Chemin de navigation

Left navigation

Additional tools

Autres langues disponibles: FR EN DE ES IT EL CS HU PL SK

Pers en Voorlichting

Hof van Justitie van de Europese Unie

PERSCOMMUNIQUÉ nr. 80/13

Luxemburg, 27 juni 2013

Arrest in de gevoegde zaken C‑457/11 tot en met C‑460/11

Verwertungsgesellschaft Wort (VG Wort) /

Kyocera, Epson Deutschland GmbH, Xerox GmbH, Canon Deutschland GmbH

en

Fujitsu Technology Solutions GmbH, Hewlett-Packard GmbH / VG Wort

De vergoeding voor de reproductie van beschermde werken kan worden geheven over de verhandeling van een printer of een computer

De lidstaten beschikken over een ruime beoordelingsmarge om te bepalen wie de schuldenaar is van deze vergoeding die tot doel heeft de auteurs schadeloos te stellen voor de zonder hun toestemming gemaakte reproductie van hun werk

Volgens het Unierecht1 kennen de lidstaten auteurs en houders van naburige rechten in beginsel het exclusieve recht toe om de reproductie van hun werken of ander beschermd materiaal toe te staan of te verbieden. De lidstaten kunnen evenwel beperkingen of uitzonderingen maken op dat exclusieve recht. Zo kunnen zij met name toestaan: i) het kopiëren voor privégebruik en ii) de reproductie op papier of een soortgelijke drager, met behulp van een fotografische techniek of een andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert. Een lidstaat die van deze mogelijkheid gebruik maakt, moet er echter voor zorgen dat de houders van het auteursrecht een „billijke compensatie” ontvangen. Daarmee wordt beoogd de auteurs schadeloos te stellen voor de zonder hun toestemming gemaakte reproductie van hun beschermde werken.

Het Bundesgerichtshof (federaal Hof, Duitsland) is verzocht geschillen te beslechten over de billijke compensatie voor de reproductie van beschermde werken middels een keten van apparaten, waaronder met name een printer en een pc, hoofdzakelijk wanneer deze apparaten met elkaar zijn verbonden. In het kader van deze gedingen vordert VG Wort, de collectieve beheersorganisatie voor auteursrechten die auteurs en uitgevers van literaire werken in Duitsland vertegenwoordigt, dat de ondernemingen Canon, Epson, Fujitsu, Hewlett-Packard, Kyocera en Xerox worden veroordeeld om haar inlichtingen te verstrekken over de hoeveelheden en de aard van de sinds 2001 door hen verkochte printers. Voorts vordert VG Wort dat wordt vastgesteld dat Kyocera, Epson en Xerox haar een vergoeding moeten betalen in de vorm van een heffing op tussen 2001 en 2007 in Duitsland verhandelde pc’s, printers en/of plotters. In deze context heeft het Bundesgerichtshof zich tot het Hof van Justitie gewend opdat dit een uitlegging geeft van de relevante Unierechtelijke bepalingen.

In zijn arrest van heden antwoordt het Hof dat het begrip „reproductie met behulp van een fotografische techniek of een andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert” reproducties omvat die worden vervaardigd met een printer en een pc, wanneer deze apparaten met elkaar zijn verbonden. In dat geval staat het de lidstaten vrij een systeem in te stellen waarin de billijke compensatie wordt voldaan door degenen die beschikken over een apparaat dat op niet-autonome wijze bijdraagt tot de één geheel vormende werkwijze voor de reproductie van het werk of ander beschermd materiaal op de gegeven drager, voor zover die personen de mogelijkheid hebben de kosten van de heffing af te wentelen op hun klanten, met dien verstande dat het totale bedrag van de billijke compensatie die verschuldigd is als vergoeding van de door de auteur ten gevolge van die één geheel vormende werkwijze geleden schade, niet wezenlijk mag verschillen van het bedrag dat is vastgesteld voor de reproductie die middels één enkel apparaat wordt verkregen.

Bovendien stelt het Hof vast dat een eventuele handeling waarbij de rechthebbende de reproductie van zijn werk of ander beschermd materiaal heeft toegestaan, niet van invloed is op de billijke compensatie.

Het Hof preciseert voorts dat het verzuim om gebruik te maken van technische voorzieningen ter voorkoming of beperking van reproductie zonder toestemming, de billijke vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik niet kan doen vervallen. De toepassing van die technische voorzieningen door de rechthebbenden geschiedt immers vrijwillig. Niettemin staat het de betrokken lidstaat vrij om de concrete omvang van de compensatie ervan afhankelijk te stellen of dergelijke technische voorzieningen al dan niet zijn toegepast, zodat de rechthebbenden daadwerkelijk worden aangemoedigd deze te treffen en aldus vrijwillig bijdragen tot de correcte toepassing van de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik.

Ten slotte antwoordt het Hof dat de relevante regeling – een richtlijn die op 22 juni 2001 in werking is getreden en die de lidstaten uiterlijk 22 december 2002 in het nationale recht moesten omzetten – niet van toepassing is op de gebruikmaking van werken en ander beschermd materiaal die vóór die datum heeft plaatsgevonden.

NOTA BENE: De prejudiciële verwijzing biedt de rechterlijke instanties van de lidstaten de mogelijkheid, in het kader van een bij hen aanhangig geding aan het Hof vragen te stellen over de uitlegging van het recht van de Unie of over de geldigheid van een handeling van de Unie. Het Hof beslecht het nationale geding niet. De nationale rechterlijke instantie dient het geding af te doen overeenkomstig de beslissing van het Hof. Deze beslissing bindt op dezelfde wijze de andere nationale rechterlijke instanties die kennis dienen te nemen van een soortgelijk probleem.

Voor de media bestemd niet-officieel stuk, dat het Hof van Justitie niet bindt.

De volledige tekst van het arrest is op de dag van de uitspraak te vinden op de website CURIA.

Contactpersoon voor de pers: Stefaan Van der Jeught (+352) 4303 2170

1 :

Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10).


Side Bar

Mon compte

Gérez vos recherches et notifications par email


Aidez-nous à améliorer ce site