Navigation path

Left navigation

Additional tools

MEMO/10/627

Brussel, 29 november 2010

Klimaatverandering: Vragen en antwoorden in verband met de klimaatconferentie in Cancún

1. Waarom nogmaals een klimaatconferentie?

De partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC)1 en bij het protocol van Kyoto2 vergaderen eenmaal per jaar op hoog niveau om te bespreken hoe vooruitgang kan worden geboekt bij internationale maatregelen om de klimaatverandering tegen te gaan. Mexico treedt dit jaar op als gastland voor de conferentie, die van 29 november tot 10 december in Cancún plaatsvindt. Het zal de 16de "Conferentie der Partijen" (COP 16) van het UNFCCC en de 6de "Conferentie van de Partijen waarin de Partijen bij dit Protocol bijeenkomen" (CMP 6) van het protocol van Kyoto zijn.

Naar aanleiding van de conferentie op Bali in 2007 werden onderhandelingen opgestart om een wereldwijde aanpak van de klimaatverandering in het leven te roepen voor de periode na 2012, wanneer de eerste verbintenisperiode in het kader van het protocol van Kyoto afgelopen zal zijn. Het was de bedoeling deze onderhandelingen tijdens de conferentie van Kopenhagen in december 2009 af te ronden maar dat is niet mogelijk gebleken. De conferentie van Kopenhagen resulteerde evenwel in het akkoord van Kopenhagen dat door 140 landen, waaronder de Europese Unie en haar lidstaten, werd onderschreven.

De onderhandelingen over een wereldwijde aanpak van de klimaatverandering na 2012 zullen derhalve in Cancún worden voortgezet. Een tijdige wereldwijde aanpak is noodzakelijk wil de wereld een kans hebben om de opwarming van de aarde te beperken tot minder dan 2°C boven de temperatuur van het pre-industriële tijdperk, hetgeen volgens het akkoord van Kopenhagen noodzakelijk is.

2. Wat kan door de conferentie van Cancún worden bereikt? Zal deze conferentie de mondiale aanpak van de klimaatverandering opleveren waartoe tijdens de conferentie van Kopenhagen niet kon worden besloten?

De EU heeft in Kopenhagen haar bereidheid getoond om in te stemmen met een ambitieuze, algemene, juridisch bindende, wereldwijde aanpak van de klimaatverandering en van diezelfde bereidheid zal zij ook in Cancún blijk geven. Het hoeft evenwel geen betoog dat een aantal andere belangrijke economieën niet diezelfde bereidheid aan de dag legt.

De EU acht het daarom belangrijk dat Cancún een belangrijke tussenstap wordt waarmee in een aantal fundamentele zaken maatregelen worden genomen die tot onmiddellijke actie kunnen leiden en die de wereld zo spoedig mogelijk een stap dichter bij een wereldwijde, algemene, juridisch bindende aanpak brengt. Het protocol van Kyoto zou als basis moeten dienen voor deze maatregelen en de politieke richtsnoeren van het akkoord van Kopenhagen zouden in het pakket geïntegreerd moeten worden. De maatregelen moeten de vooruitgang weerspiegelen die tot dusverre in het kader van de onderhandelingen is geboekt, en tevens enkele belangrijke fundamenten leggen van het "bouwwerk" waarmee de klimaatverandering in de toekomst wereldwijd zal worden aangepakt.

3. Hoe moet "evenwichtig" in deze context worden verstaan?

De onderhandelingen over de wereldwijde aanpak na 2012 worden op twee parallelle niveaus gevoerd. Op het ene niveau wordt gepraat over maatregelen op lange termijn voor alle partijen bij het UNFCCC, inclusief de VS, en op het andere over toekomstige emissiereductiedoelstellingen en aanverwante regels voor ontwikkelingslanden die partij zijn bij het protocol van Kyoto.

Voor de EU verwijst "evenwichtig" naar een pakket maatregelen dat zowel de vooruitgang die - op beide niveaus - op diverse punten werd geboekt als de belangen van alle partijen in aanmerking neemt.

Een evenwichtige aanpak betekent eveneens dat wordt vastgesteld welke maatregelen door alle landen zullen worden genomen, met name met het oog op een beperking van de uitstoot, en hoe dergelijke maatregelen zullen worden ondersteund.

4. Op welke kwesties moeten de in Cancún genomen besluiten betrekking hebben?

Over welke kwesties het pakket van Cancún zal gaan, moet nog worden overeengekomen. Wat de EU betreft, moeten met de besluiten een aantal specifieke kwesties worden aangepakt en moeten zij een bijdrage leveren aan het ontwerp van een wereldwijde aanpak van de klimaatverandering na 2012. Sommige maatregelen moeten uitmonden in onmiddellijke actie op het terrein om de klimaatverandering aan te pakken, met name in ontwikkelingslanden.

De kwesties die de EU wenst aangepakt te zien als onderdeel van een evenwichtig Cancún-pakket zijn onder meer:

  • Opname van de in het kader van het akkoord van Kopenhagen aangegane emissieverbintenissen in het VN‑proces

  • Transparantieregels, MRV‑systeem (Monitoring, Reporting and Verification = controle, verslaglegging en verificatie)

  • Hervorming en uitbreiding van de koolstofmarktmechanismen

  • Ontbossing in ontwikkelingslanden

  • Rapportageregels met betrekking tot bosbeheer voor ontwikkelde landen

  • Aanpassing aan de klimaatverandering

  • Beheer van het toekomstige Groene Klimaatfonds van Kopenhagen

  • Samenwerking op technologisch gebied

  • Capaciteitsopbouw voor ontwikkelingslanden

  • Uitstoot van het internationale lucht‑ en zeevervoer

Meer toelichting bij deze kwesties wordt verschaft in de punten 9 tot 18 hieronder.

5. Is de EU voorstander van een tweede verbintenisperiode in het kader van het protocol van Kyoto?

De EU geeft de voorkeur aan een wereldwijde aanpak van de klimaatverandering na 2012, in de vorm van één nieuw juridisch bindend instrument waarin alle essentiële elementen van het protocol van Kyoto zijn opgenomen. De EU is evenwel bereid om een oplossing te aanvaarden die gebaseerd is op afzonderlijke juridische instrumenten voor elk van de twee "niveaus" waarop wordt onderhandeld, zo lang deze instrumenten maar logische, vergelijkbare en juridisch bindende voorschriften bevatten. De EU is bereid om een tweede verbintenisperiode in het kader van het protocol van Kyoto in overweging te nemen op voorwaarde dat deze verbintenisperiode een onderdeel vormt van een dergelijk "dubbelniveau‑resultaat" waarbij alle belangrijke economieën betrokken zijn en op voorwaarde dat de zwakke punten in het protocol die de milieu‑integriteit ondermijnen een bevredigende oplossing krijgen.

6. Welke voorwaarden stelt de EU voor haar instemming met een tweede verbintenisperiode in het kader van het protocol van Kyoto?

Een tweede verbintenisperiode in het kader van het protocol van Kyoto zou deel moeten uitmaken van een wereldwijde en algemene aanpak van de klimaatverandering waarbij alle belangrijke economieën betrokken zijn. Het protocol van Kyoto alleen zal geen gevaarlijke klimaatverandering voorkomen aangezien het slechts betrekking heeft op 30% van de wereldwijde uitstoot en dat percentage zal in de toekomst nog afnemen.

De huidige zwakke punten in het protocol van Kyoto die de milieu‑integriteit ondermijnen, moeten een oplossing krijgen. De twee belangrijkste problemen zijn de mogelijkheid waarover de partijen beschikken om niet‑gebruikte emissierechten - toegewezen eenheden (AAU) - uit de eerste verbintenisperiode over te dragen (zie punt 19 hieronder) en de rapportageregels met betrekking tot bosbeheer (zie punt 13 hieronder). Deze problemen onopgelost laten, zou betekenen dat de impact van de verbintenissen die de ontwikkelde landen met betrekking tot de vermindering van hun uitstoot momenteel zijn aangegaan, vrijwel nihil zou zijn of zelfs dat de uitstoot in beperkte mate zou toenemen.

Er moet vooruitgang worden geboekt door middel van een hervorming van het "mechanisme voor schone ontwikkeling" en door middel van nieuwe koolstofmarktmechanismen (zie punt 11 hieronder).

7. Welke maatregelen neemt de EU om haar eigen uitstoot van broeikasgassen te verminderen?

De EU erkent dat de ontwikkelde landen verantwoordelijkheid dragen en het voortouw moeten nemen bij de bestrijding van de klimaatverandering. Zij verbindt zich ertoe een uiterst energie‑efficiënte economie met een lage uitstoot van broeikasgassen te worden. Zij werkt met succes aan de vermindering van haar eigen uitstoot van broeikasgassen, die goed is voor 11% van de wereldwijde uitstoot (de uitstoot als gevolg van de ontbossing meegerekend).

Gedeeltelijk dankzij een beleid en maatregelen die op EU‑niveau en op nationaal niveau de laatste tien jaar ten uitvoer werden gelegd, zijn de EU en haar 27 lidstaten goed op weg om hun verbintenissen in het kader van het protocol van Kyoto na te komen of om zelfs nog beter te doen.

De 15 landen die reeds lid waren van de EU ten tijde van de goedkeuring van het protocol van Kyoto hebben er zich toe verbonden hun collectieve uitstoot in de periode 2008‑2012 ten opzichte van een gekozen referentiejaar (in de meeste gevallen 1990) met 8% te verminderen. In 2009 was de uitstoot met bijna 13% gedaald en prognoses van de toekomstige uitstoot wijzen erop dat de daling uiteindelijk zelfs 14,2% zou kunnen bedragen. De 10 andere lidstaten die in het kader van het protocol van Kyoto individuele reductiedoelstellingen van 6% tot 8% hebben, zijn eveneens goed op weg om deze doelstellingen te bereiken.

De EU heeft er zich unilateraal toe verbonden haar uitstoot van broeikasgassen tegen 2020 ten opzichte van het jaar 1990 met 20% te verlagen en heeft zich tevens ten doel gesteld om 20% van haar energie uit hernieuwbare bronnen te halen. Zij heeft als enige regio ter wereld bindende rechtsregels uitgevaardigd om te waarborgen dat de doelstellingen die ze zich voor 2020 heeft gesteld, worden gehaald. De EU heeft ook aangeboden om - in het kader van een wereldwijde en algemene klimaatovereenkomst voor de periode na 2012 - haar uitstoot tegen 2020 zelfs met 30% te verlagen ten opzichte van het niveau van 1990, op voorwaarde dat andere belangrijke economieën zich er ook toe verbinden een billijk gedeelte van de inspanning voor hun rekening te nemen. De EU zal de situatie, met inbegrip van de opties om de uitstoot tegen 2020 met meer dan 20% te verlagen, na de conferentie van Cancún opnieuw evalueren.

Er zijn wetenschappelijke bewijzen voor het gegeven dat, om te voorkomen dat de aarde met meer dan 2°C opwarmt, tegen 2050 een wereldwijde daling van de uitstoot met minstens de helft ten opzichte van het niveau van 1990 noodzakelijk is. In deze context, en gezien het feit dat de ontwikkelde landen het voortouw moeten nemen, heeft de EU zichzelf als doel gesteld haar uitstoot tegen 2050 ten opzichte van het niveau van 1990 met 80‑95% te verlagen. Er wordt een stappenplan voorbereid waarin een strategie wordt uitgestippeld die het mogelijk moet maken om deze doelstelling te bereiken en om de overstap naar een koolstofarme maatschappij te voltooien. Dit stappenplan wordt begin 2011 voorgesteld.

8. Hoeveel financiële steun verleent de EU om ontwikkelingslanden te helpen bij het tegengaan van de klimaatverandering?

De EU is wereldwijd de grootste donor van financiële steun aan ontwikkelingslanden; zij verleent jaarlijks haast 60% van de wereldwijde officiële ontwikkelingshulp (Official Development Assistance = ODA), m.a.w. ongeveer 60 miljard dollar. In 2008 was de EU goed voor meer dan 60% van alle met de klimaatverandering verband houdende ODA.

Behalve het verlenen van haar traditionele ontwikkelingshulp heeft de EU zich ertoe verbonden in de loop van de periode 2010‑2012 7,2 miljard euro "fast start"‑financiering ter beschikking te stellen om ontwikkelingslanden te helpen zich aan de klimaatverandering aan te passen en hun uitstoot te beperken. Deze verbintenis komt neer op haast één derde van het totale bedrag aan "fast start"‑ financiering van 30 miljard dollar waartoe de ontwikkelde landen zich voor 2010-2012 in het kader van het akkoord van Kopenhagen hebben verbonden.

In 2010 heeft de EU 2,2 miljard euro van de 7,2 miljard euro "fast start"‑financiering die ze tegen het einde van 2012 ter beschikking zal stellen, vrijgemaakt. Zij zal naar aanleiding van de conferentie in Cancún, en nadien jaarlijks, een uitvoerig en transparant verslag over de nakoming van haar verbintenis met betrekking tot de "fast start"‑financiering overleggen.

In het kader van het akkoord van Kopenhagen hebben de ontwikkelde landen zich er ook gezamenlijk toe verbonden jaarlijks 100 miljard dollar vrij te maken ter ondersteuning van overheidsmaatregelen of particuliere initiatieven om de klimaatverandering in ontwikkelingslanden tegen te gaan. De EU is bereid om een redelijk deel van het door internationale overheidsinstanties gefinancierde gedeelte van dit totaal voor haar rekening te nemen.

9. Welke besluiten moeten er volgens de EU in Cancún worden genomen om de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen te verlagen?

In het kader van het akkoord van Kopenhagen hebben vele ontwikkelingslanden en ontwikkelde landen, waaronder de EU (zie punt 7), zich ertoe verbonden hun uitstoot van broeikasgassen tegen 2020 te verlagen of te beperken. Deze verbintenissen zijn een mooie aanzet maar collectief gezien zijn ze ontoereikend om de emissiereducties te verwezenlijken die nodig zijn om de opwarming van de aarde tot minder dan 2°C te kunnen beperken.

Gezien het niet‑bindende, politieke karakter van het akkoord van Kopenhagen wenst de EU dat in het kader van de Conferentie van Cancún maatregelen worden genomen waardoor deze verbintenissen worden "verankerd" in het onderhandelingsproces dat in het kader van het UNFCCC plaatsvindt. Cancún zou tevens besprekingen op gang moeten brengen om onduidelijke punten in sommige verbintenissen toe te lichten, steun voor de naleving ervan te verwerven en oplossingen te overwegen om tot een betere collectieve doelstelling te komen die de bovengrens van 2°C respecteert.

De EU wenst tevens dat in Cancún besluiten worden genomen op talrijke andere gebieden die voor de verlaging van de uitstoot belangrijk zijn, zoals:

- een hervorming van het mechanisme voor schone ontwikkeling en een overeenkomst om nieuwe koolstofmarktmechanismen vast te stellen (zie punt 11);

- het leggen van een operationele grondslag voor een mechanisme om de uitstoot door ontbossing en door aantasting van de bossen in de tropen te verlagen (zie punt 12);

- een herziening van de rapportageregels met betrekking tot bosbeheer voor ontwikkelde landen (zie punt 13);

- de vaststelling van een mondiaal beleidskader voor een verlaging van de uitstoot van het internationale lucht‑ en zeevervoer (zie punt 18).

10. Welke besluiten moeten er in Cancún worden genomen omtrent de transparantie van de maatregelen?

Het is de wens van de EU dat in Cancún concrete vooruitgang wordt geboekt bij het opzetten van een degelijker MRV‑systeem (controle, verslaglegging en verificatie). Op deze wijze kan een transparanter antwoord worden gegeven op de vraag of de landen hun verbintenissen met betrekking tot de uitstoot nakomen, of op de vraag of de ontwikkelde landen hun toezeggingen om ontwikkelingslanden op lange termijn financiële steun te verlenen, gestand doen. Dankzij dit systeem zou ook de vooruitgang die wereldwijd wordt geboekt bij het respecteren van de bovengrens van 2°C kunnen worden gecontroleerd. De grotere transparantie die het gevolg zou zijn van een degelijker MRV‑systeem moet een groter vertrouwen tussen de partijen, en tussen Noord en Zuid in het algemeen, in de hand werken.

Het akkoord van Kopenhagen bevat nuttige richtsnoeren voor het opzetten van een degelijk MRV‑systeem maar een en ander moet verder worden uitgewerkt. Tijdens de conferentie van Cancún moeten besluiten worden genomen die zorgen voor een kader voor een coherent en evenwichtig MRV‑systeem en tevens richtsnoeren worden opgesteld die het mogelijk maken om in de loop van volgend jaar de laatste hand aan dat systeem te leggen. Hoewel een coherente aanpak verzekerd moet zijn, moeten de verschillende verantwoordelijkheden en capaciteiten van ontwikkelde en ontwikkelingslanden in het kader van het systeem in aanmerking worden genomen en moet het verschillende karakter van beider verbintenissen worden gerespecteerd.

In dat verband zullen alle landen, uitgaande van het huidige systeem van regelmatige "nationale mededelingen", op een betere - d.w.z. meer gedifferentieerde - wijze informatie moeten verstrekken. De informatie die door de ontwikkelde landen wordt verstrekt, wordt nu reeds aan een grondige internationale "beoordeling" onderworpen; ter aanvulling hierop, en in overeenstemming met het akkoord van Kopenhagen, moet Cancún een proces op gang brengen dat "internationale raadpleging en internationaal onderzoek" van de door de ontwikkelingslanden verstrekte informatie vergemakkelijkt.

Over het geheel genomen moet het MRV‑systeem zorgen voor een gemeenschappelijk kader waarbinnen alle landen op zorgvuldige, openlijke en transparante wijze rekenschap afleggen, informatie uitwisselen, van elkaar leren en wederzijds vertrouwen opbouwen.

11. Welke besluiten moeten er in Cancún met betrekking tot de koolstofmarktmechanismen worden genomen?

Koolstofmarktmechanismen zijn belangrijke instrumenten om de uitstoot van broeikasgassen op kostenefficiënte wijze te verlagen, financiële middelen uit de particuliere sector aan te trekken en investeringen toe te spitsten op koolstofarme technologieën.

De EU wenst dat in Cancún vooruitgang wordt geboekt met de hervorming van het mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM = Clean Development Mechanism) van het protocol van Kyoto zodat de milieu‑integriteit, de doeltreffendheid en het beheer alsook de regionale spreiding van CDM‑projecten in de ontwikkelingslanden worden verbeterd.

Cancún moet tevens de grondslag leggen om nieuwe, opgeschaalde koolstofmarktmechanismen voor geavanceerde ontwikkelingslanden vast te stellen en om de door deze landen gegenereerde emissiekredieten te erkennen. Dit zou kunnen betekenen dat proefprojecten worden bevorderd. De nieuwe mechanismen zouden volledige economische sectoren kunnen bestrijken - sectorale mechanismen - of het zou kunnen gaan om andere soorten marktmechanismen waarbij de aanpak in het kader van het CDM wordt overstegen en emissies in ontwikkelde landen niet langer, project per project, worden geneutraliseerd door emissieoverschotten in ontwikkelingslanden.

12. Wat moet in Cancún worden besloten om de ontbossing in de tropen aan te pakken?

Ongeveer 15‑20% van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen is het gevolg van ontbossing en aantasting van bossen in tropische gebieden. Internationaal is er consensus over het feit dat deze situatie rechtgezet moet worden door middel van een programma dat de uitstoot ten gevolge van ontbossing in ontwikkelingslanden vermindert (het "REDD" -programma = reducing emissions from deforestation in developing countries) en dat ook bosbehoud, duurzaam bosbeheer en een verbetering van de koolstofopslag in de bossen ("REDD+") bevordert.

In het kader van het akkoord van Kopenhagen bleek een "REDD+mechanisme" noodzakelijk om in de ontwikkelde landen de nodige fondsen bijeen te kunnen brengen. De EU wenst dat in Cancún, als onderdeel van een evenwichtig pakket, een besluit wordt genomen om dit mechanisme operationeel te maken. Hiertoe moeten snel evenwichtige regels, richtsnoeren, doelstellingen en uitvoeringsvoorwaarden voor "REDD+"‑acties worden vastgesteld die de milieu-integriteit van het mechanisme waarborgen.

Als doelstellingen zouden moeten gelden dat de bruto ontbossing in tropische gebieden tegen 2020, ten opzichte van het huidige niveau, met minstens de helft wordt verminderd en dat het verlies aan bosareaal wereldwijd uiterlijk 2030 tot staan wordt gebracht. De besluiten moeten er ook voor zorgen dat de biodiversiteit in tropische bossen in stand wordt gehouden, dat een billijke batenverdeling onder de belanghebbenden gegarandeerd is, dat de rechten en de kennis van autochtone bevolkingen en plaatselijke gemeenschappen worden erkend, en dat de beheersstructuren voor de bosbouw worden verbeterd.

Van de 2,2 miljard euro aan "fast start"‑financiering die de EU in 2010 heeft gemobiliseerd, werden 362 miljoen euro toegewezen voor de ondersteuning van REDD+ activiteiten in ontwikkelingslanden.

13. Hoe is het gesteld met de rapportageregels met betrekking tot bosbeheer in de ontwikkelde landen?

Bossen zijn enorme koolstofreservoirs. Ze stoten van nature kooldioxide uit in de atmosfeer en absorberen (verwijderen) kooldioxide (CO2) uit de atmosfeer.

In het kader van het Protocol van Kyoto moeten de ontwikkelde landen rekening houden met het ten gevolge van bebossing, herbebossing en ontbossing uitgestoten en geabsorbeerde kooldioxide wanneer zij nagaan of zij hun reductiedoelstellingen halen. Het staat hun evenwel vrij om al dan niet rekening te houden met uitgestoten en geabsorbeerd kooldioxide dat het gevolg is van "bosbeheer", m.a.w. van beheersactiviteiten zoals het rooien van bomen en het planten van nieuwe bomen op gronden die vóór 1990 bebost waren en ook vandaag nog bebost zijn. Het optionele karakter van deze regel en de wijze waarop de rapportage plaatsvindt, is een zwak punt in het protocol; de regel beperkt de resultaten van de emissiereductiedoelstellingen in de praktijk en spoort de landen niet echt aan om opname van CO2  door hun bossen te verhogen.

De EU is voorstander van een strakkere rapportage met betrekking tot het bosbeheer zodat een betere milieu-integriteit wordt gegarandeerd en een sterkere impuls tot het verlagen van de emissies wordt gegeven. Europa wenst ook dat ontwikkelde landen na 2012 een rapportageplicht wordt opgelegd voor uitgestoten en geabsorbeerd kooldioxide als gevolg van bosbeheer op voorwaarde dat de landen voor de wijze waarop zij rapporteren een zekere flexibiliteit wordt toegestaan.

De onderhandelingen in het kader van het protocol van Kyoto over een herziening van de rapportageregels voor bosbeheer en de opname van deze regels in een ruimer pakket van rapportageregels voor landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (land use, land-use change and forestry – "LULUCF"), zijn goed gevorderd. De EU wenst dat de nieuwe "LULUCF"-regels in Cancún worden goedgekeurd.

14. Welke besluiten moeten in Cancún met betrekking tot de aanpassing aan de klimaatverandering worden genomen?

Ieder land moet zich aan de klimaatverandering aanpassen maar de uitdaging is bijzonder groot voor de armste en kwetsbaarste ontwikkelingslanden. In Cancún zou, als onderdeel van een evenwichtig pakket, het besluit moeten worden genomen om een kader voor internationale samenwerking vast te stellen met als doel de maatregelen die door de landen worden genomen om zich aan de klimaatverandering aan te passen, te versterken. De prioriteiten, behoeften en maatregelen met betrekking tot dit kader voor aanpassing moeten door de landen zelf worden vastgesteld.

Het besluit dat in Cancún wordt genomen, moet de leidraad voor het kader vormen. Het besluit moet tevens de nodige financiële ondersteuning van aanpassingsmaatregelen waarborgen en voorzien in middelen om deze maatregelen te controleren en de toepassing ervan te beoordelen. Het besluit moet de mate van urgentie en het belang van de ondersteuning van de aanpassingsmaatregelen laten zien waarbij voorrang moet worden gegeven aan bijzonder kwetsbare landen, met name de minst ontwikkelde landen (LDC's = least developed countries), de kleine eilandstaten in ontwikkeling (SIDS = Small Island Developing States) en de landen in Afrika die door droogte, woestijnvorming en overstromingen worden getroffen.

In 2010 heeft de EU 735 miljoen euro aan "fast start"‑financiering ter beschikking gesteld voor aanpassingsmaatregelen in ontwikkelingslanden.

15. Wat moet er in Cancún worden besloten omtrent het Groene Klimaatfonds van Kopenhagen?

In het akkoord van Kopenhagen werd beslist dat een "Groen Klimaatfonds van Kopenhagen" zal worden opgericht. Het fonds zal worden ingezet ter ondersteuning van projecten, programma's, beleid en andere activiteiten in ontwikkelingslanden die een beperking van de uitstoot (inclusief de bestrijding van de ontbossing), een aanpassing aan de klimaatverandering, capaciteitsopbouw, technologische ontwikkeling of technologieoverdracht ten doel hebben. Het fonds zal worden opgericht als operationele entiteit van het financiële mechanisme van het UNFCCC.

De EU wenst dat in Cancún, als onderdeel van een evenwichtig pakket, overeenstemming wordt bereikt over de fundamentele principes voor het bestuur van het fonds. De EU trekt mee een proces op gang om het fonds op te richten zodat het bij de volgende klimaatconferentie van de VN, eind 2011, operationeel is.

16. Wat moet er in Cancún worden besloten omtrent technologie?

De ontwikkeling, de verspreiding en het gebruik van technologieën om de maatschappij te helpen bij de aanpassing aan de klimaatverandering en bij de beperking van de uitstoot van broeikasgassen moeten worden bespoedigd. Derhalve is in het akkoord van Kopenhagen voorzien in de oprichting van een technologiemechanisme.

De EU wenst dat tijdens de conferentie in Cancún, als onderdeel van een evenwichtig pakket, een besluit wordt genomen om dat mechanisme zo spoedig mogelijk in het leven te roepen en operationeel te maken. Het mechanisme moet bestaan uit:

  • een centrum en netwerk voor klimaattechnologie dat de ontwikkelingslanden bijstaat bij de opbouw van capaciteit om strategieën en projecten te bedenken en om onderzoek en kennisuitwisseling te vergemakkelijken; en

  • een technisch uitvoerend comité dat de technologische prioriteiten, leemten en behoeften vaststelt en advies en aanbevelingen verstrekt aan de conferentie van de partijen.

17. Welke besluiten moeten er in Cancún worden genomen met betrekking tot de capaciteitsopbouw?

De EU erkent dat ontwikkelingslanden, met name de armste, behoefte hebben aan ondersteuning op vele gebieden zodat ze capaciteit kunnen opbouwen om zich aan de klimaatverandering aan te passen en hun uitstoot te verlagen. De EU stelt financiële steun voor capaciteitsopbouw ter beschikking door middel van haar officiële ontwikkelingshulp en haar "fast start"‑financiering (zie punt 8).

De EU wenst dat, als onderdeel van een evenwichtig pakket, een besluit wordt genomen waarin het belang en het sectoroverschrijdende karakter van capaciteitsopbouw worden erkend.

18. Hoe moet de uitstoot van het internationale lucht‑ en zeevervoer worden aangepakt?

Het internationale lucht‑ en zeevervoer zijn twee van de snelstgroeiende veroorzakers van broeikasgasemissies. Samen zijn ze goed voor meer dan 4% van de wereldwijde emissies maar deze emissies werden tot dusverre niet terdege aangepakt.

De internationale organisaties die voor de twee sectoren verantwoordelijk zijn, zijn de Internationale Organisatie voor Burgerluchtvaart (ICAO) en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO). De EU wenst dat de conferentie van Cancún een sterk politiek signaal uitzendt naar de ICAO en de IMO zodat wereldwijd een beleid voor de verlaging van de uitstoot van deze sectoren wordt opgezet dat tegemoetkomt aan de eis om de opwarming van de aarde te beperken tot maximum 2°C.

19. Wat moet er in Cancún worden besloten met betrekking tot overtollige emissierechten in ontwikkelde landen?

In het kader van het protocol van Kyoto werden bepaalde landen in Midden‑ en Oosteuropa, met name Rusland en Oekraïne, meer emissierechten toegekend dan zij nodig hadden. Momenteel kunnen zij deze niet‑gebruikte emissierechten - de toegewezen eenheden (AAU) - in het kader van het protocol overdragen en gebruiken in een tweede verbintenisperiode na 2012. De hoeveelheid vergaarde, niet‑gebruikte rechten is aanzienlijk. Ze wordt geraamd op 10 à 11 miljard ton kooldioxide (CO2), of meer dan het dubbele van de totale jaarlijkse uitstoot van de EU. Deze niet-gebruikte emissierechten vormen een ernstige bedreiging voor de milieu‑integriteit in het kader van een post 2012‑klimaatplan; mocht van deze rechten gebruik worden gemaakt, zou een belangrijk deel van de emissiereducties waartoe de partijen zich verbonden hebben, worden geneutraliseerd

Misschien komt men in Cancún niet tot een oplossing voor deze kwestie maar de EU wenst dat de conferentie het belang ervan erkent en vooruitgang boekt bij het zoeken naar andere mogelijkheden om de overtollige rechten op de juiste wijze aan te pakken. Deze aanpak moet billijk zijn zodat niet wordt gediscrimineerd tussen EU‑ en niet-EU-landen.

20. Wie zal er in Cancún voor de Europese Unie onderhandelen?

Als een regionale organisatie voor economische integratie is de Europese Unie partij bij het UNFCCC en het protocol van Kyoto. Haar 27 lidstaten zijn ook volwaardig partij.

België, dat momenteel voorzitter is van de Raad van de Europese Unie, en de Europese Commissie delen de verantwoordelijkheid voor het leiden van de onderhandelingen namens de Europese Unie en haar 27 lidstaten in Cancún. Er zijn evenwel vertegenwoordigers van verschillende lidstaten aangewezen als leidende onderhandelaars voor de EU in specifieke kwesties; zij zullen derhalve in de onderhandelingen over deze kwesties namens de EU het woord voeren.

Het Belgische voorzitterschap zal ervoor zorgen dat de standpunten van de EU worden gecoördineerd zodat de EU met één stem spreekt ook al is de boodschap door verschillende mensen geformuleerd.

1 :

Het UNFCC telt momenteel 194 partijen, waaronder de EU en alle lidstaten van de EU.

2 :

Het protocol van Kyoto telt momenteel 192 partijen, waaronder de EU en alle lidstaten van de EU. Het grote verschil met het UNFCCC is dat de Verenigde Staten het protocol van Kyoto nog niet hebben geratificeerd.


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website