Navigation path

Left navigation

Additional tools


EUROPESE REKENKAMER REDE

Luxemburg, 10 december 2013

ECA/13/45

Rede van Vítor Caldeira,

president van de Europese Rekenkamer

Presentatie van het Jaarverslag 2012 aan de Raad van de Europese Unie (Economische en Financiële Zaken)

Brussel, 10 december 2013


Alleen de uitgesproken versie geldt.

Mijnheer de Voorzitter,

Geachte Ministers,

Commissaris Šemeta,

Het is mij een grote eer, het Jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de EU-begroting 2012 aan de Raad van de Europese Unie te presenteren.

De burgers van Europa hebben er recht op, te weten hoe hun geld wordt besteed en of het behoorlijk wordt gebruikt. Zij hebben er ook recht op te weten of het een meerwaarde oplevert, vooral in tijden waarin de openbare financiën zo onder druk staan.

Het Jaarverslag van de Rekenkamer helpt de EU-instellingen en de burgers van de Unie een overzicht te bieden van hetgeen bekend is over de toestand van het financieel beheer van de EU.

De Rekenkamer is van mening dat het beeld voor 2012 strookt met dat van voorgaande jaren. In het kort wordt in het Jaarverslag van de Rekenkamer over 2012 het volgende gesteld:

  • Wij weten waaraan het EU-geld wordt besteed: de door de Commissie opgestelde EU-rekeningen zijn betrouwbaar, zoals zij dat sinds 2007 zijn geweest.

  • Ook weten wij dat niet alle middelen naar behoren worden gebruikt: de Rekenkamer concludeert dat betalingen uit de EU-begroting materiële fouten vertonen.

  • Er is echter niet genoeg bekend over de totale waarde die de EU-begroting de burgers voor hun geld biedt. De beheers- en controlesystemen voor de EU‑begroting kunnen nog geen toereikende, relevante en betrouwbare informatie verschaffen over de met de EU-uitgaven bereikte resultaten.

Wat de wettigheid en regelmatigheid van betalingen betreft, schat de Rekenkamer het meest waarschijnlijke foutenpercentage voor verrichte betalingen die ten grondslag liggen aan de EU-rekeningen op 4,8 %.

Het Jaarverslag 2012 verschaft ruim inzicht in de aard van deze fouten, waar deze voorkomen en waarom zij blijven optreden. Ik zou uw aandacht willen vestigen op drie essentiële punten in het verslag.

Allereerst is het van belang, duidelijk te stellen wat de door de Rekenkamer aangehaalde “fouten” inhouden. Het betreft gevallen waarin EU-middelen niet werden gebruikt in overeenstemming met de wetgeving ter zake; dat strookt dus niet met de wensen van het Parlement en deze Raad, als wetgever en begrotingsautoriteit. Met andere woorden, het gaat om gevallen waarin de EU-middelen niet hadden mogen worden uitbetaald.

Ruim twee derde van het geschatte foutenpercentage heeft namelijk betrekking op het niet voor vergoeding in aanmerking komen van ingediende kostendeclaraties en op ernstige veronachtzaming van de aanbestedingsregels.

Ten tweede wil ik benadrukken dat de fouten niet beperkt zijn tot een specifiek begrotingsterrein. Alle beleidsgroepen waaronder beleidsuitgaven vallen, vertonen materiële fouten. De administratieve uitgaven vormen het enige terrein waarop geen materieel foutenpercentage werd aangetroffen.

De algehele schatting door de Rekenkamer van het meest waarschijnlijke foutenpercentage voor alle beleidsuitgaventerreinen vertoonde stijgingen in vergelijking met 2011, hetgeen resulteerde in een algemene stijging van 3,9 % in 2011 tot 4,8 % in 2012.

Ten derde ligt het door de Rekenkamer geschatte foutenpercentage evenals in vorige jaren hoger voor terreinen die onder gezamenlijk beheer van de Commissie en de lidstaten staan. Wat verschilt, is dat er in ons jaarverslag van dit jaar dankzij verbeteringen in de methodologie van de Rekenkamer een eerlijke vergelijking kan worden gemaakt tussen de verschillende beheersregelingen.

De Rekenkamer berekent dat het geschatte foutenpercentage voor de uitgaven onder gedeeld beheer 5,3 % bedraagt, tegenover 4,3 % voor alle andere vormen van beleidsuitgaven.

De terreinen die het meest vatbaar zijn voor fouten, staan evenwel onder gezamenlijk beheer. Plattelandsontwikkeling blijft het uitgaventerrein dat het meest vatbaar is voor fouten, met een geschat foutenpercentage van 7,9 %, gevolgd door regionaal beleid met een foutenpercentage van 6,8 %.

De bevindingen van de Rekenkamer impliceren echter niet dat fouten op terreinen onder gedeeld beheer beperkt zijn tot bepaalde lidstaten. Uit de beoordelingen door de Rekenkamer van door haar in 2012 en voorgaande jaren onderzochte toezicht- en controlesystemen bleek namelijk dat allerlei nationale en regionale autoriteiten gebreken vertoonden.

De nationale en regionale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de EU-middelen zouden meer kunnen doen om fouten te voorkomen. Uit de toetsing van verrichtingen door de Rekenkamer blijkt ook dat meer dan de helft van de fouten die de Rekenkamer aantrof, door die nationale autoriteiten had kunnen worden gecorrigeerd voordat de vergoedingsaanvragen bij de Commissie werden ingediend.

De Commissie kan maatregelen nemen om de EU-begroting te beschermen door financiële correcties toe te passen, en zij doet dat ook. Het systeem hiervoor is echter complex en de impact van financiële correcties op de lidstaten en begunstigden is afhankelijk van de toepasselijke regelgeving.

Zo hebben de meeste financiële correcties voor landbouw niet tot gevolg dat lidstaten betalingen van begunstigden terugvorderen, terwijl voor cohesie de meeste correcties forfaitair worden toegepast, hetgeen niet leidt tot gedetailleerde correcties op projectniveau.

Mijnheer de Voorzitter, geachte ministers,

Het grootste probleem is dat de huidige juridische kaders die gelden voor de EU‑uitgavenprogramma’s niet voldoende stimulans vormen voor een betere besteding van het geld. Het zal een uitdaging worden, hierin gedurende de periode van het nieuwe financiële kader verandering te brengen.

Er is echter gelegenheid - en een toenemende noodzaak - om dat te doen. Nu de druk op de openbare financiën op EU- en nationaal niveau stijgt, beveelt de Rekenkamer aan om op beide niveaus sterker de nadruk te leggen op de prestaties van de EU‑uitgavenprogramma's.

Dit houdt in dat voor alle uitgavenprogramma’s en op alle geëigende niveaus duidelijke doelstellingen, relevante indicatoren en verwachte resultaten worden vastgesteld. Zoals u kunt lezen in hoofdstuk 10 van ons verslag, is de Rekenkamer van mening dat dit momenteel nog niet consequent genoeg wordt gedaan om een toereikende grondslag te bieden voor beheer van en verslaglegging over de prestaties ervan.

Wil het geld van de EU in de toekomst beter worden besteed, dan is het ook zaak om de beheers- en toezichtregelingen op nationaal niveau te vereenvoudigen en ervoor te zorgen dat die regelingen vanaf het begin van de nieuwe programmeringsperiode doeltreffend functioneren.

Kortom, de Unie zal een prestatiecultuur tot stand moeten brengen, wil de volgende generatie uitgavenprogramma’s Europa en haar burgers – ook zichtbaar – toegevoegde waarde bieden.

Mijnheer de Voorzitter, geachte ministers,

De EU-instellingen zullen moeten samenwerken om de prestaties en verantwoording van de EU de komende jaren te verbeteren.

De Rekenkamer ziet ernaar uit, naast deze Raad, het Parlement en de Commissie haar rol te vervullen in het bereiken van dat doel, in het belang van de EU-burger.

Ik dank u voor uw aandacht.


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website