Navigation path

Left navigation

Additional tools

Other available languages: EN FR DE DA ES IT SV PT FI EL

MEMO/03/88

Brussel, 5 december 2003

De uitbreiding van de EU: vragen en antwoorden over voedselveiligheidskwesties

Voedselveiligheid is een integrerend onderdeel van het EU-beleid inzake consumentenbescherming en volksgezondheid. De aanpak "van boer tot bord" zal dus door de toekomstige lidstaten moeten worden overgenomen. Dit is een belangrijke uitdaging; er is al veel vooruitgang geboekt maar verdere stappen zijn noodzakelijk.

    Hoe is de voedselveiligheid in het Toetredingsverdrag geregeld?

De toetredingsonderhandelingen werden in december 2002 in Kopenhagen afgerond. De tien nieuwe lidstaten(1) hebben het Toetredingsverdrag en de daaraan gehechte Akte van toetreding op 16 april 2003 in Athene ondertekend. De beoogde datum van toetreding is 1 mei 2004. Op die datum wordt het hele "acquis" (d.w.z. de complete EU-wetgeving) in de nieuwe lidstaten van kracht. De onderhandelingen met Bulgarije en Roemenië worden voortgezet, waarbij 2007 het streefjaar voor toetreding is.

Voedselveiligheidskwesties zijn verdeeld over twee terreinen van de toetredingsonderhandelingen:

  • Hoofdstuk 1, " Vrij verkeer van goederen", omvat de levensmiddelenwetgeving;

  • Hoofdstuk 7, "Landbouw", bestrijkt veterinaire en fytosanitaire kwesties, en diervoeding.

De levensmiddelenwetgeving omvat algemene voorschriften inzake hygiëne en controles, etikettering, additieven, de verpakking van voedsel en genetisch gemodificeerde levensmiddelen.

De veterinaire wetgeving betreft de gezondheid en het welzijn van dieren, de identificatie en registratie van dieren, systemen voor de controle van de interne markt, controles aan de buitengrenzen en voorschriften inzake volksgezondheid voor bedrijven die dierlijke producten produceren of verwerken.

De fytosanitaire wetgeving betreft de gezondheid van planten (schadelijke organismen, bestrijdingsmiddelen), zaden en teeltmateriaal, en plantenhygiëne.

De wetgeving inzake diervoeding betreft de veiligheid van voedermiddelen en toevoegingsmiddelen, etikettering, verontreinigende stoffen in diervoeder, controles en inspecties.

    Wat zijn de uitgangspunten van de Europese Commissie voor de voedselveiligheid in het licht van de uitbreiding?

Voedselveiligheid is een element van het uitbreidingsproces waarbij de EU vanaf het begin duidelijk heeft gemaakt dat zij geen situatie zal accepteren die zou kunnen leiden tot lagere voedselveiligheidsnormen of gevaren voor de consumenten. De nieuwe lidstaten erkennen dat het essentieel is dat zij voldoen aan het acquis van de Unie op het gebied van voedselveiligheid.

Het acquis met betrekking tot voedselveiligheid omvat een groot aantal wetsteksten. Vele daarvan bestrijken een breed terrein en vereisen aanzienlijke inspanningen voor de omzetting, de tenuitvoerlegging en de controle op de naleving.

Het is van vitaal belang dat het acquis volledig wordt omgezet in de nationale wetgeving van alle nieuwe lidstaten en dat de betreffende administratieve structuren en procedures ruim vóór de feitelijke toetreding worden hervormd en versterkt.

De Commissie heeft echter enkele op goede gronden berustende verzoeken om overgangsregelingen in aanmerking genomen. In de veterinaire en fytosanitaire sector zijn overgangsregelingen overeengekomen met als uitgangspunt dat de risico's voor de gezondheid van mensen, dieren of planten in de EU niet groter mogen worden.

    Wat zijn de voornaamste kwesties over voedselveiligheid met de nieuwe lidstaten?

De belangrijkste kwesties zijn:

  • het vermogen van de nieuwe lidstaten om de handel binnen de EU en de invoer uit derde landen te controleren in overeenstemming met de EU-voorschriften;

  • het voldoen aan de hoge normen van de EU-gezondheidsbeschermingsvoorschriften met betrekking tot BSE;

  • het waarborgen dat voedselverwerkende bedrijven aan de EU-normen voldoen.

    3a. Hoe zullen de toekomstige buitengrenzen functioneren?

De EU-controles op de invoer uit derde landen vereisen een systeem van grensinspectieposten (GIP) aan de buitengrenzen met derde landen, die op EU-niveau moeten worden gebracht. Wat dit betreft, heeft de EU duidelijk gesteld dat compromissen inzake faciliteiten of procedures niet mogelijk zullen zijn. Alleen voor het specifieke geval van de tijdelijke grens tussen Hongarije en Roemenië is tot een speciale regeling besloten. Momenteel zijn er 283 EU-grensinspectieposten, die door de nationale autoriteiten worden beheerd en bemand. De meeste daarvan zijn in havens en luchthavens, andere bij wegen of spoorwegen aan met name de huidige oostelijke grenzen van de Unie.

Bij de toetreding van 10 en in een later stadium 12 nieuwe lidstaten zal de oostgrens met Rusland langer worden en komen er oostgrenzen met Wit-Rusland, Oekraïne, Moldavië en Turkije. Er zullen ook nieuwe GIP moeten worden geïnstalleerd langs de grenzen met Kroatië, Servië en Montenegro en Macedonië.

De veterinaire controles bij invoer omvatten in de praktijk het inspecteren van de documentatie en de identiteit en fysieke inspecties van de dieren of de dierlijke producten. Na deze controles aan de eerste grensovergang van de EU kunnen dieren en producten in principe vrij circuleren binnen de interne markt. Het is dan ook essentieel dat de GIP-faciliteiten en -procedures afdoende zijn om de diergezondheid en de volksgezondheid veilig te stellen.

Voor het opzetten van grensinspectieposten voor de wettelijk verplichte veterinaire en andere controles in de nieuwe lidstaten zijn gebouwen, uitrusting en personeel nodig. De EU-wetgeving geeft minimumnormen aan voor GIP-faciliteiten, afhankelijk van het te controleren type producten.

De tijd dringt echter en er is nog veel te doen. Op technisch niveau vorderen de werkzaamheden gestaag, maar alle overheidssectoren in de nieuwe lidstaten moeten samenwerken. De Commissie volgt de ontwikkelingen op de voet en alleen GIP die bij de toetreding volkomen gereed zijn, worden goedgekeurd en op de lijst geplaatst. De situatie in november 2003 is kennelijk dat ongeveer 20 GIP gereed zijn en nu al goedgekeurd zouden kunnen worden. In totaal zijn er ongeveer 50 GIP aangemeld die naar verwachting op de dag van toetreding aan de voorschriften zullen voldoen.

Om de veterinaire GIP goed te keuren moet de Commissie een beschikking vaststellen via de procedure van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten.

    3b.  Wat is de situatie ten aanzien van voedselverwerkende bedrijven?

Het in overeenstemming brengen van voedselproducerende bedrijven met de EU-normen is een grote uitdaging voor de nieuwe lidstaten. Er is al veel gedaan en veel bedrijven voldoen al aan de hygiëne-eisen van de EU. Andere bedrijven zullen nog veel moeten verbeteren vóór de toetreding als zij dat willen bereiken. Zes nieuwe lidstaten(2) hebben gevraagd om overgangsperioden om een beperkt aantal voedselverwerkende bedrijven te moderniseren na de toetreding. Deze overgangsregelingen hebben een beperkte duur en reikwijdte, en lopen in 2006 of 2007 af (zie bijlage). De Europese Commissie verlangde van de nieuwe lidstaten dat zij gedetailleerde informatie verstrekten over de situatie van de voedselverwerkende bedrijven, en voor alle bedrijven waarvoor een overgangsperiode nodig was, moesten zij een bindend plan voor upgrading indienen.

Verder zijn strenge voorwaarden opgelegd betreffende het in de handel brengen en het voorzien van speciale merken van producten afkomstig van bedrijven in de overgangsfase: die producten moeten op de binnenlandse markt van de nieuwe lidstaten blijven en kunnen niet in de rest van de EU op de markt worden gebracht. Deze producten zullen dan ook duidelijk gemerkt moeten worden, om ze te onderscheiden van producten die wel binnen de gehele interne markt kunnen worden verkocht. De Commissie zal de situatie in deze bedrijven nauwlettend volgen en de nieuwe lidstaten zullen regelmatig verslag moeten uitbrengen over de ontwikkelingen.

Ten aanzien van bedrijven waarvoor geen overgangsperioden zijn vastgesteld en die niet aan de EU-wetgeving voldoen, is het Verdrag duidelijk: als zij op het moment van toetreding niet aan de EU-normen voldoen, worden zij gesloten. De lijst van bedrijven in de overgangsfase kan bij beschikking van de Commissie worden gewijzigd, maar alleen tot op zekere hoogte.

    3c. Aan welke normen moeten worden voldaan op het terrein van voedselveiligheid?

De voedselveiligheids- en veterinaire/fytosanitaire wetgeving van de EU stelt hoge normen wat de omzetting van wettelijke voorschriften betreft, maar vooral ook ten aanzien van de administratieve structuren die aanwezig en operationeel moeten zijn. Daarom zullen de meeste nieuwe lidstaten zich aanzienlijke inspanningen moeten getroosten met betrekking tot het invoeren van de relevante wetgeving, het organiseren van een effectieve verdeling van de verantwoordelijkheid voor voedselveiligheid, het moderniseren van fabrieken, het opzetten van laboratoria en analysecapaciteit, het opleiden van personeel voor inspectiediensten en laboratoria, enz.

Momenteel zijn er in de nieuwe lidstaten veel agro-voedselbedrijven die mogelijk niet voldoen aan al de gedetailleerde eisen die de EU-wetgeving stelt aan de infrastructuur en de organisatie van de productieketen. In levensmiddelenfabrieken kan de tenuitvoerlegging van de EU-voorschriften grotere investeringen vergen voor het ombouwen en aanpassen van de fabriek.

Voor een effectieve controle op residuen van bestrijdingsmiddelen bijvoorbeeld moeten de nieuwe lidstaten een programma voor monsterneming (voor zowel de binnenlandse productie als geïmporteerde levensmiddelen) en een programma voor analyses opzetten, zorgen voor de noodzakelijke laboratoriuminfrastructuur en -uitrusting, en over gekwalificeerd personeel beschikken. Ook moeten zij doeltreffende procedures opzetten voor het identificeren van partijen, voor het rapporteren van de resultaten van analyses, en voor het nemen van passende maatregelen als er zich problemen voordoen.

De laboratoria moeten worden geaccrediteerd aan de hand van normen betreffende goede laboratoriumpraktijken, zoals die van de ISO. Vergelijkbare eisen gelden voor de controle op residuen als hormonen, antibiotica en verontreinigende stoffen, en ook voor het testen op de aanwezigheid van ziekten, zoals BSE.

    3d. Hebben de toekomstige lidstaten een specifiek probleem met BSE?

Alle nieuwe lidstaten erkennen dat BSE een reëel risico vormt, en nemen geleidelijk maatregelen om dat risico te beheersen. Zij hebben alle toegezegd dat zij op het moment van toetreding volledig aan de betreffende EU-wetgeving zullen voldoen. Dit omvat actieve BSE-bewaking, het verwijderen van specifiek risicomateriaal (SRM) bij het slachten, het verbod van bepaalde typen diervoeders, en het invoeren van systemen voor de identificatie van runderen en producten van runderen. Alle landen passen een minimumverbod op het vervoederen van vleesbeendermeel (MBM) aan herkauwers toe, maar niet alle hebben het totale voederverbod ten uitvoer gelegd, en andere landen gebruiken MBM nog steeds als voer voor varkens en pluimvee iets wat in de EU verboden is.

Er is op grote schaal begonnen met BSE-tests in de nieuwe lidstaten en de EU draagt via de Phare-programma's financieel bij aan het testprogramma.

De Commissie zal de vorderingen bij de toepassing van de BSE-maatregelen nauwlettend blijven volgen. Op dit punt zullen geen compromissen worden geaccepteerd.

    Welke financiële steun ontvangen de nieuwe lidstaten voor het verbeteren van hun voedselveiligheidsstelsels?

De voornaamste instrumenten zijn Phare en SAPARD.

De investeringen voor het inrichten en moderniseren van grensinspectieposten bijvoorbeeld worden in veel gevallen ondersteund met middelen van het Phare-programma. De BSE-tests in de nieuwe lidstaten worden ook medegefinancierd in het kader van het Phare-programma, en de meeste nieuwe lidstaten maken hiervan gebruik.

Medefinanciering van de upgrading (aanpassing, ombouw of nieuwbouw) van bedrijven die vlees, melkproducten, vis en andere landbouwproducten verwerken en in de handel brengen, kan worden verstrekt door de SAPARD-programma's. Hiervoor is bijna een miljard euro gereserveerd.

    Hoe controleert de Commissie de stand van de voedselveiligheid in de nieuwe lidstaten?

Het controleren van het proces van omzetting en tenuitvoerlegging is de belangrijkste taak van de Commissie tussen nu en de toetreding. De Commissie zal erop aandringen dat het acquis ten tijde van de toetreding volledig is omgezet.

Het Voedsel- en Veterinair Bureau (VVB) van de Commissie speelt een belangrijke rol bij de controle van de mate van naleving van de wetgeving inzake voedselhygiëne en van de veterinaire en fytosanitaire wetgeving in de nieuwe lidstaten. Bezoeken aan de kandidaatlanden, waarmee in 2001 is begonnen, waren de voornaamste prioriteit van het Bureau in 2002 en 2003 en zullen intensief worden voortgezet tot de toetreding. Daarna zal het VVB inspectiebezoeken verrichten op dezelfde voet als in de "oude" lidstaten.

Het doel van de "uitbreidingsbezoeken" is na te gaan hoe de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving en van hun eigen toezeggingen in de nieuwe lidstaten vordert. De volgende vijf gebieden worden bestreken:

    1. Levende dieren en levensmiddelen van dierlijke oorsprong, met inbegrip van bedrijven

2. Invoercontroles, met inbegrip van GIP

3. Overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE) en diervoeders

4. Algemene levensmiddelenhygiënecontroles

5. Plantenziekten

Aan dit inspectieprogramma wordt in 2003 40% van de middelen van het VVB besteed.

De Commissie bespreekt de resultaten van deze bezoeken met de lidstaten.

    Hoe beoordeelt de Commissie de situatie in de nieuwe lidstaten?

In haar recente controleverslag heeft de Commissie het groene licht gegeven voor de uitbreiding van de Unie, maar zij heeft duidelijk gemaakt dat de toekomstige lidstaten onmiddellijk actie moeten ondernemen om nog bestaande problemen op te lossen.

Op het terrein van de voedselveiligheid betreft dit onder andere versterking van de grenscontroles, verbetering van de verwerking van mest, verbetering van het kwaliteitsniveau van levensmiddelenbedrijven, en meer controle op de aanwezigheid van van bestrijdingsmiddelen en andere residuen in landbouwproducten.

De nieuwe lidstaten zullen deze kwesties energiek moeten aanpakken als zij de toepassing van vrijwaringsmaatregelen willen voorkomen.

    Wat gebeurt er als op het moment van de toetreding niet aan de overeengekomen voedselveiligheidsnormen wordt voldaan?

Alle toekomstige lidstaten werken er hard aan om aan de gestelde normen te voldoen en de EU vertrouwt erop dat dat zal lukken. Er is echter weinig tijd meer. Hoe dan ook zal de EU ten aanzien van haar normen geen compromissen aanvaarden. De bestaande vrijwaringsbepalingen (in de artikelen 53 en 54 van Verordening nr. 178/2002 inzake de algemene levensmiddelenwetgeving) kunnen worden toegepast als een levensmiddel of diervoeder een risico voor de volksgezondheid inhoudt. Bovendien biedt Artikel 38 van het Toetredingsverdrag een aanvullende vrijwaringsbepaling voor het geval niet aan de tijdens de onderhandelingen gemaakte afspraken wordt voldaan en daardoor een onmiddellijk gevaar voor de werking van de interne markt ontstaat. Deze bepaling kan tot drie jaar na de toetreding worden toegepast, maar de maatregelen kunnen langer van kracht blijven zolang niet aan de desbetreffende verplichtingen is voldaan. De Commissie kan deze bepaling op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief toepassen. De vrijwaringsbepaling kan ook al vóór de toetreding worden toegepast op grond van controleresultaten. In dat geval treedt zij op de dag van de toetreding in werking.

Meer informatie:

Het Toetredingsverdrag is te vinden op de volgende website:

http://ec.europa.eu/enlargement/negotiations/treaty_of_accession_2003/index.htm

Bijlage

Overeengekomen overgangsperioden per land, met vermelding van het aantal bedrijven per sector

Polen: 332 vleesbedrijven (tot december 2007), 113 melkbedrijven (tot december 2006), 40 visbedrijven (3 jaar);

Tsjechische Republiek: 44 vleesbedrijven, 1 eierbedrijf, 7 visbedrijven (tot december 2006);

Hongarije: 44 roodvleesbedrijven (tot december 2006);

Letland: 29 visverwerkende bedrijven (tot januari 2005), 77 vleesbedrijven (tot januari 2006), 11 melkverwerkende bedrijven (tot januari 2005);

Litouwen: 14 vleesbedrijven, 5 visbedrijven en 1 melkbedrijf (tot januari 2007);

Slowakije: 1 vleesbedrijf en 1 visbedrijf (tot december 2006).

(1) Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië.

(2) Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slowakije en Tsjechië.


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website