie van producten zonder levensmiddelen en energie). Wat het aan CO2 gerelateerde minimumtarief betreft, voorziet de richtlijn in een periodieke evaluatie om ervoor te zorgen dat dit tarief in overeenstemming blijft met de CO2-prijs in de EU-ETS en dat concurrentieverstoringen in dit verband tussen bedrijven die wel en niet aan de ETS deelnemen, zoveel mogelijk worden beperkt.

Welke landen hebben al een koolstofbelasting ingevoerd?

Momenteel hebben Denemarken, Ierland, Finland en Zweden al een koolstof­belasting ingevoerd. De nationale tarieven zijn evenwel op zeer uiteenlopende niveaus vastgesteld en sluiten niet aan bij de koolstofprijs onder de EU-ETS.

Wanneer treedt de herziene energiebelastingrichtlijn in werking?

De herziene richtlijn zou van toepassing worden vanaf 2013 om parallel aan de derde fase van de EU-ETS te functioneren. Er komt een passende aanloopperiode voor lidstaten die hun belastingen herstructureren, zodat de nationale overheden, bedrijven en energiesector de tijd hebben om zich aan te passen. Het bedrijfsleven zal de tijd krijgen om zich aan de nieuwe belastingstructuur aan te passen via lange overgangsperioden (tot 2023) voordat de energie-inhoud volledig in de belasting geïntegreerd wordt.

Zie ook IP/11/468.


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website