Navigation path

Left navigation

Additional tools

MEMO/10/325

Brussel, 13 juli 2010

Vragen en antwoorden over de nieuwe aanpak van de EU in verband met de teelt van ggo's

Waarom keurt de Commissie vandaag dit pakket goed en wat houdt het in?

In maart 2010 kondigde de Europese Commissie aan dat zij vóór de zomervakantie met een voorstel zou komen over de combinatie van het op wetenschappelijk bewijs gebaseerde vergunningensysteem van de EU met de verlening van de nodige vrijheid aan de lidstaten om besluiten te nemen over de teelt van genetisch gemodificeerde organismen (ggo's). Het vandaag goedgekeurde pakket komt deze verbintenis na en is volledig in overeenstemming met het standpunt dat door voorzitter Barroso is ingenomen in de politieke richtsnoeren die hij in september 2009 heeft gepresenteerd.

Wat zijn coëxistentiemaatregelen en wat verandert de nieuwe aanbeveling inzake coëxistentie?

Het doel van coëxistentiemaatregelen in gebieden waar ggo's worden geteeld is het vermijden van de onbedoelde aanwezigheid van ggo's in andere producten ter voorkoming van het potentiële economische verlies en het effect van de aanwezigheid van sporen van gg-gewassen in niet-gg-gewassen, zoals conventionele en biologische gewassen.

Uit de ervaring van de laatste jaren blijkt dat de lidstaten meer flexibiliteit nodig hebben om rekening te houden met hun bijzondere lokale, regionale en nationale omstandigheden bij de vaststelling van maatregelen om de teelt van gg-, conventionele en biologische gewassen te organiseren.

De nieuwe aanbeveling inzake coëxistentie erkent dat de lidstaten maatregelen mogen nemen om de onbedoelde aanwezigheid van ggo's in andere producten onder de etiketteringsdrempel van 0,9% te vermijden. Wanneer de coëxistentiemaatregelen ontoereikend zijn om de onbedoelde aanwezigheid van ggo's in conventionele of biologische gewassen te voorkomen, mogen de lidstaten de teelt van ggo's in grote delen van hun grondgebied beperken. Dergelijke beperkingsmaatregelen moeten in verhouding staan tot het nagestreefde doel (d.w.z. bescherming van de bijzondere behoeften van de conventionele of biologische landbouw).

De Commissie heeft in 2009 het tweede verslag over de nationale strategieën voor de coëxistentie van gg-gewassen met conventionele en biologische landbouw gepubliceerd. Uit het verslag blijkt dat 15 lidstaten wetgeving op het gebied van coëxistentie hebben vastgesteld, terwijl drie andere kennisgeving van ontwerpwetgeving hebben gedaan.

Het Europees Coëxistentiebureau (ECoB) ontwikkelt tezamen met de lidstaten beste praktijken voor coëxistentie, die ervan uitgaan dat de lidstaten flexibiliteit nodig hebben om rekening te houden met hun lokale en regionale omstandigheden.

Voor meer informatie over ECoB: http://ecob.jrc.ec.europa.eu/

Wat is de huidige procedure voor de verlening van vergunningen voor de teelt van ggo's?

Ggo's worden na een positieve beoordeling van de gezondheids- en milieurisico's op EU-niveau van geval tot geval toegelaten op grond van de bijzondere gebruiksdoeleinden als aangegeven in de aanvraag van de onderneming. Er kunnen aanvragen voor de teelt van ggo's worden ingediend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 voor gg-levensmiddelen en -diervoeders als die ggo's bestemd zijn voor gebruik als bronmateriaal bij de productie van levensmiddelen en diervoeders. Ggo's kunnen ook worden toegelaten krachtens de richtlijn inzake de doelbewuste introductie van ggo's in het milieu (Richtlijn 2001/18/EG) voor andere gebruiksdoeleinden dan levensmiddelen/diervoeders. In beide gevallen spelen de lidstaten een belangrijke rol, aangezien zij de initiële risicobeoordeling van de ggo's voor de teelt uitvoeren.

Nadere informatie over de vergunningsprocedures:

http://europa.eu/rapid/pressReleasesAction.do?reference=MEMO/10/58

Welke wijzigingen stelt de Commissie in de huidige wetgeving voor?

De voorgestelde wijziging voorziet in de toevoeging van één artikel in Richtlijn 2001/18/EG, dat de lidstaten uitdrukkelijk in staat stelt de teelt van ggo's op hun grondgebied te beperken of te verbieden. De lidstaten kunnen daarvoor alle mogelijke redenen aanvoeren, behalve die welke onder de gezondheids- en milieurisicobeoordeling van het vergunningsproces van de EU vallen. Daarom geeft het voorstel de lidstaten de bevoegdheid om besluiten over de teelt te nemen.

Wanneer de wetswijziging in werking treedt, zullen de lidstaten vrij zijn om de teelt van alle of bijzondere ggo's op hun gehele grondgebied of delen daarvan te beperken of te verbieden. Deze wijziging zal van toepassing zijn op alle ggo's die voor de teelt in de EU zijn toegelaten uit hoofde van Richtlijn 2001/18/EG respectievelijk Verordening (EG) nr. 1829/2003. Overeenkomstig dit voorstel worden de lidstaten alleen in staat gesteld om maatregelen tegen de teelt van ggo's te nemen. Zij mogen geen maatregelen vaststellen om de invoer en/of het in de handel brengen van toegelaten gg-zaad in de EU te verbieden.

Worden reeds ggo's in de EU geteeld?

Ja. In de EU wordt één gg-mais – MON 810 – commercieel geteeld. De genetische modificatie van dit product beoogt de bescherming van het gewas tegen een schadelijk insect – de Europese maisboorder. Het is in 1998 toegelaten.

Op 2 maart 2010 is een vergunning verleend voor de teelt en de industriële verwerking van een gg-zetmeelaardappel, bekend als de "Amflora"-aardappel. Deze zetmeelaardappel heeft een hoger amylopectinezetmeelgehalte. Het zetmeel is bedoeld voor industrieel gebruik, zoals de productie van papier.

Welke gg-planten zijn in de EU toegelaten voor gebruik als levensmiddelen en diervoeders?

Naast de teelt zijn het in de handel brengen van ggo's in de EU en het gebruik van afgeleide producten daarvan in de voedings- en voederketen onderworpen aan een EU-vergunningsregeling.

Momenteel omvat de lijst van toegelaten ggo's: één suikerbietproduct, drie sojaboonproducten, drie koolzaadproducten, zes katoenproducten en 17 maisproducten.

Een van de meest recent toegelaten ggo's is de "Amflora"-zetmeelaardappel. Zoals het geval is voor conventionele zetmeelardappelen, is "Amflora" niet bestemd om als levensmiddel te worden gebruikt. Het bijproduct van de zetmeelaardappel (pulp) wordt toegelaten als diervoeder. De accidentele of technisch niet te vermijden aanwezigheid van deze aardappel in levensmiddelen en diervoeders wordt toegestaan tot een gehalte van 0,9%.

De lijst van toegelaten gg-planten met de precieze reikwijdte van de vergunning is te vinden in het EU-register van gg-levensmiddelen en -diervoeders op het volgende adres: http://ec.europa.eu/food/dyna/gm_register/index_en.cfm

Hebben lidstaten reeds de teelt van ggo's verboden?

Zes lidstaten (Oostenrijk, Hongarije, Frankrijk, Griekenland, Duitsland en Luxemburg) hebben vrijwaringsmaatregelen genomen en de teelt van gg-mais MON810 op hun grondgebied verboden. Bovendien hebben Oostenrijk, Luxemburg en Hongarije de Commissie in kennis gesteld van het verbod van de teelt van de "Amflora"-aardappel. Polen beschikt over wetgeving om het in de handel brengen van gg-zaad te verbieden.

De lidstaten kunnen hun vrijwaringsmaatregelen betreffende de teelt van ggo's nu opnieuw bekijken, wanneer deze niet wetenschappelijk gerechtvaardigd zijn, en gebruikmaken van de meer flexibele aanbeveling inzake coëxistentie, die vandaag is goedgekeurd, om de onbedoelde aanwezigheid van ggo's in andere gewassen te vermijden.

Zodra de vandaag voorgestelde toevoeging van het relevante artikel aan Richtlijn 2001/18/EG van toepassing is, zullen de lidstaten in staat zijn de teelt van ggo's te beperken of te verbieden zonder een beroep te hoeven doen op de vrijwaringsclausulemaatregel wanneer geen nieuw wetenschappelijk risico wordt geconstateerd.

Zijn er nog andere ggo's voor de teelt waarover de EU een besluit kan nemen voordat de wettelijke verandering van toepassing is?

Er bevinden zich meer dan tien verzoeken om verlening van een vergunning voor de teelt van ggo's (of om vernieuwing daarvan) in verschillende fasen van de procedure.

Vier ggo's zitten reeds in een vergevorderd stadium van de procedure. Zij hebben een gunstig advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) ontvangen en hun vergunningsprocedure (of vernieuwing van de vergunningsprocedure) loopt. Het gunstige advies van de EFSA betreffende de vernieuwing van de vergunning voor mais MON810, die de plant bescherming biedt tegen bepaalde insecten, is in juni 2009 goedgekeurd. Er zijn nog twee andere gg-maisproducten – Bt-mais 1507 (aanvraag ingediend door Pioneer) en Bt-mais Bt 11 (aanvraag ingediend door Syngenta) -, die de plant ook bescherming bieden tegen bepaalde insecten. De gunstige EFSA-adviezen zijn goedgekeurd in januari 2005 respectievelijk april 2005 en over de ontwerpbesluiten om deze twee ggo's toe te laten is op 25 februari 2009 gestemd in het kader van het regelgevend comité overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG. Er werd geen gekwalificeerde meerderheid bereikt. Het vierde maisproduct is mais NK 603 (aanvraag ingediend door Monsanto), dat tolerant is voor de herbicide RoundUp. De EFSA heeft in juni 2009 een gunstig advies over dit product uitgebracht.

Uit procedureel oogpunt zou de volgende stap voor MON810 en NK603 de indiening zijn van een ontwerpbesluit bij het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid (SCoFCAH) (eerste stap van de comitéprocedure). BT 11 en BT 1507 zitten midden in de comitéprocedure en de volgende procedurele stap zal de indiening van de besluiten bij de Raad zijn.

Welke verbeteringen zijn sinds het verzoek van de Raad in december 2008 in de milieurisicobeoordeling aangebracht?

De Commissie en de EFSA zijn tezamen met de lidstaten op bijzondere gebieden aan het werken aan de verbetering van de uitvoering van de ggo-wetgeving, als aangegeven in de conclusies van de Milieuraad van 2008.

Er wordt gewerkt aan de bijwerking van de EFSA-richtsnoeren voor de milieurisicobeoordeling en deze bestrijkt de specifieke gebieden, als aangegeven in het verzoek van de Raad. Gezien de complexiteit van het onderwerp, de noodzaak van een breed raadplegingsproces en het grote aantal publieke reacties (circa 500) wordt verwacht dat de EFSA de richtsnoeren in november 2010 zal afronden. De Commissie zal deze richtsnoeren daarna met de lidstaten bespreken om hen met de bekrachtiging door de lidstaten rechtsgeldigheid te verlenen.

Verder voert de EFSA een dialoog met de lidstaten en belanghebbenden, wat hen in staat stelt om bij te dragen aan haar wetenschappelijke werkzaamheden. De EFSA heeft een netwerk van deskundigen van de lidstaten voor de uitwisseling van wetenschappelijke kennis en ervaring opgericht. De EFSA bestudeert ook alle reacties van de lidstaten tijdens het gehele risicobeoordelingsproces.

Bovendien beschikt de EFSA over een omvattend stel interne mechanismen en werkprocessen om de onafhankelijkheid van de wetenschappelijke werkzaamheden van haar wetenschappelijk comité en haar wetenschappelijke panels te vrijwaren, waaronder een omvattend beleid inzake verklaringen in verband met belangenconflicten voor haar wetenschappelijke deskundigen. De EFSA neemt haar beleid regelmatig onder de loep en zal, daartoe aangemoedigd door de Commissie, het onderzoek van de onafhankelijkheid van haar deskundigen blijven versterken.

De Commissie bekijkt hoe de milieumonitoring na het in de handel brengen van ggo-gewassen verder kan worden versterkt in lijn met de bepalingen van de huidige wetgeving en de conclusies van de Milieuraad van 2008.

Wanneer zal de Commissie het verslag over de sociaaleconomische gevolgen van ggo's afronden?

In december 2008 heeft de Raad de Commissie verzocht om uiterlijk juni 2010 een verslag over de sociaaleconomische gevolgen van ggo's over te leggen.

Dit verslag moet zijn gebaseerd op de informatie die is verstrekt door de lidstaten die belangrijke inspanningen hebben geleverd om informatie te verzamelen over de sociaaleconomische gevolgen van ggo's en met name de teelt daarvan. Maar aangezien de bijdragen van de lidstaten later zijn ontvangen dan verwacht, zal de Commissie haar verslag eind 2010 afronden. Dit verslag zal daarna voor bestudering en verdere discussie aan het Europees Parlement en de Raad worden overgelegd.

Zullen een versnelling van het vergunningsproces voor ggo's en een toename van de oppervlakte van de gg-teeltgebieden in de EU plaatsvinden?

De verlening van vergunningen zal niet worden versneld en de strenge wettelijke voorschriften inzake de milieurisicobeoordeling zullen niet worden afgezwakt. Het voorstel dat de Commissie vandaag goedkeurt, verandert deze voorschriften niet. De werkzaamheden in verband met de uitvoering van de conclusies van de Raad van 2008 gaan daarentegen door. De garantie van een risicobeoordeling volgens de hoogste wetenschappelijke normen en een versterking van de monitoringfunctie zijn en blijven bovendien prioriteiten voor de Commissie wat de teelt van ggo's betreft.

Nadere informatie is te vinden op:

http://ec.europa.eu/food/food/biotechnology/index_en.htm


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website