Navigation path

Left navigation

Additional tools

GGO / Onderzoek: Verslag over concrete maatregelen om de vermenging van genetisch gemodificeerde maïs en conventionele maïs te voorkomen

European Commission - IP/10/1181   27/09/2010

Other available languages: EN FR DE DA ES IT SV PT FI EL CS ET HU LT LV MT PL SK SL BG RO

IP/10/1181

Brussel, 27 september 2010

GGO / Onderzoek: Verslag over concrete maatregelen om de vermenging van genetisch gemodificeerde maïs en conventionele maïs te voorkomen

Uit een verslag dat John Dalli, commissaris voor Gezondheid en Consumenten, vandaag aan de Raad Landbouw voorlegt, blijkt dat het dankzij specifieke maatregelen bij de opslag en de toepassing van isolatieafstanden mogelijk is de vermenging van genetisch gemodificeerde maïs met conventionale en biologische maïs te beperken of te voorkomen. Het document met beste praktijken is door het Europees Co-existentiebureau opgesteld en door het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Europese Commissie gepubliceerd. Volgens de auteurs kan vermenging het best worden beperkt of voorkomen door de zaden adequaat op te slaan en in de ruimte te isoleren. In EU-landen met een specifiek klimaat kunnen de zaden bij wijze van alternatief ook in de tijd worden geïsoleerd (door de bloei op velden met gemodificeerde en niet-gemodificeerde gewassen niet te laten samenvallen).

Volgens John Dalli "kunnen de in dit belangrijke document voorgestelde praktijken worden toegepast in het kader van het in juli goedgekeurde voorstel van de Commissie over co-existentie en de teelt van genetisch gemodificeerde organismen (ggo's). De praktijken beantwoorden volledig aan de geest en de doelstellingen van het voorstel, dat de lidstaten meer flexibiliteit biedt om de co-existentie van gemodificeerde organismen en conventionale en biologische gewassen te organiseren. Dit document bevat een reeks niet-bindende praktijken om de lidstaten te helpen hun nationale of regionale methoden te ontwikkelen en te verfijnen".

Beste praktijken

Het document met beste praktijken bestrijkt de teelt van genetisch gemodificeerde maïs tot het eerste verkooppunt en gaat over drie productiesoorten: graan, hele planten en suikermaïs. Het Europees Co-existentiebureau heeft de mogelijke bronnen van vermenging geanalyseerd en een reeks beste praktijken voor landbouwbeheer ontwikkeld om de co-existentie te vrijwaren zonder de economische en agronomische efficiëntie van de boerderij in het gedrang te brengen.

Het Europees Co-existentiebureau stelt bijvoorbeeld isolatieafstanden van 15 tot 50 meter voor om kruisbestuiving tussen gemodificeerde en niet-gemodificeerde maïs te verminderen en het ggo-gehalte van conventionele levensmiddelen en diervoeders tot minder dan 0,9% te beperken (de wettelijke drempelwaarde voor etikettering). Grotere afstanden (100 tot 500 meter) worden voorgesteld met het oog op een nog lagere vermengingsgraad (bijvoorbeeld de gebruikelijke kwantificeringsgrens van 0,1%).

Het Europees Co-existentiebureau

In 2006 heeft de Raad de Commissie verzocht verder onderzoek naar co-existentie te doen met het oog op beste praktijken voor technische segregatiemaatregelen en de ontwikkeling van gewasspecifieke richtsnoeren voor co-existentie. De Commissie heeft het Europees Co-existentiebureau in 2008 opgericht.

Het Bureau is samengesteld uit deskundigen die worden aangewezen door de lidstaten (momenteel zijn 20 lidstaten bij het Bureau betrokken). Het Institute for Prospective and Technological Studies (IPTS) van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek zorgt voor een wetenschappelijk secretariaat.

Het document met beste praktijken is in nauwe samenwerking met alle belanghebbende partijen opgesteld. Het document biedt de EU-lidstaten de nodige flexibiliteit om de maatregelen aan hun specifieke regionale en lokale omstandigheden aan te passen.

Feiten en cijfers

In 2009 besloeg de teelt van genetisch gemodificeerde gewassen wereldwijd 134 miljoen hectaren. De belangrijkste teeltlanden zijn de VSA (48% van het wereldwijde ggo-areaal), Brazilië (16%) en Argentinië (16%). De vier belangrijkste genetisch gemodificeerde gewassen (resistent tegen insekten of herbicidetolerant) zijn soja (77% van het wereldwijde soja-areaal), katoen (49% van het wereldwijde katoenareaal), maïs (26% van het wereldwijde maïsareaal) en raapzaad (21% van het wereldwijde raapzaadareaal).

In de EU mogen slechts drie genetisch gemodificeerde gewassen worden geteeld:

  • twee genetisch gemodificeerde maïsproducten, waarvan alleen het tegen insekten resistente Bt maize MON810 in de EU wordt geteeld.

  • één genetisch gemodificeerde aardappel (een genetisch gemodificeerde zetmeelaardappel, waarvan de teelt sinds maart 2010 is gestaan).

Achtergrond

Op 13 juli heeft de Commissie een omvangrijk voorstel goedgekeurd dat de lidstaten enerzijds de vrijheid laat om de teelt van ggo's op hun grondgebied toe te staan, te beperken of te verbieden en anderzijds het op wetenschappelijk bewijs gebaseerde vergunningensysteem voor ggo's in de EU intact laat. Het goedgekeurde pakket bestaat uit een nieuwe aanbeveling over de co-existentie van genetisch gemodificeerde gewassen met conventionele en/of biologische gewassen en een ontwerpverordening waarin een kleine wijziging van de wetgeving over ggo's wordt voorgesteld.

Het voorstel om Richtlijn 2001/18/EG te herzien was bedoeld om de rechtszekerheid te waarborgen van lidstaten die zich bij beslissingen over de teelt van ggo's door andere dan wetenschappelijke redenen laten leiden. Het voorstel zal via de medebeslissingsprocedure door het Europees Parlement en de Raad worden aangenomen.

U kunt het document met beste praktijken downloaden via:

http://ecob.jrc.ec.europa.eu/documents.html

Nadere informatie vindt u op:

http://ec.europa.eu/food/food/biotechnology/index_en.htm


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website