Navigation path

Left navigation

Additional tools

Moeilijke tijden voor handelaars zonder scrupules: de Commissie stelt voor de hele EU een verbod op oneerlijke handelspraktijken voor

European Commission - IP/03/857   18/06/2003

Other available languages: EN FR DE DA ES IT SV PT FI EL

IP/03/857

Brussel, 18 juni 2003

Moeilijke tijden voor handelaars zonder scrupules: de Commissie stelt voor de hele EU een verbod op oneerlijke handelspraktijken voor

Vandaag keurde de Europese Commissie een voorstel voor een richtlijn betreffende oneerlijke "business-to-consumer"-handelspraktijken goed. De rechten van de consument zullen duidelijker zijn en de grensoverschrijdende handel eenvoudiger met deze richtlijn die één gemeenschappelijk, algemeen verbod instelt op oneerlijke handelspraktijken die het economisch gedrag van consumenten verstoren. Deze ene reeks gemeenschappelijke regels zal de huidige talrijke nationale regels en arresten van rechtbanken inzake handelspraktijken vervangen. Zo zullen de consumenten dezelfde bescherming genieten tegen bedrieglijke handelspraktijken en handelaars zonder scrupules, of ze nu bij hen om de hoek kopen of van een website in een andere lidstaat. Er zijn twee grote categorieën van oneerlijke praktijken: misleidende en agressieve praktijken. Onafhankelijke economische studies voorspellen dat de richtlijn de keuze voor de consument zal vergroten, de concurrentie zal stimuleren en de horizon van de kleine en middelgrote bedrijven in Europa zal verruimen. Het voorstel van de Commissie is er gekomen na jaren van overleg met consumentenverenigingen, bedrijven en regeringen en gaat vergezeld van een uitgebreide effectbeoordeling. Het voorstel wordt nu doorgestuurd naar het Europees Parlement en de Raad voor goedkeuring via de medebeslissingsprocedure en kan begin 2005 van kracht worden.

"Deze richtlijn creëert een driedubbele winsituatie: voor de consument, voor de bedrijven en voor de Europese economie. Uit studies blijkt dat het huidige labyrint van nationale regels de grensoverschrijdende handel belemmert. De consumenten zijn onzeker wat hun rechten betreft. Bedrijven, en in het bijzonder de kleinere bedrijven, worden afgeschrokken door het vooruitzicht te moeten voldoen aan de opeenstapeling van regels, arresten van rechtbanken en richtsnoeren. Beide worden belet om ten volle voordeel te halen uit de economische kansen van de interne markt, die door de invoering van de euro zichtbaar zijn geworden. Oneerlijke handelspraktijken worden in alle EU-landen als een probleem erkend en schaden zowel de consumenten als de gerespecteerde bedrijven met gevestigde handelspraktijken. Ze tasten ook het vertrouwen in de markt aan. Dit voorstel probeert deze oneerlijke handelspraktijken op een eenvoudiger en doeltreffender manier uit te roeien", aldus de commissaris voor Gezondheid en Consumentenbescherming, de heer David Byrne.

In het Cardiff-verslag van 2001 werd erop gewezen dat de gemiddelde detailhandelsprijzen voor een product in één van de lidstaten maximaal 40% meer of minder kunnen bedragen dan het Europese gemiddelde. Binnen de lidstaten daarentegen bedraagt de afwijking slechts ongeveer 5% rond het nationale gemiddelde.

Ondanks de grote verschillen in de detailhandelsprijzen tussen de verschillende lidstaten stagneren de grensoverschrijdende "business-to-consumer"-verkopen in de EU sinds 1991. De consumenten zijn niet bereid om gebruik te maken van de mogelijke voordelen van de interne markt zolang ze onvoldoende vertrouwen hebben om in het buitenland te kopen. Verschillende enquêtes bevestigen dat oneerlijke handelspraktijken het consumentenvertrouwen ondermijnen indien ze niet worden aangepakt door een doeltreffende consumentenbescherming (zie bijvoorbeeld Eurobarometer 57.2 en Flash Eurobarometer 128).

De European Advertising Standards Alliance concludeerde in haar jaarverslag van 2002 dat het overgrote deel van de grensoverschrijdende klachten activiteiten van handelaars zonder scrupules en andere marginale operatoren betreft, die het voorzien hebben op de lacunes tussen de nationale regelgevingsstelsels. Tezelfdertijd vermeldde ongeveer één bedrijf op twee (47% van de bedrijven) het gebrek aan overeenstemming van de verschillende nationale reglementeringen inzake handelspraktijken, reclame en andere consumentenbeschermingsreglementeringen als belangrijke hinderpalen voor legitieme grensoverschrijdende reclame en marketing (zie Eurobarometer 57.2). Reclame, maar ook marketing en klantenservice vallen onder de voorgestelde richtlijn.

Om deze belemmeringen van de interne markt weg te werken en in de hele EU hetzelfde hoge niveau van consumentenbescherming te bereiken, keurde de Commissie vandaag een voorstel voor een richtlijn betreffende oneerlijke "business-to-consumer"-handelspraktijken goed.

Details van de voorgestelde richtlijn

De richtlijn stelt regels vast om te bepalen of een handelspraktijk oneerlijk is. Ze strekt ertoe een beperkt aantal "bedrieglijke praktijken" te definiëren die in de hele EU verboden zijn. Dat geeft de bedrijven de ruimte om te innoveren en om nieuwe eerlijke handelspraktijken te ontwikkelen.

Aangezien de richtlijn beschermingsnormen verzekert die in de hele EU gelden, zullen de bedrijven slechts moeten beantwoorden aan de voorschriften in hun land van oorsprong wanneer ze elders in de EU aan consumenten verkopen. De richtlijn voorkomt dat andere lidstaten hen bijkomende vereisten opleggen.

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de regels inzake oneerlijke handelspraktijken worden gehandhaafd en dat de handelaars die in hun rechtsgebied gevestigd zijn en deze regels overtreden, worden gestraft. De plicht om "handelaars zonder scrupules" te vervolgen geldt zowel wanneer de geviseerde consumenten in de lidstaat wonen als wanneer ze elders in de EU wonen.

    Algemeen verbod op oneerlijke handelspraktijken

De richtlijn stelt twee algemene voorwaarden vast die moeten worden toegepast om te bepalen of een praktijk oneerlijk is:

  • De praktijk is strijdig met de vereisten van professionele toewijding;

  • De praktijk verstoort wezenlijk het gedrag van consumenten.

De referentieconsument die bij het beoordelen van het effect van een praktijk in aanmerking moet worden genomen, is de "gewone" Europese consument: een "gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument”(1). Wanneer evenwel een specifieke groep consumenten wordt geviseerd (bijvoorbeeld kinderen of adolescenten), moet bij het beoordelen van het effect van de praktijk rekening worden gehouden met het gemiddelde lid van die groep.

Het begrip "professionele toewijding" waarnaar in de eerste voorwaarde wordt verwezen, is in de meeste rechtsstelsels van de lidstaten een vertrouwd begrip. Het gaat om de mate van zorgvuldigheid en vakkundigheid van een goed zakenman of -vrouw, overeenkomstig de algemeen aanvaarde handelspraktijknormen in zijn of haar sector. Dit begrip is nodig om ervoor te zorgen dat legitieme handelspraktijken zoals reclame op basis van merkherkenning of "product placement" niet onder de richtlijn vallen, ook al kunnen ze het economisch gedrag van de consument beïnvloeden.

    Misleidende en agressieve handelspraktijken

Twee specifieke soorten oneerlijke handelspraktijken worden meer in detail gedefinieerd: "misleidende" en "agressieve" praktijken.

Een handelspraktijk kan misleidend zijn door handelingen of omissies. In de richtlijn wordt niet geprobeerd een volledige lijst vast te stellen van informatie die onder alle omstandigheden zeker moet worden verstrekt. De bedrijven worden er integendeel toe verplicht geen "essentiële" informatie achter te houden die de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, voor zover deze informatie niet uit de context blijkt.

De richtlijn stelt een beperkte hoeveelheid wezenlijke informatie vast die moet worden beschouwd als de "essentiële" informatie waarover een klant moet beschikken alvorens een aankoop te verrichten. Het betreft de voornaamste kenmerken van het product, de prijs, inclusief belastingen, en, in voorkomend geval, bezorgingskosten en eventueel een "herroepingsrecht". Indien deze informatie niet uit de context blijkt, moet de handelaar deze vermelden.

In deze richtlijn worden de huidige bepalingen van de richtlijn betreffende misleidende reclame overgenomen en op andere handelspraktijken, onder andere na de verkoop, toegepast.

In deze richtlijn wordt beschreven op welke drie wijzen een handelspraktijk agressief kan zijn, namelijk door intimidatie, dwang en ongepaste beïnvloeding. Er worden criteria vastgesteld om een onderscheid te maken tussen agressieve praktijken enerzijds en rechtmatige marketing anderzijds.

Specifieke oneerlijke handelspraktijken die door de richtlijn worden verboden

De richtlijn bevat een bijlage waarin een aantal specifieke soorten oneerlijke handelspraktijken worden opgesomd die in alle omstandigheden verboden zijn.

Het betreft:

    Misleidende praktijken

    • Beweren een gedragscode te hebben ondertekend wanneer dit niet het geval is.

    • Beweren dat een gedragscode door een publieke of andere instantie is erkend wanneer dit niet het geval is.

    • Lokkertjes (het aanprijzen van een product als een speciale aanbieding zonder dat het werkelijk of in voldoende hoeveelheden in voorraad is)

    • De bewoording "liquidatie-uitverkoop" of een gelijkwaardige bewoording gebruiken wanneer de handelaar niet op het punt staat zijn zaak stop te zetten.

    • Beweren dat een product legaal kan worden verkocht wanneer dit niet het geval is.

    • Gebruik maken van "advertorials" (betaalde vermelding in de media) om een product te promoten, zonder duidelijk te maken dat de "advertorial" een advertentie is.

    • Bedrieglijk beweren dat de persoonlijke veiligheid van de consument of zijn gezin in gevaar is indien de consument het product niet koopt.

    • Een pyramidesysteem opzetten, beheren of promoten.

    Agressieve praktijken

    • De indruk geven dat de consument het pand niet mag verlaten alvorens hij de overeenkomst heeft ondertekend of heeft betaald.

    • De consument langdurig of herhaaldelijk thuis opzoeken en zijn verzoek om weg te gaan, negeren.

    • Hardnekkig en ongewenst aandringen per telefoon, fax, e-mail of via andere afstandsmedia.

    • Zich richten tot consumenten die onlangs een sterfgeval of een ernstige ziekte in hun familie hebben meegemaakt om hun een product te verkopen dat rechtstreeks met hun leed verband houdt.

    • In reclame voor kinderen suggereren dat zij slechts door hun leeftijdsgenoten zullen worden aanvaard indien hun ouders een bepaald product voor hen kopen.

    • Betaling vragen voor producten die de handelaar heeft geleverd, maar waar de consument niet om heeft gevraagd (niet-gevraagde leveringen).

Nadere informatie

De goedkeuring door de Commissie vandaag van haar voorstel voor een richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken volgt op haar groenboek over de consumentenbescherming in de Europese Unie van oktober 2001 (zie MEMO/01/307) en de follow-up van het groenboek van 2002 (zie IP/02/842, IP/02/1683 en MEMO/02/135). Deze raadplegingsprocedure, die een uitgebreide effectbeoordeling omvat, leidde tot de conclusie dat een richtlijn ter harmonisering van de regels van de EU-lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken de beste beleidsoptie was.

Tijdens een informele ministervergadering over consumentenbescherming die tijdens het Griekse voorzitterschap plaatsvond, steunden de deelnemers volop het idee van een richtlijn. De Commissie heeft een lijst met "Vragen en antwoorden" over de richtlijn inzake oneerlijke handelspraktijken samengesteld (zie: MEMO/03/135). Nadere informatie, alsook de tekst van de voorgestelde richtlijn vindt u op:

http://ec.europa.eu/consumers/cons_int/safe_shop/fair_bus_pract/index_en.htm.

(1)De richtlijn gebruikt dezelfde definitie van de "gemiddelde consument" als het Europees Hof van Justitie (zie de zaken C-315/92 en C-210/96).


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website