Chemin de navigation

Left navigation

Additional tools

MEMO/05/84

Brussel, 8 maart 2005

Vragen en antwoorden over de handel in emissierechten en nationale toewijzingsplannen

(Bijgewerkte versie van 25 mei 2005)

1) Wat is het doel van handel in emissierechten

De regeling voor de handel in emissierechten[1] (ETS) is van cruciaal belang bij de bestrijding van klimaatverandering. Het is het eerste internationale handelssysteem in CO2-emissierechten ter wereld. Het bestrijkt ongeveer 12 000 installaties die ongeveer de helft van de CO2-emissies in Europa vertegenwoordigen.

Doel is de EU-lidstaten te helpen hun verplichtingen in het kader van het Kyotoprotocol na te komen. De handel in emissierechten impliceert geen nieuwe milieudoelstellingen, maar maakt een goedkopere naleving van de bestaande doelstellingen van het Kyotoprotocol mogelijk. Door de bij het systeem aangesloten bedrijven emissierechten te laten kopen of verkopen kunnen deze doelstellingen tegen de laagst mogelijke kosten worden bereikt. Zonder de regeling voor de handel in emissierechten was het noodzakelijk geweest andere – duurdere – maatregelen in te voeren.

2) Waardoor wordt de prijs van emissierechten bepaald?

De Commissie heeft geen mening over hoeveel emissierechten moeten kosten. De prijs hangt af van vraag en aanbod, zoals in iedere andere vrije markt. De marktbemiddelaars maken de prijzen bekend voor emissierechten die worden aangeboden of waarvoor wordt geboden. De Commissie zal zich niet met de emissierechtenmarkt bemoeien. In geval van marktverstoringen zal het concurrentierecht gelden zoals voor iedere andere markt.

3) Wat is het doel van nationale toewijzingsplannen?

In de nationale toewijzingsplannen (NAP) is de totale hoeveelheid CO2-emissierechten vastgelegd die de lidstaten aan hun bedrijven geven en die vervolgens door de bedrijven zelf mogen worden verkocht of gekocht. Dit betekent dat iedere lidstaat van tevoren moet beslissen hoeveel emissierechten hij in totaal zal toewijzen voor de eerste handelsperiode 2005-2007 en hoeveel elke onderneming die onder de regeling voor de handel in emissierechten valt, zal ontvangen. De bedoeling is dat de lidstaten de CO2-emissies van de energie- en industriesectoren beperken door toewijzing van emissierechten. Hierdoor scheppen zij schaarste, waarna zich een marktwerking ontwikkelt en een reële vermindering van de totale hoeveelheid emissies wordt bereikt.

Iedere lidstaat moest vóór 31 maart 2004 (de 10 nieuwe lidstaten vóór 1 mei 2004) een NAP opstellen en publiceren.

4) Welke criteria hanteert de Commissie bij de beoordeling van de toewijzingsplannen en hoeveel tijd heeft zij voor die beoordeling?

De toewijzingsplannen worden beoordeeld aan de hand van de 11 gemeenschappelijke criteria van bijlage III bij de richtlijn inzake handel in emissierechten. Criterium 1 houdt in dat de voorgestelde totale hoeveelheid emissierechten in overeenstemming moet zijn met de Kyotodoelstelling van een lidstaat. Dit betekent dat een lidstaat er voor moet zorgen dat met de toewijzingen aan zijn bedrijven de Kyotodoelstelling moet kunnen worden gehaald.

Natuurlijk kan en moet een lidstaat ook andere maatregelen nemen. Ook andere sectoren genereren broeikasgasemissies: in de EU is het vervoer verantwoordelijk voor 21%, de huishoudens en kleine bedrijven voor 17%, en de landbouw voor 10% van de broeikasgasemissies. De lidstaten kunnen en moeten dus ook voor deze sectoren emissiereductiemaatregelen nemen. Daarnaast kunnen de lidstaten de aankopen van emissiekredieten regelen via de flexibele projectgewijze instrumenten "mechanisme voor schone ontwikkeling (Clean Development Mechanisme, CDM)" en "gemeenschappelijke uitvoering" (Joint Implementation, JI) en door de internationale emissiehandel in het kader van het Kyotoprotocol. Met CDM en JI kunnen regeringen emissiereducerende projecten in het buitenland uitvoeren en de bereikte reducties voor hun eigen Kyotodoelstellingen meerekenen. JI-projecten kunnen in andere geïndustrialiseerde landen met Kyotodoelstellingen worden opgezet, en CDM-projecten kunnen worden ondergebracht in de ontwikkelingslanden die geen doelstellingen hebben volgens het protocol.

Al deze maatregelen en de beoogde resultaten moeten vermeld staan in de toewijzingsplannen. De Commissie beoordeelt volgens het eerste criterium of een lidstaat met de emissieniveaus van de bedrijven die aan emissierechtenhandel deelnemen, gecombineerd met de andere maatregelen, zijn Kyotodoelstellingen zou kunnen halen. Aangezien de lidstaten alleen met het gecombineerde effect van de verschillende beleidsmaatregelen hun doelstellingen kunnen halen, wordt in de richtlijn gesproken over het “pad” naar Kyoto. In een aantal andere criteria is ook vermeld dat de lidstaten de emissieontwikkelingen en de reductiemogelijkheden in alle sectoren moeten beoordelen.

Daarnaast zijn er criteria die tot doel hebben de non-discriminatie tussen bedrijven en sectoren en de naleving van de Europese concurrentie- en staatssteunregels te garanderen. Andere criteria hebben betrekking op de bepalingen in het plan die betrekking hebben op nieuwe marktdeelnemers, het rekening houden met vroegtijdige reductiemaatregelen en schone technologie.

De Commissie heeft begin januari 2004 richtsnoeren gepubliceerd voor de implementatie van toewijzingscriteria. Indien de Commissie vindt dat een plan niet aan de criteria en het EU-Verdrag voldoet, kan zij het plan geheel of gedeeltelijk afkeuren. Als de Commissie alle onderdelen van het plan heeft goedgekeurd, kan de lidstaat een definitief toewijzingsbesluit nemen. Wanneer een lidstaat een nationaal toewijzingsplan bij de Commissie aanmeldt, moet de Commissie binnen de drie maanden een beslissing nemen.

5) Betekent dit dat een lidstaat niet zoveel emissierechten mag uitgeven als hij wil?

Inderdaad. De hoeveelheid emissierechten die een lidstaat mag uitgeven hangt af van de 11 criteria. De richtlijn schrijft niet expliciet een bepaald aantal emissierechten voor, maar iedere lidstaat moet zich aan de criteria houden. Dat betekent dat hun speelruimte in de praktijk beperkt is. Als een lidstaat te vrijgevig is bij het uitgeven van emissierechten, voldoet het plan waarschijnlijk niet alleen niet aan bepaalde toewijzingscriteria, maar loopt die lidstaat ook de kans mis om de emissieregeling te gebruiken als instrument om aan Kyoto te voldoen. Als er te veel emissierechten worden uitgegeven, is er geen schaarste, en zonder schaarste geen markt.

6) Hoeveel plannen heeft de Commissie tot dusver beoordeeld?

Op 7 juli 2004 heeft de Commissie de beoordeling van de eerste acht plannen afgerond. Vijf plannen zijn onvoorwaardelijk goedgekeurd (die van Denemarken, Ierland, Nederland, Slovenië en Zweden), terwijl de andere drie (die van Oostenrijk, Duitsland en het VK) gedeeltelijk zijn afgekeurd.

Op 20 oktober 2004 heeft de Commissie de beoordeling van een tweede reeks van acht plannen afgerond. Zes plannen zijn onvoorwaardelijk goedgekeurd (die van België, Estland, Letland, Luxemburg, Slowakije en Portugal), terwijl de andere twee (die van Finland en Frankrijk) voorwaardelijk zijn goedgekeurd.

Eind december 2004 heeft de Commissie de beoordeling van een derde reeks van vijf plannen afgerond. Vier plannen zijn onvoorwaardelijk goedgekeurd (die van Cyprus, Hongarije, Litouwen en Malta) en het plan van Spanje is voorwaardelijk goedgekeurd.

Op 8 maart 2005 heeft de Commissie het plan van Polen voorwaardelijk goedgekeurd, op 12 april 2005 dat van Tsjechië en op 25 mei dat van Italië. Dit brengt het aantal beoordeelde plannen op 24.

Bij iedere voorwaardelijke goedkeuring heeft de Commissie aangegeven welke maatregelen de betreffende lidstaat moet nemen om het plan volledig aanvaardbaar te maken.

7) Om welke redenen heeft de Commissie gevraagd de plannen te wijzigen?

De Commissie heeft problemen geconstateerd op drie gebieden van algemeen belang:

  • als de door een lidstaat voor de handelsperiode 2005-2007 gedane toewijzing de realisering van zijn Kyoto doelstellingen in gevaar brengt (te royale toewijzing)
  • als het volume van de rechten voor de handelsperiode 2005-2007 niet strookt met de beoordeling van de vooruitgang ten aanzien van de doelstelling van Kyoto, m.a.w. als de toewijzing groter is dan de voorspelde emissies
  • als een lidstaat de toewijzingen achteraf wil aanpassen. Dit betekent dat de lidstaat zich na de toewijzing met de markt wil bemoeien en de afgegeven emissierechten wil herverdelen onder de deelnemende bedrijven gedurende de handelsperiode van 2005-2007.

Te royale toewijzingen zijn op verschillende manieren mogelijk:

Ten eerste: een lidstaat denkt niet vooruit hoe hij de Kyotodoelstelling in 2008-2012 moet halen, maar laat een gat open dat met latere maatregelen moet worden gedicht.

Ten tweede: een lidstaat geeft te kennen Kyotokredieten te willen kopen, maar laat na dit voornemen met geloofwaardige en betrouwbare stappen te onderbouwen.

Ten derde: een lidstaat baseert zijn plan op projecties (inclusief economische en emissiegroeipercentages) die niet kloppen en overdreven zijn in vergelijking met de officiële groeipercentages van de lidstaat zelf of van andere onpartijdige bronnen.

Aanpassingen achteraf zijn onverenigbaar met de regels en zijn interventies die de markt verstoren en onzekerheid scheppen voor de bedrijven. Als bijvoorbeeld een bedrijf rekening moet houden met de mogelijkheid dat de overheid, nadat het bedrijf zijn emissies heeft verminderd, de emissierechten kan afnemen, zal het daartoe niet zo gauw overgaan. En als bedrijven denken dat zij gratis extra emissierechten kunnen krijgen van hun regeringen, zullen zij hun rechten liever langs die weg verkrijgen dan op de markt emissierechten kopen.

8) Wat gebeurt er als de Commissie een nationaal toewijzingsplan afkeurt?

Afkeuring van een nationaal toewijzingsplan betekent dat de lidstaat het plan niet in de voorgestelde vorm mag uitvoeren, dat wil zeggen niet het voorgestelde aantal emissierechten mag toewijzen. De Commissie moet een besluit tot afkeuring altijd motiveren. Uit die motivering kan de lidstaat afleiden hoe hij het plan in overeenstemming met de toewijzingscriteria kan brengen.

Indien de lidstaten van wie de plannen gedeeltelijk zijn afgekeurd de voorgestelde aanwijzingen aanbrengen, hoeven zij die plannen niet voor de tweede maal aan de Commissie voor te leggen, maar zijn zij automatisch gerechtigd tot emissierechtenhandel.

9) Kan een lidstaat zijn plan nog wijzigen nadat het door de Commissie is goedgekeurd?

Nadat de Commissie een plan heeft goedgekeurd, moet de lidstaat op nationaal niveau de uiteindelijke beslissing betreffende de toewijzing van emissierechten nemen. Alvorens dit te doen kan de lidstaat echter wijzigingen aanbrengen in het aantal emissierechten dat aan individuele bedrijven wordt toegewezen omdat ondertussen verbeterde gegevens beschikbaar zijn, bijv. wanneer historische emissiegegevens worden gebruikt om een formule op te stellen voor het toewijzen van emissierechten aan individuele bedrijven. De lidstaat mag echter onder geen beding het totale aantal emissierechten dat hij voornemens is in omloop te brengen, vergroten.

Als op nationaal niveau de uiteindelijke beslissing betreffende de toewijzing van emissierechten is genomen en het uiteindelijke plan is gepubliceerd, kunnen geen veranderingen meer worden aangebracht, noch in het totale aantal emissierechten, noch in het aantal emissierechten per bedrijf. Met de toewijzingsbeslissing wordt het toewijzingsproces afgesloten en wordt de markt voor emissierechten in de betrokken lidstaat formeel geopend.

10) Hebben de lidstaten zeggenschap over elkaars plannen?

Hoewel de Commissie als enige verantwoordelijk is voor beoordeling van de plannen, is in de richtlijn bepaald dat het comité klimaatverandering, bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten, ieder plan moet bestuderen. Dit comité is een forum waar ieder plan wordt besproken. De Commissie, die het comité voorzit, volgt deze discussie en houdt bij haar beoordelingen rekening met de conclusies van het comité.

Het comité klimaatverandering heeft in het algemeen het belang benadrukt van de nationale toewijzingsplannen voor de doeltreffende werking van de Europese regeling voor handel in emissierechten en voor de handhaving en versterking van het leiderschap en de geloofwaardigheid van de EU op het gebied van klimaatverandering.

11) En de overige plannen?

De beoordeling van het plan van Griekenland is bijna afgerond. De Commissie zal weldra een beslissing nemen over dit plan.

Het is in het belang van alle lidstaten om over een goedgekeurd plan te beschikken. Als een lidstaat niet over een door de Commissie goedgekeurd toewijzingsplan beschikt, kan de industrie van die lidstaat pas in een latere fase deelnemen aan de EU-toewijzingsmarkt, terwijl ze toch al aan de doelstellingen van het Kyotoprotocol en de lastenverdelingsovereenkomst moet voldoen.

Voorts zijn bedrijven die onder de regeling inzake de handel in emissierechten vallen, sinds januari 2005 verplicht om hun CO2-emissies registreren en rapporteren. Ze moeten ook voor het eerst in april 2006 een aantal toewijzingen afgeven dat voldoende is om de emissies over 2005 te bestrijken. Als een bedrijf geen of niet genoeg emissierechten afgeeft, legt de lidstaat een boete op van 40 euro per niet afgegeven emissierecht.

12) Hoeveel installaties vallen er onder de regeling?

De regeling voor handel in emissierechten bestrijkt in totaal meer dan 12 000 installaties in de EU 25 (verbrandingsinstallaties, olieraffinaderijen, cokesovens, ijzer- en staalfabrieken en fabrieken die cementglaskalk, baksteen, keramische producten, pulp en papier produceren).

In de grotere lidstaten hebben vallen zo’n 1 000 tot 2 500 installaties onder de regeling, terwijl in de meeste andere lidstaten dat aantal van 50 tot 400 varieert.

Het aantal bedrijven dat onder de richtlijn valt, is natuurlijk kleiner, aangezien grote bedrijven vele installaties hebben die onder de regeling voor de handel in emissierechten vallen.

13) Welke rol spelen de deelnemende bedrijven, de lidstaten en de Commissie na de start van de regeling?

Sinds 1 januari 2005 zijn de bedrijven verplicht de ontwikkeling van hun emissies bij te houden en op het einde van elk jaar een jaarlijks emissieverslag in te dienen dat door een derde partij zal worden geverifieerd (vergelijkbaar met een audit van de financiële rekeningen van een bedrijf). Elk bedrijf moet er tegelijkertijd ook voor zorgen dat het elk jaar over voldoende emissierechten beschikt om de emissies van dat jaar te dekken. Als het bedrijf onvoldoende emissierechten inlevert, worden financiële sancties opgelegd (de eerste inleverdatum is eind april 2006).

De lidstaten moeten tegen eind februari van elk jaar de emissierechten toewijzen overeenkomstig de uiteindelijke toewijzingsbeslissingen, het nationale register bijhouden, gegevens over geverifieerde emissies verzamelen en ervoor zorgen dat elk bedrijf een voldoende aantal emissierechten inlevert. Elke lidstaat moet ook jaarlijks een verslag indienen bij de Commissie.

De Commissie exploiteert het Europese gedeelte van het registratiesysteem en zal een jaarverslag opstellen op basis van de verslagen van de lidstaten.

Zij ziet zorgvuldig toe op het functioneren van de Europese regeling voor de handel in emissierechten en evalueert de terzake opgedane ervaring. Overeenkomstig de richtlijn zal de Commissie dit verslag uiterlijk op 30 juni 2006 indienen bij de Raad en het Parlement. Om het verslag voor te bereiden, zal de Commissie de inbreng van belanghebbenden verzamelen.

14) Hoeveel kost het om de Kyotodoelstellingen te halen? Zal de regeling voor handel in emissierechten het concurrentievermogen van Europa in gevaar brengen?

Dit hangt af van de keuze van maatregelen. Een van de basisbeginselen van het Europees programma inzake klimaatverandering is steeds geweest dat moet worden gekozen voor de meest kosteneffectieve maatregelen om aan de Kyotodoelstellingen te voldoen. In recente studies komt de Commissie tot de conclusie dat die doelstellingen kunnen worden bereikt tegen een jaarlijkse kostprijs van 2,9 tot 3,7 miljard euro, hetgeen minder is dan 0,1% van het BNP van de EU. Een van de studies concludeerde dat zonder een regeling voor de handel in emissierechten de kosten zouden kunnen oplopen tot 6,8 miljard euro. Dus kunnen door handel in emissierechten de kosten van Kyoto nog verder worden verlaagd.

Hoe deze kosten worden verdeeld, hangt af van de beslissingen in het kader van de toewijzingsplannen en van de verdere emissiebeperkende maatregelen in sectoren die niet onder de regeling voor de emissierechtenhandel vallen. De regeling zal het concurrentievermogen van de EU-economie niet in gevaar brengen, maar juist beschermen, aangezien alle alternatieve maatregelen zouden inhouden dat het EU-bedrijfsleven hoger dan noodzakelijke kosten worden opgelegd. De tenuitvoerlegging van Kyoto betekent voor het EU-bedrijfsleven niet alleen nieuwe economische mogelijkheden, maar ook kosten. Dit is onvermijdelijk – alles kost geld (ook de naleving van Kyoto). Europa krijgt met de regeling voor de handel in emissierechten de beste waar voor zijn geld. Als de regeringen de regeling niet gebruiken om de naleving te ondersteunen, zullen aan andere sectoren duurdere oplossingen moeten worden opgelegd.

De kosten moeten worden afgewogen tegen de mogelijkheden die ontstaan voor leveranciers van schone koolstofarme technologieën in Europa en daarbuiten en het voordeel dat deze technologieën op middellange termijn kunnen opleveren voor de Europese industrie bij de overgang naar een koolstofarme wereldeconomie.

De “koppelingsrichtlijn”[2] zal tot verdere kostenverlaging leiden en de concurrentiekracht van het EU-bedrijfsleven beschermen. Zoals de naam al zegt, koppelt de koppelingsrichtlijn de flexibele mechanismen van het Kyotoprotocol – gemeenschappelijke invoering (JI) en het mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) – en de EU regeling voor de handel in emissierechten (zie vraag 4).

In principe kunnen ondernemingen die buiten de EU emissiereducerende projecten uitvoeren via JI of CDM de kredieten die zij met deze projecten verdienen, converteren in emissierechten die gebruikt kunnen worden voor naleving in het kader van de EU-regeling voor de handel in emissierechten. De koppelingsrichtlijn zal derhalve de kosten voor het EU-bedrijfsleven verder verlagen, omdat zij het mogelijk maakt om op meerdere manieren aan de eisen van de regeling voor de handel in emissierechten te voldoen.

15) Zal de handel in emissierechten tot hogere energieprijzen leiden?

Er moet hier onderscheid worden gemaakt tussen doelstelling en instrument. Wijzigingen van de energieprijzen zullen niet het gevolg zijn van de handel in emissierechten, maar van de tenuitvoerlegging van het Kyotoprotocol. Het Kyotoprotocol introduceert een bovengrens voor de toelaatbare broeikasemissies, wat betekent dat de EU-economie op weg is een koolstofluwe economie te worden. Deze koolstofbeperking geeft waarde aan de emissierechten en leidt tot veranderingen in de prijsverhoudingen in de EU-economie. Goederen die meer koolstof bevatten zullen relatief duurder zijn dan goederen met minder koolstof.

Aangezien de regeling de goedkoopste manier is om het Kyotoprotocol ten uitvoer te leggen, betekent dit dat eventuele prijswijzigingen de laagst noodzakelijke zullen zijn. Er zijn veel studies gedaan naar de vermoedelijke ontwikkeling van de energieprijzen en er bestaat een uitgebreide reeks ramingen.

De prijsbeslissingen in de geliberaliseerde energiemarkt worden steeds complexer en moeilijker te voorspellen. Er zijn veel factoren die de elektriciteitsprijs rechtstreeks beïnvloeden en de emissierechtenhandel is daar maar één van. Er zijn structurele aspecten, zoals de liberalisering van de energiemarkt en schommelingen op de binnenlandse energiemarkt die zeer verstrekkende gevolgen hebben. De Commissie zal de ontwikkelingen van de energieprijzen en alle met de regeling voor emissierechtenhandel verband houdende aspecten nauwlettend in het oog houden.

16) Hoe kunnen bedrijven van de emissierechtenhandel profiteren?

Laat ons veronderstellen dat bedrijven A en B beide 100 000 ton CO2 per jaar uitstoten. De regering geeft elk van hen 95 000 emissierechten. Een emissierecht vertegenwoordigt het recht om 1 ton CO2 uit te stoten. Zo is geen van beide bedrijven volledig gedekt voor zijn emissies. Aan het einde van elk jaar moeten de bedrijven een aantal emissierechten inleveren die overeenstemmen met hun emissies in de loop van het jaar, ongeacht wat de emissies van de afzonderlijke onderneming zijn. De ondernemingen A en B moeten beide 5 000 ton CO2 kwijtraken, en ze kunnen dit op twee manieren doen. Ze kunnen ofwel hun emissies met 5 000 ton verminderen ofwel 5 000 emissierechten kopen op de markt. Om te beslissen welke optie zij kiezen, zullen ze naar hun kosten kijken om de emissies met 5 000 ton te verminderen en deze kosten vergelijken met de marktprijs voor emissierechten.

Laten we bij voorbeeld aannemen dat de marktprijs voor emissierechten € 10 per ton CO2 is. De reductiekosten voor onderneming A bedragen € 5 (d.i. lager dan de marktprijs). Onderneming A zal dan haar emissies beperken, omdat dit goedkoper is dan het kopen van emissierechten. Onderneming A kan haar emissies zelfs met meer dan 5 000 ton verminderen, namelijk 10 000 ton. Voor onderneming B is de situatie misschien omgekeerd en bedragen haar terugdringingskosten € 15 (d.i. meer dan de marktprijs). Zij zal er de voorkeur aan geven emissierechten te kopen in de plaats van haar emissies te verminderen.

Onderneming A geeft € 50 000 uit om 10 000 ton te verminderen tegen een kostprijs van € 5 per ton en ontvangt € 50 000 van de verkoop van 5 000 ton tegen een prijs van € 10. Zo compenseert onderneming A haar kosten voor het terugdringen van haar emissies volledig door de verkoop van emissierechten terwijl er, mocht er geen regeling voor de handel in emissierechten bestaan, een nettoprijs van € 25 000 zou moeten worden betaald. Onderneming B geeft € 50 000 uit om 5 000 ton te kopen tegen een prijs van € 10. Zonder de flexibiliteit van de regeling handel in emissierechten zou onderneming B € 75 000 hebben moeten uitgeven.

Aangezien alleen een onderneming met lage reductiekosten, die er dus voor kiest haar emissies te verminderen, zoals onderneming A, in staat is rechten te verkopen, vertegenwoordigen de emissierechten die onderneming B koopt, een vermindering van emissies, zelfs als onderneming B zelf haar emissies niet vermindert.

Het is belangrijk dat voor ogen te houden. Op deze manier wordt ervoor gezorgd dat de goedkoopste reducties het eerst worden gerealiseerd. Aangezien de regeling voor de hele EU geldt, zal de onderneming de goedkoopste reducties in de hele EU uitzoeken en maken dat die het eerst worden gerealiseerd. Deze flexibiliteit in het systeem maakt van de handel in emissierechten de meest kostenefficiënte manier om een gegeven milieudoelstelling te bereiken. De totale kosten voor de industrie zouden hoger zijn geweest indien onderneming B verplicht was geweest de emissies in het eigen bedrijf tegen hogere kosten te verminderen.

17) Hoe zal de handel in emissierechten in de praktijk functioneren?

Het wettelijk kader van de regeling bepaalt niet hoe en waar de markt in emissierechten zal plaatsvinden. Ondernemingen met verbintenissen mogen rechtstreeks met elkaar emissierechten verhandelen, zij mogen kopen of verkopen via een makelaar, bank of andere tussenpersoon voor emissierechten.

Het zou ook kunnen dat een onderneming die een fossiele brandstof (steenkool of gas) koopt emissierechten aangeboden krijgt in combinatie met de brandstof. Ten slotte kunnen zich georganiseerde markten (beurzen voor emissierechten) ontwikkelen.

Er is ook een elektronisch registratiesysteem ingevoerd om bij te houden wie precies eigenaar is van de verhandelde emissierechten. Dit registratiesysteem is gescheiden van de handelsactiviteit - niet alle handelsbewegingen resulteren in veranderingen van het bezit van emissierechten, maar wanneer een transactie tot een verandering van eigendom leidt, komt er een overdracht van emissierechten tussen rekeningen in het registratiesysteem.

Daarmee gelijkt het registratiesysteem op een banksysteem dat de eigendom van geld op rekeningen volgt, maar niet bijhoudt welke transacties op markten voor goederen en diensten zijn gebeurd waardoor het geld van eigenaar is veranderd. Het registratiesysteem is dan ook geen markt; de wijze waarop de handel in emissierechten wordt gevoerd is een besluit dat wordt genomen door de marktdeelnemers.

Het systeem is zuiver elektronisch. Emissierechten worden dus niet op papier gedrukt, maar bestaan alleen in een online-registratierekening. Elke onderneming met een verbintenis en iedereen die belang stelt in de koop of verkoop van emissierechten heeft een rekening nodig. Het systeem bestaat uit een nationale component in elke lidstaat waar emissierechten worden gehouden en een centrale op Europees niveau die automatische controles zal uitvoeren op elke overdracht van emissierechten teneinde te waarborgen dat de voorschriften van de richtlijn worden nageleefd. Sommige gegevens die in het register worden bijgehouden zullen, overeenkomstig de VN-voorschriften en de verordening inzake elektronische registers[3], periodiek worden bekendgemaakt. Er is gestreefd naar een evenwicht tussen milieutransparantie en commerciële vertrouwelijkheid.

Zie ook:
De website van het DG Milieu over emissiehandel:

http://ec.europa.eu/environment/climat/emission.htm
Nationale toewijzingsplannen:

http://ec.europa.eu/environment/climat/emission_plans.htm
Het transactielogboek van de Gemeenschap:
http://ec.europa.eu/environment/ets/


[1] Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap.

[2] Richtlijn 2004/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 houdende wijziging van Richtlijn 2003/87/EG.

[3] Verordening van de Commissie van 21 december 2004 inzake een gestandaardiseerd en beveiligd registersysteem overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG en Beschikking 280/2004/EG.


Side Bar

Mon compte

Gérez vos recherches et notifications par email


Aidez-nous à améliorer ce site