Navigation path

Left navigation

Additional tools

Conclusies – 7/8 februari 2013

Conclusies – 7/8 februari 2013

Conclusies – 7/8 februari 2013

Conclusies – 7/8 februari 2013

Conclusies – 7/8 februari 2013

EUROPESE COMMISSIE

SECRETARIAAT-GENERAAL

D/13/2

Brussel, 8 februari 2013

(OR. en)

EUROPESE RAAD CONCLUSIES
Brussel, 07-08/02/2013
(MULTIANNUAL FINANCIAL FRAMEWORK)

Hierbij gaan voor de delegaties de conclusies van de Europese Raad (7/8 februari 2013) met betrekking tot het agendapunt meerjarig financieel kader.1

______________________

ALGEMEEN

  1. De afgelopen jaren hebben de Europese Unie en haar lidstaten belangrijke stappen ondernomen in antwoord op de uitdagingen als gevolg van de economische en financiële crisis. Met het oog op de toekomst moet het volgende meerjarig financieel kader (MFK) ervoor zorgen dat de begroting van de Europese Unie erop toegesneden is Europa uit de crisis te halen. De begroting van de Europese Unie moet een katalysator zijn voor groei en banen in geheel Europa, met name door de hefboomwerking van productieve investeringen en investeringen in menselijk kapitaal te benutten. Binnen het toekomstige meerjarig financieel kader moeten de uitgaven worden ingezet ter ondersteuning van groei, werkgelegenheid, concurrentievermogen en convergentie overeenkomstig de Europa 2020-strategie. Tegelijkertijd is het van essentieel belang dat het toekomstige MFK, nu de begrotings­discipline in Europa wordt versterkt, een afspiegeling vormt van de inspanningen van de lidstaten om door middel van consolidatie tekorten en schulden beter in de hand te houden. De waarde van elke uitgegeven euro moet zorgvuldig worden gewikt en gewogen om te bewerkstelligen dat de Europese meerwaarde en kwaliteit van de uitgaven in het kader van het toekomstige MFK toenemen, door middelen te bundelen, als een katalysator te fungeren en schaalvoordelen en positieve grens­overschrijdende en overloopeffecten te bieden, en er aldus toe bij te dragen dat overeengekomen gemeenschappelijke beleidsdoelen doeltreffender of sneller worden bereikt en de nationale uitgaven afnemen. Van duurzame groei en werk­gelegenheid zal pas weer sprake zijn als een consequente en breed­gedragen aanpak wordt gevolgd die bestaat in slimme begrotings­consolidatie met behoud van investeringen in toekomstige groei, gecombineerd met gezond macro-economisch beleid en een actieve werkgelegenheidsstrategie die de sociale cohesie in stand houdt. Het Uniebeleid moet stroken met de beginselen subsidiariteit, evenredigheid en solidariteit, en het moet een echte meerwaarde opleveren.

  1. Het toekomstige financiële kader moet niet alleen zorgen voor een passend niveau van uitgaven, maar moet ook de kwaliteit van de uitgaven garanderen. Met kwaliteitsvolle uitgaven kan er beter beleid worden ontwikkeld en kunnen de door de Europese meerwaarde van dat beleid geboden kansen ten volle worden benut, in het bijzonder in tijden waarin de nationale begrotingen onder zware druk staan. Alle financieringsinstrumenten moeten derhalve zo doeltreffend mogelijk worden aangewend. De inspanningen met het oog op een kwalitatief betere besteding van de middelen van de Unie moeten onder meer bestaan in een beter beheer van het beleid op de verschillende terreinen, met inbegrip van bepaalde vormen van conditionaliteit, alsook in het concentreren en richten van de financiering, in de mate van het mogelijke in alle financieringsinstrumenten en ‑programma's onder alle rubrieken, op de gebieden die het meest bijdragen tot groei, banen en concurrentievermogen. Er moet worden gezorgd voor regelmatige rapportering met het oog op de resultaatsbeoordeling betreffende alle beleid­ en alle financieringsinstrumenten op politiek niveau. Daarnaast moet er met het oog op een passende kwaliteit van de uitgaven worden voorzien in elementen als flexibiliteit, positieve prikkels, concentratie van de middelen op groei­bevorderende maatregelen, evaluatie en toetsing, nadruk op resultaten, vereenvoudiging in de uitvoering, adequate technische bijstand, toepassing van het beginsel van vrije mededinging bij het selecteren van projecten, en een passend gebruik van financiële instrumenten. In de conclusies is een aantal elementen opgenomen die in de toepassing van bovengenoemde beginselen voorzien. Bovendien moeten alle instellingen van de Unie alles in het werk stellen opdat de sectorale wetgeving van de betrokken financierings­instrumenten bepalingen bevat die erop gericht zijn de kwaliteit van de uitgaven te verbeteren.

  1. Met het oog op een gedetailleerde beoordeling van de kwaliteit van de uitgaven zal de Commissie, aansluitend op het jaarlijkse evaluatieverslag van de Commissie over de financiën van de Unie waarin artikel 318 VWEU voorziet, elk jaar bij de Raad en het Europees Parlement een samenvattend verslag indienen over de GSK-programma's (op basis van de jaarlijkse uitvoeringsverslagen van de lidstaten), alsook een synthese van alle beschikbare beoordelingen van programma's. Voorts zullen in de loop van de programmeringsperiode twee strategische verslagen over de GSK-programma's worden voorgelegd.

  1. Het nieuwe MFK zal de zeven jaar van 2014 tot en met 2020 bestrijken, en worden opgesteld voor een Europese Unie met 28 lidstaten, ervan uitgaande dat Kroatië in 2013 tot de Unie zal toetreden.

  1. De uitgaven zullen worden gegroepeerd in zes rubrieken die de politieke prioriteiten van de Unie weerspiegelen en de nodige flexibiliteit bieden met het oog op een efficiënte toewijzing van middelen.

Het meerjarig financieel kader voor de periode 2014 tot en met 2020 zal de volgende structuur hebben:

  • Subrubriek 1a "Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid", met inbegrip van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen;

  • Subrubriek 1b "Economische, sociale en territoriale samenhang";

  • Rubriek 2 "Duurzame groei": natuurlijke hulpbronnen", met een submaximum voor marktgerelateerde uitgaven en rechtstreekse betalingen;

  • Rubriek 3 "Veiligheid en burgerschap";

  • Rubriek 4 "Europa en de wereld";

  • Rubriek 5 "Administratie", met een submaximum voor administratieve uitgaven;

  • Rubriek 6 "Compensaties".

  1. De Europese Raad heeft in een politiek akkoord bepaald dat het maximale totaal­bedrag voor de uitgaven van de EU-28 in de periode 2014-2020 959 988 miljoen EUR aan kredieten voor vast­leggingen is, zijnde 1,00% van het bni van de Unie, en 908 400 miljoen EUR aan kredieten voor betalingen, zijnde 0,95% van het bni van de Unie. De uitsplitsing van de kredieten voor vastleggingen wordt hierna beschreven. Dezelfde cijfers staan ook in de tabel in bijlage I, die tevens het overzicht van de kredieten voor betalingen bevat. Alle cijfers zijn uitgedrukt in constante prijzen van 2011. Er komen automatische jaarlijkse technische aanpassingen voor de inflatie. Op deze grondslag zal de Raad thans het Europees Parlement om goed­keuring verzoeken overeenkomstig artikel 312, lid 2, VWEU, waarin wordt bepaald dat de Raad de verordening tot bepaling van het meerjarig financieel kader vaststelt na goedkeuring door het Europees Parlement.

Om ervoor te zorgen dat de Unie kan voldoen aan al haar financiële verplichtingen welke voortvloeien uit bestaande en toekomstige vastleggingen in de periode 2014-2020 overeenkomstig artikel 323 VWEU, zullen er specifieke regels voor het beheer van de jaarlijkse plafonds voor betalingen worden vastgesteld.

De statistische gegevens en vooruitzichten aan de hand waarvan de financierings­voorwaarden en de middelen voor de GSK-fondsen worden bepaald en tevens het totale bni wordt berekend, zijn die welke de Commissie in juli 2012 heeft gebruikt voor de actualisering van het voorstel inzake de MFK-verordening (COM(2012) 388).

  1. Gezien de financiële middelen die nodig zijn om investeringen in Europa op gang te brengen en gezien de beoogde optimalisering van het hefboomeffect van door de Unie­begroting ondersteunde maatregelen, zal er een ruimer gebruik van financiële instrumenten, waaronder project­obligaties, worden gemaakt als onderdeel van de uitvoering van het volgende MFK. Financiële instrumenten moeten één of meer specifieke beleidsdoelstellingen van de Unie dienen, niet-discriminerend werken, een duidelijke einddatum hebben, stroken met de beginselen van goed financieel beheer en een aanvulling vormen op traditionele instrumenten zoals subsidies. De financiële aansprakelijkheid van de Unie voor dergelijke financiële instrumenten in het volgende meerjarig financieel kader zal beperkt zijn tot de bijdrage uit de Uniebegroting, en zal geen aanleiding geven tot bijkomende verplichtingen voor de begroting van de Unie.

Financiële instrumenten kunnen enkel worden uitgevoerd als zij voldoen aan strikte voorwaarden zoals die zijn vastgesteld in de nieuwe verordening houdende financiële regels. Financiële instrumenten mogen enkel uit de Uniebegroting worden gefinancierd als dit op redelijke schaal gebeurt en een meerwaarde oplevert.

  1. De nog betaalbaar te stellen bedragen "reste à liquider" (RAL) zijn een onvermijdelijk bijproduct van de meerjaren­programmering en de gesplitste kredieten. Om uiteenlopende redenen zullen de RAL aan het eind van het financieel kader voor 2007-2013 echter aanzienlijk hoger uitvallen dan verwacht. Teneinde derhalve de betalingen in alle rubrieken een beheersbaar niveau en profiel te geven, maken verscheidene initiatieven integraal deel uit van het akkoord over het financieel kader 2014-2020:

  • de vastleggingen zijn in alle rubrieken op een adequaat niveau vastgesteld;

  • in alle rubrieken zullen strikte voorschriften voor vrijmaking van vastleggingen worden toegepast, met name de voorschriften voor automatische vrijmakingen;

  • de voorfinancieringspercentages zijn verminderd ten opzichte van de periode 2007‑2013;

  • de jaarlijkse vastleggingen voor regionale "vangnetregelingen" in het kader van het cohesiebeleid zijn niet degressief, teneinde bij te dragen tot een beheersbaar profiel van vastleggingen en betalingen.

  1. De Unie heeft de verantwoordelijkheid om er door middel van bepaalde vormen van conditionaliteit, degelijke controles en een effectieve prestatiemeting voor te zorgen dat middelen beter worden besteed. Zij moet tevens werk maken van de nodige vereenvoudiging van haar uitgavenprogramma's, teneinde de administratieve lasten en kosten voor de begunstigden van de programma's en voor alle betrokkenen te verminderen, zowel op Unie­niveau als op nationaal niveau. Alle sectorale wetgeving met betrekking tot het volgende MFK, alsook de nieuwe verordening houdende financiële regels en het Inter­institutioneel Akkoord betreffende samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer, moeten derhalve wezenlijke elementen bevatten die bijdragen tot vereenvoudiging en tot een betere verantwoording en een doeltreffender besteding van EU-middelen. Er zal meer bepaald op worden toegezien, zowel in de wetgeving als in de uitvoering ervan, dat de beginselen subsidiariteit en evenredigheid volledig in acht worden genomen en dat bij de vaststelling van minder strenge regels rekening gehouden wordt met de specifieke kenmerken van kleine programma's in lidstaten die uit slechts één regio bestaan.

  1. Of doelstellingen op bepaalde beleidsterreinen optimaal kunnen worden verwezenlijkt, hangt af van de integratie van prioriteiten, zoals milieubescherming, in een reeks instrumenten op andere beleidsterreinen. De doelstellingen in het kader van de klimaatactie zullen ten minste 20% van de EU-uitgaven in de periode 2014-2020 vertegenwoordigen en zij zullen derhalve worden meegenomen in de passende instrumenten, opdat zij bijdragen aan een betere energiezekerheid en aan de ontwikkeling van een koolstofarme, hulpbronnenefficiënte en veerkrachtig op klimaatinvloeden reagerende economie die de concurrentiekracht van Europa zal versterken en meer en groenere banen zal creëren.

  1. Om ervoor te zorgen dat de EU-begroting haar cruciale rol kan vervullen bij het stimuleren van groei, banen en concurrentievermogen, moeten thans zo spoedig mogelijk, volgens de in het Verdrag verankerde procedures en met inachtneming van de rol van de verschillende instellingen, de volgende wetgevings­teksten worden aangenomen:

  • de verordening houdende vaststelling van het MFK voor de periode 2014-2020;

  • het Interinstitutioneel Akkoord betreffende samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer;

  • het besluit inzake het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en de uitvoerings­maatregelen daarvoor.

Op basis van het niveau van de vastleggingen in dit akkoord, en gelet op de indicatieve cijfers die de Commissie voor de doelstellingen per rubriek voorstelt, wordt de Raad en het Europees Parlement verzocht tijdig tot een akkoord te komen over de adequate financiering van elk van de voorgestelde instrumenten, programma's en fondsen in het kader van het MFK, met inbegrip van een mogelijke herziening.

Onder verwijzing naar de intensieve contacten die de afgelopen maanden met het Europees Parlement hebben plaatsgevonden, zowel in de marge van de zittingen van de Raad Algemene Zaken als op het niveau van de voorzitters van de instellingen op grond van artikel 324 van het VWEU verzoekt de Europese Raad het voorzitterschap de besprekingen met het Europees Parlement voortvarend voort te zetten.

De Commissie wordt verzocht alle bijstand en ondersteuning te verlenen die zij nuttig acht om de besluitvorming vooruit te helpen.

  1. De Europese Raad roept de medewetgevers ertoe op spoedig de financieringsprogramma's ter uitvoering van het meerjarig financieel kader 2014-2020 vast te stellen, opdat zij zoals gepland per 1 januari 2014 kunnen worden geïmplementeerd. Hij herinnert aan de gedeelde doelstelling en verantwoordelijkheid van de instellingen en de lidstaten om de financierings­regels en ‑procedures te vereenvoudigen. De Europese Raad is ingenomen met de vooruitgang die in de lopende onderhandelingen is geboekt en dringt er bij de medewetgevers op aan om programma's overeen te komen die eenvoudiger zijn en gepaard gaan met een duidelijke vermindering van de administratieve lasten voor overheden en begunstigden. Dat zou de programma's toegankelijker, flexibeler en resultaatgerichter maken wat groei en banen betreft, in overeenstemming met onze Europa 2020-strategie.

DEEL I: UITGAVEN

SUBRUBRIEK 1a – CONCURRENTIEVERMOGEN VOOR GROEI EN WERKGELEGENHEID

  1. Ten aanzien van slimme en inclusieve groei heeft het optreden van de Unie een grote meerwaarde. De programma's onder deze rubriek kunnen in hoge mate bijdragen aan de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie, meer bepaald uit het oogpunt van de bevordering van onder­zoek, innovatie en technologische ontwikkeling, specifieke maatregelen ten gunste van het concurrentievermogen van het bedrijfsleven, met name het midden- en kleinbedrijf, investeringen in onderwijs en menselijke vaardigheden met het programma "Erasmus voor iedereen", en de ontwikkeling van de sociale agenda. Bij het toewijzen van middelen onder deze rubriek wordt bijzondere prioriteit gegeven aan het bewerkstelligen van een substantiële en geleidelijk toe­nemende verbetering van de inspanning van de Unie op het gebied van onderzoek, onderwijs en innovatie, onder meer door de procedures te vereenvoudigen.

  1. Gezien de bijzondere bijdrage die zij leveren aan het verwezenlijken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, zal de financiering voor Horizon 2020 en ERASMUS voor alle programma's een reële groei ten opzichte van het niveau van 2013 kennen.

  1. Het niveau van de vastleggingen voor deze subrubriek zal niet hoger zijn dan 125 614 miljoen EUR:

SUBRUBRIEK 1a - Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid

(miljoen EUR - prijzen van 2011)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

15 605

16 321

16 726

17 693

18 490

19 700

21 079

  1. Het is van cruciaal belang de wetenschapsbasis van de Unie in de breedte en in de diepte aan excellentie te doen winnen. De inspanning op het gebied van onderzoek en ontwikkeling zal derhalve gebaseerd zijn op excellentie, waarbij er tegelijkertijd voor wordt gezorgd dat deelnemers in alle lid­staten breed toegang krijgen. Samen met een grondige vereenvoudiging van het programma zal dit ervoor zorgen dat het Europees onderzoeksbeleid in de toekomst efficiënt en effectief zal zijn en het midden- en kleinbedrijf meer mogelijkheden geeft om aan de programma's deel te nemen. Alle beleidssectoren zullen een bijdrage moeten leveren om het concurrentie­vermogen te versterken; bijzondere aandacht zal uitgaan naar de coördinatie van de in het kader van Horizon 2020 gefinancierde activiteiten met die welke steun krijgen uit andere Unieprogramma's, inclusief via het cohesiebeleid. In dit verband zal met de nodige synergieën tussen Horizon 2020 en de structuurfondsen een "opstap naar excellentie" moeten worden gecreëerd, die de regionale onderzoeks- en innovatiecapaciteit vergroot en minder presterende en minder ontwikkelde regio's meer mogelijkheden geeft om excellentieclusters te vormen.

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (Connecting Europe Facility - CEF)

  1. Onderling verbonden vervoers-, energie- en digitale netwerken zijn belangrijk om de Europese eengemaakte markt te kunnen voltooien. Investeringen in sleutelinfrastructuur met Europese meerwaarde kunnen bovendien een impuls geven aan Europa's concurrentie­kracht op de middellange en lange termijn in een moeilijk economisch klimaat dat wordt gekenmerkt door trage groei en krappe overheidsbegrotingen. Tot slot helpen dergelijke investeringen in infrastructuur de Unie ook bij de verwezenlijking van haar doelstellingen inzake duurzame groei, die zijn geformuleerd in de Europa 2020-strategie, en haar "20‑20‑20"-doelstellingen op het gebied van energie en klimaatbeleid. Tegelijkertijd doen deze maatregelen geen afbreuk aan de voornaamste verantwoordelijkheid van de markt­deelnemers voor planning en investeringen op het gebied van energie en digitale infrastructuur.

De financiële middelen voor de uitvoering van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen over de periode 2014-2020 bedragen 29 299 miljoen EUR, waarvan 10 000 miljoen EUR wordt overgedragen uit het Cohesiefonds (zie onder a) hierna). Dat totale bedrag wordt als volgt over de sectoren verdeeld:

a) vervoer: 23 174 miljoen EUR, waarvan 10 000 miljoen EUR wordt overgedragen uit het Cohesiefonds om overeenkomstig de CEF-verordening te worden besteed in de lidstaten die in aanmerking komen voor financiering uit het Cohesiefonds;

b) energie: 5 126 miljoen EUR;

c) telecommunicatie: 1 000 miljoen EUR.

Met de overdracht uit het Cohesiefonds voor vervoersinfrastructuur in het kader van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen wordt gezorgd voor de medefinanciering van de vooraf aangewezen projecten die zijn vermeld in de bijlage bij de CEF-verordening; tot 31 december 2016 dienen projecten die in aanmerking komen voor financiering te worden geselecteerd met inachtneming van de nationale toewijzingen die uit het Cohesiefonds aan de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen zijn overgedragen. Daarna kunnen eventuele ongebruikte middelen naar nieuwe projecten worden overgeheveld door middel van nieuwe oproepen tot het indienen van voorstellen met concurrentiestelling.

  1. De drie grote infrastructuurprojecten, Galileo, ITER en GMES, worden gefinancierd uit subrubriek 1a voor een bedrag van 12 793 miljoen EUR. Met het oog op een goed financieel beheer en financiële discipline wordt het maximumniveau van de vastleggingen voor elk van deze projecten in de MFK-verordening bepaald als volgt:

    • Galileo: 6 300 miljoen EUR

    • ITER: 2 707 miljoen EUR

    • GMES: 3 786 miljoen EUR.

  1. Ter ondersteuning van de nucleaire veiligheid in Europa wordt een steunbedrag toegekend voor de ontmanteling van de volgende kerncentrales2:

  • 400 miljoen EUR voor Ignalina in Litouwen voor de periode 2014-2020;

  • 200 miljoen EUR voor Bohunice in Slowakije voor de periode 2014-2020;

  • 260 miljoen EUR voor Kozloduy in Bulgarije voor de periode 2014-2020.

SUBRUBRIEK 1b – ECONOMISCHE, SOCIALE EN TERRITORIALE SAMENHANG

Cohesiebeleid

  1. Een belangrijke doelstelling van de Europese Unie is het bevorderen van de economische, sociale en territoriale samenhang en solidariteit tussen de lidstaten. Het cohesiebeleid is in dit verband het belangrijkste instrument voor het verminderen van de ongelijkheden tussen de regio's van Europa en moet zich daarom concentreren op de minder ontwikkelde regio's en lidstaten. Het cohesiebeleid is een belangrijk instrument voor investeringen, groei en het scheppen van werkgelegenheid op het niveau van de Unie en voor structurele hervormingen op het niveau van de lidstaten. Het vertegenwoordigt een belangrijk deel van de overheids­investeringen in de Unie, draagt bij tot de verdieping van de interne markt en speelt daarmee een belangrijke rol bij het stimuleren van de economische groei, de werkgelegenheid en het concurrentievermogen. Voorts moet het cohesiebeleid bijdragen tot de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei in de gehele Europese Unie. Via het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Cohesiefonds (CF) worden in dit verband de volgende doelen nagestreefd: "investeren in groei en werk­gelegenheid" in lidstaten en regio's, te ondersteunen door alle fondsen; "Europese territoriale samenwerking", te ondersteunen door het EFRO. Het Cohesiefonds steunt projecten op het gebied van milieu en trans-Europese vervoersnetwerken. Via een adequaat aandeel van het ESF in het cohesiebeleid wordt de nodige ondersteuning ten behoeve van de ontwikkeling van menselijk kapitaal verleend.

  2. Wat de structuur van de rubriek betreft, zullen de cohesie-uitgaven, gezien de specifieke kenmerken van het cohesiebeleid, worden opgenomen in een subrubriek onder rubriek 1 onder de titel "Economische, sociale en territoriale samenhang".

Algemeen niveau van de toewijzingen

  1. Het niveau van de vastleggingen voor subrubriek 1b "Economische, sociale en territoriale samenhang" zal niet hoger zijn dan 325 149 miljoen EUR:

SUBRUBRIEK 1b: Economische, sociale en territoriale samenhang

(miljoen EUR- prijzen van 2011)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

44 678

45 404

46 045

46 545

47 038

47 514

47 925

  1. De middelen voor "investeren in groei en werkgelegenheid" bedragen in totaal
    313 197 miljoen EUR en worden als volgt toegewezen:

        • in totaal 164 279 miljoen EUR voor de minder ontwikkelde regio's;

        • in totaal 31 677 miljoen EUR voor de overgangsregio's;

          in totaal 49 492 miljoen EUR voor de meer ontwikkelde regio's;

          in totaal 66 362 miljoen EUR voor de door het Cohesiefonds ondersteunde lidstaten;

        • in totaal 1 387 miljoen EUR als aanvullende financiering voor de in artikel 349 van het Verdrag bedoelde ultraperifere gebieden en de noordelijke dunbevolkte regio's die aan de criteria in artikel 2 van Protocol nr. 6 bij het Verdrag betreffende de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden voldoen.

    1. De middelen voor "Europese territoriale samenwerking" bedragen in totaal 8 948 miljoen EUR en worden als volgt toegewezen:

    a) in totaal 6 627 miljoen EUR voor grensoverschrijdende samenwerking;

    b) in totaal 1 822 miljoen EUR voor transnationale samenwerking;

    c) in totaal 500 miljoen EUR voor interregionale samenwerking.

    1. 0,35% van de totale middelen wordt toegewezen aan technische bijstand op initiatief van de Commissie. Technische bijstand wordt met name verleend ter ondersteuning van institutionele versterking en opbouw van administratieve capaciteit voor het doeltreffende beheer van de fondsen, en ter ondersteuning van de lidstaten bij het bepalen en uitvoeren van nuttige projecten in het kader van de operationele programma's om de huidige economische problemen het hoofd te bieden.

    1. 330 miljoen EUR van de middelen van de structuurfondsen voor het doel "investeren in groei en werkgelegenheid" wordt toegewezen aan innovatieve acties op initiatief van de Commissie op het gebied van duurzame stadsontwikkeling.

    Definities en subsidiabiliteit

    1. De middelen voor "investeren in groei en werkgelegenheid" zullen worden toegewezen aan drie categorieën regio's, die worden gedefinieerd op basis van de verhouding tussen hun bbp per inwoner, gemeten in koopkrachtpariteiten en berekend op basis van de cijfers van de Unie voor de periode 2007-2009, en het gemiddelde bbp van de EU-27 voor dezelfde referentie­periode, en wel als volgt:

          • a) de minder ontwikkelde regio's, met een bbp per inwoner van minder dan 75% van het gemiddelde bbp van de EU-27;

            b) overgangsregio’s, met een bbp per inwoner tussen 75% en 90% van het gemiddelde bbp van de EU-27;

            c) de meer ontwikkelde regio’s, met een bbp per inwoner van meer dan 90% van het gemiddelde bbp van de EU-27.

    1. Het Cohesiefonds ondersteunt de lidstaten met een bruto nationaal inkomen (bni) per inwoner, gemeten in koopkrachtpariteiten en berekend op basis van de cijfers van de Unie voor de periode 2008-2010, van minder dan 90% van het gemiddelde bni per inwoner van de EU‑27 voor dezelfde referentieperiode.

    1. Voor grensoverschrijdende samenwerking zal steun worden verleend aan de regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie aan alle interne en externe landgrenzen, en aan alle aan zeegrenzen gelegen regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie die maximaal 150 km van elkaar verwijderd zijn, behoudens eventuele aanpassingen die nodig zijn om te zorgen voor samenhang en continuïteit van gebieden van samenwerkingsprogramma's die voor de programmeringsperiode 2007-2013 zijn vastgesteld.

    1. Voor transnationale samenwerking stelt de Commissie de lijst vast van transnationale gebieden die steun kunnen ontvangen. De gebieden worden ingedeeld naar samenwerkings­programma en omvatten regio's van NUTS-niveau 2. Daarbij wordt gezorgd voor de continuïteit van deze samenwerking in grotere coherente gebieden op basis van vroegere programma's.

    1. Voor interregionale samenwerking bestrijkt de steun uit het EFRO het gehele grondgebied van de Unie.

    1. Op verzoek van een lidstaat worden regio's van NUTS-niveau 2 die bij Verordening (EU) nr. 31/2011 van de Commissie van 17 januari 2011 zijn samengevoegd, met als resultaat dat de toepassing van de gewijzigde NUTS-indeling de status van de subsidiabiliteitscategorie van een of meer van de betrokken regio's wijzigt, ondergebracht in de categorie die op het niveau van de gewijzigde NUTS-regio is vastgesteld.

    Toewijzingsmethode

    Toewijzingsmethode voor minder ontwikkelde regio's

    1. Het specifieke niveau van de toewijzingen voor elke lidstaat wordt bepaald met behulp van een objectieve methode en wordt als volgt berekend:

    De toewijzing voor elke lidstaat is de som van de toewijzingen voor elk van zijn in aanmerking komende regio's, en wordt als volgt berekend:

    i) er wordt een absoluut bedrag (in euro's) bepaald door vermenigvuldiging van de bevolking van de betrokken regio met het verschil tussen het bbp per inwoner van die regio, uitgedrukt in koopkrachtpariteiten, en het gemiddelde bbp per inwoner van de EU-27;

    ii) op het bovengenoemde absolute bedrag wordt een percentage toegepast om de financiële toewijzing voor de betrokken regio te bepalen; dat percentage wordt naargelang van de relatieve welvaart, uitgedrukt in koopkrachtpariteiten, ten opzichte van het gemiddelde van de EU-27, van de lidstaat waar de in aanmerking komende regio ligt, als volgt gedifferentieerd:

    • voor regio's in lidstaten waarvan het niveau van het bni per inwoner minder dan 82% van het EU-gemiddelde bedraagt: 3,15%

    • voor regio's in lidstaten waarvan het niveau van het bni per inwoner tussen 82% en 99% van het EU-gemiddelde bedraagt: 2,70%

    • voor regio's in lidstaten waarvan het niveau van het bni per inwoner meer dan 99% van het EU-gemiddelde bedraagt: 1,65%;

    iii) aan het met stap ii) verkregen bedrag wordt, in voorkomend geval, een bedrag toegevoegd dat resulteert uit de toewijzing van een extra bedrag van 1 300 EUR per werkloze per jaar dat geldt voor het aantal werklozen in die regio boven het aantal werklozen dat de regio zou tellen indien zij het gemiddelde werkloosheidspercentage van alle minder ontwikkelde regio's van de Unie zou hebben;

    iv) er komt geen stadspremie.

    1. Het resultaat van de toepassing van deze methode is aan plafonnering onderworpen.

    Toewijzingsmethode voor overgangsregio's

    1. Het specifieke niveau van de toewijzingen voor elke lidstaat wordt bepaald met behulp van een objectieve methode en wordt als volgt berekend:

    De toewijzing voor elke lidstaat is de som van de toewijzingen voor elk van zijn in aanmerking komende regio's, en wordt als volgt berekend:

    i) bepaling van de theoretische minimum- en maximumsteunintensiteit voor elke in aanmerking komende overgangsregio. Het minimumniveau van de steun wordt bepaald door de gemiddelde steunintensiteit per inwoner per lidstaat vóór de toewijzing van het regionale vangnet van 60% aan de meer ontwikkelde regio's van die lidstaat. Het maximumniveau van de steun heeft betrekking op een theoretische regio met een bbp per inwoner van 75% van het EU-27 gemiddelde en wordt berekend volgens de in punt 33, onder i) en ii), beschreven methode. Van het volgens die methode verkregen bedrag wordt 40% meegeteld;

    ii) de berekening van initiële regionale toewijzingen, rekening houdend met het regionale bbp per inwoner door een lineaire interpolatie van de relatieve welvaart van de regio ten opzichte van de EU-27;

    iii) aan het met stap ii) verkregen bedrag wordt, indien van toepassing, een bedrag toegevoegd dat resulteert uit de toewijzing van een extrabedrag van 1 100 EUR per werkloze per jaar, van toepassing op het aantal werklozen in die regio boven het aantal werklozen dat de regio zou tellen indien zij het gemiddelde werkloosheidspercentage van alle minder ontwikkelde regio's van de Unie zou hebben;

    iv) er komt geen stadspremie.

    1. Het resultaat van de toepassing van deze methode is aan plafonnering onderworpen.

    Toewijzingsmethode voor meer ontwikkelde regio's

    1. De totale initiële theoretische toewijzing van financiële middelen wordt verkregen door de gemiddelde steunintensiteit per inwoner en per jaar van 19,8 EUR te vermenigvuldigen met de in aanmerking komende bevolking.

    1. Het aandeel van elke betrokken lidstaat is de som van de aandelen van zijn in aanmerking komende regio's, die worden bepaald volgens de onderstaande criteria, gewogen zoals vermeld:

    • totale regionale bevolking (weging 25%),

    • aantal werklozen in regio's van NUTS-niveau 2 met een werkloosheidspercentage boven het gemiddelde van alle meer ontwikkelde regio's (weging 20%),

    • toe te voegen werkgelegenheid om het Europa 2020-streefcijfer van 75% voor het regionale werkgelegenheidspeil (leeftijdsgroep 20-64) te halen (weging 20%),

    • aantal mensen in de leeftijdsgroep 30-34 met een tertiaire opleiding dat moet worden bijgeteld om het Europa 2020-streefcijfer van 40% te halen (weging 12,5%),

    • aantal vroegtijdige schoolverlaters in de leeftijdsgroep 18-24 dat in mindering moet worden gebracht om het Europa 2020-streefcijfer van 10% te halen (weging 12,5%),

    • verschil tussen het waargenomen bbp van de regio (in KKS) en het theoretische regionale bbp indien de regio hetzelfde bbp per inwoner zou hebben als de meest welvarende regio van NUTS-niveau 2 (weging 7,5%),

    • bevolking van regio's van NUTS-niveau 3 met een bevolkingsdichtheid van minder dan 12,5 inwoners per km2 (weging 2,5%).

    Er komt geen stadspremie.

    Toewijzingsmethode voor het Cohesiefonds

    1. De theoretische totale toewijzing wordt verkregen door de gemiddelde steunintensiteit per inwoner van 48 EUR te vermenigvuldigen met de in aanmerking komende bevolking. De toewijzing uit deze theoretische totale toewijzing waarop iedere in aanmerking komende lidstaat a priori recht heeft, komt overeen met een percentage dat is gebaseerd op zijn bevolking, oppervlakte en nationale welvaart, en dat is verkregen door toepassing van de volgende stappen:

    i) er wordt een rekenkundig gemiddelde berekend van het aandeel van de bevolking en de oppervlakte van de betrokken lidstaat in de totale bevolking en oppervlakte van alle in aanmerking komende lidstaten. Indien evenwel het aandeel van een lidstaat in de totale bevolking zijn aandeel in de totale oppervlakte met een factor 5 of meer overschrijdt, dat wil zeggen indien die lidstaat een uiterst hoge bevolkingsdichtheid heeft, wordt voor deze stap alleen rekening gehouden met het aandeel in de totale bevolking;

    ii) op de aldus verkregen percentages wordt een coëfficiënt toegepast gelijk aan een derde van het percentage waarmee het bni per inwoner (KKS) van de betrokken lidstaat voor de betrokken periode 2008-2010 boven of onder het gemiddelde bni per inwoner van alle in aanmerking komende lidstaten ligt (welk gemiddelde wordt weergegeven als 100%).

    1. Gezien de aanzienlijke behoeften op het gebied van vervoers- en milieu-infrastructuur van de lidstaten die op of na 1 mei 2004 tot de Unie zijn toegetreden, wordt hun aandeel in het Cohesiefonds bepaald op een derde van de gemiddeld gedurende die periode ontvangen totale uiteindelijke financiële toewijzing na plafonnering (structuurfondsen en Cohesiefonds tezamen).

    1. De lidstaten die in de periode 2007-2013 volledig in aanmerking komen voor financiering uit het Cohesiefonds, maar waarvan het nominale bni per inwoner meer bedraagt dan 90% van het gemiddelde bni per inwoner van de EU-27, ontvangen bij wijze van bijzondere overgangs­maatregel steun uit het Cohesiefonds. Deze overgangssteun bedraagt 48 EUR per inwoner in 2014 en zal tussen nu en eind 2020 geleidelijk worden afgebouwd.

    1. Het resultaat van de toepassing van deze methode is aan plafonnering onderworpen.

    Toewijzingsmethode voor "Europese territoriale samenwerking"

    1. De toewijzing van middelen per lidstaat voor grensoverschrijdende en transnationale samenwerking is gelijk aan de gewogen som van het aandeel in de bevolking van de grens­regio's en van het aandeel in de totale bevolking van elke lidstaat. Het gewicht wordt bepaald door de respectieve aandelen van de grensoverschrijdende en de transnationale dimensie. Het aandeel van de grensoverschrijdende en de transnationale samenwerking is respectievelijk 77,9% en 22,1%.

    Toewijzingsmethode voor ultraperifere regio's, dunbevolkte regio's en eilanden

    1. Ultraperifere regio's en noordelijke dunbevolkte regio's van NUTS-niveau 2 ontvangen een extra speciale toewijzing met een steunintensiteit van 30 EUR per inwoner per jaar. De toewijzing zal per regio en per lidstaat naar rato van de totale bevolking van die regio's worden verstrekt. Er moet rekening worden gehouden met de speciale situatie van eiland­gebieden.

          • Plafonnering

    1. In een streven naar passende concentratie van middelen uit het cohesiefonds op de minst ontwikkelde regio's en lidstaten, en naar verkleining van de verschillen in de gemiddelde steunintensiteit per inwoner, wordt het plafond voor overdrachten aan elke afzonderlijke lidstaat bepaald op 2,35% van het bbp. De plafonnering wordt op jaarbasis toegepast en zal, indien van toepassing, alle overdrachten aan de betrokken lidstaat (behalve voor de meer ontwikkelde regio's en "Europese territoriale samenwerking") evenredig verminderen om uit te komen op de maximumoverdracht. Voor de lidstaten die voor 2013 tot de Unie zijn toegetreden en waarvan de gemiddelde reële bbp-groei in 2008-2010 kleiner was dan -1%, wordt het plafond voor overdrachten verhoogd met 10%, hetgeen leidt tot een plafonnering van 2,59%.

    1. Gelet op de huidige economische omstandigheden mogen de plafonneringsregels er niet toe leiden dat de nationale toewijzingen hoger zijn dan 110% van hun niveau in reële termen voor de periode 2007-2013.

    Vangnetten

    1. Voor alle regio's met in de periode 2007-2013 een bbp per inwoner van minder dan 75% van het gemiddelde van de EU-25, maar met een bbp per inwoner van meer dan 75% van het gemiddelde van de EU-27, bedraagt het minimumsteunniveau in 2014-2020 in het kader van de doelstelling" investeren in groei en werkgelegenheid" jaarlijks 60% van hun vroegere indicatieve gemiddelde jaarlijkse toewijzing in het kader van de convergentie­toewijzing, zoals berekend door de Commissie binnen het meerjarig financieel kader 2007‑2013.

    1. De totale toewijzing (Cohesiefonds en structuurfondsen) voor een lidstaat beloopt minimaal 55% van zijn individuele totale toewijzing voor 2007-2013. De aanpassingen die nodig zijn om aan dit voorschrift te voldoen, worden evenredig toegepast op de toewijzingen van het Cohesiefonds en de structuurfondsen, met uitzondering van de toewijzingen in het kader van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking".

    1. Geen overgangsregio mag minder ontvangen dan zij ontvangen zou hebben als zij een meer ontwikkelde regio zou zijn geweest. Voor het bepalen van het niveau van deze minimum­toewijzing zal de toewijzingsmethode voor meer ontwikkelde regio's worden toegepast op alle regio's met een bbp per inwoner van ten minste 75% van het EU‑27-gemiddelde.

    Andere bepalingen inzake de speciale toewijzing

    1. De economische crisis in de eurozone heeft een aantal lidstaten in bijzondere mate getroffen, met rechtstreekse gevolgen op het welvaartsniveau aldaar. Om die situatie te verhelpen en in die lidstaten groei en banencreatie te stimuleren, zullen de structuurfondsen in de volgende extra toewijzingen voorzien: 1,375 miljard EUR voor de meer ontwikkelde regio's van Griekenland; 1,0 miljard EUR voor Portugal, als volgt verdeeld: 450 miljoen EUR voor de meer ontwikkelde regio's, waarvan 150 miljoen EUR voor Madeira, 75 miljoen EUR voor de overgangsregio en 475 miljoen EUR voor de minder ontwikkelde regio's; 100 miljoen EUR voor de Ierse regio Border, Midland and Western; 1,824 miljard EUR voor Spanje, waarvan 500 miljoen EUR voor Extremadura; en 1,5 miljard EUR voor de minder ontwikkelde regio's van Italië, waarvan 500 miljoen EUR voor de niet-stedelijke gebieden.

    1. Om rekening te houden met de moeilijke situatie van eiland-lidstaten en van bepaalde perifeer gelegen delen van de Europese Unie, ontvangen Malta en Cyprus na toepassing van punt 48 een bijkomend bedrag van respectievelijk 200 miljoen EUR en 150 miljoen EUR in het kader van de doelstelling "investeren in groei en werk­gelegenheid", dat als volgt wordt verdeeld: een derde voor het Cohesiefonds en twee derde voor de structuurfondsen. Ceuta en Melilla krijgen bijkomend een bedrag van 50 miljoen EUR uit de structuurfondsen toegewezen. De perifere regio Mayotte krijgt een totaal bedrag van 200 miljoen EUR uit de structuurfondsen toegewezen.

    1. Om het bepaalde regio's gemakkelijker te maken zich aan te passen aan hetzij veranderingen in hun status, hetzij de langdurige gevolgen van recente ontwikkelingen in hun economie worden de volgende bedragen toegewezen: België (133 miljoen EUR, waarvan 66,5 miljoen EUR voor Limburg en 66,5 miljoen EUR voor Wallonië), Duitsland (710 miljoen EUR, waarvan 510 miljoen EUR voor de voormalige convergentieregio's en 200 miljoen EUR voor Leipzig). Onverminderd punt 45 krijgen de minder ontwikkelde regio's van Hongarije een extra bedrag van 1,560 miljard EUR, de minder ontwikkelde regio's van Tsjechië een extra bedrag van 900 miljoen EUR (waarvan 300 miljoen EUR zal worden overgedragen uit de toewijzing voor plattelandsontwikkeling van Tsjechië) en de minder ontwikkelde regio van Slovenië een extra bedrag van 75 miljoen EUR uit de structuurfondsen.

    1. Aan het PEACE-programma wordt in totaal 150 miljoen EUR toegewezen.

    Herzieningsclausule

    1. Om rekening te houden met de bijzonder moeilijke situatie van Griekenland en andere landen die onder de crisis te lijden hebben, zal de Commissie in 2016 de totale toewijzingen die voor de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid" in het kader van het cohesiebeleid 2017-2020 aan alle lidstaten zijn gedaan, opnieuw bezien en de in de punten 33 tot en met 49 omschreven toewijzings­methode toepassen, op basis van de meest recente statistische gegevens die op dat tijdstip beschikbaar zijn en van de vergelijking tussen het voor de periode 2014‑2015 geconstateerde gecumuleerd nationaal bbp en het in 2012 geraamde gecumuleerd nationaal bbp. Zij past deze totale toewijzingen aan telkens wanneer er een gecumuleerde afwijking is van meer dan +/-5%. Het totale netto-effect van de aanpassing mag niet meer bedragen dan 4 miljard EUR. De vereiste aanpassing wordt in gelijke delen gespreid over de jaren 2017-2020 en het desbetreffende plafond van het financieel kader wordt dienovereenkomst gewijzigd.

    Medefinancieringspercentages

    1. Het medefinancieringspercentage van elke prioritaire as van operationele programma's voor de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid" bedraagt niet meer dan:

          • a) 85% voor het Cohesiefonds;

            b) 85% voor de minder ontwikkelde regio's van de lidstaten met een gemiddeld bbp per inwoner voor de periode 2007-2009 van minder dan 85% van het gemiddelde van de EU-27 voor dezelfde periode, en voor de ultraperifere gebieden;

            c) 80% voor de minder ontwikkelde regio's van andere lidstaten dan bedoeld onder b) die op 1 januari 2014 in aanmerking komen voor de overgangsregeling van het Cohesie­fonds;

            d) 80% voor de minder ontwikkelde regio's van de andere lidstaten dan bedoeld onder b) en c) en voor alle regio's met een bbp per inwoner voor de periode 2007-2013 van minder dan 75% van het gemiddelde van de EU-25 voor de referentieperiode, maar met een bbp per inwoner van meer dan 75% van het gemiddelde bbp van de EU-27, alsmede voor regio's als gedefinieerd in artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1083/2006 die overgangssteun ontvangen voor de periode 2007-2013;

            e) 60% voor de andere overgangsregio's dan de onder d) bedoelde;

            f) 50% voor de andere meer ontwikkelde regio's dan de onder d) bedoelde.

    Het medefinancieringspercentage van elke prioritaire as van operationele programma's voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" bedraagt niet meer dan 85%. Voor programma's waaraan minstens één minder ontwikkelde regio deelneemt, kan het medefinancieringspercentage voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" worden verhoogd tot 85%.

    Het medefinancieringspercentage van de aanvullende toewijzing voor de in artikel 349 van het Verdrag bedoelde ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die aan de criteria in artikel 2 van Protocol nr. 6 bij het Verdrag betreffende de toetreding van Finland, Oostenrijk en Zweden voldoen, bedraagt ten hoogste 50%.

    1. Verhoging van betalingen voor lidstaten met tijdelijke begrotingsproblemen.

    Een hoger medefinancieringspercentage (10 procentpunten hoger) kan worden toegepast wanneer een lidstaat financiële bijstand ontvangt op grond van artikel 136 of artikel 143 VWEU, zodat de nationale begrotingen in tijden van begrotings­consolidatie minder onder druk komen te staan, terwijl de EU-financiering in totaal op hetzelfde niveau blijft. Voor deze lidstaten blijft deze regel van toepassing tot en met 2016. Dan wordt hij opnieuw beoordeeld in het kader van de in punt 54 bedoelde herziening.

    Regionale steunmaatregelen

    1. Regionale steunmaatregelen van overheidswege mogen niet leiden tot concurrentie­verstoring. De Europese Raad moedigt de Commissie aan om snel werk te maken van de aanneming van de herziene richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen die zij heeft voorgesteld. In dat verband zal de Commissie erop toezien dat de lidstaten kunnen inspelen op de bijzondere situatie van regio's die aan convergentieregio's grenzen.

    Steun voor de meest hulpbehoevenden

    1. De steun voor de meest hulpbehoevenden bedraagt 2 500 miljoen EUR voor de periode 2014‑2020 en komt uit de toewijzing voor het ESF.

    jongerenwerkgelegenheidsinitiatief

    1. De Europese Raad heeft bij verschillende gelegenheden onderstreept dat de hoogste prioriteit moet worden gegeven aan de bevordering van de jongerenwerkgelegenheid. De Europese Raad heeft in januari 2012 een speciale bijeenkomst aan dat thema gewijd en heeft er sterk de nadruk op gelegd in het Pact voor groei en banen. Hij verwacht dat de Raad spoedig de aanbeveling tot invoering van een jongerengarantie zal aannemen. Hij verzoekt de Commissie in de komende weken het kwaliteitskader voor stages te voltooien, de Alliantie voor leerling­plaatsen tot stand te brengen en voorstellen voor een nieuwe EURES-verordening in te dienen. De EU-begroting moet worden ingezet ter ondersteuning van deze inspanningen. De Europese Raad is zich bewust van de bijzonder moeilijke situatie van jongeren in bepaalde regio's en heeft daarom besloten een jongerenwerkgelegenheidsinitiatief tot stand te brengen als aanvulling op en versterking van de zeer aanzienlijke steun die reeds wordt verleend via de structuurfondsen van de EU. Het initiatief staat open voor alle regio's (NUTS-niveau 2) met een jongerenwerkloosheidsgraad van meer dan 25%. Het dient ter ondersteuning van maatregelen die zijn omschreven in het werkgelegenheidspakket voor jongeren dat in december 2012 door de Commissie is voorgesteld, en in het bijzonder ter ondersteuning van de jongerengarantie nadat die is vastgesteld. De steun voor het initiatief beloopt 6 000 miljoen EUR voor de periode 2014-2020.

    1. Daarvan is 3 000 miljoen EUR afkomstig van gerichte investeringen van het Europees Sociaal Fonds (ESF) in de regio's van NUTS-niveau 2 die in aanmerking komen, naar evenredigheid van het aantal werkloze jongeren in die regio's, en 3 000 miljoen EUR van een specifiek begrotingsonderdeel Jongerenwerkgelegenheid onder subrubriek 1b. Welke werkloze jongeren en welke aantallen in aanmerking komen, zal worden bepaald op basis van de cijfers van de Unie voor 2012. Voor elke inbreng van het ESF in de subsidiabele regio zal een equivalent bedrag worden toegevoegd uit het specifieke begrotingsonderdeel. Dit equivalent bedrag is niet onderworpen aan de plafonneringsregels van de punten 45 en 46.

    RUBRIEK 2 - DUURZAME GROEI: NATUURLIJKE HULPBRONNEN

    1. Doel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) is de productiviteit van de landbouw te vergroten door de technische vooruitgang te bevorderen en door zowel de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie als een optimaal gebruik van de productiefactoren, met name de arbeidskrachten, te bewerkstelligen, en de landbouwers zodoende een redelijke levensstandaard te garanderen, meer bepaald door het hoofdelijk inkomen van in de landbouw werkzame personen te verhogen, de markten te stabiliseren, en een voldoende aanbod en redelijke prijzen bij de levering aan de consument te garanderen. Er dient rekening te worden gehouden met de maatschappelijke structuur van de landbouw en met de structurele en natuurlijke ongelijkheid tussen de verschillende landbouwgebieden.

    1. Tegen die achtergrond moeten de hervormingen 1) een levensvatbare voedselproductie; 2) een duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen en klimaatactie; en 3) een evenwichtige territoriale ontwikkeling garanderen. Voorts moet het GLB volledig aansluiten bij de doelen van de Europa 2020-strategie, met name bij het doel van duurzame groei, met volledige inachtneming van de in het Verdrag neergelegde doelstellingen van dit beleid.

    1. De vastleggingskredieten voor deze rubriek, die landbouw, plattelandsontwikkeling, visserij en een nieuw financieel instrument voor het milieu en klimaatactie omvat, zullen niet meer bedragen dan 373 179 miljoen EUR, waarvan 277 851 miljoen EUR zal worden toegewezen aan marktgerelateerde uitgaven en rechtstreekse betalingen:

    DUURZAME GROEI: NATUURLIJKE HULPBRONNEN

    (miljoen EUR - prijzen van 2011)

    2014

    2015

    2016

    2017

    2018

    2019

    2020

    55 883

    55 060

    54 261

    53 448

    52 466

    51 503

    50 558

    waarvan: marktgerelateerde uitgaven en rechtstreekse betalingen

    41 585

    40 989

    40 421

    39 837

    39 079

    38 335

    37 605

    Het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2014-2020 behoudt een tweepijler­structuur:

    1. Onder de eerste pijler wordt rechtstreekse steun verleend aan de landbouwers en worden marktmaatregelen gefinancierd. Rechtstreekse steun en marktmaatregelen worden volledig en uitsluitend gefinancierd uit de Uniebegroting zodat de toepassing van een gemeenschappelijk beleid in de hele eengemaakte markt is gewaarborgd, met het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS).

    1. De tweede pijler van het GLB zal specifieke collectieve milieugoederen leveren, het concurrentievermogen van de land- en de bosbouwsector verbeteren en de diversificatie van de economische activiteit en de levenskwaliteit in plattelandsgebieden, met inbegrip van regio's met specifieke problemen, bevorderen. De maatregelen in het kader van de tweede pijler zullen overeenkomstig punt 73 door de lidstaten worden mede­gefinancierd, hetgeen ertoe bijdraagt dat de onderliggende doelstellingen worden bereikt en waardoor het hefboomeffect van het plattelandsbeleid wordt versterkt.

    Pijler I

    Hoogte van en model voor de verdeling van rechtstreekse steun - nadere gegevens over de convergentie in alle lidstaten

    1. Met het oog op aanpassing van het totale uitgavenniveau in rubriek 2 wordt, met inachtneming van het beginsel van de geleidelijke invoering van rechtstreekse betalingen zoals vastgelegd in de toetredingsverdragen, het EU‑gemiddelde van de rechtstreekse betalingen in lopende prijzen per hectare over de periode verminderd. De rechtstreekse steun zal billijker worden verdeeld over de lidstaten, rekening houdend met de bestaande verschillen wat lonen, koop­kracht, output van de landbouwsector en inputkosten betreft, door geleidelijk minder uit te gaan van bedragen uit het verleden en door oog te houden voor het algemene kader van het gemeen­schappelijk landbouwbeleid en de begroting van de Unie. Bij de globale toewijzing van steun van het GLB moet rekening worden gehouden met specifieke omstandig­heden zoals landbouwarealen met een hoge toegevoegde waarde en gevallen waarin de gevolgen van de convergentie onevenredig zwaar zijn.

    Voor alle lidstaten met rechtstreekse betalingen per hectare die minder dan 90% van het EU‑gemiddelde bedragen, wordt in de komende periode een derde van het verschil tussen het huidige niveau van hun rechtstreekse betalingen en 90% van het EU-gemiddelde weggewerkt. Alle lidstaten dienen in 2020 evenwel minstens het niveau van 196 EUR in lopende prijzen per hectare te bereiken. Deze convergentie zal worden gefinancierd door alle lidstaten met rechtstreekse betalingen boven het EU-gemiddelde, naar rato van hun afstand tot het EU‑gemiddelde. Dat proces zal geleidelijk worden uitgevoerd, over een periode van 6 jaar, van begrotingsjaar 2015 tot en met begrotingsjaar 2020.

    Plafonnering van de steun voor grote landbouwbedrijven

    1. De rechtstreekse betalingen voor grote ontvangers worden door de lidstaten op vrijwillige basis geplafonneerd.

    Methode voor financiële discipline

    1. Om ervoor te zorgen dat de bedragen voor de financiering van het GLB voldoen aan de jaarlijkse maxima die in het meerjarig financieel kader vastgesteld zijn, moet het mechanisme voor financiële discipline dat thans is neergelegd in artikel 11 van Verordening 73/2009, en dat voorziet in aanpassing van het niveau van de rechtstreekse steun wanneer volgens de prognoses het submaximum van rubriek 2 in een bepaald begrotingsjaar wordt overschreden, behouden blijven, maar zonder de veiligheidsmarge van 300 miljoen EUR.

    Vergroening van de rechtstreekse betalingen

    1. De algehele milieuprestatie van het GLB zal worden verbeterd door vergroening van de rechtstreekse betalingen in de vorm van bepaalde door alle landbouwers toe te passen klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken, die moeten worden omschreven in de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vast­stelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, waarbij onnodige administratieve lasten worden voorkomen. Om deze praktijken te financieren, zullen de lidstaten 30% van het jaarlijkse nationale plafond gebruiken, waarbij zij over een duidelijk omschreven flexibiliteit met betrekking tot de keuze van gelijkwaardige vergroeningsmaatregelen beschikken. De vereiste om op elk landbouw­bedrijf een ecologisch aandachtsgebied te hebben, zal zodanig worden toegepast dat het betrokken bouwland niet uit productie moet worden genomen en dat ongerechtvaardigde inkomensverliezen voor de landbouwers worden voorkomen.

    Flexibiliteit tussen de pijlers

    1. De lidstaten kunnen besluiten om ten hoogste 15% van hun in bijlage II bij de verordening rechtstreekse betalingen vermelde jaarlijkse nationale maxima voor de kalenderjaren 2014 tot en met 2019 beschikbaar te stellen als aanvullende steun voor maatregelen in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's die uit het Elfpo worden gefinancierd. Het desbetreffende bedrag is daardoor niet meer beschikbaar voor de toekenning van rechtstreekse betalingen.

    2. De lidstaten kunnen besluiten om ten hoogste 15% van het bedrag dat is toegewezen voor steun voor maatregelen in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's die in de periode 2015-2020 uit het Elfpo worden gefinancierd, beschikbaar te stellen als rechtstreekse betalingen in het kader van de verordening rechtstreekse betalingen. Lidstaten met recht­streekse betalingen per hectare die minder dan 90% van het EU-gemiddelde bedragen, kunnen besluiten om nog eens 10% van het bedrag dat is toegewezen voor steun voor maatregelen in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's beschikbaar te stellen als rechtstreekse betalingen. Het desbetreffende bedrag is daardoor niet meer beschikbaar voor steun­maatregelen in het kader van plattelands­ontwikkelingsprogramma's.

    Pijler II

    Beginselen voor de verdeling van de steun voor plattelandsontwikkeling

    1. De steun voor plattelandsontwikkeling zal over de lidstaten worden verdeeld op basis van objectieve criteria en prestaties uit het verleden, rekening houdend met de doelstellingen van plattelandsontwikkeling en met oog voor het algemene kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de begroting van de Unie.

    1. Het totale bedrag van de steun voor plattelandsontwikkeling zal 84 936 miljoen EUR bedragen. De jaarlijkse verdeling ervan wordt vastgesteld door het Europees Parlement en de Raad. De bedragen voor de individuele lidstaten zullen worden aangepast om rekening te houden met het bepaalde in de punten 68 en 69.

    1. De verdeling van het totale bedrag voor plattelandsontwikkeling over de lidstaten zal gebaseerd zijn op objectieve criteria en prestaties uit het verleden.

    Voor een beperkt aantal lidstaten die af te rekenen hebben met bijzondere structurele uitdagingen in hun landbouwsector of die zwaar hebben geïnvesteerd in een doeltreffend kader voor de uitvoering van uitgaven van pijler II, worden de volgende extra toewijzingen gedaan: Oostenrijk (700 miljoen EUR), Frankrijk (1 000 miljoen EUR), Ierland (100 miljoen EUR), Italië (1 500 miljoen EUR), Luxemburg (20 miljoen EUR), Malta (32 miljoen EUR), Litouwen (100 miljoen EUR), Letland (67 miljoen EUR), Estland (50 miljoen EUR), Zweden (150 miljoen EUR), Portugal (500 miljoen EUR), Cyprus (7 miljoen EUR), Spanje (500 miljoen EUR), België (80 miljoen EUR), Slovenië (150 miljoen EUR) en Finland (600 miljoen EUR). Voor de lidstaten die financiële bijstand krijgen overeenkomstig de artikelen 136 en 143 VWEU, zal voor deze extra toewijzing een medefinancieringspercentage van 100% gelden. Deze regel blijft voor deze lidstaten van toepassing tot 2016, en wordt in dat jaar opnieuw bekeken.

    Medefinancieringspercentages voor de steun voor plattelandsontwikkeling

    1. In de plattelandsontwikkelingsprogramma's wordt één percentage voor de Elfpo-bijdrage vastgesteld dat op alle maatregelen van toepassing is. Waar van toepassing wordt een afzonderlijk percentage voor de Elfpo-bijdrage vastgesteld voor de minder ontwikkelde regio's, overgangs­regio's en voor de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee in de zin van Verordening (EEG) nr. 2019/93. De Elfpo-maximumbijdrage bedraagt:

      • 75% van de subsidiabele overheidsuitgaven in de minder ontwikkelde regio's en in de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee in de zin van Verordening (EEG) nr. 2019/93;

        • 75% van de subsidiabele overheidsuitgaven voor alle regio's met een bbp per inwoner voor de periode 2007-2013 van minder dan 75% van het gemiddelde van de EU-25 voor de referentieperiode, maar met een bbp per inwoner van meer dan 75% van het gemiddelde bbp van de EU-27;

          • 63% van de subsidiabele overheidsuitgaven voor andere overgangsregio's dan de in het vorige streepje vermelde;

            • 53% van de subsidiabele overheidsuitgaven in de overige regio's;

              • 75% voor acties die bijdragen tot de doelstellingen milieu, klimaatmitigatie en ‑adaptatie;

                • 100% voor de in punt 68 bedoelde bedragen die van de eerste pijler naar de tweede pijler worden overgeheveld als aanvullende steun voor maatregelen in het kader van plattelandsontwikkeling.

                De Elfpo-minimumbijdrage bedraagt 20%. Andere Elfpo-maximumbijdragen voor specifieke maatregelen zullen worden vastgesteld in de Verordening inzake steun voor plattelands­ontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo).

                Een hoger medefinancieringspercentage (10 procentpunt meer) kan worden toegepast voor lidstaten die financiële steun ontvangen overeenkomstig de artikelen 136 en 143 VWEU, waardoor de nationale begrotingen minder onder druk komen te staan in deze periode van begrotingsconsolidatie, en het totale niveau van EU-financiering tegelijk gehandhaafd blijft. Deze regel blijft voor deze lidstaten van toepassing tot 2016, en wordt in dat jaar opnieuw bekeken in het kader van de in punt 54 bedoelde herziening.

                * *

                *

                1. De financiering in het kader van rubriek 2 zal ook dienen ter ondersteuning van het gemeenschappelijk visserijbeleid en het geïntegreerd maritiem beleid, met name via het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en via kredieten voor de internationale dimensie van het GVB, alsmede van activiteiten op klimaat- en milieugebied via het programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE).

                Een nieuwe reserve voor crisissituaties in de landbouwsector

                1. Een nieuwe reserve voor crisissituaties in de landbouwsector, die moet voorzien in bijstand bij grote crises die de landbouwproductie of -distributie treffen, zal in rubriek 2 worden opgenomen, voor een bedrag van 2 800 miljoen EUR. De reserve zal worden gevormd door aan het begin van elk jaar met het mechanisme voor financiële discipline een reductie op de rechtstreekse betalingen toe te passen. Het bedrag van de reserve zal rechtstreeks in de jaarlijkse begroting worden opgenomen, en indien het niet voor crisismaatregelen beschikbaar wordt gesteld, als rechtstreekse betalingen worden terugbetaald.

                BEPALINGEN DIE RELEVANT ZIJN VOOR HET EFRO, HET ESF, HET COHESIE­FONDS, HET ELFPO EN HET EMVF

                Gemeenschappelijk strategisch kader

                1. Met het oog op een maximale effectiviteit en synergie zullen de structuurfondsen en het Cohesiefonds samen met het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EMVF) in een gemeenschappelijk strategisch kader worden ondergebracht. Hiertoe wordt een lijst opgesteld van thematische doelstellingen die aansluiten bij de Europa 2020-strategie.

                Macro-economische conditionaliteit

                1. Wanneer een nauwere band tussen het cohesiebeleid en het economisch bestuur van de Unie tot stand wordt gebracht, wordt daarmee gewaarborgd dat de doeltreffendheid van de uitgaven in het kader van de fondsen van het gemeenschappelijk strategisch kader (GSK) stoelt op gezond economisch beleid en dat de GSK-fondsen zo nodig kunnen worden herbestemd om het hoofd te bieden aan de economische problemen waarmee een land te kampen heeft. Om deze reden zal in de GSK-verordening worden voorzien in een geleidelijke macro-economische conditionaliteit.

                1. De Commissie kan een lidstaat verzoeken zijn partnerschapscontract en de betrokken programma's te evalueren en wijzigingen daarop voor te stellen wanneer dit nodig is om de uitvoering van relevante aanbevelingen van de Raad te ondersteunen of om het effect van GSK-fondsen op de groei in lidstaten die financiële bijstand van de Unie ontvangen, zo groot mogelijk te maken. Een dergelijk verzoek kan worden gedaan ter ondersteuning van de uitvoering van:

                a) aanbevelingen in het kader van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid;

                b) aanbevelingen in verband met werkgelegenheid;

                c) specifieke maatregelen ten aanzien van lidstaten van de eurozone overeenkomstig artikel 136, lid 1;

                d) aanbevelingen in het kader van de procedure bij buitensporige tekorten;

                e) aanbevelingen in het kader van de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden;

                f) steun van de Unie in het kader van het mechanisme voor financiële ondersteuning op middellange termijn van de betalingsbalansen van de lidstaten;

                g) steun van de Unie in het kader van het Europees financieel stabilisatiemechanisme;

                h) financiële bijstand in het kader van het Europees stabiliteitsmechanisme.

                1. Wanneer een lidstaat nalaat doeltreffend te reageren op een verzoek van de Commissie om zijn partnerschapscontract en de betrokken programma's te evalueren en wijzigingen daarop voor te stellen, kunnen de betalingen geheel of gedeeltelijk worden opgeschort.

                1. Wanneer wordt geconcludeerd dat een lidstaat ontoereikende maatregelen heeft genomen in het kader van:

                a) specifieke maatregelen ten aanzien van lidstaten van de eurozone overeenkomstig artikel 136, lid 1;

                b) de procedure bij buitensporige tekorten;

                c) de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden;

                d) een programma in het kader van het mechanisme voor financiële ondersteuning op middellange termijn van de betalingsbalansen van de lidstaten;

                e) een programma in het kader van het Europees financieel stabilisatiemechanisme;

                f) financiële bijstand in het kader van het Europees stabiliteitsmechanisme;

                worden de vastleggingen en betalingen geheel of gedeeltelijk opgeschort.

                1. Het voorstel om vastleggingen op te schorten wordt door de Commissie ingediend en zal worden geacht automatisch door de Raad te zijn vastgesteld, tenzij de Raad een voorstel in die zin binnen één maand met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen verwerpt. Het besluit om betalingen op te schorten wordt genomen door de Raad op voorstel van de Commissie. Besluiten over opschortingen zullen proportioneel en doeltreffend zijn, rekening houden met de economische en sociale omstandigheden van de betrokken lidstaat en het beginsel van gelijke behandeling van lidstaten eerbiedigen, met name wat het effect van de opschorting op de economie van de betrokken lidstaat betreft. Aan het opschorten van vastleggingen dient prioriteit te worden gegeven; betalingen dienen alleen te worden opgeschort wanneer men onmiddellijk wil optreden en in geval van niet-naleving.

                1. Voor het opschorten van vastleggingen wordt de methode van "dubbele plafonnering" toegepast.

                  • plafonnering op ten hoogste 50% van de GSK-fondsen bij het eerste geval van een buitensporigtekortprocedure (BTP) en op ten hoogste 25% van de GSK-fondsen bij het eerste geval van een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden (PBO). De opschorting moet geleidelijk oplopen tot ten hoogste 100% van de GSK-fondsen bij een buitensporigtekortprocedure en tot ten hoogste 50% van de GSK-fondsen bij een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden, naargelang van de ernst van de inbreuk.

                  • plafonnering op ten hoogste 0,5% van het nominale bbp bij een eerste inbreuk op een buitensporigtekortprocedure (BTP) overeenkomstig artikel 21, lid 6, onder b), van de GSK-verordening, en op ten hoogste 0,25% van het nominale bbp bij een eerste inbreuk in het kader van een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden (PBO) overeenkomstig artikel 21, lid 6, onder c), van de GSK-verordening. Indien de niet-naleving aanhoudt, dient het percentage van dit aan het bbp gerelateerde maximum geleidelijk te worden verhoogd tot ten hoogste 1% van het nominale bbp bij een verdere inbreuk op een buitensporigtekortprocedure (BTP) overeenkomstig artikel 21, lid 6, onder b), van de GSK-verordening, en tot ten hoogste 0,5% van het nominale bbp bij een verdere inbreuk op een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden (PBO) overeenkomstig artikel 21, lid 6, onder c), van de GSK-verordening, naargelang van de ernst van de inbreuk.

                1. Onverminderd de regels inzake vrijmaking zal de opschorting van vastleggingen door de Commissie worden beëindigd. Voor betalingen wordt het besluit tot intrekking van de opschorting genomen door de Raad op voorstel van de Commissie. Er worden weer fondsen voor de betrokken lidstaat beschikbaar gemaakt zodra deze de nodige actie onderneemt.

                1. Punt 79, is ten aanzien van punt 78, onder a), b), d) en e), en van punt 80, onder b) en c), niet van toepassing op het Verenigd Koninkrijk als gevolg van het aan het VEU en het VWEU gehechte Protocol (nr.15) (zie het verslag "de economische governance in de EU versterken" van de taskforce d.d. 21 oktober 2010).

                Prestatiereserve

                1. Alle lidstaten stellen een nationale prestatiereserve in voor het doel "investeren in groei en banen" van het cohesiebeleid, en voor het Elfpo en het Efmzv, bestaande uit 7% van hun eigen totale toewijzing, zodat gemakkelijker de nadruk kan worden gelegd op prestaties en het bereiken van de Europa 2020-doelstellingen. De aan een vastlegging verbonden bedragen die jaarlijks worden toegewezen aan een nationale prestatiereserve zijn vrijgesteld van de n+3-vrijmakingsregel zo lang de reserve niet is toe­gewezen. De toewijzing van de reserve zal gebeuren na de evaluatie van de prestaties in 2019.

                Voorfinancieringspercentages

                1. De voorfinancieringsbetaling bij de start van een programma waarborgt dat de lidstaat de middelen heeft om begunstigden al vanaf de aanvang van het programma steun te verlenen bij de uitvoering ervan. Derhalve moeten de volgende voorfinancieringspercentages gelden:

                De initiële voorfinanciering wordt in tranches uitgekeerd, en wel als volgt:

                a) in 2014: 1% van het steunbedrag uit de fondsen aan het operationele programma voor de gehele programmeringsperiode en 1,5% van het steunbedrag uit de fondsen aan het operationele programma voor de gehele programmeringsperiode indien een lidstaat sinds 2010 financiële bijstand heeft ontvangen op grond van artikel 122 of artikel 143 van het VWEU, of bijstand heeft ontvangen van de EFSF, of op 31 december 2013 financiële bijstand ontvangt op grond van artikel 136 en artikel 143;

                b) in 2015: 1% van het steunbedrag uit de fondsen aan het operationele programma voor de gehele programmeringsperiode en 1,5% van het steunbedrag uit de fondsen aan het operationele programma voor de gehele programmeringsperiode indien een lidstaat sinds 2010 financiële bijstand heeft ontvangen op grond van artikel 122 of artikel 143 van het VWEU, of bijstand heeft ontvangen van de EFSF, of op 31 december 2014 financiële bijstand ontvangt op grond van artikel 136 en artikel 143;

                c) in 2016: 1% van het steunbedrag uit de fondsen aan het operationele programma voor de gehele programmeringsperiode.

                Als een operationeel programma in 2015 of later wordt vastgesteld, worden de vroegere tranches in het jaar van vaststelling betaald.

                Verdere regelgeving

                1. Alle programma's worden onderworpen aan een vrijmakingsprocedure, op basis van het beginsel dat aan een vastlegging verbonden bedragen die niet binnen een periode van n+3 onder een voorfinanciering of een betalingsverzoek vallen, worden vrijgemaakt.

                Voor Roemenië en Slowakije verzoekt de Europese Raad de Commissie praktische oplossingen te zoeken om het gevaar van automatische vrijmaking van vastgelegde kredieten uit de nationale enveloppe 2007‑­2013 in te perken, onder meer door de wijziging van Verordening 1083/2006.

                Beoordeling

                1. Op de in punt 3 bedoelde basis zal de Raad Algemene Zaken om de twee jaar de toepassing en de resultaten van de GSK-fondsen bespreken en een bijdrage leveren tot de algehele beoordeling, tijdens de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad, van alle EU‑beleids­maatregelen en -instrumenten ten behoeve van groei en banen in de gehele Europese Unie.

                1. De Commissie zal projecten met subsidiabele kosten van meer dan 50 miljoen EUR (of 75 miljoen EUR in geval van vervoersprojecten) aan een uitvoeriger beoordeling vooraf onderwerpen om zich ervan te vergewissen dat zij stroken met het partnerschapscontract, bijdragen aan de verwezenlijking van het doel van het programma en vanuit economisch oogpunt gezond zijn.

                1. De Commissie en de lidstaten moeten aan het begin van de programmeringsperiode ambitieuze doelen overeenkomen. Die doelen moeten meetbaar zijn en financiële en resultaatsindicatoren omvatten. De Commissie maakt overeenkomstig punt 3 periodiek de balans op van de voortgang met het bereiken van die doelen, en brengt verslag uit aan de Raad en het Europees Parlement. Wanneer aantoonbaar is dat de overeengekomen doelen bij lange na niet worden bereikt, kan de Commissie financiële correcties toepassen.

                Toepassing van het concurrentiebeginsel bij het selecteren van de projecten

                1. De lidstaten moeten erop toezien dat het selecteren van de projecten geschiedt op grond van procedures en criteria die niet-discriminerend en transparant zijn en volledig stroken met het uniale en het nationale recht, zodat alleen de beste projecten worden uitgekozen.

                BTW

                1. De btw komt niet in aanmerking voor een bijdrage uit de GSK-fondsen of uit de 10 000 miljoen EUR die uit het Cohesiefonds naar de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen zijn overgedragen. De btw-bedragen zijn daarentegen subsidiabel indien zij niet kunnen worden teruggevorderd krachtens nationaal recht.

                RUBRIEK 3 - VEILIGHEID EN BURGERSCHAP

                1. De acties onder deze rubriek omvatten een gevarieerde reeks programma's waarin samenwerking op Unieniveau een meerwaarde genereert uit het oogpunt van veiligheid en burgerschap. Zij hebben onder meer betrekking op asiel en migratie, initiatieven inzake buiten­grenzen en interne veiligheid en maatregelen op het gebied van justitie. Bijzondere aandacht zal uitgaan naar eilandgemeenschappen die met onevenredig zware migratie­druk te kampen hebben. Onder deze rubriek vallen ook ondersteunende acties voor het bevorderen van deelname van de burgers in de Europese Unie, onder meer via cultuur, taal­verscheidenheid en de creatieve sector. Voorts vallen er maatregelen onder die de volks­gezondheid en de consumentenbescherming moeten bevorderen. Met eenvoudiger programma's zullen de acties op dit terrein voortaan efficiënter en effectiever kunnen worden uitgevoerd.

                Het niveau van de vastleggingen voor deze rubriek zal niet hoger zijn dan 15 686 miljoen EUR:

                RUBRIEK 3 - VEILIGHEID EN BURGERSCHAP

                (miljoen EUR - prijzen van 2011)

                2014

                2015

                2016

                2017

                2018

                2019

                2020

                2 053

                2 075

                2 154

                2 232

                2 312

                2 391

                2 469

                RUBRIEK 4 - EUROPA EN DE WERELD

                1. Extern beleid is een belangrijk actieterrein van de Unie; het is binnen het nieuwe institutionele kader van het Verdrag van Lissabon nog versterkt. Het MFK moet een fundament bieden voor het vaste voornemen van de Unie een actievere speler te worden op het wereldtoneel, met regionale en mondiale belangen en taken. Haar financieringsinstrumenten zullen de Unie hechter laten samenwerken met de partners, en haar tot steun zijn om de Uniewaarden buiten de grenzen beter uit te dragen, beleid in verband met de aanpak van wereldwijde problemen uit te stippelen, haar ontwikkelingssamenwerking meer effect te doen sorteren, te investeren in duurzame voorspoed en stabiliteit van de nabuurschapslanden van de EU, het uitbreidings­proces gaande te houden, de Europese solidariteit bij natuur- of door de mens veroorzaakte rampen te versterken, crisis­situaties beter te voorkomen en op te lossen, en klimaat­verandering te bestrijden. Op grond van objectieve criteria zal de steun aan partners waar nodig worden aangepast aan hun ontwikkelingssituatie en hun inzet en vorderingen met betrekking tot mensenrechten, democratie, de rechtsstaat en goed bestuur. Hiertoe zullen grotere flexibiliteit in rubriek 4 en efficiëntere toepassing in stelling worden gebracht.

                Het niveau van de vastleggingen voor deze rubriek zal niet hoger zijn dan 58 704 miljoen EUR:

                RUBRIEK 4 - EUROPA EN DE WERELD

                (miljoen EUR - prijzen van 2011)

                2014

                2015

                2016

                2017

                2018

                2019

                2020

                7 854

                8 083

                8 281

                8 375

                8 553

                8 764

                8 794

                1. Centrale prioriteit voor de lidstaten is dat gevolg wordt gegeven aan de formele toezegging in Unieverband uiterlijk in 2015 gezamenlijk 0,7% van hun bni te besteden aan officiële ontwikkelingshulp, en aldus een beslissende stap in de richting van de millennium­doelstellingen voor ontwikkeling te zetten. Met het oog hierop moet de Europese Unie er daarom naar streven dat in de periode 2014-2020 ten minste 90% van haar totale externe hulp kan worden aangemerkt als officiële ontwikkelingshulp volgens de huidige definitie van de Commissie voor ontwikkelingsbijstand (DAC) van de OESO.

                RUBRIEK 5 - ADMINISTRATIE

                1. Wil men de overheidsfinanciën op korte, middellange en lange termijn consolideren, dan zullen alle overheden en hun personeel een bijzondere inspanning moeten leveren om efficiënter en effectiever te gaan werken en zich aan te passen aan de veranderende economische context. Voor de uitgaven binnen deze rubriek moet rekening worden gehouden met het vermogen van de instellingen om hun taken uit hoofde van de Verdragen uit te voeren, met de toenemende wettelijke verplichtingen van de Unie en met de volgende uitbreiding van de Unie. Daarnaast dienen de EU-instellingen in staat te blijven een uitermate professionele en geografisch evenwichtige EU-administratie aan te trekken en in stand te houden.

                1. Het niveau van de vastleggingen voor deze rubriek zal niet hoger zijn dan 61 629 miljoen EUR:

                RUBRIEK 5 - ADMINISTRATIE

                (miljoen EUR - prijzen van 2011)

                2014

                2015

                2016

                2017

                2018

                2019

                2020

                8 281

                8 385

                8 589

                8 807

                9 007

                9 206

                9 417

                1. Binnen dit maximum zal het niveau van de administratieve uitgaven van de instellingen, exclusief de pensioenen en de Europese scholen, niet hoger liggen dan 49 798 miljoen EUR binnen het onderstaande submaximum:

                Submaximum administratieve uitgaven (exclusief pensioenen en Europese scholen)

                (miljoen EUR - prijzen van 2011)

                2014

                2015

                2016

                2017

                2018

                2019

                2020

                6 649

                6 791

                6 955

                7 110

                7 278

                7 425

                7 590

                1. Deze maxima omvatten de effecten van de volgende besparingen:

                1. een vermindering van het personeelsbestand van alle instellingen, organen en agentschappen/bureaus van de Unie en hun diensten met 5% in de periode 2013-2017. Dit wordt gecompenseerd door een verhoging van het aantal arbeidsuren van de personeelsleden zonder salarisaanpassing.

                1. verlaging van andere dan personeelsuitgaven, verdere hervormingen van het statuut en andere interne administratieve maatregelen.

                1. in het kader van de hervorming van het statuut, zullen de aanpassingen van de salarissen en pensioenen van al het personeel via de salarismethode voor twee jaar worden opgeschort.

                1. de hierboven bedoelde besparingen worden volgens een verdeelsleutel gelijkelijk over alle instellingen en de andere organen verdeeld en dit wordt bindend vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer. Iedere instelling, ieder orgaan of agentschap c.q. bureau dient ramingen van de uitgaven bij de jaarlijkse begrotingsprocedure in te dienen conform bovenstaande richtsnoeren. Ook met de evolutie van de kosten voor pensioenen zal in de hervorming van het Statuut rekening worden gehouden. In het kader van de hervorming van het statuut, zal de solidariteitsheffing opnieuw worden ingevoerd (nieuw percentage 6%) als onderdeel van de hervorming van de salarismethode. Die maatregelen zullen een aanzienlijk effect hebben op de kosten van de pensioenen op middellange en lange termijn.

                1. De bovengenoemde maxima zijn kaderstellend voor het medebeslissingsproces waarbij een besluit zal worden genomen over de concrete uitvoering van deze en andere door de Commissie voorgestelde maatregelen (zoals beperkingen in verband met vervroegde pensionering, de verhoging van de pensioenleeftijd en de methode voor het vaststellen van de jaarlijkse aanpassingen.

                HORIZONTALE KWESTIES - INSTRUMENTEN BUITEN HET MFK EN FLEXIBILITEIT

                1. Ter wille van de transparantie en de begrotingsdiscipline bevat het MFK in de regel alle uitgaven die door de Unie worden gefinancierd. Wegens hun specifieke karakter zullen het flexibiliteitsinstrument, het Solidariteitsfonds, het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, de reserve voor noodhulp en het Europees Ontwikkelingsfonds echter buiten het MFK vallen.

                1. De Unie moet in staat zijn te reageren op uitzonderlijke omstandigheden, van interne of externe aard. Tegelijk moet de behoefte aan flexibiliteit worden afgewogen tegen de vereiste begrotingsdiscipline en het beginsel dat de uitgaven van de Unie, met name het overeen­gekomen uitgavenniveau, transparant moeten zijn. Daarom wordt het volgende flexibiliteits­instrument in het MFK ingebouwd: binnen rubriek 2 wordt een nieuwe reserve voor crisis­situaties in de landbouwsector gevormd die moet voorzien in bijstand bij grote crises die de landbouwproductie of ‑distributie treffen.

                Flexibiliteitsinstrumenten worden gezien hun aard alleen ingezet als dat nodig is.

                1. Het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, dat ten doel heeft bij omvangrijke rampen financiële bijstand te verlenen, wordt verder buiten het MFK gefinancierd, voor een bedrag van ten hoogste 500 miljoen EUR per jaar (in prijzen van 2011).

                1. Het flexibiliteitsinstrument, waaruit duidelijk omschreven, onvoorziene uitgaven worden gefinancierd, wordt verder buiten het MFK gefinancierd, voor een bedrag van ten hoogste 471 miljoen EUR per jaar (in prijzen van 2011).

                1. De reserve voor noodhulp, die moet voorzien in capaciteit om snel te reageren op specifieke en onvoorziene behoeften aan hulp in derde landen (humanitaire operaties, civiele crisis­beheersing en civiele bescherming, migratiedruk) zal ook in de toekomst buiten het MFK gefinancierd worden, voor een bedrag van ten hoogste 280 miljoen EUR per jaar (in prijzen van 2011).

                1. Het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering wordt verder buiten het MFK gefinancierd, voor een bedrag van ten hoogste 150 miljoen EUR per jaar (in prijzen van 2011).

                1. Er zal een marge voor onvoorziene uitgaven van ten hoogste 0,03% van het bruto nationaal inkomen van de Unie buiten de maxima van het financieel kader voor de periode 2014‑2020 worden gevormd als laatste redmiddel om op onvoorziene omstandigheden te reageren. Het besluit om de marge voor onvoorziene uitgaven aan te spreken wordt gezamenlijk genomen door de beide takken van de begrotingsautoriteit. De Raad besluit daarbij met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. De marge voor onvoorziene uitgaven mag per jaar slechts worden aangesproken voor een maximumbedrag dat wordt vastgesteld in de jaarlijkse technische aanpassing van het MFK en dient binnen het plafond van de eigen middelen te blijven. De uit de marge voor onvoorziene uitgaven beschikbaar gestelde middelen worden volledig verrekend met de marges in een of meer rubrieken van het financieel kader voor het lopende begrotingjaar of voor toekomstige begrotingsjaren. De aldus verrekende middelen mogen niet binnen het financieel kader worden aangewend. Gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven mag niet leiden tot overschrijding van de totale maxima die in het meerjarig financieel kader voor de vastleggings- en betalingskredieten voor het lopende begrotingsjaar en voor toekomstige begrotingsjaren zijn vastgesteld.

                1. De EU-bijstand aan de ACS-landen wordt om historische en juridische redenen van oudsher buiten de Uniebegroting gefinancierd. In de huidige omstandigheden, met de Overeenkomst van Cotonou die in 2020 verstrijkt, blijft het EOF buiten het MFK 2014-2020. Er zij op gewezen dat de Commissie wil voorstellen om het EOF vanaf 2021 in de Uniebegroting op te nemen. Voor het EOF zal een totaalbedrag van 26 984 miljoen EUR beschikbaar zijn. De verdeelsleutel voor het 11e EOF staat in bijlage 2.

                1. Er zal op specifieke punten worden gezorgd voor maximale flexibiliteit met het oog op de naleving van artikel 323 VWEU, zodat de Unie haar verplichtingen kan nakomen. Dat zal een onderdeel vormen van het mandaat op basis waarvan het voorzitterschap de besprekingen met het Europees Parlement zal voeren overeenkomstig punt 11.

                Een grotere en betere rol voor de EIB

                1. Thans ondersteunt de EIB de groei al in aanzienlijke mate, bijvoorbeeld door leningen te verstrekken aan lidstaten die anders niet in staat zouden zijn tot medefinanciering voor de structuurfondsen, of door uitvoering te geven aan gezamenlijke financieringsinstrumenten. De rol van de EIB moet belangrijker worden gemaakt door:

                a) in een vroeg stadium van de gezamenlijk door de EU en de EIB gefinancierde projecten een beroep te doen op de deskundigheid van de EIB;

                b) ervoor te zorgen dat de projecten die EU-steun ontvangen, aan de EIB worden gemeld;

                c) de EIB, mede via JASPERS, bij de beoordeling vooraf van grote projecten te betrekken;

                d) de EIB waar passend bij activiteiten in verband met technische bijstand te betrekken.

                DEEL II: ONTVANGSTEN

                1. Als leidraad voor de eigenmiddelenregelingen moeten de algemene doelstellingen van eenvoudigheid, transparantie en billijkheid dienen. Het totale bedrag van de aan de Unie­begroting ter dekking van de jaarlijkse kredieten voor betalingen toegewezen eigen middelen mag niet hoger zijn dan 1,23% van de som van de bni's van alle lidstaten. De jaarlijks in de begroting van de Unie opgenomen kredieten voor vastleggingen mogen niet meer bedragen dan 1,29% van de som van de bni's van alle lidstaten. Er wordt een gepaste verhouding tussen de kredieten voor vastleggingen en voor betalingen in acht genomen om ervoor te zorgen dat zij verenigbaar zijn.

                1. Het nieuwe stelsel van eigen middelen van de Europese Unie treedt in werking op de eerste dag van de maand na de datum van ontvangst van de laatste van de kennisgevingen door de lidstaten betreffende de voltooiing van de voor de aanneming van het besluit vereiste procedures. Alle elementen van het besluit zijn met terugwerkende kracht van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

                Traditionele eigen middelen

                1. Er verandert niets aan het systeem voor de inning van de traditionele eigen middelen. Met ingang van 1 januari 2014 houden de lidstaten evenwel 20% van de door hen geïnde bedragen als inningskosten in.

                Btw-middelenbron

                1. De Europese Raad doet een beroep op de Raad om te blijven voortwerken aan het voorstel van de Commissie voor een nieuwe eigenmiddelenbron op basis van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) om die zo eenvoudig en transparant mogelijk te maken, het verband met het btw-beleid van de Unie en de feitelijke btw-inkomsten te versterken en een gelijke behandeling van de belastingbetalers in alle lidstaten te waarborgen. De nieuwe btw‑middelenbron zou de huidige kunnen vervangen.

                Bft-middelenbron

                1. De Raad heeft op 22 januari 2013 het besluit van de Raad houdende machtiging om een nauwere samenwerking aan te gaan op het gebied van belasting op financiële transacties vastgesteld. De deelnemende lidstaten wordt verzocht zich te beraden op de vraag of die belasting de basis voor een nieuwe eigenmiddelenbron voor de Uniebegroting kan vormen. Dit zal geen gevolgen hebben voor niet-deelnemende lidstaten en evenmin voor de berekening van de correctie ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk.

                Bni-middelenbron

                1. Er komt geen verandering in de methode voor de toepassing van een uniform percentage voor het bepalen van de bijdragen van de lidstaten aan de bestaande op het bruto nationaal inkomen (bni) gebaseerde eigenmiddelenbron, onverminderd de punten 115 en 118.

                Uitvoeringsverordening

                1. Er zal op basis van artikel 311, vierde alinea, van het VWEU een verordening tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen worden vastgesteld.

                Correcties

                1. Het bestaande correctiemechanisme ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk zal van toepassing blijven.

                Voor uitsluitend de periode 2014-2020 geldt het volgende:

                1. het afdrachtspercentage van de eigen middelen uit de btw voor Duitsland, Nederland en Zweden wordt vastgesteld op 0,15%;

                2. de jaarlijkse bni-bijdrage van Denemarken, Nederland en Zweden wordt verminderd met een brutobedrag van respectievelijk 130 miljoen EUR, 695 miljoen EUR en 185 miljoen EUR. Oostenrijk zal een bruto-vermindering van zijn jaarlijkse bni‑bijdrage genieten van 30 miljoen EUR in 2014, 20 miljoen EUR in 2015 en 10 miljoen EUR in 2016.

                ______________

                BIJLAGE I

                Figures and graphics available in PDF and WORD PROCESSED
                Figures and graphics available in PDF and WORD PROCESSED

                BIJLAGE II

                Verdeelsleutel voor het 11e Europees Ontwikkelingsfonds

                verdeelsleutel voor het 11e EOF

                BE

                3,25%

                BG

                0,22%

                CZ

                0,80%

                DK

                1,98%

                DE

                20,58%

                EE

                0,09%

                IE

                0,94%

                EL

                1,51%

                ES

                7,93%

                FR

                17,81%

                IT

                12,53%

                CY

                0,11%

                LV

                0,12%

                LT

                0,18%

                LU

                0,26%

                HU

                0,61%

                MT

                0,04%

                NL

                4,78%

                AT

                2,40%

                PL

                2,01%

                PT

                1,20%

                RO

                0,72%

                SI

                0,22%

                SK

                0,38%

                FI

                1,51%

                SE

                2,94%

                UK

                14,68%

                HR

                0,23%

                1 :

                De conclusies over de andere punten staan in document 3/13.

                2 :

                Onverminderd: Protocol nr. 4 betreffende de kerncentrale van Ignalina in Litouwen en Protocol nr. 9 betreffende reactor 1 en reactor 2 van de V1-kerncentrale van Bohunice in Slowakije, gehecht aan de Akte van toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 944) en het Protocol betreffende de voorwaarden en de nadere regels voor de toelating van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie.


              Side Bar

              My account

              Manage your searches and email notifications


              Help us improve our website