Navigation path

Left navigation

Additional tools

Other available languages: EN FR DE ES IT PT EL CS HU PL SK SL BG RO

Pers en Voorlichting

Hof van Justitie van de Europese Unie

PERSCOMMUNIQUÉ nr. 87/13

Luxemburg, 11 juli 2013

Conclusie van de advocaat-generaal in de gevoegde zaken C‑199/12, C‑200/12, C‑201/12

X, Y, Z / Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel

Asielzoekers die stellen wegens hun homoseksuele gerichtheid te worden vervolgd kunnen volgens advocaat-generaal Sharpston een „specifieke sociale groep” naar EU vluchtelingenrecht vormen

Hoewel de strafbaarstelling van homoseksuele activiteiten in het land van herkomst niet noodzakelijkerwijs een daad van vervolging vormt, moeten de nationale autoriteiten onderzoeken of een bepaalde asielzoeker gevaar loopt het slachtoffer van dergelijke daden te worden

X, Y en Z zijn onderdanen van respectievelijk Sierra Leone, Oeganda en Senegal. Deze drie mannen zijn homoseksueel en vragen in Nederland asiel aan waarbij zij stellen dit te doen wegens gegronde vrees voor vervolging in hun land van herkomst uit hoofde van hun homoseksuele gerichtheid. In alle drie de landen vormen homoseksuele handelingen strafbare feiten die tot ernstige bestraffingen, van zware boetes tot (soms levenslange) gevangenisstraf, kunnen leiden.

Volgens een Europese richtlijn1, die naar de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag2 verwijst, kan een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees niet wil inroepen, aanspraak maken op de vluchtelingenstatus. Daartoe moeten deze daden van vervolging zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending van de grondrechten van de mens vormen.

De Nederlandse Raad van State, die de zaak in laatste aanleg behandelt, heeft het Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing over drie vragen betreffende de beoordeling van asielaanvragen krachtens het bepaalde in de richtlijn. De Raad vraagt het Hof of onderdanen van derde landen die homoseksueel zijn een specifieke sociale groep in de zin van de richtlijn vormen. Voorts vraagt de Raad hoe nationale autoriteiten dienen na te gaan wat binnen deze context een daad van vervolging ten aanzien van homoseksuele activiteiten vormt en of er sprake is van vervolging indien deze activiteiten in het land van herkomst van de verzoeker strafbaar zijn gesteld, met de mogelijkheid van oplegging van gevangenisstraf.

In haar conclusie van vandaag geeft advocaat-generaal Eleanor Sharpston het Hof in overweging allereerst te verklaren dat afhankelijk van de omstandigheden in hun land van herkomst asielzoekers met een homoseksuele gerichtheid een specifieke sociale groep in de zin van de richtlijn kunnen vormen. Volgens haar blijkt uit de bewoordingen van de richtlijn dat de Uniewetgever op niet mis te verstane wijze heeft willen aangeven dat personen die seksuele gerichtheid als kenmerk delen inderdaad tot een specifieke sociale groep kunnen behoren. Vervolgens staat het aan de nationale rechter om vast te stellen of een dergelijke groep in het land van herkomst van de betrokken verzoeker een „eigen identiteit” heeft „omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd”.

Volgens advocaat-generaal Sharpston vormt de loutere strafbaarstelling van homoseksuele activiteiten niet noodzakelijkerwijs een daad van vervolging in de zin van de richtlijn. De bevoegde nationale autoriteiten moeten veeleer bepalen of een bepaalde asielzoeker gevaar loopt het slachtoffer te worden hetzij van handelingen die zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormen van de grondrechten, hetzij van een samenstel van zulke maatregelen, waaronder schendingen van mensenrechten, dat voldoende ernstig is om de verzoeker op een soortgelijke wijze te treffen. Tegen de achtergrond van de omstandigheden in het land van herkomst van de verzoeker moeten de nationale autoriteiten rekening houden met het risico en de frequentie van vervolging, de zwaarte van de bij veroordeling normaliter opgelegde straf en andere maatregelen en sociale praktijken waaraan de asielzoeker in redelijkheid kan vrezen te worden blootgesteld.

In de context van de vraag of de strafbaarstelling van het invulling geven aan een homoseksuele gerichtheid een daad van vervolging vormt, is de advocaat-generaal ten slotte van mening dat de richtlijn geen onderscheid maakt naargelang deze gerichtheid in het openbaar dan wel in de privésfeer wordt ingevuld. Bovendien kan volgens de advocaat-generaal van een asielzoeker niet worden verwacht dat hij zich terughoudend gedraagt of zijn seksuele gerichtheid verbergt om vervolging in zijn land van herkomst te vermijden. Voorts betoogt zij dat de suggestie om een onderscheid te maken tussen verschillende wijzen van invulling van iemands seksuele gerichtheid of zelfs uitingen die geen seksuele handelingen of uitdrukkingen van genegenheid zijn, uitmondt in willekeur. Wanneer ten slotte de beweerde daden van vervolging in het land van herkomst zowel homoseksuelen als heteroseksuelen betreffen, staat het aan de nationale autoriteiten om te onderzoeken of de verzoeker specifiek gevaar loopt het slachtoffer te worden van daden van vervolging of van een samenstel van verschillende maatregelen die zo ernstig zijn van aard of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending van grondrechten vormen.

NOTA BENE: De conclusie van de advocaat-generaal bindt het Hof van Justitie niet. De advocaten-generaal hebben tot taak, in volledige onafhankelijkheid het Hof een juridische oplossing te bieden voor het concrete geschil. De rechters van het Hof beginnen vandaag met de beraadslagingen over het arrest, dat op een latere datum zal worden gewezen.

NOTA BENE: De prejudiciële verwijzing biedt de rechterlijke instanties van de lidstaten de mogelijkheid, in het kader van een bij hen aanhangig geding aan het Hof vragen te stellen over de uitlegging van het recht van de Unie of over de geldigheid van een handeling van de Unie. Het Hof beslecht het nationale geding niet. De nationale rechterlijke instantie dient het geding af te doen overeenkomstig de beslissing van het Hof. Deze beslissing bindt op dezelfde wijze de andere nationale rechterlijke instanties die kennis dienen te nemen van een soortgelijk probleem.

Voor de media bestemd niet-officieel stuk, dat het Hof van Justitie niet bindt.

De volledige tekst van de conclusie is op de dag van de uitspraak te vinden op de website CURIA.

Contactpersoon voor de pers: Stefaan Van der Jeught (+352) 4303 2170

1 :

Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB 2004, L 304, blz. 12).

2 :

Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (United Nations Treaty Series, Vol. 189, blz. 150, nr. 2545 (1954)), in werking getreden op 22 april 1954. Het Verdrag is aangevuld en gewijzigd bij het Protocol betreffende de status van vluchtelingen, vastgesteld te New York op 31 januari 1967 en in werking getreden op 4 oktober 1967.


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website