Chemin de navigation

Left navigation

Additional tools

Autres langues disponibles: FR EN DE

Europese Commissie

Persbericht

Brussel, 31 januari 2013

Antitrust: Commissie zendt mededeling van punten van bezwaar aan J&J en Novartis in verband met afremming marktintroductie generieke pijnstiller

De Europese Commissie heeft de farmabedrijven Johnson & Johnson (J&J) (VSA) en Novartis (Zwitserland) meegedeeld dat zij bezwaar maakt tegen een akkoord dat hun beide Nederlandse dochters hadden gesloten over fentanyl, een krachtige pijnstiller. Het voorlopige standpunt van de Commissie is dat de overeenkomst de introductie van een goedkoper generiek geneesmiddel op de Nederlandse markt heeft vertraagd, in strijd met de EU-concurrentieregels. Het feit dat nu een mededeling van punten van bezwaar is gezonden, loopt niet vooruit op de uitkomsten van het onderzoek.

"Mochten onze voorlopige conclusies worden bevestigd, dan hebben de Nederlandse dochterondernemingen van Johnson & Johnson en Novartis een zogenaamd "co-promotion"-akkoord gesloten om niet met elkaar te moeten concurreren. Daarmee ontzegden zij Nederlandse gebruikers van fentanyl de toegang tot een goedkopere pijnstiller. De Commissie blijft vastberaden doorgaan met haar strijd tegen ongeoorloofde vertragingen bij het op de markt brengen van generieke geneesmiddelen. Zo wil zij ervoor zorgen dat Europese burgers toegang hebben tot betaalbare gezondheidszorg. Het is ook belangrijk dat farmabedrijven niet profiteren van onze welvaartstaat en gezondheidszorgsystemen, zeker in deze tijden van budgettaire krapte", aldus Joaquín Almunia, Vicevoorzitter van de Commissie en belast met het mededingingsbeleid.

In juli 2005 sloot Janssen-Cilag, de J&J-dochter die de pijnstiller fentanyl in Nederland levert, een zogenaamde "co-promotion"-overeenkomst met haar naaste generieke concurrent Sandoz, een Novartis-dochter. Op dat moment waren er vanuit de regelgeving nog geen barrières om generieke versies van fenatanyl-pleisters te ontwikkelen en op de markt te brengen - en dus voor Sandoz om de Nederlandse markt te betreden. Volgens de overeenkomst zou Janssen-Cilag maandelijks een vergoeding aan Sandoz betalen zolang er geen generiek middel op de Nederlandse markt werd gebracht. Daardoor zag Sandoz ervan af om voor de duur van die overeenkomst (van juli 2005 tot december 2006) de markt voor generieke fentanyl-pleisters te betreden. Dit zou de introductie van een goedkoper generiek middel met zeventien maanden hebben vertraagd, zodat de prijzen voor fentanyl in Nederland kunstmatig hoog zouden zijn gehouden.

Dit onderzoek tegen grote farmabedrijven is, na het sectorale onderzoek (zie MEMO/13/56), een nieuwe stap in de strijd van de Commissie tegen ongeoorloofde vertraging van de introductie van generieke geneesmiddelen. In haar mededeling van punten van bezwaar formuleert de Commissie het voorlopige standpunt dat de overeenkomst tussen deze ondernemingen inbreuk maakt op de EU-antitrustregels die concurrentieverstorende zakelijke praktijken verbieden (artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)).

Achtergrond bij dit onderzoek

Fentanyl is een pijnstiller die krachtiger is dan morfine. Het wordt meestal gebruikt voor de behandeling van patiënten met heftige pijn.

In oktober 2011 is de Commissie ambtshalve een onderzoek begonnen (zie IP/11/1228).

De mededeling van punten van bezwaar is gericht tot Johnson & Johnson en haar dochter Janssen-Cilag BV en tot Novartis en haar dochter Sandoz BV.

Een mededeling van punten van bezwaar is een formele stap in het onderzoek door de Commissie van zaken waarin er verdenkingen bestaan dat EU-antitrustregels zijn overtreden. In deze mededeling Commissie deelt de betrokken partijen schriftelijk mee op welke punten zij bezwaren tegen hen heeft. De ondernemingen kunnen daarna de documenten in het onderzoeksdossier van de Commissie inzien en schriftelijk reageren. Ook kunnen zij om een hoorzitting vragen waar zij hun opmerkingen over de zaak kunnen uiteenzetten voor vertegenwoordigers van de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten.

Nadat ondernemingen hun rechten van verdediging hebben kunnen uitoefenen, kan de Commissie, wanneer zij tot de conclusie komt dat er voldoende bewijsmateriaal is om een inbreuk hard te kunnen maken, een besluit vaststellen waarin de betrokken praktijken worden verboden en een geldboete wordt opgelegd. Deze geldboete mag maximaal 10% van de wereldwijde jaaromzet van een onderneming bedragen.

Meer informatie over deze zaak is onder zaaknummer AT.39685 beschikbaar in het publieke zaakregister van DG Concurrentie. Nieuwe besluiten op mededingingsgebied zijn te vinden in de elektronische nieuwsbrief Competition weekly news summary.

Achtergrond over het beleid voor de handhaving van de antitrustregels in de farmasector

In 2009 voerde de Commissie een sectoraal onderzoek uit naar de mededingingssituatie in de farmasector. Dat onderzoek bracht een aantal structurele kwesties en problematische praktijken van ondernemingen aan het licht. Deze praktijken konden concurrentieverstoringen opleveren en vertragingen bij het op de EU-markt brengen van nieuwe, innoverende en goedkopere generieke geneesmiddelen (zie IP/09/1098 en MEMO/09/321). Een van de opvallende punten was dat zogeheten "originator"-farmabedrijven misschien wel betalen om de introductie van generieke geneesmiddelen op de markt te vertragen.

De Commissie had eerder al mededelingen van punten van bezwaar gezonden in de Lundbeck-zaak (zie IP/12/834) en de Servier-zaak (zie IP/12/835). In lijn met haar algemene handhavingsbeleid in deze sector (zie MEMO/13/56), is de mededeling van punten van bezwaar van vandaag een verdere stap om de concurrentieproblemen aan te pakken die in het eindverslag over het sectorale onderzoek aan de orde waren gesteld.

Contact :

Antoine Colombani (+32 2 297 45 13)

Marisa Gonzalez Iglesias (+32 2 295 19 25)


Side Bar

Mon compte

Gérez vos recherches et notifications par email


Aidez-nous à améliorer ce site