Navigation path

Left navigation

Additional tools

Het Hof verduidelijkt de regels betreffende het verblijfsrecht van derdelanders die familieleden van een burger van de Unie zijn, in de lidstaat van oorsprong van die burger

Court of Justice - CJE/14/32   12/03/2014

Other available languages: EN FR DE ES IT EL CS HU PL SK SL BG RO HR

Pers en Voorlichting

Hof van Justitie van de Europese Unie

PERSCOMMUNIQUÉ nr. 32/14

Luxemburg, 12 maart 2014

Arresten in de zaken C-456/12 en C-457/12

O., B., S. en G. / Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel

Het Hof verduidelijkt de regels betreffende het verblijfsrecht van derdelanders die familieleden van een burger van de Unie zijn, in de lidstaat van oorsprong van die burger

Richtlijn 2004/38/EG verleent burgers van de Unie alsmede hun familieleden het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten1. In dit verband heeft de Nederlandse Raad van State zich tot het Hof gewend met twee afzonderlijke verzoeken om een prejudiciële beslissing in vier zaken betreffende de weigering van de Nederlandse autoriteiten om een verblijfsrecht toe te kennen aan een derdelander die familielid is van een burger van de Unie met de Nederlandse nationaliteit.

Zaak C‑456/12: de situatie van O. en van B.

Zaak C‑456/12 betreft de weigering om een verblijfsrecht toe te kennen in een situatie waarin de burger van de Unie terugkeert naar de lidstaat van zijn nationaliteit na verblijven van korte duur met het betrokken familielid in een ander lidstaat.

O., die de Nigeriaanse nationaliteit heeft, is in 2006 gehuwd met een Nederlands staatsburger en heeft tussen 2007 en april 2010 in Spanje geleefd. In die periode heeft de echtgenote van O. twee maanden met haar echtgenoot in Spanje verbleven en heeft zij daar regelmatig haar vakanties met hem doorgebracht.

B., die de Marokkaanse nationaliteit bezit, heeft vanaf 2002 in Nederland samengewoond met zijn partner, die de Nederlandse nationaliteit bezit. In 2005 is hij in België gaan wonen in een door zijn partner gehuurd appartement. Deze heeft elk weekend doorgebracht bij B. in België. In april 2007 is B. naar Marokko vertrokken en in juli 2007 is hij gehuwd met de betrokken Nederlandse staatsburger.

Daar O. en B. familieleden zijn van burgers van de Unie, vraagt de verwijzende rechter zich af of het Unierecht, met name artikel 21 VWEU en richtlijn 2004/38, aan dergelijke derdelanders een verblijfsrecht toekent in de lidstaat waarvan de betrokken burgers de nationaliteit bezitten.

Het Hof brengt om te beginnen in herinnering dat artikel 21 VWEU en richtlijn 2004/38 geen autonome rechten verlenen aan derdelanders. De eventuele verblijfsrechten die aan die derdelanders worden verleend, zijn rechten die zijn afgeleid uit de uitoefening van het recht van vrij verkeer door een burger van de Unie.

Het Hof stelt vervolgens vast dat richtlijn 2004/38 geen afgeleid verblijfsrecht toekent aan een derdelander die familielid is van een burger van de Unie die verblijft in de lidstaat van zijn nationaliteit. Richtlijn 2004/38 is immers slechts van toepassing indien een burger zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit heeft.

Wat de vraag betreft of artikel 21 VWEU een dergelijk afgeleid verblijfsrecht verleent, zet het Hof uiteen dat de weigering om een afgeleid verblijfsrecht toe te kennen aan een familielid van een burger van de Unie, dat derdelander is, afbreuk kan doen aan het bij die Verdragsbepaling gewaarborgde recht van vrij verkeer van die burger. Een burger van de Unie zou er immers van kunnen worden weerhouden zijn lidstaat van oorsprong te verlaten, indien hij niet de zekerheid heeft dat hij bij terugkeer naar die lidstaat een gezinsleven dat hij in een andere lidstaat heeft opgebouwd of bestendigd, kan voortzetten. Een dergelijke belemmering doet zich evenwel alleen voor wanneer er sprake is van een daadwerkelijk verblijf in de gastlidstaat, dat wil zeggen wanneer is voldaan aan de bepalingen van richtlijn 2004/38 inzake een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden.

Daaruit volgt dat wanneer een burger van de Unie, krachtens en onder eerbiediging van de bepalingen van richtlijn 2004/38 inzake een verblijfsrecht van meer dan drie maanden, daadwerkelijk in een andere lidstaat heeft verbleven en daarbij in die lidstaat een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd, de nuttige werking van artikel 21 VWEU vereist dat het in de gastlidstaat geleide gezinsleven kan worden voortgezet wanneer de burger terugkeert naar zijn lidstaat van oorsprong. Dit impliceert dat in een dergelijke situatie een afgeleid verblijfsrecht wordt toegekend aan het familielid dat derdelander is.

De voorwaarden voor toekenning van een dergelijk afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 21 VWEU mogen in beginsel niet strenger zijn dan die welke richtlijn 2004/38 stelt voor de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan een derdelander die familielid is van een burger van de Unie die zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend door zich te vestigen in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit heeft. Hoewel richtlijn 2004/38 niet ziet op het geval waarin een burger van de Unie terugkeert naar de lidstaat van zijn nationaliteit, moet zij immers naar analogie worden toegepast, daar het ook in dat geval de burger van de Unie is die de referentiepersoon is voor de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan een derdelander die familielid is van deze burger.

Wat de vraag betreft of door het cumulatieve effect van verschillende verblijven van korte duur in de gastlidstaat aan een familielid dat derdelander is, een afgeleid verblijfsrecht kan toekomen wanneer de burger van de Unie terugkeert naar zijn lidstaat van oorsprong, brengt het Hof in herinnering dat alleen een verblijf dat voldoet aan de bepalingen van richtlijn 2004/38 inzake een verblijf van meer dan drie maanden, bij terugkeer een afgeleid verblijfsecht doet ontstaan. Het Hof beklemtoont dat verblijven van korte duur (zoals weekends of vakanties die worden doorgebracht in een andere lidstaat dan die waarvan de burger van de Unie de nationaliteit bezit), zelfs samengenomen, niet aan deze voorwaarde voldoen.

Het Hof stelt bovendien vast dat B. de hoedanigheid van familielid van een burger van de Unie pas heeft verkregen na het verblijf van zijn partner in de gastlidstaat. Een derdelander die, althans gedurende een deel van zijn verblijf in de gastlidstaat, niet de hoedanigheid van familielid van een burger van de Unie had, kon in dat land geen afgeleid verblijfsrecht krachtens richtlijn 2004/38 genieten. In die omstandigheden kan de derdelander zich niet op artikel 21 VWEU beroepen om een afgeleid verblijfsrecht te verkrijgen wanneer de burger van de Unie terugkeert naar de lidstaat van zijn nationaliteit.

Op basis van het voorgaande verklaart het Hof voor recht dat in een situatie waarin een burger van de Unie, krachtens en onder eerbiediging van de bepalingen van richtlijn 2004/38 inzake een verblijfsrecht van meer dan drie maanden, met een derdelander een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd tijdens een daadwerkelijk verblijf in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, deze richtlijn naar analogie van toepassing is wanneer deze burger van de Unie met het betrokken familielid terugkeert naar zijn lidstaat van oorsprong.

Zaak C-457/12: de situatie van S. en van G.

Net als zaak C‑456/12 betreft zaak C‑457/12 de weigering van de Nederlandse autoriteiten om een verblijfsrecht toe te kennen aan een familielid van Nederlandse staatsburgers. Anders dan in zaak C‑456/12 hebben de betrokken burgers van de Unie echter niet met een familielid verbleven in een andere lidstaat dan die waarvan zij de nationaliteit bezitten.

S. heeft de Oekraïense nationaliteit. Zij wenst te kunnen verblijven bij haar schoonzoon, die de Nederlandse nationaliteit heeft. S betoogt dat zij voor haar kleinzoon zorgt. Haar schoonzoon woont in Nederland maar begeeft zich in het kader van zijn arbeid in loondienst voor een Nederlandse werkgever minstens een keer per week naar België.

G., die de Peruaanse nationaliteit heeft, is in 2009 gehuwd met een Nederlands staatsburger. Laatstgenoemde woont in Nederland, maar werkt in loondienst voor een Belgisch bedrijf. In het kader van dit werk reist hij dagelijks heen en weer tussen Nederland en België.

In deze context wenst de Raad van State in wezen te vernemen of het Unierecht een afgeleid verblijfsrecht verleent aan een derdelander die familielid is van een burger van de Unie, wanneer de burger woont in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, maar zich in het kader van zijn beroepsactiviteiten regelmatig naar een andere lidstaat begeeft.

Het Hof bevestigt dat burgers van de Unie in situaties als aan de orde in zaak C‑457/12 binnen de werkingssfeer van het bij artikel 45 VWEU gewaarborgde vrije verkeer van werknemers vallen. Elke burger van de Unie die in het kader van een arbeidsovereenkomst beroepsactiviteiten verricht in een andere lidstaat dan die van zijn nationaliteit, valt immers binnen de werkingssfeer van die bepaling.

Het Hof zet vervolgens uiteen dat het voor de nuttige werking van het recht van vrij verkeer van werknemers nodig kan zijn dat op grond van artikel 45 VWEU een afgeleid verblijfsrecht wordt toegekend aan een derdelander die familielid is van de werknemer die burger van de Unie is, in de lidstaat waarvan laatstgenoemde de nationaliteit bezit.

Het staat aldus aan de verwijzende rechter om in elk van de situaties die in zaak C‑457/12 aan de orde zijn, na te gaan of de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan de betrokken derdelander die familielid is van een burger van de Unie, noodzakelijk is om te garanderen dat laatstgenoemde de rechten die hij aan artikel 45 VWEU ontleent, daadwerkelijk kan uitoefenen. Volgens het Hof kan de omstandigheid dat de betrokken derdelander voor het kind van de burger van de Unie zorgt, een relevant gegeven vormen bij de beoordeling of de weigering om aan die derdelander een verblijfsrecht toe te kennen de betrokken burger van de Unie ervan kan weerhouden om de rechten die hij aan artikel 45 VWEU ontleent, daadwerkelijk uit te oefenen. Het loutere feit dat het wenselijk zou kunnen lijken dat de zorg voor het kind wordt geboden door de derdelander die een rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn is van de echtgenoot van de burger van de Unie, volstaat op zich echter niet opdat de burger wordt weerhouden in bovenbedoelde zin.

Artikel 45 VWEU verleent dus aan een familielid van een burger van de Unie, dat derdelander is, een afgeleid verblijfsrecht in de lidstaat waarvan die burger de nationaliteit heeft, wanneer die burger in die lidstaat woont, maar zich als werknemer in de zin van die bepaling regelmatig naar een andere lidstaat begeeft, indien de weigering om een dergelijk verblijfsrecht toe te kennen de betrokken werknemer ervan weerhoudt de rechten die hij aan artikel 45 VWEU ontleent, daadwerkelijk uit te oefenen. Het staat aan de nationale rechter om dit na te gaan.

NOTA BENE: De prejudiciële verwijzing biedt de rechterlijke instanties van de lidstaten de mogelijkheid, in het kader van een bij hen aanhangig geding aan het Hof vragen te stellen over de uitlegging van het recht van de Unie of over de geldigheid van een handeling van de Unie. Het Hof beslecht het nationale geding niet. De nationale rechterlijke instantie dient het geding af te doen overeenkomstig de beslissing van het Hof. Deze beslissing bindt op dezelfde wijze de andere nationale rechterlijke instanties die kennis dienen te nemen van een soortgelijk probleem.

Voor de media bestemd niet-officieel stuk, dat het Hof van Justitie niet bindt.

De volledige tekst van het arrest is op de dag van de uitspraak te vinden op de website CURIA.

Contactpersoon voor de pers: Stefaan Van der Jeught (+352) 4303 2170

1 :

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 (PB L 158, blz. 77, en rectificatie PB L 229, blz. 35).


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website