Navigation path

Left navigation

Additional tools


EUROPESE REKENKAMER

REDE

ECA/12/45

Brussel, 6 november 2012

Rede van de heer Vítor Caldeira, president van de Europese Rekenkamer

Presentatie van de Jaarverslagen 2011

COMMISSIE BEGROTINGSCONTROLE VAN HET

EUROPEES PARLEMENT

Alleen de uitgesproken versie geldt.

Voorzitter Theurer, geachte leden,

Het is mij een eer uw commissie vandaag het Jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de EU-begroting over het begrotingsjaar 2011 te presenteren.

Onze conclusies over 2011 zullen niet als een verrassing komen, aangezien de huidige regelingen voor het beheer van EU-geld reeds een aantal jaren van kracht zijn. De rekeningen over 2011 geven een getrouw beeld van de financiële situatie van de Europese Unie en van de resultaten van haar verrichtingen en kasstromen over het jaar. De ontvangsten en vastleggingen voor betalingen vertoonden geen fouten van materieel belang. Daarentegen vertoonden de betalingen wel materiële fouten, met een geschat foutenpercentage van 3,9 % voor de algehele EU‑begroting. Het geschatte foutenpercentage was nagenoeg gelijk aan 2010, toen het 3,7 % beliep.

De boodschap van dit jaarverslag sluit aan bij die van voorgaande jaren, maar is dit jaar belangrijker dan ooit. Nu de overheidsfinanciën in Europa sterk onder druk staan, is er ruimte om EU-geld nog doelmatiger en doelgerichter te besteden.

Kort gezegd: de Rekenkamer trof te veel gevallen aan waarin EU‑geld niet op de beoogde plaats terechtkwam of niet optimaal werd aangewend. Het verslag omvat de volgende voorbeelden:

  • subsidies voor grond die werd opgegeven als “blijvend grasland” terwijl delen ervan dichtbebost waren;

  • opleidingen die specifiek waren bedoeld voor arbeidskrachten uit de elektronicasector, werden gegeven aan arbeidskrachten uit andere sectoren;

  • vergoeding van kosten voor een gebouw dat voor landbouwdoeleinden zou dienen, terwijl dit niet het geval was;

  • te hoog opgegeven personeelskosten bij onderzoeksprojecten;

  • ontvangers van ontwikkelingshulp die niet voldeden aan het oorsprongsbeginsel bij de aankoop van materiaal, en

  • onjuiste toepassing van de procedures voor de plaatsing van overheidsopdrachten, die bedoeld zijn om de economisch voordeligste optie te verkrijgen.

Uit deze voorbeelden blijkt wel dat de Rekenkamer fouten aantrof in betalingen die verband hielden met veel verschillende uitgavenprogramma’s en ‑regelingen. De Rekenkamer constateerde tevens dat de onderzochte controlesystemen over het geheel genomen slechts gedeeltelijk doeltreffend waren. Met andere woorden: de controlesystemen verwezenlijkten niet hun volledige potentieel om fouten te voorkomen, of op te sporen en te corrigeren.

De Rekenkamer concludeerde dat slechts twee terreinen – of beleidsgroepen – in 2011 geen materiële fouten bevatten. Het betrof Externe betrekkingen, steun en uitbreiding en Administratieve uitgaven en andere uitgaven.

De overige vijf beleidsgroepen vertoonden materiële fouten, met name de groepen die de terreinen plattelandsontwikkeling en regionaal beleid omvatten. Het door de ERK geschatte foutenpercentage in de uitgaven voor Plattelandsontwikkeling, milieu, visserij en gezondheid, het meest foutgevoelige uitgaventerrein, beliep 7,7 %. Het geschatte foutenpercentage voor Regionaal beleid, energie en vervoer bleef hoog met 6,0 %.

Juist op deze terreinen constateerden we dat de lidstaten hun taak niet volledig uitvoeren. Een grotere mate van betrokkenheid is vereist van de kant van de nationale instanties wat betreft het beheer en de controle van EU‑geld. Met name omdat de nationale instanties de eerste – en belangrijkste – verdedigingslinie vormen in de bescherming van de financiële belangen van de burgers van de EU.

De Rekenkamer trof in veel gevallen een falende controle aan. Zo beschikten de lidstaten bij meer dan 60 % van de gecontroleerde verrichtingen voor regionaal beleid die fouten vertoonden over voldoende informatie om ten minste een aantal van deze fouten te kunnen ontdekken en corrigeren voordat ze bij de Commissie vergoeding aanvroegen.

Evenzo constateerde de Rekenkamer dat de controles ter plaatse voor plattelandsontwikkeling niet altijd naar behoren waren uitgevoerd. Het geval waarnaar ik eerder verwees – een gebouw waarvan ten onrechte werd aangegeven dat het voor landbouwdoeleinden diende – is een voorbeeld van een fout die niet werd gecorrigeerd ondanks een controle ter plaatse door het betaalorgaan.

Er is dus ruimte om het aantal fouten terug te dringen door de bestaande systemen doeltreffender toe te passen. Er is echter ook ruimte om de systemen – en de betrokken uitgavenregelingen – te verbeteren.

De EU kan zich niet veroorloven te wachten. Er ligt een kans – en een noodzaak – om nu actie te ondernemen. De lidstaten moeten het eens worden over betere regelgeving en er vervolgens voor zorgen dat zij die ook toepassen.

De Europese Commissie op haar beurt moet ook haar toezicht op de lidstaten verscherpen. Zij heeft daartoe echter betrouwbare informatie van de lidstaten nodig over de wijze waarop EU‑geld wordt uitgegeven, alsmede over de financiële correcties en terugvorderingen die zij toepassen.

Tot dusver heb ik gesproken over het aandeel van 80 % van de EU‑middelen dat wordt beheerd door de lidstaten; 20 % wordt echter rechtstreeks beheerd door de Commissie – waaronder het essentiële terrein Onderzoek. De Commissie dient een voorbeeld van beste praktijken te stellen in haar beheer van de naleving van de voorwaarden voor EU‑subsidies.

De Rekenkamer concludeerde echter dat het terrein Onderzoek en ander intern beleid materiële fouten vertoonde. Wij schatten het foutenpercentage voor 2011 op 3 %.

Veel van de soorten fouten en falende controles die we bij Onderzoek aantroffen, waren vergelijkbaar met die welke we aantroffen op de terreinen onder gedeeld beheer. De grootste bron van fouten was het door begunstigden te hoog opgeven van kosten voor projecten die uit de kaderprogramma’s voor onderzoek worden gefinancierd.

Volgens de regels moeten die kostendeclaraties vergezeld gaan van een door onafhankelijke accountantskantoren afgegeven controlecertificaat. Bij meer dan 80 % van de projecten met een positief controlecertificaat die de Rekenkamer onderzocht, trof zij fouten aan.

De Rekenkamer constateerde tevens materiële fouten in de tussentijdse en saldobetalingen bij Externe betrekkingen, steun en uitbreiding, dat ook grotendeels rechtstreeks wordt beheerd door de Commissie, alsook in betalingen die werden gedaan door de Europese Ontwikkelingsfondsen.

Een andere wijze waarop de Commissie zich kwijt van haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de EU‑begroting is door middel van verslaglegging over het financieel beheer. Dit omvat verslaglegging over de regelmatigheid van verrichtingen en de verkregen resultaten.

De Rekenkamer merkt op dat het door de directeuren‑generaal van de Commissie geschatte, aan risico’s onderhevige bedrag steeg van 0,4 miljard euro in 2010 naar 2,0 miljard euro in 2011. Hieruit blijkt dat de Commissie erkent dat er op het gebied van plattelandsontwikkeling, cohesie en onderzoek een hoog foutenrisico bestaat.

De Rekenkamer is echter van oordeel dat het aan risico’s onderhevige bedrag wellicht te laag is ingeschat omdat het zogeheten “restfoutenpercentage”, waarop het bedrag is gebaseerd, in 2011 nog geen betrouwbare indicator was van de mate waarin verrichtingen materiële fouten blijven vertonen nadat de controleprocedures zijn toegepast.

De verslaglegging van de Commissie over de doelmatigheid wordt door de Rekenkamer in haar Jaarverslag besproken in het hoofdstuk “Resultaten behalen met de EU-begroting”.

De twee belangrijkste manieren waarop de Commissie rapporteert over doelmatigheid zijn het nieuwe evaluatieverslag over de financiën van de Unie, dat is gebaseerd op de bereikte resultaten, en de jaarlijkse activiteitenverslagen van de directoraten‑generaal.

Zoals zij ook aangaf in haar advies eerder dit jaar, is de Rekenkamer van oordeel dat het eerste in februari 2012 gepubliceerde evaluatieverslag weinig waarde toevoegde en beveelt zij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie aan te onderzoeken op welke wijze het evaluatieverslag nuttiger kan worden gemaakt om meer waarde te verkrijgen met de EU-uitgaven.

De Commissie dient ook de kwaliteit te verbeteren van de jaarlijkse activiteitenverslagen. Bij het nazien van de jaarlijkse activiteitenverslagen van de directoraten‑generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling, Regionaal beleid en Ontwikkeling en samenwerking constateerde de Rekenkamer dat de prestatie-indicatoren beter kunnen worden toegesneden op de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen. Bovendien deed geen van de drie directoraten‑generaal verslag van de zuinigheid en de doelmatigheid.

Het hoofdstuk “Resultaten behalen met de EU‑begroting” omvat tevens een aantal lessen die zijn getrokken uit de speciale verslagen van de Rekenkamer uit 2011, die relevant zijn voor het verbeteren van de verslaglegging over de prestaties. De Rekenkamer beveelt de Commissie onder meer aan:

  • gebruik te maken van hoogwaardige behoefteanalyses en zich zo te richten op de resultaten en impact die zij wil verwezenlijken;

  • beleidsdoelstellingen te bepalen die helpen de Europese meerwaarde aan te tonen, en

  • met de lidstaten samen te werken teneinde de kwaliteit en tijdigheid van de ingediende gegevens te verbeteren.

Voorzitter Theurer, geachte leden,

Het financieel beheer van de EU is nog niet op het gewenste niveau. Veel van de problemen die wij in het verleden hebben geconstateerd, bestaan nog steeds, zij het in mindere mate.

Deze problemen zijn meer dan ooit van belang. Nu er wetgevingsvoorstellen worden besproken voor het volgende financiële kader, ligt er een kans om de onderliggende oorzaken aan te pakken. Sinds 2010 heeft de Rekenkamer opgeroepen tot vereenvoudiging van de uitgavenregelingen met duidelijker doelstellingen, eenvoudiger te meten resultaten en meer kosteneffectieve controleregelingen.

Ons jaarverslag over 2011 bevat tevens talrijke specifieke aanbevelingen, evenals de adviezen die we hebben uitgebracht over de voorstellen. In de adviezen worden ook opmerkingen gemaakt over de nieuwe uitdagingen die kunnen optreden voor het financieel beheer en de verantwoordingsplicht.

Wat betreft de voorstellen in verband met het gemeenschappelijk strategisch kader, dat de meest foutgevoelige uitgaventerreinen zal bestrijken, vestigt de Rekenkamer de aandacht op de noodzaak om de toezichthoudende rol van de Commissie te versterken, de financiële-correctiemechanismen te verbeteren en te zorgen voor adequate audit- en controleregelingen ten aanzien van financiële instrumenten.

Voorzitter Theurer, geachte leden,

Dit zijn zware tijden. De lidstaten moeten het eens worden over betere regelgeving voor de wijze waarop EU-geld wordt besteed, en de lidstaten en de Commissie moet deze naar behoren handhaven. Op die manier kan de EU-begroting efficiënter en doeltreffender worden aangewend om zo een grotere meerwaarde voor de burgers te realiseren. Dit is de boodschap uit ons jaarverslag die ik vandaag aan u mocht presenteren.

In wezen betreft het een boodschap over een betere verantwoording voor EU‑geld. Dit is een doel dat alle EU‑instellingen moeten nastreven en dat de Rekenkamer centraal stelt in haar strategie voor de komende jaren.

Ik dank u voor uw aandacht.


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website