Navigation path

Left navigation

Additional tools

Het decreet van de Vlaamse Gemeenschap dat voorschrijft dat alle arbeidsovereenkomsten met een grensoverschrijdend karakter in het Nederlands moeten worden opgesteld, maakt inbreuk op het vrije verkeer van werknemers

Court of Justice - CJE/13/46   16/04/2013

Other available languages: EN FR DE ES IT EL CS HU PL SK

Pers en Voorlichting

Hof van Justitie van de Europese Unie

PERSCOMMUNIQUÉ nr. 46/13

Luxemburg, 16 april 2013

Arrest in zaak C-202/11

Anton Las / PSA Antwerp NV

Het decreet van de Vlaamse Gemeenschap dat voorschrijft dat alle arbeidsovereenkomsten met een grensoverschrijdend karakter in het Nederlands moeten worden opgesteld, maakt inbreuk op het vrije verkeer van werknemers

In de bijzondere context van een overeenkomst met een grensoverschrijdend karakter is een dergelijke taalverplichting onevenredig aan de door België aangevoerde doelstellingen (bescherming van een nationale taal, bescherming van de werknemers en effectief toezicht door de nationale autoriteiten)

In België schrijft een decreet van de Vlaamse Gemeenschap voor dat met name arbeidsovereenkomsten tussen werknemers en werkgevers van wie de exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied is gelegen, in het Nederlands moeten worden opgesteld. Wanneer die taalverplichting niet wordt nageleefd, is de arbeidsovereenkomst nietig, maar dit berokkent geen nadeel aan de werknemer en laat de rechten van derden onverlet.

Anton Las, een Nederlands staatsburger die in Nederland woont, is in 2004 als „Chief Financial Officer” in dienst getreden van PSA Antwerp, een vennootschap die te Antwerpen (België) is gevestigd maar deel uitmaakt van een multinationale groep die haar zetel heeft te Singapore. De in het Engels opgestelde arbeidsovereenkomst bepaalde dat Las zijn beroepsactiviteiten in België uitoefende.

In 2009 werd Las middels een in het Engels opgestelde brief ontslagen door de onderneming PSA Antwerp, die hem een op basis van de arbeidsovereenkomst berekende opzeggingsvergoeding heeft betaald. Las heeft zich tot de Arbeidsrechtbank (België) gewend met het betoog dat de arbeidsovereenkomst nietig was omdat het Vlaams taaldecreet was geschonden. Hij heeft met name een hogere opzeggingsvergoeding gevorderd overeenkomstig het Belgische arbeidsrecht.

De Belgische rechter wenst van het Hof van Justitie te vernemen of het Vlaams taaldecreet inbreuk maakt op het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Unie, voor zover het een in het Nederlandse taalgebied gelegen onderneming op straffe van door de rechter ambtshalve aan te voeren nietigheid verplicht om alle documenten over de arbeidsrelatie op te stellen in het Nederlands wanneer zij een werknemer in dienst neemt voor een baan met een grensoverschrijdend karakter.

In zijn vandaag gewezen arrest merkt het Hof om te beginnen op dat de betrokken overeenkomst binnen de werkingssfeer van het recht van vrij verkeer van werknemers valt, aangezien zij is gesloten tussen een in Nederland wonend Nederlands staatsburger en een op Belgisch grondgebied gevestigde onderneming. Bovendien kan het beginsel van vrij verkeer niet alleen door een werknemer maar ook door een werkgever worden ingeroepen. Het Hof merkt op dat de bepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers in hun geheel beogen het gemakkelijker te maken, op het grondgebied van de Unie een beroep uit te oefenen, en in de weg staan aan maatregelen die de burgers van de Unie zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen verrichten.

Het Hof stelt vast dat bij de opstelling van arbeidsovereenkomsten met een grensoverschrijdend karakter die worden gesloten door werkgevers die hun exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied van België hebben, alleen de Nederlandse taal rechtsgeldig is. Bijgevolg vormt een dergelijke regeling, die een afschrikkende werking kan hebben voor niet-Nederlandstalige werknemers en werkgevers, een beperking van het vrije verkeer van werknemers.

Het Hof brengt in herinnering dat een dergelijke beperking slechts gerechtvaardigd is indien zij een doel van algemeen belang nastreeft, geschikt is om de verwezenlijking daarvan te waarborgen, en strikt evenredig is.

Met betrekking tot de door de Belgische regering aangevoerde rechtvaardigingsgronden merkt het Hof op dat het Unierecht zich er niet tegen verzet dat een beleid wordt gevoerd tot bescherming en stimulering van de officiële taal of van een van de officiële talen van een lidstaat. De Unie eerbiedigt immers haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal. Zij eerbiedigt tevens de nationale identiteit van haar lidstaten, en daartoe behoort ook de bescherming van de officiële taal of talen van deze staten.

Het Hof onderzoekt eveneens de door België aangevoerde doelstellingen van de sociale bescherming van de werknemers, die erin bestaat hen in staat te stellen om in hun eigen taal kennis te nemen van de sociale documenten en om aanspraak te maken op effectieve bescherming door de representatieve werknemersorganisaties en de nationale autoriteiten, alsook van de doeltreffendheid van de controle en het toezicht door de sociale inspectie. Het Hof erkent dat die doelstellingen dwingende redenen van algemeen belang vormen die een beperking van het vrije verkeer van werknemers kunnen rechtvaardigen.

Uit het bestreden decreet blijkt evenwel dat de sanctie op schending van de verplichting om elke arbeidsovereenkomst tussen een werknemer en een in het Nederlandse taalgebied gevestigde werkgever in het Nederlands op te stellen, bestaat in de door de rechter ambtshalve vast te stellen nietigheid van deze overeenkomst, met dien verstande dat de vaststelling van de nietigheid geen nadeel mag berokkenen aan de werknemer en de rechten van derden onverlet dient te laten.

De partijen bij een arbeidsovereenkomst met een grensoverschrijdend karakter beheersen evenwel niet noodzakelijkerwijs het Nederlands. In een dergelijke situatie verlangt de vorming van een vrije wilsovereenstemming tussen de partijen dat zij de overeenkomst kunnen opstellen in een andere taal dan de officiële taal van die lidstaat. Bovendien zou, vervolgt het Hof, een regeling die zou voorzien in de mogelijkheid om naast de versie in het Nederlands ook een rechtsgeldige versie op te stellen in een door alle betrokken partijen begrepen taal, minder ingrijpen in het vrije verkeer van werknemers, maar toch geschikt zijn om de doelstellingen van een dergelijke regeling te waarborgen. Bijgevolg gaat het bestreden decreet volgens het Hof verder dan strikt noodzakelijk is voor het bereiken van de aangevoerde doelstellingen, en is het niet evenredig.

In die omstandigheden oordeelt het Hof dat het bestreden decreet, dat iedere werkgever die zijn exploitatiezetel in Vlaanderen heeft, de verplichting oplegt om op straffe van nietigheid elke arbeidsovereenkomst met een grensoverschrijdend karakter uitsluitend in het Nederlands op te stellen, in strijd is met het Unierecht.

NOTA BENE: De prejudiciële verwijzing biedt de rechterlijke instanties van de lidstaten de mogelijkheid, in het kader van een bij hen aanhangig geding aan het Hof vragen te stellen over de uitlegging van het recht van de Unie of over de geldigheid van een handeling van de Unie. Het Hof beslecht het nationale geding niet. De nationale rechterlijke instantie dient het geding af te doen overeenkomstig de beslissing van het Hof. Deze beslissing bindt op dezelfde wijze de andere nationale rechterlijke instanties die kennis dienen te nemen van een soortgelijk probleem.

Voor de media bestemd niet-officieel stuk, dat het Hof van Justitie niet bindt.

De volledige tekst van het arrest is op de dag van de uitspraak te vinden op de website CURIA.

Contactpersoon voor de pers: Stefaan Van der Jeught (+352) 4303 2170

Beelden van de uitspraak van het arrest zijn beschikbaar via "Europe by Satellite" (+32) 2 2964106


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website