Navigation path

Left navigation

Additional tools

Other available languages: EN FR DE

IP/06/1179

Brussel, 13 september 2006

Concurrentie: Commissie legt 14 bedrijven voor in totaal 266,717 miljoen EUR geldboeten op wegens prijsafspraken in Nederlandse sector wegenbouwbitumen

(Zie ook MEMO/06/324)

De Europese Commissie is tot de bevinding gekomen dat 8 leveranciers en 6 afnemers van wegenbouwbitumen in Nederland in de periode 1994-2002 betrokken waren bij een kartel met prijsafspraken. Dergelijke afspraken zijn in strijd met het verbod uit het EG-Verdrag op concurrentiebeperkende praktijken van ondernemingen (artikel 81). Deze 14 ondernemingen kregen daarom voor in totaal €266,717 miljoen boeten opgelegd. Bitumenleveranciers (BP, Esha, Klöckner Bitumen, Kuwait Petroleum, Nynäs, Shell, Total en Wintershall) en bouwondernemingen (Ballast Nedam, Dura Vermeer, Heijmans, Hollandsche Beton Groep (thans een onderdeel van Koninklijke BAM Groep), Koninklijke BAM Groep en Koninklijke Volker Wessels Stevin) spraken de brutoprijs af van alle in Nederland verkochte wegenbouwbitumen. Daarnaast spraken zij uniforme minimumkortingen af voor de bouwondernemingen die lid waren van het kartel, en een lagere maximumkorting voor alle overige wegenbouwers. Daardoor werd de prijsconcurrentie beperkt en werden kleinere wegenbouwers benadeeld. Shell en KWS zagen hun geldboeten verhoogd wegens hun rol als aanstichters en kopstukken van het kartel. De geldboete van Shell werd ook verhoogd omdat er sprake was van recidive. KWS zag zijn geldboete dan weer verhoogd omdat het probeerde het onderzoek van de Commissie te dwarsbomen.

Bitumen is een bijproduct bij de productie van brandstof. Het wordt in hoofdzaak gebruikt bij de productie van asfalt, waar het als bindmiddel wordt gebruikt om de overige materialen samen te voegen. Dit kartel betrof alle wegenbouwbitumen dat in Nederland wordt gebruikt, een markt die in 2002 goed was voor zo'n 62 miljoen EUR.

In juni 2002 diende BP bij de Commissie een verzoek om boete-immuniteit in. In oktober 2002 voerde de Commissie inspecties uit bij diverse bitumenleveranciers en wegenbouwers. In oktober 2004 deed zij een mededeling van punten van bezwaar uitgaan. In juni 2005 vond een hoorzitting plaats.

Het kartel

Minstens vanaf 1994 en dit tot 2002 kwam een delegatie van de bitumenleveranciers bijeen met de zes grootste wegenbouwers in Nederland in wat het "bitumenoverleg" heette. Meestal was er ook apart vooroverleg van de leveranciers en van de zes grootste wegenbouwers; voor die laatsten werden meestal de afkortingen WO5 of WO6 gebruikt (Wegenbouw Overleg, waarbij de cijfers 5 of 6 aangeven hoeveel grote wegenbouwers bij het systeem betrokken waren).

Op de gezamenlijke bijeenkomsten spraken de deelnemers de brutoprijs van wegenbouwbitumen af die aan de asfaltcentrales werd gefactureerd, maar ook de twee kortingen voor de bouwondernemingen die eigenaar zijn van deze asfaltcentrales: een uniforme minimumkorting voor de wegenbouwers die lid waren van het kartel, en een lagere maximumkorting voor de overige wegenbouwers die geen lid waren. Die laatsten moesten dus hogere prijzen betalen. Voor de bouwondernemingen die bij het kartel betrokken waren, was niet zozeer het absolute prijsniveau voor bitumen van belang, zolang zij maar hogere kortingen kregen dan hun kleinere concurrenten. Daardoor gingen de prijzen voor bitumen in Nederland - zelfs mét de kortingen voor de grote wegenbouwers - geleidelijk uitstijgen boven die in buurlanden. Alle kartelleden - zowel leveranciers als afnemers - hadden er belang bij aan het kartel deel te nemen.

De naleving van de afspraken werd op regelmatige basis gecontroleerd en leveranciers konden "boetes" (retroactieve extra kortingen) opgelegd krijgen indien bleek dat zij kleinere wegenbouwers te hoge kortingen hadden gegeven.

Geldboeten

De Commissie hield bij het vaststellen van de geldboeten rekening met de bijzondere ernst van de inbreuk, de beperkte omvang van de markt, de lange looptijd van het kartel en de omvang van de betrokken ondernemingen. De Commissie verhoogde de geldboeten voor de ondernemingen bij wie er sprake was van recidive: Shell kreeg een verhoging van 50% wegens zijn rol in de polypropeen- en PVC (II)-kartels (zie voor dit laatste, IP/94/732). Verder zagen ondernemingen hun geldboete verhoogd wegens hun rol als aanstichter en kopstuk van het kartel (50% verhoging voor Shell en KWS) en wegens pogingen het onderzoek van de Commissie te dwarsbomen (10% verhoging voor KWS). Tijdens de inspectie in oktober 2002 had KWS de inspecteurs van de Commissie de toegang tot het bedrijf geweigerd, waardoor de Commissie de hulp van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) en de Nederlandse politie moest inroepen.

Een aantal ondernemingen werkte mee aan het onderzoek en verschafte belangrijke informatie over het kartel: dit werd gehonoreerd in lijn met de clementieregeling van de Commissie (zie IP/02/247 and MEMO/02/23). BP kreeg boete-immuniteit van de geldboete die anders 30,78 miljoen EUR zou bedragen, terwijl Kuwait Petroleum zijn geldboete met 30% verlaagd zag. Ook Nynäs, Shell en Total claimden een boetevermindering, maar bleken, gezien het bewijsmateriaal waarover de Commissie al beschikte, niet in aanmerking te kunnen komen. Geen van de bouwondernemingen diende een clementieverzoek in.

Ballast Nedam sloot zich pas in 1996 bij het kartel aan, toen het een grote wegenbouwer in Nederland werd. Wintershall deed zijn bitumendivisie eind 1999 aan Veba (thans BP) over.

De geldboeten in deze zaak werden vastgesteld op basis van de richtsnoeren boetetoemeting van 1998; die zijn in deze zaak toegepast omdat zij van kracht waren op het ogenblik dat de mededeling van punten van bezwaar werd verzonden.

Schadeclaims

Iedereen (particulieren of ondernemingen) die van concurrentiebeperkende praktijken zoals in deze zaak te lijden heeft, kan voor de nationale rechter schadevergoeding eisen en daarbij de gegevens van de bekendgemaakte beschikking als bewijs aanvoeren dat de betrokken praktijken hebben plaatsgevonden en dat zij onwettig waren. Zelfs indien de Commissie de betrokken ondernemingen geldboeten heeft opgelegd, kunnen toch schadevergoedingen worden toegekend zonder dat deze hoeven te worden verlaagd omdat de Commissie al een geldboete heeft opgelegd. Over private handhaving is een groenboek gepubliceerd (zie IP/05/1634 and MEMO/05/489).

Voor meer informatie over de strijd van de Commissie tegen kartels, zie MEMO/06/326.

Overzicht van de in deze zaak door de Commissie oplegde geldboeten en toegekende kortingen:


Naam
Korting geldboete
%
Geldboete*


(in mln EUR)

BITUMENLEVERANCIERS


1.
BP
100 %
0
2.
Esha

11,5
3.
Klöckner Bitumen

10
4.
Kuwait Petroleum
30 %
16,632
5.
Nynäs

13,5
6.
Shell

108
7.
Total

20,25
8.
Wintershall

11,625

BITUMENAFNEMERS


9.
Ballast Nedam

4,65
10.
Dura Vermeer

5,4
11.
Heijmans

17,1
12.
Hollandsche Beton Groep

7,2
13.
Koninklijke BAM 

13,5
14.
Koninklijke Volker Wessels Stevin

27,36

TOTAAL

266,717
* = aan de onderneming opgelegde geldboete; sommige van de betrokken rechtspersonen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de hele (of een deel van de) opgelegde geldboete


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website