Navigation path

Left navigation

Additional tools

Other available languages: EN FR DE DA ES IT SV PT FI EL

MEMO/01/357

Brussel, 7 november 2001

Vragen en antwoorden over TSE's bij schapen en geiten

    Wat zijn overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's)?

    TSE's zijn een groep ziekten die bij de mens en bij dieren voorkomen en gekenmerkt worden door degeneratie van het hersenweefsel, waardoor dit een sponsachtig uiterlijk krijgt. Tot deze groep ziekten behoren onder meer de ziekte van Creutzfeldt-Jakob (CJD) bij de mens, boviene spongiforme encefalopathie (BSE) bij runderen en scrapie bij schapen en geiten. BSE is pas sinds kort ontdekt, maar scrapie bestaat al honderden jaren; voorzover bekend kan deze ziekte niet op de mens worden overgedragen en vormt zij geen risico voor de volksgezondheid. Wel is de EU-wetgeving die ingevoerd is om de verspreiding en overdracht van BSE tegen te gaan uit voorzorg ook van toepassing op schapen en geiten (dit betreft de verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal zoals de hersenen en het ruggenmerg sinds 2000 en het verbod op het voeren van herkauwers met vleesbeendermeel afkomstig van zoogdieren sinds 1994).

    Zijn er aanwijzingen of vermoedens dat ook schapen en geiten BSE kunnen hebben?

    Onder schapen op het land is nog nooit BSE aangetroffen. Wel is bekend dat schapen in het VK en elders in de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig deels zijn gevoerd met hetzelfde soort besmet vleesbeendermeel dat de oorzaak van de BSE-epidemie onder runderen was. Daarom hebben wetenschappers zich afgevraagd of kleine herkauwers wellicht ook met BSE besmet kunnen zijn. Het voeren van herkauwers met vleesbeendermeel is sinds 1994 in de EU verboden en sinds januari 2001 geldt een totaalverbod op het voeren van landbouwhuisdieren met vleesbeendermeel. Vermoed wordt dat BSE verspreid wordt door vleesbeendermeel dat afkomstig is van materiaal van besmette dieren.

    Ook is al enige tijd bekend dat een BSE-achtige ziekte langs experimentele weg naar schapen kan worden overgedragen als zij gevoerd worden met materiaal dat afkomstig is uit de hersenen van met BSE besmette koeien. Deze experimenteel teweeggebrachte ziekte kan niet van scrapie worden onderscheiden aan de hand van de klinische symptomen, noch met behulp van snelle tests op de hersenen. Het onderscheid kan alleen met zekerheid worden gemaakt met een zogenaamde bioassay in muizen, een testtechniek die soms pas na twee jaar resultaat oplevert.

    Bij het geringe aantal bioassays in muizen dat is uitgevoerd op natuurlijke scrapiegevallen is nog geen BSE-achtige stam ontdekt en er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat BSE voorkomt bij schapen en geiten die onder natuurlijke omstandigheden leven. Alle nieuwe resultaten worden nauwgezet door de wetenschappelijke comités van de EU gevolgd.

A. Algemene feiten over schapen, geiten en TSE's

    Hoe lang leven schapen en geiten?

    Schapen en geiten zijn herkauwers die meestal een korte economische levensduur hebben. Al naar hun bestemming worden de meeste lammeren geslacht wanneer zij tussen drie maanden en een jaar oud zijn; er is een kleine markt voor lammeren van enkele weken oud. Gemiddeld worden ooien en geiten geslacht als zij zes tot zeven jaar oud zijn. De kadavers van deze oudere dieren worden doorgaans gebruikt voor vleesproducten voor menselijke consumptie of in voer voor huisdieren.

    Wat voor voer krijgen schapen en geiten?

    Schapen en geiten die voor de melkproductie worden gehouden, krijgen gewoonlijk geconcentreerd voer. Ook zogende ooien krijgen gedurende een paar weken na het werpen in de regel geconcentreerd voer. Pasgeboren lammeren krijgen verder vaak bijvoeding in de vorm van lichtverteerbaar voer via een systeem waarbij alleen de lammeren en niet de oudere dieren bij dat voer kunnen komen. Over het algemeen echter wordt in de schapen- en geitenhouderij veel minder geconcentreerd voer gebruikt dan in de rundveehouderij.

    Wat weten we over scrapie?

    Scrapie is een TSE die bij geiten en schapen voorkomt. De ziekte is al bijna driehonderd jaar bekend. Scrapie kan horizontaal, van het ene dier op het andere of via het milieu, worden overgedragen, maar ook verticaal, van het moederdier op het lam. Lammeren jonger dan twaalf maanden kunnen weliswaar ook scrapie krijgen, maar klinische tekenen worden voor het merendeel aangetroffen bij dieren tussen twee en vijf jaar. De klinische tekenen zijn het voortdurend schuren of krabben van het lichaam, gedragsveranderingen zoals lusteloosheid, schrikgedrag of agressiviteit en veranderingen in houding en bewegingen, zoals trillen en struikelen; uiteindelijk sterft het dier.

    Zijn alle schapen en geiten even vatbaar voor TSE's?

    Nee. Uit onderzoek is gebleken dat sommige genotypes van schapen resistent zijn tegen scrapie en andere juist nogal vatbaar; tussen beide uitersten zijn er tal van genotypes met uiteenlopende resistentie tegen de ziekte. De verhouding tussen resistente en vatbare genotypes verschilt van ras tot ras. Bij experimenteel veroorzaakte BSE bij schapen bleek tot dusverre dat zich een soortgelijk resistentiepatroon voordoet. Vooralsnog is er weinig bekend over het verband tussen genotype en resistentie bij geiten.

    In welke landen komen op dit moment TSE's bij schapen en geiten voor?

    Scrapie wordt in de meeste lidstaten en op de meeste continenten aangetroffen. In tien lidstaten zijn gevallen van scrapie bij de nationale autoriteiten gemeld (België, Duitsland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Nederland, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk). In Denemarken, Luxemburg, Portugal, Finland en Zweden zijn de afgelopen vijf jaar geen gevallen van scrapie gemeld.

    Ook in de VS, Canada en Japan zij gevallen van scrapie gerapporteerd. Voorzover bekend doet de ziekte zich niet voor in Australië en Nieuw-Zeeland, twee landen waar op grote schaal schapen gefokt worden.

    De gerapporteerde incidentie van scrapie is echter uiterst klein. In de schapen- en geitenpopulatie van de Gemeenschap, die uit meer dan 100 miljoen dieren bestaat, zijn in het jaar 2000 minder dan 1000 gevallen gemeld. Ook al mogen we aannemen dat de werkelijke incidentie hoger ligt doordat er onderrapportage plaatsvindt, duidelijk is dat scrapie een weinig voorkomende ziekte is.

    Zie de tabel met gevallen per lidstaat in bijlage 1.

    Hoeveel schapen en geiten zijn er in de EU en in elke lidstaat afzonderlijk?

    Het aantal dieren en nakomelingen daarvan varieert al naar het jaargetijde (meer in het voorjaar na het lammeren) en daarom is het moeilijk om exacte cijfers te geven. Naar schatting zijn er in totaal 95 miljoen schapen en 12 miljoen geiten. Uit cijfers van Eurostat blijkt dat er in de EU in 2000 ongeveer 68 miljoen fokooien en 9 miljoen fokgeiten waren.

    De cijfers voor de afzonderlijke lidstaten zijn voorzover beschikbaar hieronder aangegeven.

Vrouwelijke fokschapen

Vrouwelijke fokgeiten
België
Denemarken80.000
Duitsland1.590.000
Griekenland6.173.0004.072.000
Spanje18.363.0001.985.000
Frankrijk7.306.000922.000
Ierland4.013.900
Italië8.334.0001.175.000
Luxemburg6.160
Nederland1.040.000
Oostenrijk217.809
Portugal2.436.000454.000
Finland49.6005.100
Zweden194.000
Verenigd Koninkrijk18.512.96138.511

B. Wetenschappelijke informatie over TSE's bij schapen en geiten

    Over welke wetenschappelijke adviezen beschikt de Commissie op dit moment omtrent BSE bij schapen?

    Het meest recente advies van de Wetenschappelijke Stuurgroep (WS) over BSE bij kleine herkauwers werd in oktober 2001 goedgekeurd (http://ec.europa.eu/food/fs/sc/ssc/out234_en.pdf). Dit is een update van eerdere adviezen van februari 2001 (http://ec.europa.eu/food/fs/sc/ssc/out170_en.pdf) en september 1998 (http://ec.europa.eu/food/fs/sc/ssc/out24_en.html). Volgens dit advies kan niet worden uitgesloten dat de schapenpopulatie met BSE besmet is, maar zijn er geen bewijzen dat er onder schapen in natuurlijke omstandigheden BSE voorkomt. Zolang er geen nieuwe wetenschappelijke gegevens komen, adviseren de wetenschappers om uit voorzorg een welomschreven reeks gespecificeerde risicomaterialen uit de voedselketen te weren om zo de consument te beschermen. Ook bevelen zij verdere maatregelen aan, zoals een betere identificatie en registratie van schapen en meer onderzoek om het stamtype van natuurlijke scrapiegevallen te bepalen, alsmede invoering van systematische TSE-tests. Parallel aan de tests moet het genotype van de geteste dieren bepaald worden, zodat kan worden nagegaan of bepaalde schapenrassen wellicht genetisch resistent zijn tegen TSE's.

    Wat wordt er in de EU aan onderzoek naar TSE's gedaan?

    In april 2001 is een repertorium van nationale onderzoeksactiviteiten op het gebied van TSE's in Europa gepubliceerd, waar de Raad (ministers van Onderzoek) in november 2000 om had verzocht. Dit repertorium bevat informatie over een breed scala van onderzoeksactiviteiten met betrekking tot TSE's die in bijna alle lidstaten worden uitgevoerd; daaronder zijn minstens negen door de Europese Gemeenschap gesubsidieerde onderzoeksprojecten betreffende TSE's bij schapen.

    De resultaten van die projecten worden doorgegeven aan de ad-hocgroep TSE's, met het oog op het opstellen van wetenschappelijke adviezen aan de Commissie. De specifieke oproep van de Commissie voor het indienen van onderzoeksvoorstellen op het gebied van TSE's, met als sluitingsdatum 18 oktober, heeft als prioriteitsgebieden de ontwikkeling van in-vivotests voor pre-klinische diagnose, en onderzoek naar BSE bij schapen en het onderscheid tussen BSE en scrapie.

C. Wetgeving op het gebied van TSE bij schapen en geiten

    Welke wettelijke maatregelen zijn er voor BSE bij schapen en geiten?

    Hoewel er dus geen aanwijzingen zijn dat bij schapen onder natuurlijke omstandigheden BSE voorkomt, is veel van de BSE-wetgeving voor runderen ook op schapen van toepassing. Dit is gedaan uit voorzorg, omdat nog steeds niet duidelijk is of BSE nu wel of niet bij schapen voorkomt.

    Daarom bieden de verschillende wettelijke maatregelen, zoals het voederverbod voor vleesbeendermeel, de verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal, de meldingsplicht, surveillancemaatregelen en handelsvoorschriften ook bescherming tegen de eventuele aanwezigheid van BSE bij schapen.

    De belangrijkste maatregelen zijn:

      - een verbod op het vervoederen van vleesbeendermeel van zoogdieren aan herkauwers, inclusief geiten en schapen, in 1994. In januari 2001 werd dit aangescherpt tot een totaalverbod op het vervoederen van vleesbeendermeel aan landbouwhuisdieren;

      - dierlijke afvallen afkomstig van schapen en geiten moet worden verwijderd volgens dezelfde normen als gelden voor ander dierlijk afval (133 °C/3 bar/20 minuten, afgezien van bijvoorbeeld laagrisicomateriaal voor de productie van huisdierenvoer);

      - verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal vanaf oktober 2000. De milt van alle schapen en geiten en de schedel (inclusief hersenen en ogen), de amandelen en het ruggenmerg van schapen en geiten ouder dan 12 maanden of waarbij een van de blijvende snijtanden door het tandvlees is gebroken, moeten uit de voedselketen verwijderd en als gespecificeerd risicomateriaal vernietigd worden;

      - er mag geen separatorvlees van de beenderen van schapen en geiten geproduceerd worden;

      - vlees en vleesproducten die worden ingevoerd, moeten ook aan de desbetreffende communautaire bepalingen voldoen (bv. de verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal);

      - met scrapie besmette schapen en geiten worden uit de voeder- en voedselketen geweerd.

    Welke maatregelen gelden er om de verspreiding van scrapie tegen te gaan?

    Verordening nr. 999/2001 betreffende TSE's bevat de regels voor de handel in schapen en geiten in de Gemeenschap. Schapen en geiten voor fokdoeleinden moeten afkomstig zijn van een bedrijf waar regelmatig diergeneeskundige controles worden gehouden, ten minste drie jaar geen enkel geval van scrapie bevestigd is en de voor de geslacht bestemde ooien steekproefsgewijs worden gecontroleerd. Bij geïmporteerde dieren moeten gelijkwaardige garanties worden geboden. De verordening bevat ook strengere regels voor het toezicht op de dieren, die op 1 januari 2002 van kracht worden (zie hierna).

    Volgens Richtlijn 92/102/EEG van de Raad moeten schapen en geiten die het bedrijf van herkomst verlaten, geïdentificeerd worden met behulp van oormerken en tatoeages, zodat zij tot dat bedrijf kunnen worden teruggetraceerd. Dit geldt ook voor vervoer binnen een en dezelfde lidstaat. Verder moet er een register worden bijgehouden van het aantal dieren op het bedrijf en alle verplaatsingen van en naar het bedrijf. In sommige lidstaten (Frankrijk, Ierland) gelden nog strengere maatregelen, namelijk een individueel identificatiesysteem voor schapen.

    Alleen als het dier van de ene lidstaat naar de andere wordt getransporteerd mag het merkteken veranderd worden, waarbij de overgang van het oude op het nieuwe merkteken in het register genoteerd moet worden.

    Wat gebeurt er met schapen en geiten die scrapie hebben?

    Volgens de EU-wetgeving mogen schapen en geiten met scrapie niet voor de productie van voedsel of diervoeder worden gebruikt. De kadavers van dieren waarbij scrapie bevestigd is, moeten worden verbrand of gestort nadat ze een warmtebehandeling hebben ondergaan waardoor ze niet meer besmettelijk zijn. Sommige lidstaten schrijven in het kader van hun nationale scrapiebestrijdingsplannen voor dat alle andere dieren op het bedrijf ook vernietigd moeten worden.

    Wat is op communautair niveau gedaan om scrapie uit te roeien?

    Uitroeiingsprogramma's voor scrapie in de lidstaten kunnen uit hoofde van Beschikking 90/424/EEG van de Raad medefinanciering van de EU ontvangen. In 1998 werden de eerste nationale uitroeiingsprogramma's gesubsidieerd. Voor 2002 stelt de Commissie voor om meer dan 4 miljoen euro uit te trekken als bijdrage in de kosten van het toezicht in alle lidstaten en het slachten en de bepaling van het genotype in een aantal lidstaten.

D. Bewaken en testen van TSE bij schapen en geiten

    Vindt er systematische bewaking plaats van TSE bij schapen en geiten?

    Ja. Toezicht en passieve bewaking van de schapen- en geitenpopulatie in verband met de aanwezigheid van scrapie is sinds 1998 in de Gemeenschap verplicht. Sinds 1993 moeten gevallen van scrapie worden aangegeven.

    Veehouders moeten alle verdachte TSE-gevallen bij dieren aan de autoriteiten van de lidstaten melden. Weefsel van schapen of geiten waarbij scrapie of een andere TSE vermoed wordt of aanwezig is moeten in het laboratorium worden onderzocht. Volgens de TSE-verordening moeten de lidstaten er ook voor zorgen dat de dierenartsen, de veehouders en anderen die met de dieren te maken hebben, op de hoogte zijn van de klinische symptomen en de epizoötiologie van TSE's; het laboratoriumpersoneel dat de controles uitvoert, moet de resultaten van laboratoriumonderzoek op het gebied van TSE's kunnen interpreteren. Alle schapen moeten voor ze worden geslacht door een dierenarts worden gekeurd.

    Met ingang van januari 2002 wordt actieve bewaking door middel van een snelle BSE-test verplicht. Vooralsnog moeten in de EU 164 000 tests worden uitgevoerd, maar sommige lidstaten overwegen zelfs om grotere aantallen te testen. De bewaking zal zich richten op gezonde dieren, op het landbouwbedrijf gestorven dieren en klinisch verdachte dieren van meer dan 18 maanden. Er worden dezelfde tests gebruikt als voor BSE bij runderen, aangezien daarmee ook TSE's (met inbegrip van scrapie) kunnen worden opgespoord.

    Is er een test om scrapie van BSE te onderscheiden?

    Er bestaat nog geen snelle test waarmee BSE bij schapen en geiten van scrapie kan worden onderscheiden. De twee ziekten kunnen op dit moment alleen met behulp van een bioassay in muizen van elkaar worden onderscheiden en zo'n test duurt twee jaar. De EU blijft echter de ontwikkeling van gevalideerde, snelle tests stimuleren die een onderscheid tussen scrapie en BSE bij schapen en geiten kunnen maken.

Bijlage 1

Aantal scrapiegevallen in de lidstaten

Lidstaat

1996 1997199819992000
OIE(1)

Jaarverslag lidstaat(2)

OIE1(3)

Jaarverslag lidstaat2(4)OIE1(5)Jaarverslag lidstaat2(6)OIE1(7)Jaarverslag lidstaat2(8)OIE1(9)Jaarverslag lidstaat2(10)
België0-0-08011(2)00
Denemarken0-0-000000
Duitsland(4)-1 (1)-2(1) 122(1)00
Griekenland--2 (1)-08 (6)54(11)42(10)080 (11)
Spanje0-0-00005(3)5 (4)
Frankrijk--52-454456 5353-
Ierland10 (10)-13 (13)-74(9) 73100(5)11066(14)15
Italië3 (2)-142 (19)-352(9) 90 (9)70(14)118152(15)-
Luxemburg0-0-000000
Nederland0-11-161612(12)1620(12)-
Oostenrijk0-0-000025
Portugal0-0-000000
Finland0-0-000000
Zweden0-0-000000
Verenigd Koninkrijk217 (120)-420(132)-465 485594 (182)592571(158)575

(1) Door de ziekte getroffen dieren (zieke dieren + aan de ziekte gestorven dieren). Tussen haakjes het aantal getroffen koppels.

(2) Positief bij toezicht en test. Tussen haakjes het aantal getroffen koppels.

(3)

(4)

(5)

(6)

(7)

(8)

(9)

(10)


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website