Navigation path

Left navigation

Additional tools

Other available languages: EN FR DE DA ES IT SV PT FI EL

MEMO/03/154

Brussel,23 juli 2003

Het protocol van Kyoto

Wat is het protocol van Kyoto?

Het raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het protocol van Kyoto bieden het enige internationale kader voor het tegengaan van klimaatverandering.1

Het UNFCCC, de eerste internationale maatregel die het probleem aan de orde stelde, is in mei 1992 aangenomen en in maart 1994 in werking getreden. De maatregel verplicht alle ondertekenaars om nationale programma's op te stellen ter vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en regelmatig verslagen in te dienen, en eist dat de geïndustrialiseerde landen die hebben ondertekend2 (in tegenstelling tot ontwikkelingslanden) de uitstoot van broeikasgassen vóór het jaar 2000 stabiliseren op het niveau van 1990. Deze doelstelling is echter niet bindend.

Door onderscheid te maken tussen geïndustrialiseerde landen en ontwikkelingslanden, erkent de UNFCCC dat de geïndustrialiseerde landen verantwoordelijk zijn voor het grootste deel van de mondiale uitstoot van broeikasgassen en dat ze tevens over het institutionele en financiële vermogen beschikken om deze uitstoot te verminderen. De partijen ontmoeten elkaar jaarlijks om de geboekte vooruitgang te beoordelen en verdere maatregelen te bespreken, en er is een aantal mondiale controle- en rapportagemechanismen geïmplementeerd om de uitstoot van broeikasgassen vast te leggen.

In 1994 is reeds erkend dat de initiële UNFCCC-verplichtingen niet voldoende zouden zijn om de mondiale toename van de uitstoot van broeikasgassen een halt toe te roepen. Op 11 december 1997 gingen de overheden een stap verder en namen zij een UNFCCC-protocol aan in de Japanse stad Kyoto. Het protocol van Kyoto bouwt verder op het UNFCCC-raamwerk, stelt wettelijk bindende limieten vast voor de uitstoot van broeikasgassen in geïndustrialiseerde landen en voorziet in innovatieve op de markt gebaseerde uitvoeringsmechanismen, die gericht zijn op het laag houden van de kosten voor het beperken van deze uitstoot.

Volgens het protocol van Kyoto moeten geïndustrialiseerde landen de uitstoot van zes broeikasgassen (CO2, het belangrijkste gas, methaan, distikstofoxide, gefluoreerde koolwaterstoffen, volledig gehalogeneerde fluorkoolwaterstoffen en zwavelhexafluoride) tijdens de eerste “verbintenisperiode” van 2008 tot 2012 gemiddeld met 5,2% verminderen ten opzichte van het niveau in 1990. Er zijn geen emissiedoelstellingen voor ontwikkelingslanden.

Er is gekozen voor een verbintenisperiode van vijf jaar in plaats van een verbintenisperiode van één jaar, om jaarlijkse fluctuaties in de uitstoot die veroorzaakt worden door onbeheersbare factoren, zoals het weer, te voorkomen. De internationale onderhandelingen over een tweede verbintenisperiode in het kader van het protocol van Kyoto na 2012 zullen in 2005 worden gestart.

De verplichtingen zullen wettelijk bindend worden als het protocol van Kyoto in werking treedt. De voorschriften voor inwerkingtreding vereisen dat ten minste 55 partijen bij de UNFCCC het protocol ratificeren, waaronder zich tevens een dusdanige hoeveelheid geïndustrialiseerde landen (in Bijlage I vermelde landen) moet bevinden2(1), dat kan worden gesteld dat deze in 1990 ten minste 55% van de CO2-uitstoot voor hun rekening namen. Tot dusver hebben 111 landen het protocol van Kyoto geratificeerd, zodat de eerste drempel is bereikt. Het aandeel van de in Bijlage I vermelde landen bedraagt echter slechts 44,2% van de CO2-uitstoot.3 (Het aandeel van de EU bedraagt 24,2%.)

Vijf van de in Bijlage I vermelde landen hebben het protocol nog niet geratificeerd: Australië, Liechtenstein, Monaco, Rusland en de Verenigde Staten. Maar alleen ratificatie door Rusland, dat verantwoordelijk is voor 17,4% van de mondiale CO2-uitstoot in 1990, of de Verenigde Staten, dat verantwoordelijk is voor 36,1%, zal een verschil opleveren, omdat de drie resterende landen samen slechts 2,1% voor hun rekening nemen. Omdat de Verenigde Staten zich begin 2001 uit het protocol hebben terugtrokken, heeft Rusland momenteel de sleutel voor de inwerkingtreding van het protocol in handen. Rusland heeft aangekondigd dat het protocol snel zal ratificeren.

Nadat het protocol van Kyoto was aangenomen, werden de onderhandelingen over de voorziene mechanismen en de uitvoeringsvoorschriften voortgezet. De laatste onderhandelingen werden in 2001 afgerond met de Marrakech-akkoorden. De EU heeft een belangrijke rol gespeeld bij de succesvolle afronding van de onderhandelingen over het protocol van Kyoto, met name na de terugtrekking van de Verenigde Staten.

Vooruitgang bij de uitvoering van het protocol van Kyoto in de EU

Volgens het protocol van Kyoto heeft de EU zichzelf verplicht om de uitstoot van broeikasgassen tijdens de eerste verbintenisperiode van 2008 tot 2012 met 8% te verminderen. Deze doelstelling wordt via een wettelijk bindende lastenverdelingsovereenkomst over de lidstaten verdeeld, waarbij voor elke lidstaat aparte emissiedoelstellingen worden vastgesteld.4 Op 31 mei 2002 hebben de EU en alle lidstaten het protocol van Kyoto geratificeerd.

Economische analyses van het protocol van Kyoto en de implicaties voor de EU geven aan dat de totale kosten voor naleving moeilijk te schatten zijn en ver uiteen kunnen lopen, afhankelijk van diverse factoren. Ervan uitgaande dat er volledige prioriteit gegeven wordt aan kosteneffectieve beleidstrajecten, worden de jaarlijkse nalevingskosten voor de economie in de EU tussen 2008 en 2012 geschat op ongeveer 0,06% van het BBP of 3,7 miljard €.

De tien toetredingslanden landen, die volgens de planning in mei 2004 tot de EU zullen toetreden, hebben allemaal het protocol van Kyoto geratificeerd. Deze landen hebben hun eigen doelstellingen voor Kyoto, variërend van -6% tot -8%.

De 8%-doelstelling van de EU verwijst alleen naar de huidige 15 lidstaten, en dit zal na de uitbreiding niet veranderen.

De EU is haar UNFCCC-verplichtingen om de uitstoot van broeikasgassen in 2000 op het niveau van 1990 te stabiliseren nagekomen, door de uitstoot tussen 1990 en 2000 met 3,3% te verminderen.

Deze vermindering houdt tevens in dat de EU vooruitgang heeft geboekt met het bereiken van de Kyoto-doelstelling om de uitstoot met 8% te verminderen. Tussen 1999 en 2000 is de uitstoot echter met 0,3% gestegen, en tussen 2000 en 2001 met 1%. Dus in 2001, het laatste jaar waarvoor cijfers beschikbaar zijn, was de uitstoot van broeikasgassen in de EU 2,3% lager dan het niveau in 1990.

Een aanzienlijk deel van de initiële geboekte vooruitgang had te maken met grote verminderingen van de uitstoot in Duitsland (18,3%, waarvan de helft volgens schattingen kan worden toegeschreven aan de economische herstructurering in voormalig Oost-Duitsland) en het Verenigd Koninkrijk (12%, waarvan een deel is toe te schrijven aan de overgang van kool naar gas), alsmede Luxemburg (44,2%, waarvan een groot deel kan worden toegeschreven aan de herstructurering van de staalindustrie). Tien van de 15 lidstaten hebben nog een lange weg te gaan als ze aan de verplichtingen van de EU-lastenverdelingsovereenkomst willen voldoen. (Zie bijlage voor meer informatie.)

Uitgedrukt in sectoren is de uitstoot sinds 1990 verminderd in de verwerkende industrie, de energiesector (elektriciteit en warmteopwekking) en de sector voor kleine verbrandingsinstallaties, met inbegrip van huishoudens. In tegenstelling hiertoe is de CO2-uitstoot van het vervoer tussen 1990 en 2000 met 18% gestegen, waardoor het aandeel in de totale uitstoot van broeikasgassen uitkomt op 21%.

Uit deze cijfers blijkt dat er door de EU en de lidstaten aanzienlijke inspanningen moeten worden verricht om aan de verplichtingen in het kader van het protocol van Kyoto te voldoen. Men verwacht dat het EU-systeem voor emissiehandel een belangrijke rol zal spelen bij de inhaalslag van de minder goed presterende EU-lidstaten.

De op de markt gebaseerde flexibele mechanismen van Kyoto

Het protocol van Kyoto voorziet in drie op de markt gebaseerde “flexibele mechanismen”: emissiehandel, gezamenlijke uitvoering en het mechanisme voor schone ontwikkeling. Hiermee kunnen geïndustrialiseerde landen hun doelstellingen bereiken, door onderling emissiequota te verhandelen en tegoeden voor uitstootbeperkende projecten in het buitenland op te bouwen. Gezamenlijke uitvoering verwijst naar projecten in landen die ook emissiedoelstellingen hebben, en het mechanisme voor schone ontwikkeling verwijst naar projecten in ontwikkelingslanden waarvoor geen doelstellingen zijn vastgesteld.

De ratio achter deze drie mechanismen is dat de uitstoot van broeikasgassen een wereldwijd probleem is en dat het minder belangrijk is waar de vermindering wordt bereikt. Op deze manier kan vermindering worden bereikt in gebieden waar dat het minst kost, in ieder geval in de initiële fase van de strijd tegen klimaatverandering.

Er zijn gedetailleerde voorschriften en toezichtstructuren vastgesteld om te garanderen dat deze mechanismen niet misbruikt worden.

Emissiehandel

Hoewel uitvoering van de drie flexibele mechanismen op internationaal niveau alleen mogelijk is als het protocol van Kyoto in werking treedt, timmert de EU reeds aan de weg met een eigen intern systeem voor emissiehandel. De richtlijn is op 2 juli 2003 goedgekeurd door het Europees Parlement. Omdat de Raad reeds een gemeenschappelijk standpunt heeft ingenomen, zal de richtlijn zonder debat formeel worden aangenomen op één van de volgende zittingen.

De emissiehandel zal in 2005 starten in alle lidstaten van de uitgebreide Europese Unie. Het EU-plan is het eerste multinationale plan voor emissiehandel ter wereld en wordt als een voorloper beschouwd van het internationale plan voor emissiehandel in het kader van het protocol van Kyoto.

In het kader van het EU-plan voor emissiehandel zullen de EU-lidstaten limieten vaststellen voor de CO2-uitstoot van energie-intensieve bedrijven (ongeveer 10.000 staalfabrieken, elektriciteitscentrales, olieraffinaderijen, papierfabrieken en glas- en cementinstallaties), door quota toe te wijzen voor de hoeveelheid CO2 die deze bedrijven mogen uitstoten. Verminderingen onder de limieten zijn verhandelbaar. Bedrijven die een vermindering bewerkstelligen kunnen deze verkopen aan bedrijven die problemen hebben om binnen de limiet te blijven, of bedrijven waarvoor maatregelen voor de vermindering van uitstoot te duur zijn in verhouding met de kosten voor de quota. Een bedrijf kan de uitstoot tevens tot boven het toegewezen quotumniveau verhogen, door meer quota op te markt in te kopen.

Dit plan zal bedrijven ertoe aanzetten om de uitstoot te verminderen waar dat het goedkoopst is, de innovatie stimuleren en garanderen dat de verminderingen tegen de laagst mogelijke economische kosten worden bewerkstelligd.

Men schat dat de bedrijven die momenteel aan het plan deelnemen bijna de helft van de totale CO2-uitstoot in de EU voor hun rekening nemen. Andere sectoren, zoals aluminiumproducenten, de chemische industrie en de vervoerssector, kunnen later bij het plan worden betrokken.

De EU-lidstaten moeten nu de nationale toewijzingsplannen opstellen, waarin de quota voor elke sector en elk bedrijf worden vastgesteld. De plannen moeten vóór april 2004 bij de Commissie worden ingediend.

De EU heeft tevens aangegeven bereid te zijn om het EU-plan te koppelen aan andere handelsplannen in andere landen, die het protocol van Kyoto hebben geratificeerd.

Gezamenlijke uitvoering en het mechanisme voor schone ontwikkeling

Via het protocol van Kyoto zullen gezamenlijke uitvoering (JI) en het mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) de geïndustrialiseerde landen in staat stellen om hun verplichtingen voor uitstootvermindering deels te vervullen via de uitvoering van uitstootverminderende projecten in het buitenland en bijtelling van de bereikte verminderingen bij hun eigen verplichtingen.

JI maakt projecten in andere geïndustrialiseerde landen met Kyoto-doelstellingen mogelijk, terwijl CDM zal plaatsvinden in landen zonder doelstellingen, dat wil zeggen ontwikkelingslanden. Een voorwaarde voor de toewijzing van tegoeden voor de bereikte verminderingen is dat de projecten resulteren in daadwerkelijke, meetbare en langdurige voordelen op het gebied van klimaatverandering.

Op basis van deze voorzieningen en het EU-systeem voor emissiehandel heeft de Commissie op 16 juli 2003 een voorstel aangenomen dat tegoeden van JI- en CDM-projecten aan het systeem voor emissiehandel koppelt. Volgens dit voorstel mogen Europese bedrijven, die onder het EU-systeem voor emissiehandel vallen, tegoeden van JI- en CDM-projecten gebruiken om aan hun verplichtingen in het kader van het handelssysteem te voldoen. (Overheden mogen alleen tijdens de eerste verbintenisperiode van 2008-2012 tegoeden van JI- en CDM-projecten gebruiken om aan hun verplichtingen in het kader van het protocol van Kyoto te voldoen, mits het protocol in werking treedt.)

De redenering achter JI en CDM lijkt op de redenering achter emissiehandel: het maakt niet uit waar verminderingen in uitstoot worden bereikt, omdat klimaatverandering een wereldwijd probleem is. Het belangrijkste is dát de verminderingen plaatsvinden en op de meest kosteneffectieve wijze worden bereikt. Men schat dat de koppeling van projecttegoeden aan het systeem voor emissiehandel de jaarlijkse nalevingskosten voor bedrijven die onder het plan vallen (met inbegrip van bedrijven in de tien toetredende landen) ongeveer met een kwart zal verlagen. JI en CDM zullen tevens milieutechnisch solide technologie overdragen aan landen waarvan de economie een overgang doormaakt (JI) en ontwikkelingslanden (CDM), waardoor deze een duurzaam ontwikkelingspad kunnen inslaan.

Het voorstel van de Commissie houdt rekening met de verplichting van partijen om een aanzienlijk deel van de Kyoto-doelstellingen te bereiken via uitstootverminderingen in de Europese Unie, zodat het gebruik van de flexibele mechanismen van Kyoto een aanvulling vormt op inspanningen op de thuismarkt. Het voorstel voorziet daarom in een beoordeling, die zal worden opgestart zodra de hoeveelheid JI- en CDM-projecttegoeden die in het plan voor emissiehandel worden gebracht gelijk is aan 6% van de totale hoeveelheid van toegewezen quota. Als deze beoordeling wordt opgestart, zal worden overwogen om een limiet voor de tegoeden vast te stellen, die gedurende de resterende handelsperiode kan worden geconverteerd.

Het voorstel sluit “koolstofputten” en nucleaire projecten uit, hetgeen in lijn ligt met de voorschriften van het protocol van Kyoto. Koolstofputten - het planten van bossen die CO2 opnemen - zijn op VN-niveau een controversieel onderwerp, omdat ze niet tot technologische overdracht leiden, inherent tijdelijk en omkeerbaar zijn, en er onzekerheid bestaat over de invloed van uitstootverwijdering door koolstofputten. Daarnaast zijn de internationale onderhandelingen over voor overheden acceptabele typen bosbouwprojecten nog niet afgerond.

Het protocol van Kyoto en de EU

De strijd tegen klimaatverandering is één van de belangrijkste verplichtingen in de duurzame-ontwikkelingsstrategie van de EU, zoals die in 2001 is onderschreven door de Europese Raad in Gotenburg. Hierbij werd tevens de inzet van de EU om de Kyoto-doelstelling te behalen opnieuw bevestigd.

Op de Europese Raad in Brussel van 20/21 maart 2003 werden de lidstaten uitgenodigd om sneller vooruitgang te boeken bij het bereiken van de doelstellingen van het protocol van Kyoto. Klimaatverandering is tevens één van de vier prioriteitsgebieden in het Zesde Milieuactieprogramma van de Gemeenschap, waarin een oproep wordt gedaan voor de volledige uitvoering van het protocol van Kyoto, als eerste stap richting de langetermijndoelstelling van een uitstootvermindering van 70%.5

De inspanningen van de Commissie om het protocol van Kyoto uit te voeren worden hoofdzakelijk ondersteund door het “Europese programma voor klimaatverandering” (EECP), dat in maart 2000 is geïntroduceerd. Het doel van ECCP is om met alle relevante belanghebbenden kosteneffectieve maatregelen vast te stellen en te ontwikkelen, die de EU zullen helpen om de Kyoto-doelstelling van 8% te bereiken, en een aanvulling zullen vormen op de inspanningen van de lidstaten. Sinds de introductie van ECCP zijn meer dan 200 belanghebbenden bij het programma betrokken via elf verschillende werkgroepen.

De bevindingen van het tweede voortgangsrapport van het ECCP, dat in april 2003 is uitgegeven, geven aan dat er voldoende kosteneffectieve maatregelen bestaan om de Kyoto-doelstellingen van de EU te bereiken.6 Er zijn tweeënveertig potentiële maatregelen voor uitstootvermindering vastgesteld die minder dan €20 per ton CO2-equivalent kosten en waarmee een totale uitstootvermindering van 700 miljoen ton CO2 kan worden bereikt. De uitstootvermindering die nodig is om de Kyoto-doelstelling van de EU te bereiken wordt geschat op 340 miljoen ton CO2-equivalent.

Hoewel het plan voor emissiehandel de maatregel is die het meeste potentieel heeft, hebben de Raad en het Europees Parlement verscheidene andere initiatieven aangenomen, zoals wetgeving ter stimulering van duurzame energie voor elektriciteitsproductie en biobrandstof voor wegvervoer, en wetgeving voor het energierendement van gebouwen. Er zijn andere maatregelen door de Commissie voorgesteld, zoals de richtlijn die JI/CDM aan het EU-systeem voor emissiehandel koppelt en een richtlijn ter stimulering van warmtekrachtkoppeling. Er zijn nog meer voorstellen op komst, zoals wetgeving voor regelgeving omtrent fluorgassen. De Europese Commissie heeft tevens een overeenkomst bedongen met alle Europese, Japanse en Koreaanse autofabrikanten, om de gemiddelde CO2-uitstoot van nieuwe auto's vóór 2008/2009 terug te brengen tot ongeveer 25% onder het niveau van 1995.

Maar zelfs de reeds aangenomen initiatieven moeten nog steeds worden uitgevoerd, dus het blijft afwachten in hoeverre deze de uitstoot in de praktijk kunnen verminderen. Effectbeoordelingen zijn altijd gebaseerd op talloze vooronderstellingen en variabelen. Of het volledige potentieel van een maatregel gerealiseerd kan worden, hangt af van diverse factoren.

De gevolgen van klimaatverandering

Volgens het derde evaluatierapport van de Intergouvernementele Werkgroep inzake Klimaatverandering (IPPC), waarin toonaangevende deskundigen op dit gebied uit de hele wereld zijn samengebracht, zal de gemiddelde oppervlaktetemperatuur bij een normale gang van zaken tussen 1990 t/m 2100 met 1,4 tot 5,8° toenemen, en het zeeniveau in dezelfde periode met 9 tot 88 centimeter stijgen.

Als er niets wordt gedaan om deze veranderingen tegen te houden, dan zal dat belangrijke gevolgen hebben voor het ecosysteem en onze economieën.

Deze gevolgen omvatten geografische verschuivingen in het leefgebied van verschillende soorten en/of de uitsterving van soorten.

Veranderingen in neerslagpatronen zullen druk uitoefenen op de watervoorraden in talloze regio's, hetgeen weer invloed zal hebben op zowel drinkwatervoorzieningen als irrigatie. Extreme weersomstandigheden en overstromingen zullen nog vaker voorkomen, met de daarmee gepaard gaande economische kosten en menselijke ontberingen. Warme seizoenen zullen in continentale binnenlanden op middenbreedtegraden nog droger worden, waardoor droogte en degradatie van land vaker zullen voorkomen.

Dit is met name een probleem voor gebieden waar landdegradatie, woestijnvorming en droogte reeds ernstige vormen hebben aangenomen. Vooral ontwikkelingslanden zullen hieronder te lijden hebben, en ziekten zullen hun geografische bereik uitbreiden. Wereldwijd waren de jaren '90 het warmste decennium sinds 1861.

    1 Volledige informatie over het UNFCCC en het protocol van Kyoto is te vinden op

     http://unfccc.int.

    2 Het UNFCCC deelt landen in twee hoofdgroepen in: Op 1 juli 2002 waren 186 landen partijen op de Conventie, waarvan 40 geïndustrialiseerde landen stonden vermeld in Bijlage 1 van de Conventie en de resterende 146 landen bekend stonden als de niet in Bijlage I vermelde landen. De in Bijlage I vermelde landen omvatten de 24 relatief welvarende geïndustrialiseerde landen die in 1992 lid waren van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de 15 EU-lidstaten en 11 landen met opkomende markteconomieën, met inbegrip van Rusland.

    3 Zie http://unfccc.int/resource/kpthermo_if.html.

    4 Beschikking 2002/358/EG van de Raad van 25 april 2002

    5 Besluit 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002.

6 Tweede ECCP voortgangsverslag - “Can we meet our Kyoto targets?”, april 2003

Bijlage

De volgende cijfers en tabellen geven, voor elke lidstaat en de gehele EU, informatie over trends in de uitstoot van de zes broeikasgassen tot 2001. Hierbij is geen rekening gehouden met de uitstoot van internationaal luchtvaart-/scheepvaartverkeer en uitstoot van/verwijdering door wijziging in landgebruik en bosbouw.

Figuur 1: Totale uitstoot van broeikasgassen in de EU ten opzichte van de Kyoto-doelstelling

[Graphic in PDF & Word format]

Tabel 1: Trends in de uitstoot van broeikasgassen en de doelstellingen van het protocol van Kyoto voor 2008-2012

[Graphic in PDF & Word format]

1) Het basisjaar voor CO2, CH4 en N2O is 1990; voor fluorgassen wordt 1995 als basisjaar gebruikt, hetgeen in lijn is met het protocol van Kyoto. Dit geeft de voorkeur van de meeste lidstaten weer.

2) Voor Denemarken zijn gegevens die betrekking hebben op in 1990 uitgevoerde aanpassingen in de elektriciteitshandel (import en export) en temperatuurvariaties tussen haakjes gezet. Deze methodologie wordt door Denemarken gebruikt om de vooruitgang te controleren die geboekt is ten opzichte van de nationale doelstelling, in het kader van de “lastenverdelingsovereenkomst” van de EU. Voor de uitstoot in de EU is gebruik gemaakt van niet-aangepaste Deense gegevens.

(1)


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website