Navigation path

Left navigation

Additional tools

Other available languages: EN FR DE DA ES IT SV PT FI EL

IP/03/479

Brussel, 2 april 2003

Commissie legt geldboeten op aan Frans rundvleeskartel

De Europese Commissie heeft vandaag geldboeten van in totaal 16.7 miljoen EUR opgelegd aan zes Franse organisaties in de rundvleessector. De organisaties kregen deze sancties opgelegd omdat zij betrokken waren bij een kartel dat afspraken maakte over minimumprijzen voor bepaalde categorieën rundvlees en dat de import van alle rundvlees in Frankrijk wilde opschorten of in ieder geval beperken. In een reactie verklaarde Mario Monti, Europees Commissaris voor concurrentiebeleid: "De mededingingsregels gelden ook voor de landbouwsector, zoals deze beschikking nadrukkelijk duidelijk maakt. Toch heeft de Commissie ook rekening gehouden met de moeilijke situatie in de rundvleessector, die zwaar te lijden heeft van opeenvolgende crises. Ook heeft de Commissie voor de slachthuisexploitanten rekening gehouden met de druk en het geweld van de landbouwers waaraan dezen blootstonden."

Op 24 oktober 2001 hebben zes Franse organisaties een akkoord gesloten in de rundvleessector. Vier van deze organisaties vertegenwoordigden de landbouwers en de twee overige de slachthuizen. In dit akkoord hadden de organisaties een gemeenschappelijke minimumprijs afgesproken. Zij zegden ook toe om de import van alle soorten rundvlees op te schorten of in ieder geval te beperken. Dit akkoord bleef ook na eind november 2001 nog van kracht, toen het had moeten aflopen, en dit ondanks een waarschuwing van de Commissie van 25 november 2001 waarbij de organisaties op het illegale karakter van hun akkoord was gewezen.

Prijsafspraken en importbeperkingen behoren tot de zwaarste inbreuken op het mededingingsrecht.

Er kan geen twijfel over bestaan dat de organisaties wisten dat hun gedragingen illegaal waren. Tijdens inspecties die de Commissie in december 2001 uitvoerde, kwamen documenten aan het licht waarin stond dat het akkoord "een beetje buiten de wet was, maar niets aan te doen" of nog "kunnen we niet solidair zijn, zonder dat we ons door de DGCCRF [de Franse mededingingsautoriteiten] op een fout laten betrappen?".

De geldboeten die de Commissie aan de betrokken beroepsorganisaties oplegt, maken duidelijk dat de landbouwsector de mededingingsregels moet naleven. De Europese regelgeving voor deze sector bevat wel een aantal uitzonderingen op deze regels, maar geen van deze uitzonderingen geldt voor het betrokken akkoord.

De geldboeten

De Commissie heeft de volgende geldboeten opgelegd:

  • Fédération Nationale des Syndicats d'Exploitants Agricoles (FNSEA): 12 miljoen EUR

  • Jeunes Agriculteurs (JA): 600.000 EUR

  • Fédération Nationale Bovine (FNB): 1.440.000 EUR

  • Fédération Nationale des Producteurs de Lait (FNPL): 1.440.000 EUR

  • Fédération Nationale de l'Industrie et des Commerces en Gros des Viandes (FNICGV): 720.000 EUR

  • Fédération Nationale de la Coopération Bétail et Viande (FNCBV): 480.000 EUR

Bij het vaststellen van de boetebedragen wordt rekening gehouden met een aantal verzwarende of verzachtende omstandigheden, die gelden voor alle of voor slechts enkele van de betrokken partijen.

Als verzwarende omstandigheid gold het feit dat drie organisaties (FNSEA, FNB en JA) betrokken waren bij geweld tegen slachthuisexploitanten om dezen te dwingen het akkoord te sluiten en de tenuitvoerlegging van dit akkoord te controleren en te garanderen. Voorts zijn alle partijen hun heimelijk akkoord blijven toepassen nadat zij van de Commissie een waarschuwingsbrief hadden ontvangen en nadat zij schriftelijk de verzekering hadden gegeven dat het akkoord niet zou worden verlengd. Ten slotte gaf een van de landbouworganisaties, de FNB (een organisatie voor de rundveesector), de aanzet tot de inbreuk.

Wat verzachtende omstandigheden betreft, vond de Commissie dat de rol van de minister van Landbouw - die druk had uitgeoefend op de slachthuizen om het akkoord van 24 oktober 2001 te ondertekenen en die het akkoord vervolgens een "daad van burgerzin" had genoemd - een vermindering van de geldboete voor de slachthuizen rechtvaardigt. Dit geldt echter niet voor de landbouworganisaties, omdat het gewelddadige optreden van sommigen van hun leden aan de oorsprong ligt van het optreden van de minister. Bovendien hebben de slachthuizen het akkoord ondertekend onder druk van gewelddadige acties van landbouwers, en niet uit vrije wil. De slachthuizen hadden trouwens geen belang bij het vaststellen van een minimumprijs (voor aankoop) of het opschorten van de import. Zij hadden er vooral belang bij dat hun bedrijfsterrein door de landbouwers werd vrijgegeven - in ruil voor het ondertekenen van het akkoord. Ten slotte heeft een van de landbouworganisaties (FNPL) een passieve rol gespeeld in deze zaak.

Voor het eerst legt de Commissie geldboeten op aan beroepsorganisaties in de landbouwsector. De Commissie erkent het belang van de vrijheid van vereniging, maar organisaties gaan hun opdracht te buiten wanneer zij hun medewerking verlenen aan het sluiten en toepassen van heimelijke afspraken die in strijd zijn met de regels van openbare orde, zoals de mededingingsregels.

Belangrijk in dit verband is nog te vermelden dat prijsafspraken doorgaans als zeer zware vormen van concurrentievervalsing gelden en dat het basisbedrag voor geldboeten normaliter 20 miljoen EUR bedraagt, waarna dit bedrag verhoogd wordt naar gelang de duur van de inbreuk en andere factoren.

Het gaat hier inderdaad om een zeer zware inbreuk, maar de Commissie heeft ook rekening willen houden met de bijzondere economische situatie, waardoor de landbouwsector sinds 1996 wordt geteisterd. Bij de consumenten zorgden crises voor een belangrijke mentaliteitswijziging en thema's rond veilig voedsel krijgen nu ook meer aandacht. Deze heel uitzonderlijke situatie was voor de Commissie de aanleiding om een aanvullende vermindering van de geldboeten toe te staan.

Bestemming van de boetebedragen

De organisaties hebben drie maanden de tijd om de geldboete te betalen. Deze bedragen worden ingeschreven op de algemene begroting van de Europese Unie zodra zij definitief zijn. Aangezien de algemene begroting van de Unie vooraf is vastgelegd, worden alle onvoorziene inkomsten in mindering gebracht van de bijdragen van de lidstaten aan de communautaire begroting, hetgeen uiteindelijk dus de Europese belastingbetaler ten goede komt.


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website