Navigation path

Left navigation

Additional tools

Other available languages: EN FR DE ES IT EL PL SL BG RO HR

Pers en Voorlichting

Hof van Justitie van de Europese Unie

PERSCOMMUNIQUÉ nr. 24/14

Luxemburg, 27 februari 2014

Arrest in zaak C‑79/13

Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers/Saciri e.a.

De aan asielzoekers toegekende uitkering moet hen in staat stellen, in voorkomend geval huisvesting op de particuliere huurmarkt te vinden

De uitkering mag worden betaald door instellingen die onder het stelsel van openbare hulpverlening vallen, mits die instellingen de Unierechtelijke minimumnormen inzake opvangvoorzieningen eerbiedigen

Op 11 oktober 2010 heeft het gezin Saciri in België een asielverzoek ingediend. Diezelfde dag heeft het Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers („Fedasil”) het gezin Saciri meegedeeld dat het geen opvangstructuur kon toewijzen en hen naar het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn („OCMW”) van Diest doorverwezen. Aangezien het gezin Saciri geen huisvesting had kunnen verkrijgen, heeft het zich tot de particuliere huurmarkt gewend. Omdat het de huur niet kon betalen, heeft het gezin bij het OCMW een aanvraag tot financiële steun ingediend, die is afgewezen op grond dat het gezin Saciri in een door Fedasil beheerde opvangstructuur moest worden opgevangen.

De Belgische rechterlijke instanties hebben Fedasil daarop veroordeeld tot het toekennen van opvang aan het gezin Saciri (wat Fedasil op 21 januari 2011 heeft gedaan) en tot betaling aan het gezin Saciri van ongeveer 3 000 EUR voor het tijdvak van drie maanden tijdens hetwelk Fedasil hun geen opvang had kunnen bieden. Een richtlijn van de Unie1 bepaalt namelijk dat, wanneer huisvesting (als een van de materiële opvangvoorzieningen) niet in natura wordt verstrekt, deze in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen moet worden verstrekt. Met betrekking tot het tijdvak tijdens hetwelk het gezin Saciri geen huisvesting in natura heeft genoten en evenmin een uitkering heeft ontvangen die volstond om huur te betalen (oktober 2010 tot en met januari 2011), hebben Fedasil en het gezin Saciri bij het Arbeidshof te Brussel (België) hoger beroep ingesteld. Dat hof heeft vervolgens verschillende prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voorgelegd.

In de eerste plaats wenst de verwijzende rechter te vernemen (a) of een lidstaat die de materiële opvangvoorzieningen verstrekt in de vorm van een uitkering (en niet in natura) verplicht is die uitkering toe te kennen vanaf de indiening van het asielverzoek, en (b) of de lidstaat zich ervan moet vergewissen dat het bedrag van die uitkering de asielzoeker in staat stelt huisvesting te vinden. In dat verband brengt het Hof in herinnering dat de periode waarin de materiële opvangvoorzieningen moeten worden verstrekt, aanvangt bij de indiening van het asielverzoek, zoals blijkt uit de bewoordingen, de algemene opzet en het doel van richtlijn.

Voorts leidt het Hof uit de richtlijn af dat de toegekende uitkering moet volstaan om asielzoekers een menswaardige levensstandaard te bieden die toereikend is om hun gezondheid te verzekeren en de asielzoekers bestaansmiddelen te waarborgen, met dien verstande dat de lidstaat de opvangvoorzieningen moet aanpassen aan de specifieke behoeften van de aanvraag teneinde met name de eenheid van het gezin te bewaren en rekening te houden met het belang van het kind (het bedrag van de uitkering moet dus van dien aard zijn dat minderjarige kinderen bij hun ouders kunnen worden gehuisvest). Wanneer de huisvesting niet in natura wordt verstrekt, moet de uitkering, in voorkomend geval, volstaan om de asielzoeker in staat te stellen huisvesting te vinden op de particuliere huurmarkt. Asielzoekers kunnen evenwel geen huisvesting naar hun gading kiezen.

De verwijzende rechter vraagt zich tevens af of de lidstaten, in geval van verzadiging van de opvangstructuren, de asielzoekers mogen doorverwijzen naar instellingen die onder het algemene stelsel van openbare hulpverlening vallen. In dat verband oordeelt het Hof dat voor de betaling van de uitkering een beroep mag worden gedaan op dergelijke instellingen, mits die instellingen ervoor zorgen dat de in de richtlijn neergelegde minimumnormen ten aanzien van de asielzoekers worden geëerbiedigd. Anders gezegd, de verzadiging van het opvangnetwerk kan niet rechtvaardigen dat op enigerlei wijze van die normen wordt afgeweken.

NOTA BENE: De prejudiciële verwijzing biedt de rechterlijke instanties van de lidstaten de mogelijkheid, in het kader van een bij hen aanhangig geding aan het Hof vragen te stellen over de uitlegging van het recht van de Unie of over de geldigheid van een handeling van de Unie. Het Hof beslecht het nationale geding niet. De nationale rechterlijke instantie dient het geding af te doen overeenkomstig de beslissing van het Hof. Deze beslissing bindt op dezelfde wijze de andere nationale rechterlijke instanties die kennis dienen te nemen van een soortgelijk probleem.

Voor de media bestemd niet-officieel stuk, dat het Hof van Justitie niet bindt.

De volledige tekst van het arrest is op de dag van de uitspraak te vinden op de website CURIA.

Contactpersoon voor de pers: Stefaan Van der Jeught (+352) 4303 2170

Beelden van de uitspraak van het arrest zijn beschikbaar via "Europe by Satellite" (+32) 2 2964106

1 :

Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (PB L 31, blz. 18).


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website